Neuralex RechtspraakNeuralex Rechtspraak
Inloggen staging

Rechtbank Den Haag

ECLI:NL:RBDHA:2026:28232

2026-09-25 Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht NL25.34436 NL25.34413 NL25.34414
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen

Gegevens

Instantie
Rechtbank Den Haag
Uitspraakdatum
2026-09-25
Publicatiedatum
2026-09-25
Rechtsgebied
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Procedure
Eerste aanleg - enkelvoudig
Zaaknummer
NL25.34436 NL25.34413 NL25.34414
Type
Uitspraak
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Inhoudsindicatie

Beroepen ongegrond, verblijf als Unieburger in Nederland, niet gebleken dat eiseres haar hoofdverblijf in Nederland heeft, eiser kan daarom geen beroep doen op een afgeleid verblijfsrecht, geen schending artikel 8 van het EVRM.

Citeert (3)

Geciteerd door (0)

  • geen

Volledige tekst

Volledige tekst (13.474 tekens)
RECHTBANK DEN HAAG


Zittingsplaats Amsterdam



Bestuursrecht



Zaaknummers: NL25.34436 (beroep)
NL25.34413 (beroep)
NL25.34414 (voorlopige voorziening)



V-nummers: [V nummer 1]
[V nummer 2]


uitspraak van de enkelvoudige kamer en de voorzieningenrechter in de zaken tussen




[eiseres]
, geboren op [geboortedatum 1] 1988, met de Griekse nationaliteit, eiseres, en


[eiser] , geboren op [geboortedatum 2] 1995, met de Egyptische nationaliteit, eiser en verzoeker, hierna eiser,
samen te noemen als eisers
(gemachtigde: mr. V. Sarkisian),



en


de minister van Asiel en Migratie, verweerder, hierna de minister
(gemachtigde: mr. J.P. Arts).

Samenvatting


1. Deze uitspraak gaat over de afwijzingen van de aanvragen van eisers om afgifte van een verblijfsdocument EU/EER. Zij zijn het daar niet mee eens. Zij voeren daartoe een aantal beroepsgronden aan. Eiser heeft ook aan de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening. Aan de hand van de beroepsgronden beoordeelt de rechtbank/voorzieningenrechter (hierna de rechtbank) de afwijzingen van de aanvragen.



1.1.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat de minister terecht de aanvragen heeft afgewezen. Eisers krijgen dus geen gelijk en de beroepen zijn ongegrond en het verzoek wordt afgewezen. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.




Procesverloop


2. Eisers hebben op 18 januari 2024 aanvragen ingediend voor afgifte van een verblijfsdocument EU/EER. De minister heeft deze aanvragen met de primaire besluiten van 19 september 2024 afgewezen. Met de bestreden besluiten van 1 juli 2025 op het bezwaar van eisers is de minister bij de afwijzing van de aanvragen gebleven.



2.1.
Eisers hebben beroep ingesteld tegen de bestreden besluiten. Eiser heeft ook aan de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening die ertoe strekt niet te worden uitgezet totdat op zijn beroep is beslist.



2.2.
De rechtbank heeft de beroepen en het verzoek op 3 juni 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: de gemachtigden van partijen, eiser, T. Ayash tolk in de Arabische taal en [persoon] , een broer van eiser. Eiseres was niet aanwezig.




Beoordeling door de rechtbank



Achtergrond


3. Eisers hebben een aanvraag gedaan voor afgifte van een verblijfsdocument EU/EER. Eiseres vraagt om een EU-verblijfsrecht als gemeenschapsonderdaan in Nederland. Eiser heeft gevraagd om verblijf bij eiseres die in die procedure referente is.



De bestreden besluiten



4. De minister heeft de aanvraag van eiseres met het primaire besluit, gehandhaafd in het bestreden besluit, afgewezen, omdat zij niet heeft aangetoond dat zij nog in Nederland verblijft. Eiseres heeft aangegeven dat zij sinds juni 2024 naar Griekenland is gegaan om daar de zorg te dragen voor haar moeder. Dit heeft zij ook schriftelijk bevestigd op 29 oktober 2024. Ook uit de SUWI-gegevens blijkt dat eiseres na juni 2024 niet meer gewerkt heeft of een inkomen heeft ontvangen in Nederland. Niet is gebleken dat er sprake is van een uitzonderingssituatie zoals volgt uit artikel 8.15 van het Vb. Dat eiseres nog ingeschreven staat in het BRP is onvoldoende omdat hiermee geen sprake is van een feitelijk hoofdverblijf in Nederland. De minister blijft dan ook bij de afwijzing van de aanvraag.


4.1.
De minister heeft in het primaire besluit, gehandhaafd in het bestreden besluit, de aanvraag van eiser afgewezen, omdat niet is gebleken dat referente in Nederland woont. Eiser valt daarom niet onder de reikwijdte van artikel 8.7, tweede lid, van het Vb, omdat referente niet onder de definitie valt. Aan eiser kan dan ook geen afgeleid verblijfsrecht worden afgegeven. Er is niet gebleken dat sprake is van één van de gevallen genoemd in artikel 8.15 van het Vb. In bezwaar is eiser niet ingegaan op de gronden met betrekking tot artikel 8 van het EVRM en die motivering handhaaft de minister dan ook.



Het beroep van eiseres





Het verblijfsrecht

5. Eiseres voert aan dat zij haar hoofdverblijf in Nederland heeft. Zij staat nog steeds ingeschreven in het BRP.




5.1.
De rechtbank overweegt dat uit artikel 8.7, eerste lid, van het Vb volgt dat paragraaf 2 van toepassing is op burgers van de Unie die in Nederland verblijven of zich naar Nederland begeven.



5.2.
De rechtbank is van oordeel dat de minister zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat eiseres op het moment van zowel het primaire als het bestreden besluit niet in Nederland was. Eiseres heeft zelf in een verklaring aangegeven dat zij sinds juni 2024 naar Griekenland is gegaan. Gebleken is dat eiseres in de tussentijd niet is teruggekeerd naar Nederland en daar haar hoofdverblijf heeft. Eiseres is op enig moment uit Griekenland vertrokken richting Nederland, maar niet verder gekomen dan Frankrijk en daar verblijft zij momenteel nog steeds. Dat eiseres in het BRP staat ingeschreven doet niet aan het voorgaande af, vereist is immers dat zij haar hoofdverblijf in Nederland heeft. Dat is een vraag van feitelijke aard en niet is gebleken dat het vertrek van eiseres van tijdelijke aard is. Zij is immers tot op de dag van de zitting niet teruggekeerd. Eiseres voldoet dus niet aan de voorwaarde van artikel 8.7, eerste lid, van het Vb en de minister heeft op goede gronden het verblijfsrecht afgewezen. De beroepsgrond slaagt niet.



Het duurzaam verblijfsrecht

6. Eiseres voert verder aan dat de minister had moeten toetsen aan een duurzaam verblijfrecht. Zij is meer dan vijf jaar woonachtig en werkzaam in Nederland. Zij heeft dan ook op grond van artikel 8.17, eerste lid, van het Vb een duurzaam verblijfsrecht in Nederland verkregen. Zij heeft haar hoofdverblijf niet vrijwillig uit Nederland verplaatst en de tijdelijke onderbreking van haar verblijf kan geen grond vormen voor de afwijzing. Het duurzame verblijfsrecht kan slechts worden verloren door afwezigheid van meer dan twee achtereenvolgende jaren uit Nederland. De minister heeft een verkeerd toetsingskader gehanteerd.




6.1.
De rechtbank is van oordeel dat de minister terecht niet aan een duurzaam verblijfsrecht heeft getoetst. De minister heeft daarbij kunnen betrekken dat zowel in de primaire fase als in bezwaar geen aanknopingspunten waren of gronden zijn aangevoerd waaruit blijkt dat eiseres een duurzaam verblijfsrecht heeft verkregen, door vijf jaar onafgebroken in Nederland te verblijven. De minister heeft ter zitting ook een aanvullende toelichting gegeven dat uit de systemen blijkt dat eiseres pas in 2021 is gaan werken in Nederland, dus niet aan de voorwaarden voldoet van een duurzaam verblijfsrecht. Eiseres heeft verder geen stukken ingediend waaruit iets anders blijkt. Nu niet is gebleken dat eiseres een duurzaam verblijfsrecht heeft verworden, komt de rechtbank niet toe aan het bespreken van de beroepsgrond of eiseres al dan niet geoorloofd dat verblijfsrecht heeft onderbroken. Artikel 8.17, tweede lid, van het Vb is niet van toepassing. De beroepsgrond slaagt niet.



Hoorplicht

7. Eiseres voert tot slot aan dat zij had moeten worden gehoord in de bezwaarfase.




7.1.
Zoals de Afdeling heeft overwogen is het uitgangspunt dat de minister een vreemdeling hoort in bezwaar en dat de minister terughoudend moet omgaan met uitzonderingen op de hoorplicht. De minister mag op grond van artikel 7:3, aanhef en onder b, van de Awb slechts van het horen afzien als het bezwaar kennelijk ongegrond is. Dat is het geval als er op voorhand redelijkerwijs geen twijfel over mogelijk is dat de bezwaren niet kunnen leiden tot een andersluidend besluit. De beslissing om die bepaling toe te passen, moet worden genomen op grond van wat in het bezwaarschrift is aangevoerd, bezien in samenhang met de overwegingen in het primaire besluit.



7.2.
De rechtbank is van oordeel dat uit het feit dat eiseres al voor het nemen van het primaire besluit haar baan heeft opgezegd en uit Nederland vertrokken is volgt dat op voorhand redelijkerwijs geen twijfel voor de minister dat het bezwaar zou kunnen leiden tot een ander besluit. De minister heeft van het horen kunnen afzien. De beroepsgrond slaagt niet.



Tussenconclusie


8. De rechtbank komt tot conclusie dat, gelet op het voorgaande, het beroep van eiseres ongegrond is. Hierna zal verder op het beroep van eiser worden ingaan.



Het beroep van eiser





Het afgeleide verblijfsrecht


9. Eiser voert aan dat referente een duurzaam verblijfsrecht heeft en aan hem dan ook een afgeleid verblijfsrecht moet worden verleend.



9.1.
De rechtbank heeft in de overwegingen 5.1 en 6.1 gemotiveerd dat de minister op goede gronden de aanvraag van referente voor een verblijfsrecht in Nederland heeft afgewezen. Eiser kan dan ook geen beroep doen op een afgeleid verblijfsrecht. De minister heeft dan ook terecht zijn verzoek afgewezen. De beroepsgrond slaagt niet.



Artikel 8 van het EVRM

10. Eiser voert verder aan dat ten onrechte is geconcludeerd dat er geen familieleven bestaat tussen referente en hem. Er is volgens eiser sprake van inmenging op hun familieleven. Een afwijzing van de aanvraag levert dan ook een schending van het familieleven op. De minister had een belangenafweging moeten maken en heeft dat ten onrechte niet gedaan. Eiser doet ook een beroep op de uitspraak van de Afdeling van 29 mei 2017.




10.1.
De rechtbank is van oordeel dat de minister terecht heeft beoordeeld dat er geen sprake is van een schending van artikel 8 van het EVRM. Eiser heeft zowel in bezwaar als in beroep geen gronden aangevoerd waaruit blijkt dat er familieleven bestaat. Er is ook niet gebleken dat het bestreden besluit zou leiden tot een scheiding van de gezinsleden. Het familieleven is namelijk verbroken, omdat referente is vertrokken en niet door de besluitvorming van de minister. Eiser heeft verder ook geen gronden aangevoerd waaruit blijkt dat er nog familieleven tussen hen bestaat. Referente is al geruime tijd gedetineerd in Frankrijk en volgens eiser is er weinig (telefonisch) contact tussen hen. De minister heeft dan ook geen belangenafweging hoeven maken. Verder kan een beroep op de uitspraak van de Afdeling waarnaar eiser heeft verwezen ook niet slagen, nu deze uitspraak ziet op het jongvolwassenenbeleid, dat niet van toepassing is op eiser. Eiser is namelijk geen jongvolwassene. De beroepsgrond slaagt niet.




Conclusie en gevolgen

11. De rechtbank verklaart de beroepen ongegrond. Eisers krijgen geen gelijk. Er is geen aanleiding om het griffierecht of de proceskosten te vergoeden.

12. Nu op het beroep van eiser is beslist, bestaat er geen aanleiding meer om de gevraagde voorziening te treffen. De rechtbank wijst het verzoek dan ook af.



Beslissing


De rechtbank in de zaken met nummers NL25.34436 en NL25.34413:


- verklaart de beroepen ongegrond.


De voorzieningenrechter in de zaak met nummer NL25.34414:


- wijst het verzoek af.


Deze uitspraak is gedaan door mr. N. Boonstra, (voorzieningen)rechter, in aanwezigheid van mr. E. Waal, griffier.



Uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:




Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen vier weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen. Tegen de uitspraak op het verzoek om een voorlopige voorziening staat geen rechtsmiddel open.



Vreemdelingenbesluit 2000, zoals dat gold ten tijde van het bestreden besluit.


Basisregistratie Personen.


Verdrag voor de bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden.


Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.


Zie de uitspraak van 6 juli 2022, ECLI:NL:RVS:2022:1918.


Zie de uitspraak van de Afdeling van 6 juli 2022, ECLI:NL:RVS:2022:1918.


ECLI:NL:RVS:2017:1417.