Neuralex RechtspraakNeuralex Rechtspraak
Inloggen staging

Rechtbank Den Haag

ECLI:NL:RBDHA:2026:28802

2026-09-29 Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht NL26.53567
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen

Gegevens

Instantie
Rechtbank Den Haag
Uitspraakdatum
2026-09-29
Publicatiedatum
2026-09-29
Rechtsgebied
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Procedure
Eerste aanleg - enkelvoudig
Zaaknummer
NL26.53567
Type
Uitspraak
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Inhoudsindicatie

bewaring, opgeheven en omgezet, schadevergoeding en proceskostenvergoeding, ook 1 punt PKV voor zitting die niet kon doorgaan ivm problemen met telehoren, gegrond.

Citeert (1)

Geciteerd door (0)

  • geen

Volledige tekst

Volledige tekst (5.550 tekens)
RECHTBANK DEN HAAG


Zittingsplaats Groningen



Bestuursrecht



zaaknummer: NL26.53567


uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[naam] , eiser,

v-nummer: [v-nummer] ,
(gemachtigde: mr. M. Rasul),



en


de minister van Asiel en Migratie, de minister,
(gemachtigde: mr. L. Ploeger).




Procesverloop


1. De minister heeft eiser op 10 september op grond van artikel 59b, eerste lid, aanhef en onder e, van de Vw in bewaring gesteld en de rechtbank daarvan in kennis gesteld.



1.1.
Deze kennisgeving wordt gelijkgesteld met een door eiser ingesteld beroep. Het beroep wordt ook aangemerkt als een verzoek om schadevergoeding.



1.2.
De minister heeft de bewaring op 15 september 2026 opgeheven. Vervolgens is aan eiser een nieuwe maatregel opgelegd die nog voortduurt. De minister heeft eiser op 16 september 2026 een schadevergoeding aangeboden van totaal € 720,- (verblijf in huis van bewaring van 10 september 2026 tot en met 15 september 2026 = 6 dagen x € 120,-). Ook heeft de minister eiser aangeboden om € 934,- (1 punt) aan proceskosten te vergoeden.



1.3.
Het beroep stond aanvankelijk geagendeerd voor de zitting van 18 september 2026. Door problemen met de telehoorverbinding is de zitting uitgesteld en heeft de rechtbank het beroep op 25 september 2026 behandeld. Eiser, mr. M. Pater als waarnemer van de gemachtigde van eiser, een tolk en de gemachtigde van de minister zijn op de rechtbank in Groningen verschenen. De rechtbank heeft het onderzoek op de zitting gesloten.









Beoordeling door de rechtbank



Toetsingskader

2. Omdat de bewaring is opgeheven, beperkt de beoordeling van de maatregel van vreemdelingenbewaring zich in deze zaak tot de vraag of aan eiser schadevergoeding moet worden toegekend.




Wat vinden partijen?


3. Eiser kan zich vinden in de aangeboden schadevergoeding, maar stelt dat er drie punten proceskostenvergoeding dienen te worden toegekend in plaats van twee. Eiser stelt dat hij naast de vergoeding voor de kennisgeving twee punten moet krijgen voor de zitting. Zijn gemachtigde is ook op 18 september 2026 op de rechtbank verschenen en heeft bovendien tijd besteed aan de voorbereiding van die zitting.



3.1.
Tijdens de zitting heeft de minister eiser één extra punt aan proceskostenvergoeding aangeboden vanwege het verschijnen op de zitting. Omdat de zitting van 18 september 2026 niet is doorgegaan, hoeft daarvoor geen vergoeding te worden verstrekt volgens de minister.




Beoordeling door de rechtbank


4. De rechtbank overweegt als volgt. De zitting van 18 september 2026 is niet doorgegaan vanwege problemen met de telehoorverbinding en is daarom verplaatst naar 25 september 2026. Er is besloten om eiser om 25 september 2026 aan te voeren om te voorkomen dat er weer problemen zouden ontstaan met de telehoorverbinding. Eiser zijn gemachtigde is op 18 september 2026 wel op de rechtbank in Groningen verschenen en het feit dat de zitting niet doorging, was niet aan eiser, maar aan problemen met de telehoorverbinding te wijten. De rechtbank is daarom van oordeel dat aan eiser ook voor de geplande, maar niet gehouden zitting op 18 september 2026, één punt aan proceskosten moet worden toegekend. Totaal heeft eiser recht op €2.802,- aan proceskostenvergoeding. De rechtbank rekent één punt voor de kennisgeving en twee punten voor het verschijnen op de zitting.





Conclusie en gevolgen

5. Het beroep is gegrond. Omdat de bewaring al is opgeheven, is een bevel tot opheffing niet nodig. Het verzoek om schadevergoeding wordt toegewezen en de vergoeding zal worden bepaald op €720,-.

6. Eiser krijgt een vergoeding van zijn proceskosten. De minister moet deze vergoeding betalen. Deze vergoeding bedraagt € 2.802,-.




Beslissing



De rechtbank:

- verklaart het beroep gegrond; - kent aan eiser een vergoeding toe van € 720,- over de periode van 10 september 2026 tot en met 15 september 2026, ten laste van de Staat der Nederlanden, te betalen door de griffier van de rechtbank;
- veroordeelt de minister in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 2.802,-.



Deze uitspraak is gedaan door mr. A. Sibma, rechter, in aanwezigheid van
mr. N. Wetterauw, griffier.



De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:






Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking.



Dit volgt uit artikel 94, eerste lid, van de Vw.


Op grond van artikel 106 van de Vw kan de rechtbank indien de bewaring al is opgeheven vóór de behandeling van het verzoek om opheffing van de bewaring aan eiser een schadevergoeding ten laste van de Staat toekennen.


Zie ook de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 25 augustus 2026, ECLI:NL:RVS:2026:4927.


Op basis van het Besluit proceskosten bestuursrecht. Met een waarde van € 934,- per punt en een wegingsfactor 1.