Rechtbank Den Haag
ECLI:NL:RBDHA:2026:28054
2026-09-24
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
NL25.49234
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen
Inhoudsindicatie
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat de minister terecht heeft vastgesteld dat eiser geen recht heeft op tijdelijke bescherming als bedoeld in de Richtlijn, omdat eiser niet voldoet aan de voorwaarden die daarvoor gelden. Niet is immers gebleken dat eiser ontheemd is geraakt als gevolg van de Russische militaire invasie in Oekraïne. Het beroep is ongegrond.
Citeert (1)
- ECLI:NL:RVS:2022:1918 Raad van State 06-07-2022
Geciteerd door (0)
- geen
Volledige tekst
Volledige tekst (14.637 tekens)
RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Zwolle
Bestuursrecht
zaaknummer: NL25.49234
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[eiser], V-nummer: [V-nummer], eiser
(gemachtigde: mr. R.H.T. van Boxmeer),
en
de minister van Asiel en Migratie,
(gemachtigde: mr. M.R. Stuart).
Samenvatting
1.1.
Deze uitspraak gaat over het beroep van eiser tegen de vaststelling van de minister dat eiser geen recht heeft op verblijf in Nederland op grond van de Richtlijn tijdelijke bescherming (hierna: de Richtlijn). Eiser is het hier niet mee eens. Aan de hand van de beroepsgronden van eiser beoordeelt de rechtbank het beroep.
1.2.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat de minister terecht heeft vastgesteld dat eiser geen recht heeft op tijdelijke bescherming als bedoeld in de Richtlijn, omdat eiser niet voldoet aan de voorwaarden die daarvoor gelden. Niet is immers gebleken dat eiser ontheemd is geraakt als gevolg van de Russische militaire invasie in Oekraïne. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat eiser geen gelijk krijgt. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Procesverloop
2.1.
Bij besluit van 16 mei 2025 heeft de minister besloten dat eiser niet in aanmerking komt voor tijdelijke bescherming als bedoeld in de Richtlijn.
2.2.
Met het bestreden besluit van 22 september 2025 op het bezwaar van eiser is de minister bij dat besluit gebleven. Eiser heeft tegen dit besluit beroep ingesteld.
2.3.
De rechtbank heeft het beroep op 2 juli 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser, N. Krasilova als tolk en de gemachtigde van de minister.
Beoordeling door de rechtbank
3.1.
Eiser stelt van Oekraïense nationaliteit te zijn en te zijn geboren op [geboortedatum] 1985. Op 14 mei 2025 heeft eiser zich ingeschreven bij de gemeente en heeft daarmee laten weten dat hij gebruik wil maken van tijdelijke bescherming als bedoeld in de Richtlijn.
Standpunten partijen
4.1.
De minister heeft zich – kort samengevat – op het standpunt gesteld dat eiser niet voor tijdelijke bescherming als bedoeld in de Richtlijn in aanmerking komt, omdat hij vóór 24 februari 2022 vanwege zijn werk uit Oekraïne is vertrokken naar een land buiten de Europese Unie en niet meer is teruggekeerd. Eiser heeft zelf verklaard dat hij op 8 januari 2022 naar Egypte is gereisd voor zijn werk. Dit wordt bevestigd door de stempels in zijn paspoort. Eiser is Oekraïne dus niet ontvlucht vanwege de Russische invasie. Verder heeft eiser verklaard dat hij geen gezinslid is van een persoon die tijdelijke bescherming heeft in Nederland. De minister concludeert dat eiser niet behoort tot één van de groepen ontheemden uit Oekraïne die recht heeft op tijdelijke bescherming in Nederland. De minister heeft eiser niet gehoord, omdat uit vorenstaande feiten duidelijk blijkt dat eiser niet behoort tot één van de doelgroepen die in aanmerking komt voor tijdelijke bescherming, aldus de minister.
4.2.
Eiser heeft de juistheid van het standpunt van de minister gemotiveerd betwist. Op hetgeen hij in dit verband heeft aangevoerd zal hieronder – voor zover relevant – worden ingegaan.
Toetsingskader
5.1.
De Raad van de Europese Unie kan bij een massale toestroom van ontheemden op grond van de Richtlijn een besluit nemen waarin wordt bepaald dat bepaalde categorieën ontheemden in de lidstaat tijdelijke bescherming kunnen krijgen. Als gevolg van de inval van Russische strijdkrachten in Oekraïne op 24 februari 2022 werd de Europese Unie geconfronteerd met een groeiende toestroom van Oekraïense burgers en derdelanders die op dat moment al dan niet legaal in Oekraïne verbleven. De Raad van de Europese Unie heeft daarop in het Uitvoeringsbesluit besloten om de Richtlijn van toepassing te verklaren op ontheemden uit Oekraïne. Daarbij zijn ook de groepen vreemdelingen aangewezen die onder de reikwijdte van de Richtlijn vallen. Kort gezegd gaat het om (nader geduide) categorieën van personen die sinds 24 februari 2022 ontheemd zijn geraakt als gevolg van de militaire invasie van Russische strijdkrachten op die datum en die vóór 24 februari 2022 in Oekraïne verbleven.
5.2.
Nederland heeft gebruik gemaakt van de optie in het Uitvoeringsbesluit om de bescherming uit te breiden door te bepalen dat ook tijdelijke bescherming wordt toegekend aan - voor zover hier relevant - Oekraïners die Oekraïne na 26 november 2021 zijn ontvlucht of in de periode van 27 november 2021 tot en met 23 februari 2022 naar het grondgebied van de Europese Unie zijn gereisd. Dit is uitgewerkt in de artikelen 3.1a van het Vb 2000 en artikel 3.9a van het VV 2000. De minister heeft deze keuze toegelicht in de brief van 30 maart 2022.
Behoort eiser tot de doelgroep van de tijdelijke bescherming?
6.1.
Eiser voert aan dat hij de Oekraïense nationaliteit heeft en Oekraïne ná 26 november 2021 is ontvlucht, zodat hij behoort tot de doelgroep die in artikel 3.9a, eerste lid, onder a, van het VV is omschreven. De invasie van Rusland in Oekraïne begon op 24 februari 2022. Eiser greep de mogelijkheid aan om vóór de invasie in Egypte te gaan werken, omdat hij voelde dat op korte termijn oorlog zou ontstaan. De dreiging van het Russische leger speelde mee in zijn besluit om te vertrekken. Terugkeer was daarna niet meer mogelijk. Eiser stelt verder dat het in strijd is met de ratio en uitleg van de Richtlijn dat Oekraïners die in de periode van 27 november 2021 tot en met 23 februari 2022 naar het grondgebied van de Europese Unie zijn gereisd wel bescherming krijgen, maar Oekraïners zoals eiser, die in dezelfde periode naar een land buiten de Europese Unie zijn gereisd, niet.
6.2.
De rechtbank stelt vast dat niet in geschil is dat eiser vóór de invasie op 24 februari 2022 uit Oekraïne is vertrokken. Hij is op 8 januari 2022 naar Egypte gereisd, heeft daar gewerkt en is niet teruggekeerd naar Oekraïne. Op 8 mei 2025 is eiser Nederland in gereisd.
6.3.
De stelling van eiser dat hij valt onder de doelgroep zoals omschreven in artikel 3.9a, eerste lid, onder a, van het VV volgt de rechtbank niet.
6.3.1.
In punt 14 van de considerans van het Uitvoeringsbesluit worden de lidstaten aangemoedigd om de tijdelijke bescherming uit te breiden tot personen die Oekraïne kort vóór 24 februari 2022 zijn ontvlucht omdat de spanningen toenamen of die zich net vóór die datum op het grondgebied van de Europese Unie bevonden en die als gevolg van het gewapende conflict niet naar Oekraïne kunnen terugkeren. Nederland heeft hieraan gehoor gegeven door de tijdelijke bescherming uit te breiden naar - voor zover hier relevant - Oekraïners die op of na 27 november 2021 Oekraïne hebben verlaten vanwege de toenemende spanningen en naar Oekraïners die in de periode van 27 november 2021 tot en met 23 februari 2022 naar het grondgebied van de Europese Unie zijn gereisd.
6.3.2.
Naar het oordeel van de rechtbank heeft de minister zich op goede gronden op het standpunt gesteld dat eiser niet uit Oekraïne is vertrokken vanwege de nadere dreigende invasie, maar dat hij naar Egypte is gereisd vanwege zijn werk. De minister heeft hierbij in aanmerking kunnen nemen dat eiser in het aanmeldgehoor niet heeft verklaard dat hij wegens de dreigende oorlog naar Egypte is vertrokken. Op de vraag waarom hij Oekraïne heeft verlaten, heeft eiser geantwoord dat hij naar Egypte ging voor een project van zijn werk. Uit de aanvullende informatie die eiser op 17 september 2025, naar aanleiding van schriftelijke vragen van de minister, heeft verstrekt, volgt evenmin dat de dreigende Russische invasie iets te maken had met het vertrek van eiser uit Oekraïne. Op de vraag met welke reden eiser vanuit Oekraïne is vertrokken naar Egypte, heeft eiser nogmaals geantwoord dat hij voor zijn werk naar Egypte is gegaan, omdat hij daar een project had en dus op zakenreis ging.
6.3.3.
Eiser stelt voor het eerst in beroep dat hij de mogelijkheid om te gaan werken in Egypte heeft aangegrepen, omdat hij voelde dat op korte termijn oorlog zou ontstaan. De rechtbank is het met de minister eens dat eiser met deze kale stelling in een laat stadium van de procedure niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij wegens de dreigende oorlog uit Oekraïne is vertrokken. De minister heeft dus kunnen concluderen dat eiser Oekraïne niet is ontvlucht en daarom niet behoort tot de doelgroep zoals omschreven in artikel 3.9a, eerste lid, onder a, van het VV.
6.3.4.
Ten aanzien van eisers stelling dat hij wel bescherming zou hebben gekregen als hij niet in Egypte was gaan werken, maar in een EU-land, en dat dit onderscheid in strijd is met de ratio van de Richtlijn overweegt de rechtbank als volgt. De Richtlijn heeft ten doel de lidstaten in staat te stellen het hoofd te kunnen bieden aan een massale toestroom van ontheemden afkomstig uit derde landen die niet naar hun land van oorsprong kunnen terugkeren. De mensen die zich kort vóór de invasie al in de Europese Unie bevonden en vanwege de invasie niet konden terugkeren naar Oekraïne maakten deel uit van de massale toestroom die de asielprocedures van de lidstaten dreigden te overbelasten. Eiser bevond zich ten tijde van die massale toestroom echter niet in de Europese Unie, maar bevond zich in Egypte en is pas in 2025 Nederland ingereisd. Nu eiser geen deel uitmaakt van de massale toestroom, valt niet in te zien waarom het in strijd zou zijn met de ratio van de Richtlijn dat hij de asielprocedure moet doorlopen om in aanmerking te komen voor bescherming.
6.4
Gelet op het voorgaande komt eiser niet in aanmerking voor tijdelijke bescherming op grond van de Richtlijn. De minister heeft terecht overwogen dat eiser de asielprocedure kan doorlopen als hij vindt dat hij vanwege de Russische invasie niet kan terugkeren naar Oekraïne. De beroepsgrond slaagt niet.
Is het evenredigheidsbeginsel geschonden?
7.1.
Eiser voert aan dat het besluit in strijd is met het Unierechtelijke evenredigheidsbeginsel dan wel artikel 3.4, tweede lid, van de Awb. Ten onrechte zijn de persoonlijke omstandigheden van eiser niet meegewogen in de beslissing.
7.2.
De rechtbank overweegt dat eiser geen ontheemde is als bedoeld in de Richtlijn en daarom niet in aanmerking komt voor tijdelijke bescherming als bedoeld in die Richtlijn. Persoonlijke omstandigheden van eiser maken dat niet anders. Daar komt bij dat eiser in Nederland de asielprocedure kan doorlopen, dat hij gedurende die procedure recht heeft op opvang en dat hij - onder voorwaarden - ook arbeid mag verrichten. Van onevenredige gevolgen van het onderhavige besluit voor eiser is de rechtbank dan ook niet gebleken. De beroepsgrond slaagt niet.
Is de hoorplicht geschonden?
8.1.
Eiser voert aan dat de minister hem ten onrechte niet heeft gehoord over zijn individuele omstandigheden tijdens de bezwaarfase.
8.2.
De rechtbank is van oordeel dat het betoog van eiser niet kan slagen. De Afdeling heeft in haar uitspraak van 6 juli 2022 aangegeven dat het uitgangspunt is dat een vreemdeling in bezwaar moet worden gehoord, maar ook dat daar, afhankelijk van de concrete omstandigheden van het geval, vanaf kan worden gezien. Dat is hier naar het oordeel van de rechtbank aan de orde. Zowel in het bestreden besluit als ter zitting is door de minister gemotiveerd uiteengezet dat er geen twijfel bestond dat eiser buiten het bereik van de Richtlijn valt en dat ook de reactie op de schriftelijke vragen die zijn gesteld, dit heeft bevestigd. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de minister onder deze omstandigheden van het horen in bezwaar kunnen afzien. De beroepsgrond slaagt niet.
Conclusie en gevolgen
9.1.
Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat eiser geen gelijk krijgt en de minister heeft kunnen besluiten dat eiser niet in aanmerking komt voor tijdelijke bescherming als bedoeld in de Richtlijn.
9.2.
Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Beslissing
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. E. Hoekstra, rechter, in aanwezigheid van
mr. S. Jongmans, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Bent u het niet eens met deze uitspraak?
Als u het niet eens bent met deze uitspraak, kunt u een brief sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin u uitlegt waarom u het er niet mee eens bent. Dit heet een beroepschrift. U moet dit beroepschrift indienen binnen 4 weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. U ziet deze datum hierboven.
Richtlijn 2001/55/EG van de Raad van 20 juli 2001 betreffende minimumnormen voor het verlenen van tijdelijke bescherming in geval van massale toestroom van ontheemden en maatregelen ter bevordering van een evenwicht tussen de inspanning van de lidstaten voor de opvang en het dragen van de consequenties van de opvang van deze personen.
Uitvoeringsbesluit (EU) 2022/382 van de Raad van 4 maart 2022 tot vaststelling van het bestaan van een massale toestroom van ontheemden uit Oekraïne in de zin van artikel 5 van Richtlijn 2001/55/EG, en tot invoering van tijdelijke bescherming naar aanleiding daarvan.
Vreemdelingenbesluit 2000.
Voorschrift Vreemdelingen 2000.
TK 2021-2022, 19 637, nr. 2839. Zie ook TK 2021-2022, 19 637, nr. 2945.
Algemene wet bestuursrecht.
Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, ECLI:NL:RVS:2022:1918.
Zittingsplaats Zwolle
Bestuursrecht
zaaknummer: NL25.49234
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[eiser], V-nummer: [V-nummer], eiser
(gemachtigde: mr. R.H.T. van Boxmeer),
en
de minister van Asiel en Migratie,
(gemachtigde: mr. M.R. Stuart).
Samenvatting
1.1.
Deze uitspraak gaat over het beroep van eiser tegen de vaststelling van de minister dat eiser geen recht heeft op verblijf in Nederland op grond van de Richtlijn tijdelijke bescherming (hierna: de Richtlijn). Eiser is het hier niet mee eens. Aan de hand van de beroepsgronden van eiser beoordeelt de rechtbank het beroep.
1.2.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat de minister terecht heeft vastgesteld dat eiser geen recht heeft op tijdelijke bescherming als bedoeld in de Richtlijn, omdat eiser niet voldoet aan de voorwaarden die daarvoor gelden. Niet is immers gebleken dat eiser ontheemd is geraakt als gevolg van de Russische militaire invasie in Oekraïne. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat eiser geen gelijk krijgt. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Procesverloop
2.1.
Bij besluit van 16 mei 2025 heeft de minister besloten dat eiser niet in aanmerking komt voor tijdelijke bescherming als bedoeld in de Richtlijn.
2.2.
Met het bestreden besluit van 22 september 2025 op het bezwaar van eiser is de minister bij dat besluit gebleven. Eiser heeft tegen dit besluit beroep ingesteld.
2.3.
De rechtbank heeft het beroep op 2 juli 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser, N. Krasilova als tolk en de gemachtigde van de minister.
Beoordeling door de rechtbank
3.1.
Eiser stelt van Oekraïense nationaliteit te zijn en te zijn geboren op [geboortedatum] 1985. Op 14 mei 2025 heeft eiser zich ingeschreven bij de gemeente en heeft daarmee laten weten dat hij gebruik wil maken van tijdelijke bescherming als bedoeld in de Richtlijn.
Standpunten partijen
4.1.
De minister heeft zich – kort samengevat – op het standpunt gesteld dat eiser niet voor tijdelijke bescherming als bedoeld in de Richtlijn in aanmerking komt, omdat hij vóór 24 februari 2022 vanwege zijn werk uit Oekraïne is vertrokken naar een land buiten de Europese Unie en niet meer is teruggekeerd. Eiser heeft zelf verklaard dat hij op 8 januari 2022 naar Egypte is gereisd voor zijn werk. Dit wordt bevestigd door de stempels in zijn paspoort. Eiser is Oekraïne dus niet ontvlucht vanwege de Russische invasie. Verder heeft eiser verklaard dat hij geen gezinslid is van een persoon die tijdelijke bescherming heeft in Nederland. De minister concludeert dat eiser niet behoort tot één van de groepen ontheemden uit Oekraïne die recht heeft op tijdelijke bescherming in Nederland. De minister heeft eiser niet gehoord, omdat uit vorenstaande feiten duidelijk blijkt dat eiser niet behoort tot één van de doelgroepen die in aanmerking komt voor tijdelijke bescherming, aldus de minister.
4.2.
Eiser heeft de juistheid van het standpunt van de minister gemotiveerd betwist. Op hetgeen hij in dit verband heeft aangevoerd zal hieronder – voor zover relevant – worden ingegaan.
Toetsingskader
5.1.
De Raad van de Europese Unie kan bij een massale toestroom van ontheemden op grond van de Richtlijn een besluit nemen waarin wordt bepaald dat bepaalde categorieën ontheemden in de lidstaat tijdelijke bescherming kunnen krijgen. Als gevolg van de inval van Russische strijdkrachten in Oekraïne op 24 februari 2022 werd de Europese Unie geconfronteerd met een groeiende toestroom van Oekraïense burgers en derdelanders die op dat moment al dan niet legaal in Oekraïne verbleven. De Raad van de Europese Unie heeft daarop in het Uitvoeringsbesluit besloten om de Richtlijn van toepassing te verklaren op ontheemden uit Oekraïne. Daarbij zijn ook de groepen vreemdelingen aangewezen die onder de reikwijdte van de Richtlijn vallen. Kort gezegd gaat het om (nader geduide) categorieën van personen die sinds 24 februari 2022 ontheemd zijn geraakt als gevolg van de militaire invasie van Russische strijdkrachten op die datum en die vóór 24 februari 2022 in Oekraïne verbleven.
5.2.
Nederland heeft gebruik gemaakt van de optie in het Uitvoeringsbesluit om de bescherming uit te breiden door te bepalen dat ook tijdelijke bescherming wordt toegekend aan - voor zover hier relevant - Oekraïners die Oekraïne na 26 november 2021 zijn ontvlucht of in de periode van 27 november 2021 tot en met 23 februari 2022 naar het grondgebied van de Europese Unie zijn gereisd. Dit is uitgewerkt in de artikelen 3.1a van het Vb 2000 en artikel 3.9a van het VV 2000. De minister heeft deze keuze toegelicht in de brief van 30 maart 2022.
Behoort eiser tot de doelgroep van de tijdelijke bescherming?
6.1.
Eiser voert aan dat hij de Oekraïense nationaliteit heeft en Oekraïne ná 26 november 2021 is ontvlucht, zodat hij behoort tot de doelgroep die in artikel 3.9a, eerste lid, onder a, van het VV is omschreven. De invasie van Rusland in Oekraïne begon op 24 februari 2022. Eiser greep de mogelijkheid aan om vóór de invasie in Egypte te gaan werken, omdat hij voelde dat op korte termijn oorlog zou ontstaan. De dreiging van het Russische leger speelde mee in zijn besluit om te vertrekken. Terugkeer was daarna niet meer mogelijk. Eiser stelt verder dat het in strijd is met de ratio en uitleg van de Richtlijn dat Oekraïners die in de periode van 27 november 2021 tot en met 23 februari 2022 naar het grondgebied van de Europese Unie zijn gereisd wel bescherming krijgen, maar Oekraïners zoals eiser, die in dezelfde periode naar een land buiten de Europese Unie zijn gereisd, niet.
6.2.
De rechtbank stelt vast dat niet in geschil is dat eiser vóór de invasie op 24 februari 2022 uit Oekraïne is vertrokken. Hij is op 8 januari 2022 naar Egypte gereisd, heeft daar gewerkt en is niet teruggekeerd naar Oekraïne. Op 8 mei 2025 is eiser Nederland in gereisd.
6.3.
De stelling van eiser dat hij valt onder de doelgroep zoals omschreven in artikel 3.9a, eerste lid, onder a, van het VV volgt de rechtbank niet.
6.3.1.
In punt 14 van de considerans van het Uitvoeringsbesluit worden de lidstaten aangemoedigd om de tijdelijke bescherming uit te breiden tot personen die Oekraïne kort vóór 24 februari 2022 zijn ontvlucht omdat de spanningen toenamen of die zich net vóór die datum op het grondgebied van de Europese Unie bevonden en die als gevolg van het gewapende conflict niet naar Oekraïne kunnen terugkeren. Nederland heeft hieraan gehoor gegeven door de tijdelijke bescherming uit te breiden naar - voor zover hier relevant - Oekraïners die op of na 27 november 2021 Oekraïne hebben verlaten vanwege de toenemende spanningen en naar Oekraïners die in de periode van 27 november 2021 tot en met 23 februari 2022 naar het grondgebied van de Europese Unie zijn gereisd.
6.3.2.
Naar het oordeel van de rechtbank heeft de minister zich op goede gronden op het standpunt gesteld dat eiser niet uit Oekraïne is vertrokken vanwege de nadere dreigende invasie, maar dat hij naar Egypte is gereisd vanwege zijn werk. De minister heeft hierbij in aanmerking kunnen nemen dat eiser in het aanmeldgehoor niet heeft verklaard dat hij wegens de dreigende oorlog naar Egypte is vertrokken. Op de vraag waarom hij Oekraïne heeft verlaten, heeft eiser geantwoord dat hij naar Egypte ging voor een project van zijn werk. Uit de aanvullende informatie die eiser op 17 september 2025, naar aanleiding van schriftelijke vragen van de minister, heeft verstrekt, volgt evenmin dat de dreigende Russische invasie iets te maken had met het vertrek van eiser uit Oekraïne. Op de vraag met welke reden eiser vanuit Oekraïne is vertrokken naar Egypte, heeft eiser nogmaals geantwoord dat hij voor zijn werk naar Egypte is gegaan, omdat hij daar een project had en dus op zakenreis ging.
6.3.3.
Eiser stelt voor het eerst in beroep dat hij de mogelijkheid om te gaan werken in Egypte heeft aangegrepen, omdat hij voelde dat op korte termijn oorlog zou ontstaan. De rechtbank is het met de minister eens dat eiser met deze kale stelling in een laat stadium van de procedure niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij wegens de dreigende oorlog uit Oekraïne is vertrokken. De minister heeft dus kunnen concluderen dat eiser Oekraïne niet is ontvlucht en daarom niet behoort tot de doelgroep zoals omschreven in artikel 3.9a, eerste lid, onder a, van het VV.
6.3.4.
Ten aanzien van eisers stelling dat hij wel bescherming zou hebben gekregen als hij niet in Egypte was gaan werken, maar in een EU-land, en dat dit onderscheid in strijd is met de ratio van de Richtlijn overweegt de rechtbank als volgt. De Richtlijn heeft ten doel de lidstaten in staat te stellen het hoofd te kunnen bieden aan een massale toestroom van ontheemden afkomstig uit derde landen die niet naar hun land van oorsprong kunnen terugkeren. De mensen die zich kort vóór de invasie al in de Europese Unie bevonden en vanwege de invasie niet konden terugkeren naar Oekraïne maakten deel uit van de massale toestroom die de asielprocedures van de lidstaten dreigden te overbelasten. Eiser bevond zich ten tijde van die massale toestroom echter niet in de Europese Unie, maar bevond zich in Egypte en is pas in 2025 Nederland ingereisd. Nu eiser geen deel uitmaakt van de massale toestroom, valt niet in te zien waarom het in strijd zou zijn met de ratio van de Richtlijn dat hij de asielprocedure moet doorlopen om in aanmerking te komen voor bescherming.
6.4
Gelet op het voorgaande komt eiser niet in aanmerking voor tijdelijke bescherming op grond van de Richtlijn. De minister heeft terecht overwogen dat eiser de asielprocedure kan doorlopen als hij vindt dat hij vanwege de Russische invasie niet kan terugkeren naar Oekraïne. De beroepsgrond slaagt niet.
Is het evenredigheidsbeginsel geschonden?
7.1.
Eiser voert aan dat het besluit in strijd is met het Unierechtelijke evenredigheidsbeginsel dan wel artikel 3.4, tweede lid, van de Awb. Ten onrechte zijn de persoonlijke omstandigheden van eiser niet meegewogen in de beslissing.
7.2.
De rechtbank overweegt dat eiser geen ontheemde is als bedoeld in de Richtlijn en daarom niet in aanmerking komt voor tijdelijke bescherming als bedoeld in die Richtlijn. Persoonlijke omstandigheden van eiser maken dat niet anders. Daar komt bij dat eiser in Nederland de asielprocedure kan doorlopen, dat hij gedurende die procedure recht heeft op opvang en dat hij - onder voorwaarden - ook arbeid mag verrichten. Van onevenredige gevolgen van het onderhavige besluit voor eiser is de rechtbank dan ook niet gebleken. De beroepsgrond slaagt niet.
Is de hoorplicht geschonden?
8.1.
Eiser voert aan dat de minister hem ten onrechte niet heeft gehoord over zijn individuele omstandigheden tijdens de bezwaarfase.
8.2.
De rechtbank is van oordeel dat het betoog van eiser niet kan slagen. De Afdeling heeft in haar uitspraak van 6 juli 2022 aangegeven dat het uitgangspunt is dat een vreemdeling in bezwaar moet worden gehoord, maar ook dat daar, afhankelijk van de concrete omstandigheden van het geval, vanaf kan worden gezien. Dat is hier naar het oordeel van de rechtbank aan de orde. Zowel in het bestreden besluit als ter zitting is door de minister gemotiveerd uiteengezet dat er geen twijfel bestond dat eiser buiten het bereik van de Richtlijn valt en dat ook de reactie op de schriftelijke vragen die zijn gesteld, dit heeft bevestigd. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de minister onder deze omstandigheden van het horen in bezwaar kunnen afzien. De beroepsgrond slaagt niet.
Conclusie en gevolgen
9.1.
Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat eiser geen gelijk krijgt en de minister heeft kunnen besluiten dat eiser niet in aanmerking komt voor tijdelijke bescherming als bedoeld in de Richtlijn.
9.2.
Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Beslissing
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. E. Hoekstra, rechter, in aanwezigheid van
mr. S. Jongmans, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Bent u het niet eens met deze uitspraak?
Als u het niet eens bent met deze uitspraak, kunt u een brief sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin u uitlegt waarom u het er niet mee eens bent. Dit heet een beroepschrift. U moet dit beroepschrift indienen binnen 4 weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. U ziet deze datum hierboven.
Richtlijn 2001/55/EG van de Raad van 20 juli 2001 betreffende minimumnormen voor het verlenen van tijdelijke bescherming in geval van massale toestroom van ontheemden en maatregelen ter bevordering van een evenwicht tussen de inspanning van de lidstaten voor de opvang en het dragen van de consequenties van de opvang van deze personen.
Uitvoeringsbesluit (EU) 2022/382 van de Raad van 4 maart 2022 tot vaststelling van het bestaan van een massale toestroom van ontheemden uit Oekraïne in de zin van artikel 5 van Richtlijn 2001/55/EG, en tot invoering van tijdelijke bescherming naar aanleiding daarvan.
Vreemdelingenbesluit 2000.
Voorschrift Vreemdelingen 2000.
TK 2021-2022, 19 637, nr. 2839. Zie ook TK 2021-2022, 19 637, nr. 2945.
Algemene wet bestuursrecht.
Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, ECLI:NL:RVS:2022:1918.