Rechtbank Den Haag
ECLI:NL:RBDHA:2026:28056
2026-09-24
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
NL26.31850
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen
Inhoudsindicatie
Dublin Duitsland, MOB maar wel procesbelang, bij leeftijdsschouw twijfel ontstaan, kopie paspoort wat duidt op minderjarigheid, ten onrechte registratie in Duitsland overgenomen terwijl geen antwoord verkregen was op de vraag hoe die registratie tot stand was gekomen, zonder nader medisch onderzoek kon de minister niet uitgaan van meerderjarigheid
Citeert (5)
- ECLI:EU:C:2013:367
- ECLI:CE:ECHR:2022:0721JUD000579717
- ECLI:NL:RVS:2023:4348 Raad van State 23-11-2023
- ECLI:NL:RVS:2024:3992 Raad van State 09-10-2024
- ECLI:NL:RVS:2024:4086 Raad van State 09-10-2024
Geciteerd door (0)
- geen
Volledige tekst
Volledige tekst (16.153 tekens)
RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Zwolle
Bestuursrecht
zaaknummer: NL26.31850
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[eiser], V-nummer: [V-nummer], eiser
(gemachtigde: mr. E. Derksen),
en
de minister van Asiel en Migratie,
(gemachtigde: mr. S. Yousef).
Inleiding
1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen het niet in behandeling nemen van de aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. Eiser stelt van Algerijnse nationaliteit te zijn en te zijn geboren op [geboortedatum 1] 2009. De minister gaat ervan uit dat eiser is geboren op [geboortedatum 2] 2003 en heeft de aanvraag met het bestreden besluit van 8 juni 2025 niet in behandeling genomen omdat Duitsland verantwoordelijk is voor de aanvraag.
1.1.
De rechtbank heeft het beroep op 10 september 2026 op zitting behandeld. Hieraan heeft deelgenomen: de gemachtigde van de minister. Eiser en zijn gemachtigde hebben zich afgemeld voor de zitting.
Beoordeling door de rechtbank
2. De rechtbank is allereerst van oordeel dat eiser procesbelang heeft bij deze procedure. Weliswaar heeft de minister bij bericht van 27 augustus 2026 gemeld dat eiser blijkens informatie in de Basis Voorziening Vreemdelingen met onbekende bestemming is vertrokken, maar de gemachtigde van eiser heeft bij bericht van 2 september 2026 kenbaar gemaakt dat zij telefonisch contact met eiser heeft gehad en dat eisers verblijfsplaats bij haar bekend is. De minister heeft ter zitting ook niet betwist dat eiser procesbelang heeft.
3. De rechtbank beoordeelt het niet in behandeling nemen van de asielaanvraag van eiser. Zij doet dat aan de hand van de argumenten die eiser heeft aangevoerd, de beroepsgronden.
4. De rechtbank verklaart het beroep gegrond. De rechtbank is van oordeel dat het bestreden besluit in strijd is met het motiveringsbeginsel en het zorgvuldigheidsbeginsel. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Totstandkoming van het besluit
4.1.
Eiser heeft op 17 maart 2026 asiel aangevraagd in Nederland en op dezelfde dag een schouwgehoor met DISA gehad. In de schouw van DISA is vermeld dat op basis van eisers verklaringen, gedrag en lichamelijke kenmerken geconcludeerd kan worden dat er twijfel bestaat over de opgegeven leeftijd en dat er verder onderzoek naar de leeftijd zal plaatsvinden. De IND heeft tijdens het aanmeldgehoor op 20 maart 2026 ook een leeftijdsschouw verricht en geconcludeerd dat eiser evident meerderjarig is. Aan eiser is medegedeeld dat nader onderzoek zal plaatsvinden naar zijn leeftijd, waarbij aan eiser de mogelijkheid is geboden van het ondergaan van een leeftijdsbepalingsonderzoek. Eiser is op 20 maart 2026 akkoord gegaan met het verrichten van een compleet leeftijdsonderzoek (handpolsgewricht en sleutelbeenderen) door het daarvoor bedoelde formulier te ondertekenen.
4.2.
Uit Eurodac blijkt dat op 10 juli 2025 vingerafdrukken zijn afgenomen van eiser in Hamburg (Duitsland). Eiser heeft in het aanmeldgehoor AMV van 20 maart 2026 verklaard dat hij in Duitsland de geboortedatum van zijn broer heeft opgegeven.
4.3.
De minister heeft op 1 april 2026 op grond van artikel 34 van de Dublinverordening informatie opgevraagd bij de Duitse autoriteiten. Daarbij heeft de minister – onder andere – gevraagd welke persoonlijke gegevens van eiser in Duitsland zijn geregistreerd, hoe deze gegevens zijn onderbouwd, of eiser documenten heeft overgelegd en of een leeftijdsonderzoek heeft plaatsgevonden. Uit de reactie van Duitsland van 7 april 2026 blijkt dat eiser in Duitsland bekend is onder de volgende gegevens:
Voor- en achternaam: [eiser];
Geboortedatum: [geboortedatum 2] 2003;
Geboorteplaats: [geboorteplaats 1], onduidelijk.
De Duitse autoriteiten hebben drie aliassen geregistreerd:
Ayoub Bouazza, [geboortedatum 1] 2009, [geboorteplaats 2], Algerije;
Mohamed Sakkik, [geboortedatum 3] 2003, [geboorteplaats 3], Algerije;
Mohamed Sedik, [geboortedatum 2] 2003, [geboorteplaats 4], Algerije.
4.4.
Op 9 april 2026 heeft de minister [naam] geïnformeerd dat eiser meerderjarig wordt verklaard. De twijfel over de leeftijd van eiser is weggenomen op grond van de uitslag van het Dublinonderzoek in samenhang met eisers verklaringen. Om deze reden is een medisch onderzoek volgens de minister niet meer aan de orde.
5. De Europese Unie heeft gezamenlijke regelgeving over het in behandeling nemen van asielaanvragen. Die staat in de Dublinverordening. Op grond van de Dublinverordening neemt de minister een asielaanvraag niet in behandeling als is vastgesteld dat een andere lidstaat verantwoordelijk is voor de behandeling daarvan. In dit geval heeft Nederland bij Duitsland een verzoek om terugname gedaan. Duitsland heeft dit verzoek aanvaard.
Welke lidstaat is verantwoordelijk voor de asielaanvraag?
6. Eiser stelt dat hij is geboren op [geboortedatum 1] 2009 en dus een alleenstaande minderjarige vreemdeling is. Ter onderbouwing van deze verklaring heeft eiser een kopie van zijn paspoort overgelegd. Overdracht aan Duitsland is volgens eiser daarom in strijd met artikel 8 van de Dublinverordening. Daarbij heeft eiser verwezen naar het M.A.-arrest. Daarnaast geldt op grond van het arrest Darboe en Camara, als twijfel bestaat over de leeftijd van een vreemdeling, als uitgangspunt de presumptie van minderjarigheid teneinde de rechten van het kind effectief te beschermen. Verder verwijst eiser naar vaste rechtspraak van de Afdeling, waaruit volgt dat de minister een leeftijdsregistratie uit een andere lidstaat bij de beoordeling van de leeftijd mag betrekken en daar gewicht aan mag toekennen, maar dat hij daarbij zorgvuldig dient te onderzoeken waarop die registratie is gebaseerd en deugdelijk dient te motiveren waarom daaraan doorslaggevende betekenis wordt toegekend. Van een dergelijk zorgvuldige beoordeling is volgens eiser geen sprake geweest. In het voornemen is geen aandacht besteed aan de door eiser overgelegde kopie van het paspoort. De minister had niet moeten volstaan met een ‘kaal’ voornemen. Ook heeft de minister geen onderzoek verricht naar de tegenstrijdige leeftijdsgegevens. Op 1 april 2026 is weliswaar informatie opgevraagd bij de Duitse autoriteiten, maar niet ten aanzien van de grondslag van de Duitse leeftijdsregistratie. Ook heeft de minister ten onrechte geen onderzoek verricht bij de Franse autoriteiten, terwijl eiser gedurende drie jaar als minderjarige in Frankrijk is opgevangen. Nu sprake was van tegenstrijdige aanwijzingen omtrent de leeftijd van eiser, had de minister niet zonder nader onderzoek naar de kopie van het paspoort kunnen volstaan met het volgen van de Duitse registratie. Tot slot stelt eiser zich op het standpunt dat het claimakkoord van Duitsland berust op onvolledige en onjuiste informatie, omdat Duitsland niet is geïnformeerd over de overgelegde kopie van het paspoort.
6.1.
De minister heeft zich op het standpunt gesteld dat eiser meerderjarig is. De IND heeft eiser evident meerderjarig geschouwd en bij DISA bestond er twijfel. Het is aan eiser om deze twijfel weg te nemen, maar dit heeft hij niet gedaan. Daarnaast heeft er op grond van artikel 34 van de Dublinverordening een onderzoek in Duitsland plaatsgevonden en daaruit is gebleken dat eiser in Duitsland bekend staat met twee meerderjarige geboortedata, te weten [geboortedatum 2] 2003 en [geboortedatum 3] 2003. De twijfel over eisers leeftijd is weggenomen op grond van de uitslag van het Dublinonderzoek van 8 april 2026 in samenhang met eisers verklaringen. Om deze reden heeft geen medisch leeftijdsonderzoek plaatsgevonden. De leeftijd van eiser is daarom in de systemen van de minister gewijzigd naar [geboortedatum 2] 2003. Eiser heeft een kopie van zijn paspoort overgelegd. Omdat het een kopie van het paspoort betreft, kan de minister de echtheid van het document niet vaststellen. De minister ziet niet in dat eiser geen origineel paspoort kon overleggen. Eiser verklaard contact te hebben met zijn moeder en hij kon naar de ambassade. De minister meent dat hij heeft voldaan aan zijn onderzoeksplicht, omdat een informatieverzoek aan de Duitse autoriteiten is gestuurd om te achterhalen hoe eiser daar geregistreerd staat en hoe de registratie is verlopen. Onder verwijzing naar paragraaf 3.2.1 van de Werkinstructie 2025/1 Leeftijdsbepaling stelt de minister zich op het standpunt dat er onvoldoende aanleiding is voor nader onderzoek. Verder stelt de minister zich, onder verwijzing naar een uitspraak van de Afdeling, op het standpunt dat hij mocht volstaan met een standaard voornemen. De kopie van het paspoort heeft de minister in het bestreden besluit betrokken. Tot slot is het claimakkoord volgens de minister niet tot stand gekomen op basis van onvolledige of onjuiste informatie. Een kopie van een paspoort is geen origineel document en biedt geen mogelijkheden om de echtheid van het document vast te stellen. De minister mocht daarom uitgaan van de beschikbare Eurodac gegevens en de informatie die door de Duitse autoriteiten is verstrekt.
6.2.
De rechtbank is van oordeel dat het door de minister verrichte onderzoek onvoldoende is om het vermoeden van minderjarigheid te ontzenuwen. De rechtbank neemt daartoe als uitgangspunt dat uit uitspraken van de Afdeling volgt dat als de minister een leeftijdsregistratie uit een andere lidstaat aantreft, waaruit volgt dat de vreemdeling meerderjarig is, hij die mag betrekken bij het beoordelen van de leeftijd van de vreemdeling en daaraan gewicht mag toekennen. Hij zal dan steeds zorgvuldig moeten onderzoeken en deugdelijk moeten motiveren welk gewicht hij aan een bepaalde registratie toekent en waarom. Als aan de registratie alleen een eigen verklaring van de vreemdeling ten grondslag ligt, dan zal de minister moeten informeren onder welke omstandigheden deze verklaring is afgelegd. De minister zal steeds alle feiten en omstandigheden moeten meewegen bij het beoordelen van de leeftijd van de vreemdeling die stelt minderjarig te zijn. De minister moet bij deze beoordeling ook eventuele overgelegde bewijsmiddelen, zoals officiële en onofficiële identificerende documenten, betrekken.
6.3.
Hiervoor, onder rechtsoverweging 4.3, is weergegeven welke informatie van de Duitse autoriteiten is ontvangen. Uit de eerder aangehaalde uitspraken van de Afdeling volgt dat de minister moet toelichten waarop de registratie is gebaseerd. Als aan een leeftijdsregistratie alleen een eigen verklaring van een vreemdeling ten grondslag ligt, dan zal de minister moeten informeren onder welke omstandigheden deze verklaring is afgelegd. Verder volgt uit WI 2025/1 dat als uit het onderzoek naar de registraties in de andere lidsta(a)t(en) geen duidelijk resultaat komt, alsnog vervolgonderzoek kan plaatsvinden, zoals een medisch leeftijdsonderzoek. De rechtbank stelt vast dat uit het antwoord van de Duitse autoriteiten op het informatieverzoek niet blijkt op welke wijze de desbetreffende registratie tot stand is gekomen. Niet inzichtelijk is of deze registratie is gebaseerd op documenten, verklaringen of andere bronnen. Gelet op de verklaringen van eiser, waarin hij stelt dat in Duitsland de geboortedatum van zijn broer is geregistreerd, en de door eiser overgelegde kopie van het paspoort lag het op de weg van de minister om nader te onderzoeken op welke wijze de registratie tot stand is gekomen en of nadere verificatie mogelijk was. Dit geldt te meer nu deze registratie van doorslaggevend gewicht is geweest voor de uitkomst van de leeftijdsbeoordeling en eiser heeft verklaard dat hij in Duitsland geen documenten heeft overgelegd en er geen botonderzoek heeft plaatsgevonden. Gelet op het voorgaande heeft de minister het besluit onzorgvuldig voorbereid en onvoldoende gemotiveerd waarom de minister aan de registratie in Duitsland meer gewicht heeft toegekend dan aan de verklaringen van eiser en de kopie van zijn paspoort. Ook is onvoldoende gemotiveerd waarom is afgezien van het eerder aangekondigde medisch leeftijdsonderzoek. De rechtbank is daarom van oordeel dat het door de minister verrichte onderzoek onvoldoende is en daarmee het vermoeden van minderjarigheid niet heeft ontzenuwd.
6.4.
De rechtbank is gelet op het voorgaande van oordeel dat het bestreden besluit en het daaraan voorafgegane voornemen niet berusten op een deugdelijke motivering en in strijd zijn met het zorgvuldigheidsbeginsel. De rechtbank vernietigt daarom het bestreden besluit.
Conclusie en gevolgen
7. Het beroep is gegrond, omdat het bestreden besluit is genomen in strijd met de artikelen 3:2 en 3:46 van de Awb. Verweerder heeft het besluit niet zorgvuldig voorbereid en niet deugdelijk gemotiveerd. Dit betekent dat eiser gelijk krijgt. De rechtbank vernietigt daarom het bestreden besluit. De rechtbank ziet geen reden om de rechtsgevolgen van het bestreden besluit in stand te laten of zelf in de zaak te voorzien.
7.1.
De rechtbank bepaalt met toepassing van artikel 8:72, vierde lid, van de Awb dat de minister een nieuw besluit moet nemen en daarbij rekening houdt met deze uitspraak.
7.2.
Omdat het beroep gegrond is krijgt eiser een vergoeding van zijn proceskosten.
De minister moet deze vergoeding betalen. Deze vergoeding bedraagt € 934,- omdat de gemachtigde van eiser een beroepschrift heeft ingediend. Verder zijn er geen kosten gemaakt die vergoed kunnen worden.
Beslissing
De rechtbank:
- verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt het bestreden besluit van 8 juni 2025;
- draagt de minister op een nieuw besluit te nemen op de aanvraag, waarbij rekening wordt gehouden met deze uitspraak;
- veroordeelt de minister tot betaling van € 934,- aan proceskosten aan eiser.
Deze uitspraak is gedaan door mr. M.M. van Veelen, rechter, in aanwezigheid van S. Hitijahubessy - Brussaard, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
Dit staat ook in artikel 30, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000.
Arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 6 juni 2013, ECLI:EU:C:2013:367.
Arrest van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens van 21 juli 2022, ECLI:CE:ECHR:2022:0721JUD000579717.
Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.
Immigratie- en Naturalisatiedienst.
Dienst Identificatie en Screening Asielzoekers.
Uitspraak van de Afdeling van 23 november 2023, ECLI:NL:RVS:2023:4348.
Uitspraken van de Afdeling van 9 oktober 2024, ECLI:NL:RVS:2024:3992 en ECLI:NL:RVS:2024:4086.
Algemene wet bestuursrecht.
Zittingsplaats Zwolle
Bestuursrecht
zaaknummer: NL26.31850
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[eiser], V-nummer: [V-nummer], eiser
(gemachtigde: mr. E. Derksen),
en
de minister van Asiel en Migratie,
(gemachtigde: mr. S. Yousef).
Inleiding
1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen het niet in behandeling nemen van de aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. Eiser stelt van Algerijnse nationaliteit te zijn en te zijn geboren op [geboortedatum 1] 2009. De minister gaat ervan uit dat eiser is geboren op [geboortedatum 2] 2003 en heeft de aanvraag met het bestreden besluit van 8 juni 2025 niet in behandeling genomen omdat Duitsland verantwoordelijk is voor de aanvraag.
1.1.
De rechtbank heeft het beroep op 10 september 2026 op zitting behandeld. Hieraan heeft deelgenomen: de gemachtigde van de minister. Eiser en zijn gemachtigde hebben zich afgemeld voor de zitting.
Beoordeling door de rechtbank
2. De rechtbank is allereerst van oordeel dat eiser procesbelang heeft bij deze procedure. Weliswaar heeft de minister bij bericht van 27 augustus 2026 gemeld dat eiser blijkens informatie in de Basis Voorziening Vreemdelingen met onbekende bestemming is vertrokken, maar de gemachtigde van eiser heeft bij bericht van 2 september 2026 kenbaar gemaakt dat zij telefonisch contact met eiser heeft gehad en dat eisers verblijfsplaats bij haar bekend is. De minister heeft ter zitting ook niet betwist dat eiser procesbelang heeft.
3. De rechtbank beoordeelt het niet in behandeling nemen van de asielaanvraag van eiser. Zij doet dat aan de hand van de argumenten die eiser heeft aangevoerd, de beroepsgronden.
4. De rechtbank verklaart het beroep gegrond. De rechtbank is van oordeel dat het bestreden besluit in strijd is met het motiveringsbeginsel en het zorgvuldigheidsbeginsel. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Totstandkoming van het besluit
4.1.
Eiser heeft op 17 maart 2026 asiel aangevraagd in Nederland en op dezelfde dag een schouwgehoor met DISA gehad. In de schouw van DISA is vermeld dat op basis van eisers verklaringen, gedrag en lichamelijke kenmerken geconcludeerd kan worden dat er twijfel bestaat over de opgegeven leeftijd en dat er verder onderzoek naar de leeftijd zal plaatsvinden. De IND heeft tijdens het aanmeldgehoor op 20 maart 2026 ook een leeftijdsschouw verricht en geconcludeerd dat eiser evident meerderjarig is. Aan eiser is medegedeeld dat nader onderzoek zal plaatsvinden naar zijn leeftijd, waarbij aan eiser de mogelijkheid is geboden van het ondergaan van een leeftijdsbepalingsonderzoek. Eiser is op 20 maart 2026 akkoord gegaan met het verrichten van een compleet leeftijdsonderzoek (handpolsgewricht en sleutelbeenderen) door het daarvoor bedoelde formulier te ondertekenen.
4.2.
Uit Eurodac blijkt dat op 10 juli 2025 vingerafdrukken zijn afgenomen van eiser in Hamburg (Duitsland). Eiser heeft in het aanmeldgehoor AMV van 20 maart 2026 verklaard dat hij in Duitsland de geboortedatum van zijn broer heeft opgegeven.
4.3.
De minister heeft op 1 april 2026 op grond van artikel 34 van de Dublinverordening informatie opgevraagd bij de Duitse autoriteiten. Daarbij heeft de minister – onder andere – gevraagd welke persoonlijke gegevens van eiser in Duitsland zijn geregistreerd, hoe deze gegevens zijn onderbouwd, of eiser documenten heeft overgelegd en of een leeftijdsonderzoek heeft plaatsgevonden. Uit de reactie van Duitsland van 7 april 2026 blijkt dat eiser in Duitsland bekend is onder de volgende gegevens:
Voor- en achternaam: [eiser];
Geboortedatum: [geboortedatum 2] 2003;
Geboorteplaats: [geboorteplaats 1], onduidelijk.
De Duitse autoriteiten hebben drie aliassen geregistreerd:
Ayoub Bouazza, [geboortedatum 1] 2009, [geboorteplaats 2], Algerije;
Mohamed Sakkik, [geboortedatum 3] 2003, [geboorteplaats 3], Algerije;
Mohamed Sedik, [geboortedatum 2] 2003, [geboorteplaats 4], Algerije.
4.4.
Op 9 april 2026 heeft de minister [naam] geïnformeerd dat eiser meerderjarig wordt verklaard. De twijfel over de leeftijd van eiser is weggenomen op grond van de uitslag van het Dublinonderzoek in samenhang met eisers verklaringen. Om deze reden is een medisch onderzoek volgens de minister niet meer aan de orde.
5. De Europese Unie heeft gezamenlijke regelgeving over het in behandeling nemen van asielaanvragen. Die staat in de Dublinverordening. Op grond van de Dublinverordening neemt de minister een asielaanvraag niet in behandeling als is vastgesteld dat een andere lidstaat verantwoordelijk is voor de behandeling daarvan. In dit geval heeft Nederland bij Duitsland een verzoek om terugname gedaan. Duitsland heeft dit verzoek aanvaard.
Welke lidstaat is verantwoordelijk voor de asielaanvraag?
6. Eiser stelt dat hij is geboren op [geboortedatum 1] 2009 en dus een alleenstaande minderjarige vreemdeling is. Ter onderbouwing van deze verklaring heeft eiser een kopie van zijn paspoort overgelegd. Overdracht aan Duitsland is volgens eiser daarom in strijd met artikel 8 van de Dublinverordening. Daarbij heeft eiser verwezen naar het M.A.-arrest. Daarnaast geldt op grond van het arrest Darboe en Camara, als twijfel bestaat over de leeftijd van een vreemdeling, als uitgangspunt de presumptie van minderjarigheid teneinde de rechten van het kind effectief te beschermen. Verder verwijst eiser naar vaste rechtspraak van de Afdeling, waaruit volgt dat de minister een leeftijdsregistratie uit een andere lidstaat bij de beoordeling van de leeftijd mag betrekken en daar gewicht aan mag toekennen, maar dat hij daarbij zorgvuldig dient te onderzoeken waarop die registratie is gebaseerd en deugdelijk dient te motiveren waarom daaraan doorslaggevende betekenis wordt toegekend. Van een dergelijk zorgvuldige beoordeling is volgens eiser geen sprake geweest. In het voornemen is geen aandacht besteed aan de door eiser overgelegde kopie van het paspoort. De minister had niet moeten volstaan met een ‘kaal’ voornemen. Ook heeft de minister geen onderzoek verricht naar de tegenstrijdige leeftijdsgegevens. Op 1 april 2026 is weliswaar informatie opgevraagd bij de Duitse autoriteiten, maar niet ten aanzien van de grondslag van de Duitse leeftijdsregistratie. Ook heeft de minister ten onrechte geen onderzoek verricht bij de Franse autoriteiten, terwijl eiser gedurende drie jaar als minderjarige in Frankrijk is opgevangen. Nu sprake was van tegenstrijdige aanwijzingen omtrent de leeftijd van eiser, had de minister niet zonder nader onderzoek naar de kopie van het paspoort kunnen volstaan met het volgen van de Duitse registratie. Tot slot stelt eiser zich op het standpunt dat het claimakkoord van Duitsland berust op onvolledige en onjuiste informatie, omdat Duitsland niet is geïnformeerd over de overgelegde kopie van het paspoort.
6.1.
De minister heeft zich op het standpunt gesteld dat eiser meerderjarig is. De IND heeft eiser evident meerderjarig geschouwd en bij DISA bestond er twijfel. Het is aan eiser om deze twijfel weg te nemen, maar dit heeft hij niet gedaan. Daarnaast heeft er op grond van artikel 34 van de Dublinverordening een onderzoek in Duitsland plaatsgevonden en daaruit is gebleken dat eiser in Duitsland bekend staat met twee meerderjarige geboortedata, te weten [geboortedatum 2] 2003 en [geboortedatum 3] 2003. De twijfel over eisers leeftijd is weggenomen op grond van de uitslag van het Dublinonderzoek van 8 april 2026 in samenhang met eisers verklaringen. Om deze reden heeft geen medisch leeftijdsonderzoek plaatsgevonden. De leeftijd van eiser is daarom in de systemen van de minister gewijzigd naar [geboortedatum 2] 2003. Eiser heeft een kopie van zijn paspoort overgelegd. Omdat het een kopie van het paspoort betreft, kan de minister de echtheid van het document niet vaststellen. De minister ziet niet in dat eiser geen origineel paspoort kon overleggen. Eiser verklaard contact te hebben met zijn moeder en hij kon naar de ambassade. De minister meent dat hij heeft voldaan aan zijn onderzoeksplicht, omdat een informatieverzoek aan de Duitse autoriteiten is gestuurd om te achterhalen hoe eiser daar geregistreerd staat en hoe de registratie is verlopen. Onder verwijzing naar paragraaf 3.2.1 van de Werkinstructie 2025/1 Leeftijdsbepaling stelt de minister zich op het standpunt dat er onvoldoende aanleiding is voor nader onderzoek. Verder stelt de minister zich, onder verwijzing naar een uitspraak van de Afdeling, op het standpunt dat hij mocht volstaan met een standaard voornemen. De kopie van het paspoort heeft de minister in het bestreden besluit betrokken. Tot slot is het claimakkoord volgens de minister niet tot stand gekomen op basis van onvolledige of onjuiste informatie. Een kopie van een paspoort is geen origineel document en biedt geen mogelijkheden om de echtheid van het document vast te stellen. De minister mocht daarom uitgaan van de beschikbare Eurodac gegevens en de informatie die door de Duitse autoriteiten is verstrekt.
6.2.
De rechtbank is van oordeel dat het door de minister verrichte onderzoek onvoldoende is om het vermoeden van minderjarigheid te ontzenuwen. De rechtbank neemt daartoe als uitgangspunt dat uit uitspraken van de Afdeling volgt dat als de minister een leeftijdsregistratie uit een andere lidstaat aantreft, waaruit volgt dat de vreemdeling meerderjarig is, hij die mag betrekken bij het beoordelen van de leeftijd van de vreemdeling en daaraan gewicht mag toekennen. Hij zal dan steeds zorgvuldig moeten onderzoeken en deugdelijk moeten motiveren welk gewicht hij aan een bepaalde registratie toekent en waarom. Als aan de registratie alleen een eigen verklaring van de vreemdeling ten grondslag ligt, dan zal de minister moeten informeren onder welke omstandigheden deze verklaring is afgelegd. De minister zal steeds alle feiten en omstandigheden moeten meewegen bij het beoordelen van de leeftijd van de vreemdeling die stelt minderjarig te zijn. De minister moet bij deze beoordeling ook eventuele overgelegde bewijsmiddelen, zoals officiële en onofficiële identificerende documenten, betrekken.
6.3.
Hiervoor, onder rechtsoverweging 4.3, is weergegeven welke informatie van de Duitse autoriteiten is ontvangen. Uit de eerder aangehaalde uitspraken van de Afdeling volgt dat de minister moet toelichten waarop de registratie is gebaseerd. Als aan een leeftijdsregistratie alleen een eigen verklaring van een vreemdeling ten grondslag ligt, dan zal de minister moeten informeren onder welke omstandigheden deze verklaring is afgelegd. Verder volgt uit WI 2025/1 dat als uit het onderzoek naar de registraties in de andere lidsta(a)t(en) geen duidelijk resultaat komt, alsnog vervolgonderzoek kan plaatsvinden, zoals een medisch leeftijdsonderzoek. De rechtbank stelt vast dat uit het antwoord van de Duitse autoriteiten op het informatieverzoek niet blijkt op welke wijze de desbetreffende registratie tot stand is gekomen. Niet inzichtelijk is of deze registratie is gebaseerd op documenten, verklaringen of andere bronnen. Gelet op de verklaringen van eiser, waarin hij stelt dat in Duitsland de geboortedatum van zijn broer is geregistreerd, en de door eiser overgelegde kopie van het paspoort lag het op de weg van de minister om nader te onderzoeken op welke wijze de registratie tot stand is gekomen en of nadere verificatie mogelijk was. Dit geldt te meer nu deze registratie van doorslaggevend gewicht is geweest voor de uitkomst van de leeftijdsbeoordeling en eiser heeft verklaard dat hij in Duitsland geen documenten heeft overgelegd en er geen botonderzoek heeft plaatsgevonden. Gelet op het voorgaande heeft de minister het besluit onzorgvuldig voorbereid en onvoldoende gemotiveerd waarom de minister aan de registratie in Duitsland meer gewicht heeft toegekend dan aan de verklaringen van eiser en de kopie van zijn paspoort. Ook is onvoldoende gemotiveerd waarom is afgezien van het eerder aangekondigde medisch leeftijdsonderzoek. De rechtbank is daarom van oordeel dat het door de minister verrichte onderzoek onvoldoende is en daarmee het vermoeden van minderjarigheid niet heeft ontzenuwd.
6.4.
De rechtbank is gelet op het voorgaande van oordeel dat het bestreden besluit en het daaraan voorafgegane voornemen niet berusten op een deugdelijke motivering en in strijd zijn met het zorgvuldigheidsbeginsel. De rechtbank vernietigt daarom het bestreden besluit.
Conclusie en gevolgen
7. Het beroep is gegrond, omdat het bestreden besluit is genomen in strijd met de artikelen 3:2 en 3:46 van de Awb. Verweerder heeft het besluit niet zorgvuldig voorbereid en niet deugdelijk gemotiveerd. Dit betekent dat eiser gelijk krijgt. De rechtbank vernietigt daarom het bestreden besluit. De rechtbank ziet geen reden om de rechtsgevolgen van het bestreden besluit in stand te laten of zelf in de zaak te voorzien.
7.1.
De rechtbank bepaalt met toepassing van artikel 8:72, vierde lid, van de Awb dat de minister een nieuw besluit moet nemen en daarbij rekening houdt met deze uitspraak.
7.2.
Omdat het beroep gegrond is krijgt eiser een vergoeding van zijn proceskosten.
De minister moet deze vergoeding betalen. Deze vergoeding bedraagt € 934,- omdat de gemachtigde van eiser een beroepschrift heeft ingediend. Verder zijn er geen kosten gemaakt die vergoed kunnen worden.
Beslissing
De rechtbank:
- verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt het bestreden besluit van 8 juni 2025;
- draagt de minister op een nieuw besluit te nemen op de aanvraag, waarbij rekening wordt gehouden met deze uitspraak;
- veroordeelt de minister tot betaling van € 934,- aan proceskosten aan eiser.
Deze uitspraak is gedaan door mr. M.M. van Veelen, rechter, in aanwezigheid van S. Hitijahubessy - Brussaard, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
Dit staat ook in artikel 30, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000.
Arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 6 juni 2013, ECLI:EU:C:2013:367.
Arrest van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens van 21 juli 2022, ECLI:CE:ECHR:2022:0721JUD000579717.
Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.
Immigratie- en Naturalisatiedienst.
Dienst Identificatie en Screening Asielzoekers.
Uitspraak van de Afdeling van 23 november 2023, ECLI:NL:RVS:2023:4348.
Uitspraken van de Afdeling van 9 oktober 2024, ECLI:NL:RVS:2024:3992 en ECLI:NL:RVS:2024:4086.
Algemene wet bestuursrecht.