Rechtbank Den Haag
ECLI:NL:RBDHA:2026:29052
2026-09-30
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
NL26.49165
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen
Inhoudsindicatie
AMbV Frankrijk, buiten zitting, overname, medische klachten, discretionaire bevoegdheid, beroep ongegrond.
Citeert (3)
- ECLI:NL:RVS:2025:3623 Raad van State 31-07-2025
- ECLI:NL:RVS:2025:4854 Raad van State 09-10-2025
- ECLI:EU:C:2017:127
Geciteerd door (0)
- geen
Volledige tekst
Volledige tekst (10.660 tekens)
RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Middelburg
Bestuursrecht
zaaknummer: NL26.49165
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[eiser] , eiser,
V-nummer: [V-nummer]
(gemachtigde: mr. P.R. Klaver),
en
de minister van Asiel en Migratie, verweerder.
Procesverloop
Met het besluit van 19 augustus 2026 (het bestreden besluit) heeft verweerder de asielaanvraag van eiser niet in behandeling genomen omdat Frankrijk verantwoordelijk wordt geacht voor de behandeling daarvan.
Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.
De rechtbank doet op grond van artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) uitspraak zonder zitting.
Beoordeling door de rechtbank
1. Eiser heeft gesteld dat hij is geboren op [geboortedag] 1993 in Koeweit en dat hij staatloos is. Hij heeft op 17 mei 2026 een asielaanvraag ingediend in Nederland.
2. Uit onderzoek in EU-VIS is gebleken dat Frankrijk aan eiser een visum heeft verleend dat geldig is van 3 maart 2026 tot en met 26 maart 2026. Verweerder heeft daarom op grond van artikel 12, vierde lid, van de Dublinverordening de Franse autoriteiten verzocht om eiser over te nemen. Frankrijk heeft dit verzoek op deze grondslag op 7 augustus 2026 geaccepteerd.
Toepasselijk recht
3. Met ingang van 12 juni 2026 is de Asiel- en Migratiebeheerverordening (AMbV) in werking getreden. De Dublinverordening is per diezelfde datum ingetrokken. Als overgangsmaatregel is bepaald dat welke lidstaat verantwoordelijk is voor de behandeling van een verzoek om internationale bescherming dat vóór 12 juni 2026 is geregistreerd, wordt bepaald volgens de in de Dublinverordening vastgelegde criteria. Hiermee wordt verwezen naar Hoofdstuk III van de Dublinverordening, “Criteria voor het aanwijzen van de verantwoordelijke lidstaat.” Voor het overige is de AMbV van toepassing. Voor wat betreft de omvang van de rechterlijke toetsing betekent dit dat deze op grond van artikel 43 van de AMbV is beperkt tot de onderdelen die zijn genoemd in het eerste lid van die bepaling.
Motivering bestreden besluit
4. Het asielverzoek van eiser is geregistreerd vóór de inwerkingtreding van de AMbV, zodat de vraag welke lidstaat verantwoordelijk is, wordt bepaald volgens de in de Dublinverordening vastgelegde criteria. In het bestreden besluit is de vaststelling dat Frankrijk de verantwoordelijke lidstaat is, gebaseerd op artikel 12, vierde lid, van de Dublinverordening.
5. Verweerder heeft het bestreden besluit voor het overige gebaseerd op de AMbV. Verweerder neemt verder het standpunt in dat ten aanzien van Frankrijk moet worden uitgegaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel en dat eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij in Frankrijk een reëel risico loopt op ernstige schade. Eiser heeft niet aannemelijk gemaakt dat Frankrijk zich tegenover eiser niet houdt aan zijn internationale verplichtingen en dat staatlozen zoals eiser geen bescherming krijgen in Frankrijk. Eisers gestelde medische problemen zijn niet met stukken onderbouwd en bovendien is niet aannemelijk gemaakt dat Frankrijk zijn medische problemen niet zou kunnen behandelen.
Beroepsgronden
6. Eiser voert aan dat uit door hem overgelegde stukken blijkt dat hij medische en psychische problemen heeft en dat verweerder daarnaar onvoldoende onderzoek heeft gedaan. Verweerder heeft onvoldoende individueel getoetst aan artikel 3 van het EVRM en artikel 4 van het Handvest. Hij stelt dat ook de overdracht zelf en de mogelijke onderbreking van noodzakelijke medische zorg moet worden beoordeeld, zo nodig na advies van het BMA of een andere medisch deskundige. Eiser wijst op zijn kwetsbaarheid, mede in verband met de in Frankrijk opgedane negatieve ervaringen. Tot slot stelt eiser dat verweerder zijn discretionaire bevoegdheid had moeten gebruiken om eisers asielaanvraag toch in behandeling te nemen. Subsidiair voert eiser aan dat eisers omstandigheden onverkort moeten worden betrokken bij de toetsing aan artikel 4 van het Handvest.
Beoordeling beroepsgronden
7. Niet in geschil is dat Frankrijk in beginsel verantwoordelijk is voor de behandeling van het asielverzoek van eiser. Eiser heeft verder niet betwist dat ten aanzien van Frankrijk van het interstatelijk vertrouwensbeginsel mag worden uitgegaan.
8. In beroep heeft eiser alsnog bewijsstukken overgelegd van zijn medische klachten. Het betreft onder meer stukken die zien op zijn medische behandeling in Koeweit, alsook rapportage van GZA en een brief van een cardioloog van het Albert Schweitzerziekenhuis van 26 augustus 2026. Eiser wijst op psychische klachten, rugklachten, diabetes type 2, en hartklachten. De brief van de cardioloog bevestigt dat eiser hartklachten heeft, dat hij daarvoor medicatie krijgt en dat hij na 12 maanden poliklinisch moet worden behandeld.
9. Verweerder hanteert terecht als uitgangspunt dat ten aanzien van Frankrijk het interstatelijk vertrouwensbeginsel geldt. Dat betekent ook dat ervan mag worden uitgegaan dat Frankrijk de noodzakelijke medische behandeling zal bieden aan asielzoekers.
10. Uit het CK-arrest moet echter worden afgeleid dat niet kan worden uitgesloten dat de overdracht van een asielzoeker met een bijzonder slechte gezondheidstoestand een reëel risico op onmenselijke of vernederende behandeling in de zin van artikel 4 van het Handvest kan inhouden, ongeacht de kwaliteit van de opvang en de zorg die aanwezig zijn in de lidstaat die verantwoordelijk is voor de behandeling van zijn verzoek. Het gaat dan om de situatie waarin de overdracht van een asielzoeker met een ernstige mentale of lichamelijke aandoening een reëel en bewezen risico op een aanzienlijke en onomkeerbare achteruitgang van de gezondheidstoestand van die asielzoeker zou inhouden. Het ligt op de weg van de asielzoeker om met medische stukken aannemelijk te maken dat de overdracht een aanzienlijke en onomkeerbare achteruitgang van zijn gezondheidstoestand tot gevolg heeft.
11. Uit de door eiser overgelegde stukken blijkt wel dat eiser voor veel van zijn klachten medicatie ontvangt en dat hij onder medisch-specialistische behandeling staat van een cardioloog. De stukken bieden echter geen aanknopingspunten voor de conclusie dat overdracht aan Frankrijk zou kunnen leiden tot een aanzienlijk en onomkeerbare achteruitgang van eisers gezondheidstoestand. Eiser wordt daarom niet gevolgd in zijn standpunt dat verweerder zelf nader onderzoek moet verrichten naar de medische gevolgen van de overdracht aan Frankrijk. Het uitgangspunt is immers, gelet op CK-arrest, dat de bewijslast bij eiser ligt. Dat verweerder zelf onderzoek moet verrichten naar de continuïteit van de (voortzetting van de) medische behandeling in Frankrijk, wordt evenmin gevolgd. Verweerder heeft er terecht op gewezen dat eisers medische gegevens bij overdracht kunnen worden gedeeld met Frankrijk als eiser daarvoor toestemming geeft.
12. De rechterlijke toetsing beperkt zich tot de onderdelen die zijn genoemd in artikel 43 van de AMbV. Dit betekent dat de rechtbank geen oordeel geeft over de vraag of verweerder toepassing had moeten geven aan zijn discretionaire bevoegdheid om eisers asielaanvraag wél in behandeling te nemen. Eisers subsidiaire stelling dat al eisers omstandigheden moeten worden betrokken bij de toetsing aan artikel 4 van het Handvest, kan geen doel treffen omdat eiser niet heeft uitgelegd welke omstandigheden verweerder niet of onvoldoende heeft betrokken bij de vraag of eisers overdracht een reëel risico oplevert op schending van artikel 4 van het Handvest.
Conclusie en gevolgen
13. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat eiser geen gelijk krijgt. Eiser krijgt ook geen vergoeding van zijn proceskosten.
Beslissing
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is op 30 september 2026 gedaan door mr. B.F.Th. de Roos, rechter, in aanwezigheid van mr. A.S.J.I. Hendrickx, griffier, en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
De uitspraak is bekendgemaakt op:
Informatie over verzet
Als partijen het niet eens zijn met deze uitspraak, kunnen zij een verzetschrift sturen naar de rechtbank waarin zij uitleggen waarom zij het niet eens zijn met deze uitspraak. Het verzetschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Als partijen graag een zitting willen om het verzetschrift toe te lichten, moeten zij dit in het verzetschrift vermelden.
Verordening (EU) nr. 604/2013.
Verordening (EU) nr. 2024/1351.
Artikel 85 van de AMbV, in samenhang met artikel 10 van corrigendum (EU) 2025/90929.
Artikel 83 van de AMbV, in samenhang met artikel 6 van corrigendum (EU) 2025/90929.
Artikel 84, tweede lid, van de AMbV, in samenhang met artikel 8 van corrigendum (EU) 2025/90929.
De draagwijdte van het rechtsmiddel is beperkt tot een beoordeling of: (a) de overdracht voor de betrokken persoon een reëel risico op onmenselijke of vernederende behandeling zou inhouden in
de zin van artikel 4 van het Handvest van de grondrechten; (b) er sprake is van omstandigheden na het overdrachtsbesluit die bepalend zijn voor de juiste toepassing van deze verordening; (c) inbreuk is gemaakt op de artikelen 25 tot en met 28 en artikel 34, in het geval van op grond van artikel 36, lid 1,
punt a), overgenomen personen.
Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden.
Handvest van de grondrechten van de Europese Unie.
Het Bureau Medische Advisering van verweerder.
Gezondheidszorg Asielzoekers.
Zie daarvoor ook de rechtspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, onder meer de uitspraken van 31 juli 2025, ECLI:NL:RVS:2025:3623, en 9 oktober 2025, ECLI:NL:RVS:2025:4854.
Arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 16 februari 2017, ECLI:EU:C:2017:127.
Handvest van de grondrechten van de Europese Unie.
Artikel 50 van de AMbV.
Zittingsplaats Middelburg
Bestuursrecht
zaaknummer: NL26.49165
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[eiser] , eiser,
V-nummer: [V-nummer]
(gemachtigde: mr. P.R. Klaver),
en
de minister van Asiel en Migratie, verweerder.
Procesverloop
Met het besluit van 19 augustus 2026 (het bestreden besluit) heeft verweerder de asielaanvraag van eiser niet in behandeling genomen omdat Frankrijk verantwoordelijk wordt geacht voor de behandeling daarvan.
Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.
De rechtbank doet op grond van artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) uitspraak zonder zitting.
Beoordeling door de rechtbank
1. Eiser heeft gesteld dat hij is geboren op [geboortedag] 1993 in Koeweit en dat hij staatloos is. Hij heeft op 17 mei 2026 een asielaanvraag ingediend in Nederland.
2. Uit onderzoek in EU-VIS is gebleken dat Frankrijk aan eiser een visum heeft verleend dat geldig is van 3 maart 2026 tot en met 26 maart 2026. Verweerder heeft daarom op grond van artikel 12, vierde lid, van de Dublinverordening de Franse autoriteiten verzocht om eiser over te nemen. Frankrijk heeft dit verzoek op deze grondslag op 7 augustus 2026 geaccepteerd.
Toepasselijk recht
3. Met ingang van 12 juni 2026 is de Asiel- en Migratiebeheerverordening (AMbV) in werking getreden. De Dublinverordening is per diezelfde datum ingetrokken. Als overgangsmaatregel is bepaald dat welke lidstaat verantwoordelijk is voor de behandeling van een verzoek om internationale bescherming dat vóór 12 juni 2026 is geregistreerd, wordt bepaald volgens de in de Dublinverordening vastgelegde criteria. Hiermee wordt verwezen naar Hoofdstuk III van de Dublinverordening, “Criteria voor het aanwijzen van de verantwoordelijke lidstaat.” Voor het overige is de AMbV van toepassing. Voor wat betreft de omvang van de rechterlijke toetsing betekent dit dat deze op grond van artikel 43 van de AMbV is beperkt tot de onderdelen die zijn genoemd in het eerste lid van die bepaling.
Motivering bestreden besluit
4. Het asielverzoek van eiser is geregistreerd vóór de inwerkingtreding van de AMbV, zodat de vraag welke lidstaat verantwoordelijk is, wordt bepaald volgens de in de Dublinverordening vastgelegde criteria. In het bestreden besluit is de vaststelling dat Frankrijk de verantwoordelijke lidstaat is, gebaseerd op artikel 12, vierde lid, van de Dublinverordening.
5. Verweerder heeft het bestreden besluit voor het overige gebaseerd op de AMbV. Verweerder neemt verder het standpunt in dat ten aanzien van Frankrijk moet worden uitgegaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel en dat eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij in Frankrijk een reëel risico loopt op ernstige schade. Eiser heeft niet aannemelijk gemaakt dat Frankrijk zich tegenover eiser niet houdt aan zijn internationale verplichtingen en dat staatlozen zoals eiser geen bescherming krijgen in Frankrijk. Eisers gestelde medische problemen zijn niet met stukken onderbouwd en bovendien is niet aannemelijk gemaakt dat Frankrijk zijn medische problemen niet zou kunnen behandelen.
Beroepsgronden
6. Eiser voert aan dat uit door hem overgelegde stukken blijkt dat hij medische en psychische problemen heeft en dat verweerder daarnaar onvoldoende onderzoek heeft gedaan. Verweerder heeft onvoldoende individueel getoetst aan artikel 3 van het EVRM en artikel 4 van het Handvest. Hij stelt dat ook de overdracht zelf en de mogelijke onderbreking van noodzakelijke medische zorg moet worden beoordeeld, zo nodig na advies van het BMA of een andere medisch deskundige. Eiser wijst op zijn kwetsbaarheid, mede in verband met de in Frankrijk opgedane negatieve ervaringen. Tot slot stelt eiser dat verweerder zijn discretionaire bevoegdheid had moeten gebruiken om eisers asielaanvraag toch in behandeling te nemen. Subsidiair voert eiser aan dat eisers omstandigheden onverkort moeten worden betrokken bij de toetsing aan artikel 4 van het Handvest.
Beoordeling beroepsgronden
7. Niet in geschil is dat Frankrijk in beginsel verantwoordelijk is voor de behandeling van het asielverzoek van eiser. Eiser heeft verder niet betwist dat ten aanzien van Frankrijk van het interstatelijk vertrouwensbeginsel mag worden uitgegaan.
8. In beroep heeft eiser alsnog bewijsstukken overgelegd van zijn medische klachten. Het betreft onder meer stukken die zien op zijn medische behandeling in Koeweit, alsook rapportage van GZA en een brief van een cardioloog van het Albert Schweitzerziekenhuis van 26 augustus 2026. Eiser wijst op psychische klachten, rugklachten, diabetes type 2, en hartklachten. De brief van de cardioloog bevestigt dat eiser hartklachten heeft, dat hij daarvoor medicatie krijgt en dat hij na 12 maanden poliklinisch moet worden behandeld.
9. Verweerder hanteert terecht als uitgangspunt dat ten aanzien van Frankrijk het interstatelijk vertrouwensbeginsel geldt. Dat betekent ook dat ervan mag worden uitgegaan dat Frankrijk de noodzakelijke medische behandeling zal bieden aan asielzoekers.
10. Uit het CK-arrest moet echter worden afgeleid dat niet kan worden uitgesloten dat de overdracht van een asielzoeker met een bijzonder slechte gezondheidstoestand een reëel risico op onmenselijke of vernederende behandeling in de zin van artikel 4 van het Handvest kan inhouden, ongeacht de kwaliteit van de opvang en de zorg die aanwezig zijn in de lidstaat die verantwoordelijk is voor de behandeling van zijn verzoek. Het gaat dan om de situatie waarin de overdracht van een asielzoeker met een ernstige mentale of lichamelijke aandoening een reëel en bewezen risico op een aanzienlijke en onomkeerbare achteruitgang van de gezondheidstoestand van die asielzoeker zou inhouden. Het ligt op de weg van de asielzoeker om met medische stukken aannemelijk te maken dat de overdracht een aanzienlijke en onomkeerbare achteruitgang van zijn gezondheidstoestand tot gevolg heeft.
11. Uit de door eiser overgelegde stukken blijkt wel dat eiser voor veel van zijn klachten medicatie ontvangt en dat hij onder medisch-specialistische behandeling staat van een cardioloog. De stukken bieden echter geen aanknopingspunten voor de conclusie dat overdracht aan Frankrijk zou kunnen leiden tot een aanzienlijk en onomkeerbare achteruitgang van eisers gezondheidstoestand. Eiser wordt daarom niet gevolgd in zijn standpunt dat verweerder zelf nader onderzoek moet verrichten naar de medische gevolgen van de overdracht aan Frankrijk. Het uitgangspunt is immers, gelet op CK-arrest, dat de bewijslast bij eiser ligt. Dat verweerder zelf onderzoek moet verrichten naar de continuïteit van de (voortzetting van de) medische behandeling in Frankrijk, wordt evenmin gevolgd. Verweerder heeft er terecht op gewezen dat eisers medische gegevens bij overdracht kunnen worden gedeeld met Frankrijk als eiser daarvoor toestemming geeft.
12. De rechterlijke toetsing beperkt zich tot de onderdelen die zijn genoemd in artikel 43 van de AMbV. Dit betekent dat de rechtbank geen oordeel geeft over de vraag of verweerder toepassing had moeten geven aan zijn discretionaire bevoegdheid om eisers asielaanvraag wél in behandeling te nemen. Eisers subsidiaire stelling dat al eisers omstandigheden moeten worden betrokken bij de toetsing aan artikel 4 van het Handvest, kan geen doel treffen omdat eiser niet heeft uitgelegd welke omstandigheden verweerder niet of onvoldoende heeft betrokken bij de vraag of eisers overdracht een reëel risico oplevert op schending van artikel 4 van het Handvest.
Conclusie en gevolgen
13. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat eiser geen gelijk krijgt. Eiser krijgt ook geen vergoeding van zijn proceskosten.
Beslissing
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is op 30 september 2026 gedaan door mr. B.F.Th. de Roos, rechter, in aanwezigheid van mr. A.S.J.I. Hendrickx, griffier, en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
De uitspraak is bekendgemaakt op:
Informatie over verzet
Als partijen het niet eens zijn met deze uitspraak, kunnen zij een verzetschrift sturen naar de rechtbank waarin zij uitleggen waarom zij het niet eens zijn met deze uitspraak. Het verzetschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Als partijen graag een zitting willen om het verzetschrift toe te lichten, moeten zij dit in het verzetschrift vermelden.
Verordening (EU) nr. 604/2013.
Verordening (EU) nr. 2024/1351.
Artikel 85 van de AMbV, in samenhang met artikel 10 van corrigendum (EU) 2025/90929.
Artikel 83 van de AMbV, in samenhang met artikel 6 van corrigendum (EU) 2025/90929.
Artikel 84, tweede lid, van de AMbV, in samenhang met artikel 8 van corrigendum (EU) 2025/90929.
De draagwijdte van het rechtsmiddel is beperkt tot een beoordeling of: (a) de overdracht voor de betrokken persoon een reëel risico op onmenselijke of vernederende behandeling zou inhouden in
de zin van artikel 4 van het Handvest van de grondrechten; (b) er sprake is van omstandigheden na het overdrachtsbesluit die bepalend zijn voor de juiste toepassing van deze verordening; (c) inbreuk is gemaakt op de artikelen 25 tot en met 28 en artikel 34, in het geval van op grond van artikel 36, lid 1,
punt a), overgenomen personen.
Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden.
Handvest van de grondrechten van de Europese Unie.
Het Bureau Medische Advisering van verweerder.
Gezondheidszorg Asielzoekers.
Zie daarvoor ook de rechtspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, onder meer de uitspraken van 31 juli 2025, ECLI:NL:RVS:2025:3623, en 9 oktober 2025, ECLI:NL:RVS:2025:4854.
Arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 16 februari 2017, ECLI:EU:C:2017:127.
Handvest van de grondrechten van de Europese Unie.
Artikel 50 van de AMbV.