Rechtbank Den Haag
ECLI:NL:RBDHA:2026:28826
2026-09-30
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
NL26.34020
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen
Inhoudsindicatie
Dublin. Beroep ongegrond.
Citeert (3)
- ECLI:NL:RVS:2025:5661 Raad van State 25-11-2025
- ECLI:NL:RVS:2024:4852 Raad van State 27-11-2024
- ECLI:NL:RVS:2024:5359 Raad van State 23-12-2024
Geciteerd door (0)
- geen
Volledige tekst
Volledige tekst (12.450 tekens)
RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Rotterdam
Bestuursrecht
zaaknummer: NL26.34020
[eiser] , V-nummer: [v-nummer] , eiser
(gemachtigde: mr. M. Khababi),
en
de minister van Asiel en Migratie, verweerder
(gemachtigde: mr. S. Imami).
Procesverloop
In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen het niet in behandeling nemen van de aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. Verweerder heeft de aanvraag met het bestreden besluit van 11 juni 2026 niet in behandeling genomen omdat Spanje verantwoordelijk is voor de aanvraag.
Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. Hij heeft verder de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen.
De rechtbank heeft het beroep op 17 september 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, [naam waarnemer] als waarnemer van de gemachtigde van eiser en de gemachtigde van verweerder. Als tolk is [naam tolk] verschenen.
Overwegingen
Inleiding
1. Eiser stelt de Soedanese nationaliteit te hebben en te zijn geboren op [geboortedatum] 2001. Hij heeft zijn asielaanvraag in Nederland op 11 maart 2026 ingediend.
2. Uit onderzoek in Eurodac is gebleken dat eiser op 17 januari 2026 via Spanje het Dublingebied is ingereisd. Eiser deed dit binnen 12 maanden voordat hij in Nederland asiel heeft aangevraagd. Nederland heeft op 10 april 2026 aan Spanje verzocht om eiser over te nemen op grond van artikel 13, eerste lid, van Verordening (EU) nr. 604/2013 (Dublinverordening). Spanje heeft dit verzoek op 14 april 2026 aanvaard op grond van artikel 13, eerste lid, van de Dublinverordening.
Het bestreden besluit
3. Met het bestreden besluit heeft verweerder de asielaanvraag van eiser met toepassing van artikel 30, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) niet in behandeling genomen omdat Spanje op grond van de Dublinverordening verantwoordelijk is voor de behandeling daarvan. Verweerder stelt zich op het standpunt dat eiser niet aannemelijk heeft gemaakt hij bij overdracht aan Spanje een reëel risico loopt op een met artikel 4 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie (Handvest) en artikel 3 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) strijdige behandeling. Ook heeft eiser volgens verweerder geen andere redenen aannemelijk gemaakt die aanleiding geven om zijn asielaanvraag in Nederland in behandeling te nemen.
Beroepsgronden van eiser
4. Eiser voert aan dat verweerder onvoldoende heeft onderzocht of voor eiser daadwerkelijk toegang bestaat tot de noodzakelijke medische en psychische zorg in Spanje. Eiser lijdt aan ernstige psychische klachten. Hij is sociaal geïsoleerd, eet minder, slaapt slecht, heeft concentratie- en geheugenproblemen en ervaart suïcidale gedachten. Daarnaast is eiser getraumatiseerd doordat hij heeft moeten meemaken dat zijn zus in Soedan voor zijn ogen werd vermoord. De herinneringen aan deze gebeurtenis veroorzaken ernstige psychische spanningen en sombere gedachten. Ook heeft eiser in Spanje een beenbreuk opgelopen. Volgens eiser heeft hij deze klachten in Spanje kenbaar gemaakt, maar werd hem medegedeeld dat geen hulp kon worden geboden omdat hij geen bewijs van zijn klachten zou hebben. Op basis van de ervaringen van eiser in Spanje had verweerder nader moeten onderzoeken of eiser daadwerkelijk toegang tot zorg in Spanje heeft. Ook voert eiser aan dat verweerder had moeten beoordelen of een overdracht van eiser aan Spanje een onevenredig risico oplevert vanwege zijn ernstige psychische klachten en zijn onbehandeld gebleven lichamelijke klachten. Verder voert eiser aan dat verweerder had moeten beoordelen of aanleiding bestaat om gebruik te maken van de discretionaire bevoegdheden van artikel 17 van de Dublinverordening, gelet op de bijzondere, individuele omstandigheden van eiser.
Beoordeling door de rechtbank
Interstatelijk vertrouwensbeginsel
5. De rechtbank stelt voorop dat bij de toepassing van de Dublinverordening het uitgangspunt is dat verweerder mag uitgaan van het vermoeden dat lidstaten bij de behandeling van asielzoekers hun internationale verplichtingen zullen nakomen (het interstatelijk vertrouwensbeginsel). De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) heeft in onder meer de uitspraak van 25 november 2025 (ECLI:NL:RVS:2025:5661) geoordeeld dat verweerder ten aanzien van Spanje van het interstatelijk vertrouwensbeginsel mag uitgaan. Dit vermoeden is weerlegbaar. Het is aan eiser om met concrete aanwijzingen aannemelijk te maken dat hij bij overdracht aan Spanje, als gevolg van het niet nakomen van internationale verplichtingen door de Spaanse autoriteiten, een reëel risico loopt op een met artikel 3 van het EVRM en artikel 4 van het Handvest strijdige behandeling. Dit kan eiser doen met landeninformatie en/of aan de hand van verklaringen over zijn eigen ervaringen. Van een schending van artikel 3 van het EVRM of artikel 4 van het Handvest zal, in geval eiser aannemelijk maakt dat er sprake is van tekortkomingen in het asiel- en opvangsysteem, eerst sprake zijn indien die tekortkomingen structureel zijn en een bijzonder hoge drempel van zwaarwegendheid bereiken (zie punt 91-93 van het arrest Jawo).
5.1
Naar het oordeel van de rechtbank is eiser niet in zijn bewijslast geslaagd. Eiser stelt dat hij problemen heeft ondervonden in Spanje, omdat hij geen toegang had tot de noodzakelijke zorg voor zijn medische problematiek. Deze niet onderbouwde stelling acht de rechtbank onvoldoende. Eiser voert aan dat er uiteindelijk wel gereageerd is op zijn herhaalde verzoeken om medische hulp, maar dat eiser deze medische hulp niet passend of adequaat vond. Hiermee heeft eiser onvoldoende toegelicht op welke wijze de toegang tot de zorg hem is ontzegd, nu er wel zorg is aangeboden. Wat betreft de medische voorzieningen mag verweerder ervan uitgaan dat de medische voorzieningen in Spanje van vergelijkbare kwaliteit zijn en dat deze voorzieningen ter beschikking staan van eiser. Eiser heeft zijn medische dossier overgelegd, waaruit volgt dat hij lijdt aan PTSS en suïcidale gedachten heeft. Dat eiser in Nederland inmiddels bezig is met het verkrijgen van psychische hulp en hij op een wachtlijst zal worden geplaatst voor verdere behandeling, maakt dit oordeel niet anders. Daar komt bij dat Spanje met het claimakkoord heeft gegarandeerd dat de asielaanvraag van eiser zal worden behandeld en dat de Spaanse autoriteiten zich zullen houden aan de internationale verplichtingen. Indien eiser problemen ondervindt met betrekking tot de opvang of zorg, kan hij hierover klagen bij de Spaanse autoriteiten. Niet is gebleken dat eiser dit heeft gedaan dan wel dat de Spaanse autoriteiten eiser niet willen of kunnen helpen.
5.2.
De beroepsgrond slaagt niet.
Arrest C.K.
6. Uit het arrest C.K. volgt dat wanneer een asielzoeker objectieve gegevens over legt die de bijzondere ernst van de gezondheidstoestand en ook de aanzienlijke en onomkeerbare gevolgen aantonen waartoe een overdracht zou kunnen leiden, verweerder bij het nemen van het overdrachtsbesluit moet beoordelen wat het risico is dat die gevolgen zich voordoen.
6.1.
Eiser voert aan dat een overdracht aan Spanje zou leiden tot een reëel risico op een aanzienlijke verslechtering van zijn psychische gezondheid. In dit kader wijst eiser in de eerste plaats op het AIDA-rapport over Spanje (update mei 2026), waaruit volgens eiser volgt dat er geen gespecialiseerde medische centra voor asielzoekers met ernstige traumatisering zijn en er onvoldoende opvangplaatsen voor personen met psychische problematiek beschikbaar zijn. In de tweede plaats wijst eiser op zijn medisch dossier.
6.2.
Naar het oordeel van de rechtbank kan eiser geen geslaagd beroep doen op dit arrest. Hoewel eiser zijn medisch dossier heeft overgelegd, ontbreekt een objectieve verklaring van een medisch behandelaar waaruit blijkt dat een overdracht aan Spanje zou leiden tot een aanzienlijke verslechtering van zijn psychische gezondheid. Verweerder heeft daarom in redelijkheid kunnen beslissen dat geen sprake is van een situatie zoals bedoeld in het arrest C.K.
6.3.
De beroepsgrond slaagt niet.
Onevenredige hardheid
7. Verweerder trekt een asielaanvraag onverplicht aan zich als bijzondere, individuele omstandigheden maken dat de overdracht van de vreemdeling aan de voor de behandeling van het verzoek om internationale bescherming verantwoordelijke lidstaat van onevenredige hardheid getuigt. Dit staat in artikel 17, eerste lid van de Dublinverordening in samenhang met paragraaf C2/5, tweede gedachtestreepje (onder ‘discretionaire bepalingen’) van de Vreemdelingencirculaire 2000 (Vc). In paragraaf C2/5 van de Vc staat verder dat verweerder terughoudend gebruik maakt van de bevoegdheid om het verzoek om internationale bescherming te behandelen op grond van artikel 17 van de Dublinverordening. Gelet op de ruime beoordelingsvrijheid toetst de rechtbank deze beslissing terughoudend.
7.1.
De rechtbank is van oordeel dat verweerder in redelijkheid geen toepassing heeft gegeven aan de discretionaire bevoegdheid van artikel 17 van de Dublinverordening. Er is namelijk niet gebleken van bijzondere, individuele omstandigheden die maken dat overdracht van eiser aan Spanje van een zodanige hardheid getuigt dat verweerder het asielverzoek van eiser aan zich had moeten trekken. Uit vaste rechtspraak van de Afdeling, bijvoorbeeld de uitspraak van 27 november 2024, ECLI:NL:RVS:2024:4852, en 23 december 2024, ECLI:NL:RVS:2024:5359, volgt dat omstandigheden die op onderwerpen zien die van betekenis zijn voor de beoordeling van het interstatelijk vertrouwensbeginsel – zoals de hierboven gestelde omstandigheden onder 5.1 waaronder ook de medische situatie van eiser. – niet ook van betekenis zijn voor de beoordeling of er zich bijzondere, individuele omstandigheden voordoen als bedoeld in paragraaf C2/5, tweede gedachtestreepje (onder ‘discretionaire bevoegdheden’) van de Vc.
7.2.
Alles bij elkaar heeft verweerder in de omstandigheden die eiser naar voren heeft gebracht in redelijkheid geen aanleiding hoeven zien om toepassing te geven aan artikel 17, eerste lid, van de Dublinverordening.
7.3.
De beroepsgrond slaagt niet.
Conclusie en gevolgen
8. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat het bestreden besluit in stand blijft. Eiser krijgt geen vergoeding van zijn proceskosten.
Beslissing
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. A. Hello, rechter, in aanwezigheid van mr. E.P.S. Wessels, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
De rechtbank gaat in deze uitspraak uit van de Dublinverordening en de wet- en regelgeving zoals geldend ten tijde van het bestreden besluit, tenzij anders vermeld.
Zittingsplaats Rotterdam
Bestuursrecht
zaaknummer: NL26.34020
[eiser] , V-nummer: [v-nummer] , eiser
(gemachtigde: mr. M. Khababi),
en
de minister van Asiel en Migratie, verweerder
(gemachtigde: mr. S. Imami).
Procesverloop
In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen het niet in behandeling nemen van de aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. Verweerder heeft de aanvraag met het bestreden besluit van 11 juni 2026 niet in behandeling genomen omdat Spanje verantwoordelijk is voor de aanvraag.
Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. Hij heeft verder de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen.
De rechtbank heeft het beroep op 17 september 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, [naam waarnemer] als waarnemer van de gemachtigde van eiser en de gemachtigde van verweerder. Als tolk is [naam tolk] verschenen.
Overwegingen
Inleiding
1. Eiser stelt de Soedanese nationaliteit te hebben en te zijn geboren op [geboortedatum] 2001. Hij heeft zijn asielaanvraag in Nederland op 11 maart 2026 ingediend.
2. Uit onderzoek in Eurodac is gebleken dat eiser op 17 januari 2026 via Spanje het Dublingebied is ingereisd. Eiser deed dit binnen 12 maanden voordat hij in Nederland asiel heeft aangevraagd. Nederland heeft op 10 april 2026 aan Spanje verzocht om eiser over te nemen op grond van artikel 13, eerste lid, van Verordening (EU) nr. 604/2013 (Dublinverordening). Spanje heeft dit verzoek op 14 april 2026 aanvaard op grond van artikel 13, eerste lid, van de Dublinverordening.
Het bestreden besluit
3. Met het bestreden besluit heeft verweerder de asielaanvraag van eiser met toepassing van artikel 30, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) niet in behandeling genomen omdat Spanje op grond van de Dublinverordening verantwoordelijk is voor de behandeling daarvan. Verweerder stelt zich op het standpunt dat eiser niet aannemelijk heeft gemaakt hij bij overdracht aan Spanje een reëel risico loopt op een met artikel 4 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie (Handvest) en artikel 3 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) strijdige behandeling. Ook heeft eiser volgens verweerder geen andere redenen aannemelijk gemaakt die aanleiding geven om zijn asielaanvraag in Nederland in behandeling te nemen.
Beroepsgronden van eiser
4. Eiser voert aan dat verweerder onvoldoende heeft onderzocht of voor eiser daadwerkelijk toegang bestaat tot de noodzakelijke medische en psychische zorg in Spanje. Eiser lijdt aan ernstige psychische klachten. Hij is sociaal geïsoleerd, eet minder, slaapt slecht, heeft concentratie- en geheugenproblemen en ervaart suïcidale gedachten. Daarnaast is eiser getraumatiseerd doordat hij heeft moeten meemaken dat zijn zus in Soedan voor zijn ogen werd vermoord. De herinneringen aan deze gebeurtenis veroorzaken ernstige psychische spanningen en sombere gedachten. Ook heeft eiser in Spanje een beenbreuk opgelopen. Volgens eiser heeft hij deze klachten in Spanje kenbaar gemaakt, maar werd hem medegedeeld dat geen hulp kon worden geboden omdat hij geen bewijs van zijn klachten zou hebben. Op basis van de ervaringen van eiser in Spanje had verweerder nader moeten onderzoeken of eiser daadwerkelijk toegang tot zorg in Spanje heeft. Ook voert eiser aan dat verweerder had moeten beoordelen of een overdracht van eiser aan Spanje een onevenredig risico oplevert vanwege zijn ernstige psychische klachten en zijn onbehandeld gebleven lichamelijke klachten. Verder voert eiser aan dat verweerder had moeten beoordelen of aanleiding bestaat om gebruik te maken van de discretionaire bevoegdheden van artikel 17 van de Dublinverordening, gelet op de bijzondere, individuele omstandigheden van eiser.
Beoordeling door de rechtbank
Interstatelijk vertrouwensbeginsel
5. De rechtbank stelt voorop dat bij de toepassing van de Dublinverordening het uitgangspunt is dat verweerder mag uitgaan van het vermoeden dat lidstaten bij de behandeling van asielzoekers hun internationale verplichtingen zullen nakomen (het interstatelijk vertrouwensbeginsel). De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) heeft in onder meer de uitspraak van 25 november 2025 (ECLI:NL:RVS:2025:5661) geoordeeld dat verweerder ten aanzien van Spanje van het interstatelijk vertrouwensbeginsel mag uitgaan. Dit vermoeden is weerlegbaar. Het is aan eiser om met concrete aanwijzingen aannemelijk te maken dat hij bij overdracht aan Spanje, als gevolg van het niet nakomen van internationale verplichtingen door de Spaanse autoriteiten, een reëel risico loopt op een met artikel 3 van het EVRM en artikel 4 van het Handvest strijdige behandeling. Dit kan eiser doen met landeninformatie en/of aan de hand van verklaringen over zijn eigen ervaringen. Van een schending van artikel 3 van het EVRM of artikel 4 van het Handvest zal, in geval eiser aannemelijk maakt dat er sprake is van tekortkomingen in het asiel- en opvangsysteem, eerst sprake zijn indien die tekortkomingen structureel zijn en een bijzonder hoge drempel van zwaarwegendheid bereiken (zie punt 91-93 van het arrest Jawo).
5.1
Naar het oordeel van de rechtbank is eiser niet in zijn bewijslast geslaagd. Eiser stelt dat hij problemen heeft ondervonden in Spanje, omdat hij geen toegang had tot de noodzakelijke zorg voor zijn medische problematiek. Deze niet onderbouwde stelling acht de rechtbank onvoldoende. Eiser voert aan dat er uiteindelijk wel gereageerd is op zijn herhaalde verzoeken om medische hulp, maar dat eiser deze medische hulp niet passend of adequaat vond. Hiermee heeft eiser onvoldoende toegelicht op welke wijze de toegang tot de zorg hem is ontzegd, nu er wel zorg is aangeboden. Wat betreft de medische voorzieningen mag verweerder ervan uitgaan dat de medische voorzieningen in Spanje van vergelijkbare kwaliteit zijn en dat deze voorzieningen ter beschikking staan van eiser. Eiser heeft zijn medische dossier overgelegd, waaruit volgt dat hij lijdt aan PTSS en suïcidale gedachten heeft. Dat eiser in Nederland inmiddels bezig is met het verkrijgen van psychische hulp en hij op een wachtlijst zal worden geplaatst voor verdere behandeling, maakt dit oordeel niet anders. Daar komt bij dat Spanje met het claimakkoord heeft gegarandeerd dat de asielaanvraag van eiser zal worden behandeld en dat de Spaanse autoriteiten zich zullen houden aan de internationale verplichtingen. Indien eiser problemen ondervindt met betrekking tot de opvang of zorg, kan hij hierover klagen bij de Spaanse autoriteiten. Niet is gebleken dat eiser dit heeft gedaan dan wel dat de Spaanse autoriteiten eiser niet willen of kunnen helpen.
5.2.
De beroepsgrond slaagt niet.
Arrest C.K.
6. Uit het arrest C.K. volgt dat wanneer een asielzoeker objectieve gegevens over legt die de bijzondere ernst van de gezondheidstoestand en ook de aanzienlijke en onomkeerbare gevolgen aantonen waartoe een overdracht zou kunnen leiden, verweerder bij het nemen van het overdrachtsbesluit moet beoordelen wat het risico is dat die gevolgen zich voordoen.
6.1.
Eiser voert aan dat een overdracht aan Spanje zou leiden tot een reëel risico op een aanzienlijke verslechtering van zijn psychische gezondheid. In dit kader wijst eiser in de eerste plaats op het AIDA-rapport over Spanje (update mei 2026), waaruit volgens eiser volgt dat er geen gespecialiseerde medische centra voor asielzoekers met ernstige traumatisering zijn en er onvoldoende opvangplaatsen voor personen met psychische problematiek beschikbaar zijn. In de tweede plaats wijst eiser op zijn medisch dossier.
6.2.
Naar het oordeel van de rechtbank kan eiser geen geslaagd beroep doen op dit arrest. Hoewel eiser zijn medisch dossier heeft overgelegd, ontbreekt een objectieve verklaring van een medisch behandelaar waaruit blijkt dat een overdracht aan Spanje zou leiden tot een aanzienlijke verslechtering van zijn psychische gezondheid. Verweerder heeft daarom in redelijkheid kunnen beslissen dat geen sprake is van een situatie zoals bedoeld in het arrest C.K.
6.3.
De beroepsgrond slaagt niet.
Onevenredige hardheid
7. Verweerder trekt een asielaanvraag onverplicht aan zich als bijzondere, individuele omstandigheden maken dat de overdracht van de vreemdeling aan de voor de behandeling van het verzoek om internationale bescherming verantwoordelijke lidstaat van onevenredige hardheid getuigt. Dit staat in artikel 17, eerste lid van de Dublinverordening in samenhang met paragraaf C2/5, tweede gedachtestreepje (onder ‘discretionaire bepalingen’) van de Vreemdelingencirculaire 2000 (Vc). In paragraaf C2/5 van de Vc staat verder dat verweerder terughoudend gebruik maakt van de bevoegdheid om het verzoek om internationale bescherming te behandelen op grond van artikel 17 van de Dublinverordening. Gelet op de ruime beoordelingsvrijheid toetst de rechtbank deze beslissing terughoudend.
7.1.
De rechtbank is van oordeel dat verweerder in redelijkheid geen toepassing heeft gegeven aan de discretionaire bevoegdheid van artikel 17 van de Dublinverordening. Er is namelijk niet gebleken van bijzondere, individuele omstandigheden die maken dat overdracht van eiser aan Spanje van een zodanige hardheid getuigt dat verweerder het asielverzoek van eiser aan zich had moeten trekken. Uit vaste rechtspraak van de Afdeling, bijvoorbeeld de uitspraak van 27 november 2024, ECLI:NL:RVS:2024:4852, en 23 december 2024, ECLI:NL:RVS:2024:5359, volgt dat omstandigheden die op onderwerpen zien die van betekenis zijn voor de beoordeling van het interstatelijk vertrouwensbeginsel – zoals de hierboven gestelde omstandigheden onder 5.1 waaronder ook de medische situatie van eiser. – niet ook van betekenis zijn voor de beoordeling of er zich bijzondere, individuele omstandigheden voordoen als bedoeld in paragraaf C2/5, tweede gedachtestreepje (onder ‘discretionaire bevoegdheden’) van de Vc.
7.2.
Alles bij elkaar heeft verweerder in de omstandigheden die eiser naar voren heeft gebracht in redelijkheid geen aanleiding hoeven zien om toepassing te geven aan artikel 17, eerste lid, van de Dublinverordening.
7.3.
De beroepsgrond slaagt niet.
Conclusie en gevolgen
8. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat het bestreden besluit in stand blijft. Eiser krijgt geen vergoeding van zijn proceskosten.
Beslissing
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. A. Hello, rechter, in aanwezigheid van mr. E.P.S. Wessels, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
De rechtbank gaat in deze uitspraak uit van de Dublinverordening en de wet- en regelgeving zoals geldend ten tijde van het bestreden besluit, tenzij anders vermeld.