Rechtbank Den Haag
ECLI:NL:RBDHA:2026:28044
2026-09-10
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
NL26.42833 en NL26.42834
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen
Inhoudsindicatie
Naar het oordeel van de rechtbank heeft de minister zich niet ten onrechte op het standpunt gesteld dat de problemen vanwege toegedichte homoseksualiteit ongeloofwaardig zijn. Hiervoor is van belang dat de minister, gelet op hetgeen is overwogen onder 4.2. tot en met 4.5, heeft kunnen vinden dat eiser op verschillende punten vage en wisselende verklaringen heeft afgelegd en in grote lijnen niet geloofwaardig is. Hoewel de rechtbank bij enkele tegenwerpingen van de minister kanttekeningen heeft geplaatst, mocht de minister, gelet op het geheel van de overige tegenwerpingen die wel standhouden en afgezet tegen de beperkte kanttekeningen, aannemen dat de verklaringen van eiser geen samenhangend en aannemelijk geheel vormen.
Citeert (2)
- ECLI:NL:RVS:2026:4028 Raad van State 10-07-2026
- ECLI:NL:RVS:2024:2843 Raad van State 12-07-2024
Geciteerd door (0)
- geen
Volledige tekst
Volledige tekst (20.647 tekens)
RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Amsterdam
Bestuursrecht
Zaaknummers: NL26.42833 (beroep)
NL26.42834 (voorlopige voorziening)
V-nummers: [v-nummer]
uitspraak van de enkelvoudige kamer en de voorlopige voorzieningenrechter in de zaken tussen
[eiser], geboren op [geboortedag] 1981, van Tanzaniaanse nationaliteit, eiser/verzoeker, hierna: eiser
(gemachtigde: mr. M.L. Hoogendoorn),
en
de minister van Asiel en Migratie, verweerder, hierna de minister
(gemachtigde: mr. L.F. Ludwig).
Inleiding
1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank/voorzieningenrechter (hierna: de rechtbank) het beroep van eiser tegen de afwijzing van zijn asielaanvraag en zijn verzoek om een voorlopige voorziening.
1.1.
Eiser heeft op 13 juli 2026 een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd ingediend. De minister heeft met het besluit van 24 juli 2026 deze aanvraag afgewezen als kennelijk ongegrond. Eiser heeft hiertegen beroep ingesteld bij de rechtbank. Ook heeft hij verzocht om een voorlopige voorziening die ertoe strekt zijn uitzetting te verbieden totdat op zijn beroep is beslist.
1.2.
De rechtbank heeft het beroep en het verzoek om een voorlopige voorziening op 2 september 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser, K. Karekezi als tolk Swahili en gemachtigde van de minister.
Beoordeling door de rechtbank
Asielrelaas
2. Eiser legt aan zijn asielaanvraag het volgende ten grondslag. Hij heeft verklaard in april 2026 geld te hebben geleend van [de persoon]. Als wederdienst is hij gedwongen tot seks met [de persoon]. [naam 1], de zoon van [de persoon], heeft eiser betrapt tijdens een gesprek hierover. [naam 1] heeft met zijn broer [naam 2] gedeeld dat [de persoon] en eiser seks hebben gehad. Eiser is vervolgens in april en mei vier keer bedreigd door [naam 1] en [naam 2]. Bij terugkeer naar Tanzania vreest eiser vermoord te worden door [naam 1] en [naam 2] of opgepakt te worden door de politie.
Het bestreden besluit
3. Het asielrelaas van eiser bevat volgens de minister de volgende asielmotieven:
identiteit, nationaliteit en herkomst;
problemen vanwege toegedichte homoseksualiteit.
3.1.
De minister acht de problemen vanwege toegedichte homoseksualiteit niet geloofwaardig. Volgens de minister vormen de verklaringen van eiser geen samenhangend en aannemelijk geheel. De minister heeft eiser in dat kader het volgende tegengeworpen: eiser heeft wisselend verklaard over het lenen van geld van [de persoon], eisers verklaringen over de situatie in het kippenhok zijn summier en eiser heeft tegenstrijdig verklaard over de bedreigingen door [naam 1] en [naam 2]. Verder vindt de minister dat eiser in grote lijnen niet als geloofwaardig kan worden beschouwd. Daartoe stelt de minister dat uit de verklaringen van eiser blijkt dat zijn reis naar Nederland primair was ingegeven door de wens om te werken en geld te verdienen, en niet door de gestelde problemen. De minister heeft daarom alleen beoordeeld of eiser op grond van zijn geloofwaardig bevonden identiteit, nationaliteit en herkomst in aanmerking komt voor een verblijfsvergunning. Dat is volgens de minister niet het geval. De minister heeft de asielaanvraag van eiser als kennelijk ongegrond afgewezen op grond van artikel 42, eerste lid, onder j, van de Procedureverordening, omdat eiser afkomstig is uit Tanzania en het Europese inwilligingspercentage voor asielverzoeken van personen afkomstig uit Tanzania met 16,8% lager is dan 20%. Tot slot heeft de minister aan eiser een terugkeerbesluit opgelegd, inhoudende dat eiser Nederland onmiddellijk moet verlaten indien hem na afloop van zijn asielprocedure definitief de toegang wordt geweigerd, waarbij is opgenomen dat hij vervolgens kan worden verwijderd naar Tanzania of Turkije.
Geloofwaardigheid problemen vanwege toegedichte homoseksualiteit
4. Eiser is het niet eens met de afwijzing van zijn asielaanvraag en voert allereerst aan dat de minister de problemen vanwege toegedichte homoseksualiteit ten onrechte niet geloofwaardig heeft geacht. De tegenwerpingen van de minister dat eiser vaag, summier, wisselend en tegenstrijdig heeft verklaard, kan eiser niet volgen. Eiser heeft dit nader toegelicht. De rechtbank zal deze toelichting hieronder bij haar oordeel betrekken.
Situatie kippenhok
4.1.
Ten aanzien van de situatie bij het kippenhok werpt de minister eiser tegen dat hij daarover summier heeft verklaard. Volgens de minister weet eiser weinig over de situatie in het kippenhok te vertellen en heeft hij geen antwoord gegeven op de vraag hoe het kippenhok eruitzag. De rechtbank overweegt hierover als volgt. Op de vraag hoe het kippenhok eruitzag, begint eiser te vertellen wat er in het kippenhok is gebeurd. Gelet op het gegeven antwoord is het duidelijk dat eiser de vraag niet heeft begrepen. De minister had eiser de vraag opnieuw kunnen stellen of deze nader kunnen toelichten, maar heeft dit nagelaten. De tegenwerping dat eiser geen antwoord heeft gegeven op de vraag, is dan ook niet op zijn plaats. Dit geldt ook voor de tegenwerping dat eiser weinig over de situatie in het kippenhok weet te vertellen. Ook deze tegenwerping is niet op zijn plaats. Uit het hoorverslag blijkt immers dat eiser wel degelijk over de situatie in het kippenhok heeft weten te vertellen. Indien dat te weinig was, had de minister door moeten vragen.
Verklaringen over het lenen van geld
4.2.
Ten aanzien van eisers verklaringen over het lenen van geld van [de persoon] overweegt de rechtbank dat de minister deze verklaringen als wisselend heeft mogen aanmerken. Eiser heeft hierover namelijk op verschillende momenten verschillend verklaard. Zo heeft hij eerst aangegeven dat [de persoon] hem om seks vroeg, omdat [de persoon] hem had geholpen door eiser geld te geven. Vervolgens heeft eiser aangegeven dat [de persoon] tegen hem had gezegd dat hij het geld zou krijgen als eiser seks met hem zou hebben. Later heeft eiser weer aangegeven dat [de persoon] hem het geld eerst had gegeven en pas daarna van hem had gevraagd om seks te hebben. De rechtbank volgt eiser niet in zijn gegeven toelichting dat deze verschillen zijn ontstaan doordat zijn eerste verklaring slechts een verkorte versie van de gebeurtenissen was en hij pas later meer details heeft gegeven. De rechtbank betrekt daarbij dat de aard van het verschil daaraan in de weg staat. De ene verklaring houdt namelijk in dat eiser voorafgaand aan het ontvangen van het geld te horen kreeg dat hij daarvoor seks met [de persoon] moest hebben, terwijl de andere verklaring inhoudt dat eiser het geld eerst had ontvangen en pas later van hem in ruil daarvoor seks werd verlangd. Niet valt in te zien dat de ene verklaring een samenvatting van de andere is, nu eiser daarmee twee verschillende versies van de gebeurtenissen heeft gegeven. Daar komt bij dat deze gebeurtenis een belangrijk aspect van het asielrelaas vormt, zodat aan de wisselende verklaringen hierover niet zomaar kan worden voorbijgegaan.
Bedreigingen door [naam 1] en [naam 2]
4.3.
Ten aanzien van de gestelde bedreigingen werpt de minister eiser tegen dat zijn verklaringen tegenstrijdig zijn, omdat eiser heeft verklaard dat er na het incident in het kippenhok één bedreiging heeft plaatsgevonden, terwijl dit haaks staat op zijn verklaringen over vier verschillende bedreigingen. De rechtbank overweegt hierover als volgt. De tegenwerping van de minister is gebaseerd op het antwoord van eiser op de vraag wat er is gebeurd tussen de ruzie in het kippenhok en het vertrek van eiser. Eiser antwoordde daarop: ‘In deze periode gebeurde alleen een bedreiging.’ Uit deze verklaring volgt echter niet ondubbelzinnig dat eiser heeft bedoeld dat er slechts één bedreiging heeft plaatsgevonden.
Volgens eiser berust dit op een vergissing aan de zijde van de IND. De rechtbank kan eiser hierin volgen. Uit het verslag van het nader gehoor blijkt namelijk dat eiser op verschillende momenten consistent spreekt over bedreigingen in het meervoud. Tegen deze achtergrond kan uit het gebruik van de woorden ‘een bedreiging’ niet de conclusie worden getrokken dat hij heeft verklaard dat er slechts één bedreiging heeft plaatsgevonden. Daartegenover overweegt de rechtbank dat de minister de verklaringen van eiser over de bedreiging op straat wél als tegenstrijdig heeft mogen aanmerken. Zo heeft eiser verklaard dat de bedreiging op straat overdag om 3.00 uur plaatsvond, terwijl hij later over dezelfde bedreiging heeft verklaard dat deze om 3.00 uur ’s avonds plaatsvond.
Overgelegde documenten
4.4.
Ten aanzien van de overgelegde documenten overweegt de rechtbank als volgt. Eiser heeft tijdens het gehoor twee kopieën van politieoproepen overgelegd en later in de beroepsprocedure de fysieke versies daarvan. Volgens de minister blijkt uit deze documenten niet waarom eiser moet verschijnen. Ook is niet duidelijk wat de aanleiding voor de oproep is geweest. Zowel in zijn besluit als ter zitting heeft de minister op het volgende gewezen. Uit de verklaringen van eiser blijkt dat hij de zoons van [de persoon] twee maanden vóór zijn vertrek voor het laatst heeft gezien. Zij hebben hem meegedeeld dat zij aangifte tegen eiser zouden doen als hij nog in de buurt van hun vader ([de persoon]) zou komen. Eiser heeft, naar eigen zeggen, zich hieraan gehouden en heeft sindsdien geen contact meer gehad met [de persoon]. De minister ziet niet in waarom de twee zoons desondanks juist naar de politie zouden zijn gestapt. De rechtbank kan de minister hierin volgen. Verder betrekt de rechtbank hierbij dat eiser heeft willen onderbouwen dat de politie naar hem op zoek is met een document dat dit, gelet op de dagtekening, evident niet kan aantonen. Op één van de twee overgelegde documenten is 16 maart 2026 als dagtekening vermeld, terwijl de door eiser gestelde problemen volgens zijn verklaring pas vanaf april 2026 zijn begonnen.
Niet in grote lijnen geloofwaardig
4.5.
De rechtbank overweegt verder dat de minister bij de beoordeling van de geloofwaardigheid van de problemen heeft mogen betrekken dat eiser niet in grote lijnen als geloofwaardig wordt beschouwd. De minister mocht er in dit kader op wijzen dat gelet op eisers verklaringen het vermoeden ontstaat dat zijn reis naar Nederland te maken heeft met werk in plaats van met het verzoek om internationale bescherming. Volgens eiser betekent het feit dat hij in 2023 plannen had om in het buitenland te gaan werken en daarover heeft verklaard, niet dat hij om economische motieven is gevlucht. De rechtbank kan eiser hierin volgen, omdat de gestelde problemen zich in 2023 nog niet voordeden. Dat neemt echter niet weg dat eiser, op de vraag waarom hij niet op een andere plek in Zanzibar of Tanzania had kunnen verblijven, het volgende heeft verklaard:
‘Ik had heel veel nagedacht. Ik dacht bijvoorbeeld om naar Engeland, Amerika
of Canada te gaan. Waarom? Ik wil gewoon gaan werken zodat ik mijn gezin
kan helpen. Omdat in Tanzania op dat moment moeilijk was, dacht ik dat in
Nederland of België misschien werk is. Ik wil gewoon werken zodat ik mijn
gezin kan helpen.’ Gelet op deze verklaring is gerede twijfel ontstaan aan de oprechtheid van eisers behoefte aan internationale bescherming.
Tussenconclusie geloofwaardigheid
4.6.
Naar het oordeel van de rechtbank heeft de minister zich niet ten onrechte op het standpunt gesteld dat de problemen vanwege toegedichte homoseksualiteit ongeloofwaardig zijn. Hiervoor is van belang dat de minister, gelet op hetgeen is overwogen onder 4.2. tot en met 4.5, heeft kunnen vinden dat eiser op verschillende punten vage en wisselende verklaringen heeft afgelegd en in grote lijnen niet geloofwaardig is. Hoewel de rechtbank bij enkele tegenwerpingen van de minister kanttekeningen heeft geplaatst, mocht de minister, gelet op het geheel van de overige tegenwerpingen die wel standhouden en afgezet tegen de beperkte kanttekeningen, aannemen dat de verklaringen van eiser geen samenhangend en aannemelijk geheel vormen.
Kennelijke afdoening
5. Eiser heeft verder aangevoerd dat de minister zijn aanvraag niet als kennelijk ongegrond had mogen afwijzen. Eiser is afkomstig uit Zanzibar, een deelstaat van Tanzania met een semi-autonome status. Volgens hem is het inwilligingspercentage van asielzoekers uit Zanzibar hoger dan 20%. Daarnaast is het inwilligingspercentage voor homoseksuele asielzoekers, of asielzoekers met een toegedichte homoseksualiteit, vele malen hoger dan 20%. De minister heeft dit volgens eiser miskend.
5.1.
De rechtbank overweegt hierover als volgt. De stelling dat het inwilligingspercentage van asielzoekers uit Zanzibar hoger is dan 20%, is niet (nader) onderbouwd. Op zitting heeft de gemachtigde van eiser aangegeven dat deze stelling berust op haar eigen persoonlijke ervaringen met cliënten. De rechtbank acht deze toelichting onvoldoende als onderbouwing.
5.2.
Wat betreft de verwijzing naar het inwilligingspercentage voor homoseksuele asielzoekers, dan wel asielzoekers aan wie homoseksualiteit wordt toegedicht, dat in het geval van Tanzania vele malen hoger ligt dan 20%, het volgende. Naar het oordeel van de rechtbank staat artikel 42, eerste lid, aanhef en onder j, van de Procedureverordening er niet aan in de weg dat de aanvraag als kennelijk ongegrond wordt afgewezen wanneer de minister zorgvuldig heeft vastgesteld dat het onderdeel van het relaas waarop de gestelde kwetsbaarheid is gebaseerd, ongeloofwaardig is. In dit geval heeft de minister zich op goede gronden en na een zorgvuldige beoordeling op het standpunt gesteld dat de problemen van eiser vanwege de hem toegedichte homoseksualiteit niet geloofwaardig zijn. De verwijzing dat het inwilligingspercentage voor homoseksuele asielzoekers, dan wel voor asielzoekers aan wie homoseksualiteit wordt toegedicht, vele malen hoger ligt dan 20%, treft in het geval van eiser dan ook geen doel. Eiser kan vanwege de ongeloofwaardigheid van de gestelde toegedichte homoseksualiteit immers niet tot deze groep worden gerekend. Eiser valt daarmee terug op het reguliere inwilligingspercentage voor Tanzania. Niet is betwist dat dit percentage lager is dan 20%. De aanvraag kon daarom als kennelijk ongegrond worden afgewezen.
5.3.
De beroepsgrond slaagt niet.
Terugkeerbesluit
6. Eiser kan zich niet verenigen met het standpunt van de minister dat hij op grond van de removal order kan worden uitgezet naar Turkije. Eiser voert daartoe aan dat hij slechts een transit op de luchthaven van Istanbul heeft gehad en nooit op het Turkse grondgebied heeft verbleven. Er is volgens eiser dan ook geen sprake van een situatie als bedoeld in artikel 3, derde lid, van de Terugkeerrichtlijn. Daarmee verschilt de onderhavige situatie van de casus waarover de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) heeft geoordeeld in haar uitspraak van 10 juli 2026.
6.1.
De rechtbank stelt voorop dat de minister in het terugkeerbesluit heeft opgenomen dat eiser kan worden verwijderd naar Tanzania of Turkije. Uit het dossier leidt de rechtbank af dat eiser op basis van een aanwezige removal order ook naar de luchthaven van Istanbul gestuurd kan worden.
6.2.
Onder verwijzing naar de uitspraak van de Afdeling van 12 juli 2024 overweegt de rechtbank dat het voor de minister mogelijk is om een vreemdeling op basis van een removal order naar een derde land te sturen, via welk land de vreemdeling het EU-gebied is binnengekomen, als de minister dit in een terugkeerbesluit opneemt. Wel zal de minister moeten beoordelen, als een bepaald land wordt genoemd in het terugkeerbesluit, of eiser in dat land gevrijwaard is van het risico op schending van artikel 3 van het EVRM. Om dit naar behoren te kunnen doen, zal de vreemdeling over een eventuele terugkeer naar het genoemde land moeten worden gehoord. In de onderhavige zaak is dat gebeurd middels een aanvullend gehoor, waarbij eiser is bevraagd over een mogelijke terugkeer naar Turkije, op basis van de removal order. In reactie op de vraag of er redenen zijn waarom hij niet naar Turkije zou kunnen, geeft eiser aan: “Nee. Er zijn geen nieuwe redenen behalve wat er gebeurd is.” In beroep heeft eiser ten aanzien van het risico op schending van artikel 3 van het EVRM niets aangevoerd.
6.3.
De rechtbank overweegt verder dat, zoals volgt uit de uitspraak van de Afdeling van 10 juli 2026, de minister een land dat partij is bij het Verdrag van Chicago (zoals Turkije) en waarnaar een vreemdeling op basis van een removal order kan worden terugvervoerd, mag aanmerken als land van doorreis en daarmee als land van terugkeer in de zin van artikel 3, derde lid, tweede streepje, van de Terugkeerrichtlijn.
6.4.
De beroepsgrond slaagt dus ook niet.
Conclusie en gevolgen
7. De minister heeft de aanvraag van eiser terecht afgewezen als kennelijk ongegrond. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat de afwijzing van de aanvraag in stand blijft.
8. Omdat op het beroep is beslist, bestaat er geen aanleiding meer voor het treffen van een voorlopige voorziening. De voorzieningenrechter wijst het verzoek daarom af.
9. Eiser krijgt geen vergoeding van zijn proceskosten.
Beslissing
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. R.H.G. Odink (voorzieningen)rechter, in aanwezigheid van mr. H. El Ouahabi, griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op:
Uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen twee weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden of na de dag van plaatsing daarvan in het digitale dossier. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen. Tegen de uitspraak op het verzoek om een voorlopige voorziening staat geen hoger beroep of verzet open.
Verordening (EU) 2024/1348.
Pagina 18 verslag nader gehoor.
Pagina 18-19 verslag nader gehoor.
Pagina 9 verslag nader gehoor.
Pagina 9 verslag nader gehoor.
Pagina 13 verslag nader gehoor.
Pagina 19 verslag nader gehoor.
Zie bijvoorbeeld pagina 6, 7 en 16 verslag nader gehoor.
Pagina 8 verslag nader gehoor.
Pagina 24 verslag nader gehoor.
Pagina 19 verslag nader gehoor.
Richtlijn 2008/115/EG.
ECLI:NL:RVS:2026:4028
ECLI:NL:RVS:2024:2843.
Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden.
Pagina 3 verslag aanvullend gehoor
ECLI:NL:2026:4028, rechtsoverweging 8 tot en met 11.3 en zie in het bijzonder rechtsoverweging 9.
Zittingsplaats Amsterdam
Bestuursrecht
Zaaknummers: NL26.42833 (beroep)
NL26.42834 (voorlopige voorziening)
V-nummers: [v-nummer]
uitspraak van de enkelvoudige kamer en de voorlopige voorzieningenrechter in de zaken tussen
[eiser], geboren op [geboortedag] 1981, van Tanzaniaanse nationaliteit, eiser/verzoeker, hierna: eiser
(gemachtigde: mr. M.L. Hoogendoorn),
en
de minister van Asiel en Migratie, verweerder, hierna de minister
(gemachtigde: mr. L.F. Ludwig).
Inleiding
1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank/voorzieningenrechter (hierna: de rechtbank) het beroep van eiser tegen de afwijzing van zijn asielaanvraag en zijn verzoek om een voorlopige voorziening.
1.1.
Eiser heeft op 13 juli 2026 een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd ingediend. De minister heeft met het besluit van 24 juli 2026 deze aanvraag afgewezen als kennelijk ongegrond. Eiser heeft hiertegen beroep ingesteld bij de rechtbank. Ook heeft hij verzocht om een voorlopige voorziening die ertoe strekt zijn uitzetting te verbieden totdat op zijn beroep is beslist.
1.2.
De rechtbank heeft het beroep en het verzoek om een voorlopige voorziening op 2 september 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser, K. Karekezi als tolk Swahili en gemachtigde van de minister.
Beoordeling door de rechtbank
Asielrelaas
2. Eiser legt aan zijn asielaanvraag het volgende ten grondslag. Hij heeft verklaard in april 2026 geld te hebben geleend van [de persoon]. Als wederdienst is hij gedwongen tot seks met [de persoon]. [naam 1], de zoon van [de persoon], heeft eiser betrapt tijdens een gesprek hierover. [naam 1] heeft met zijn broer [naam 2] gedeeld dat [de persoon] en eiser seks hebben gehad. Eiser is vervolgens in april en mei vier keer bedreigd door [naam 1] en [naam 2]. Bij terugkeer naar Tanzania vreest eiser vermoord te worden door [naam 1] en [naam 2] of opgepakt te worden door de politie.
Het bestreden besluit
3. Het asielrelaas van eiser bevat volgens de minister de volgende asielmotieven:
identiteit, nationaliteit en herkomst;
problemen vanwege toegedichte homoseksualiteit.
3.1.
De minister acht de problemen vanwege toegedichte homoseksualiteit niet geloofwaardig. Volgens de minister vormen de verklaringen van eiser geen samenhangend en aannemelijk geheel. De minister heeft eiser in dat kader het volgende tegengeworpen: eiser heeft wisselend verklaard over het lenen van geld van [de persoon], eisers verklaringen over de situatie in het kippenhok zijn summier en eiser heeft tegenstrijdig verklaard over de bedreigingen door [naam 1] en [naam 2]. Verder vindt de minister dat eiser in grote lijnen niet als geloofwaardig kan worden beschouwd. Daartoe stelt de minister dat uit de verklaringen van eiser blijkt dat zijn reis naar Nederland primair was ingegeven door de wens om te werken en geld te verdienen, en niet door de gestelde problemen. De minister heeft daarom alleen beoordeeld of eiser op grond van zijn geloofwaardig bevonden identiteit, nationaliteit en herkomst in aanmerking komt voor een verblijfsvergunning. Dat is volgens de minister niet het geval. De minister heeft de asielaanvraag van eiser als kennelijk ongegrond afgewezen op grond van artikel 42, eerste lid, onder j, van de Procedureverordening, omdat eiser afkomstig is uit Tanzania en het Europese inwilligingspercentage voor asielverzoeken van personen afkomstig uit Tanzania met 16,8% lager is dan 20%. Tot slot heeft de minister aan eiser een terugkeerbesluit opgelegd, inhoudende dat eiser Nederland onmiddellijk moet verlaten indien hem na afloop van zijn asielprocedure definitief de toegang wordt geweigerd, waarbij is opgenomen dat hij vervolgens kan worden verwijderd naar Tanzania of Turkije.
Geloofwaardigheid problemen vanwege toegedichte homoseksualiteit
4. Eiser is het niet eens met de afwijzing van zijn asielaanvraag en voert allereerst aan dat de minister de problemen vanwege toegedichte homoseksualiteit ten onrechte niet geloofwaardig heeft geacht. De tegenwerpingen van de minister dat eiser vaag, summier, wisselend en tegenstrijdig heeft verklaard, kan eiser niet volgen. Eiser heeft dit nader toegelicht. De rechtbank zal deze toelichting hieronder bij haar oordeel betrekken.
Situatie kippenhok
4.1.
Ten aanzien van de situatie bij het kippenhok werpt de minister eiser tegen dat hij daarover summier heeft verklaard. Volgens de minister weet eiser weinig over de situatie in het kippenhok te vertellen en heeft hij geen antwoord gegeven op de vraag hoe het kippenhok eruitzag. De rechtbank overweegt hierover als volgt. Op de vraag hoe het kippenhok eruitzag, begint eiser te vertellen wat er in het kippenhok is gebeurd. Gelet op het gegeven antwoord is het duidelijk dat eiser de vraag niet heeft begrepen. De minister had eiser de vraag opnieuw kunnen stellen of deze nader kunnen toelichten, maar heeft dit nagelaten. De tegenwerping dat eiser geen antwoord heeft gegeven op de vraag, is dan ook niet op zijn plaats. Dit geldt ook voor de tegenwerping dat eiser weinig over de situatie in het kippenhok weet te vertellen. Ook deze tegenwerping is niet op zijn plaats. Uit het hoorverslag blijkt immers dat eiser wel degelijk over de situatie in het kippenhok heeft weten te vertellen. Indien dat te weinig was, had de minister door moeten vragen.
Verklaringen over het lenen van geld
4.2.
Ten aanzien van eisers verklaringen over het lenen van geld van [de persoon] overweegt de rechtbank dat de minister deze verklaringen als wisselend heeft mogen aanmerken. Eiser heeft hierover namelijk op verschillende momenten verschillend verklaard. Zo heeft hij eerst aangegeven dat [de persoon] hem om seks vroeg, omdat [de persoon] hem had geholpen door eiser geld te geven. Vervolgens heeft eiser aangegeven dat [de persoon] tegen hem had gezegd dat hij het geld zou krijgen als eiser seks met hem zou hebben. Later heeft eiser weer aangegeven dat [de persoon] hem het geld eerst had gegeven en pas daarna van hem had gevraagd om seks te hebben. De rechtbank volgt eiser niet in zijn gegeven toelichting dat deze verschillen zijn ontstaan doordat zijn eerste verklaring slechts een verkorte versie van de gebeurtenissen was en hij pas later meer details heeft gegeven. De rechtbank betrekt daarbij dat de aard van het verschil daaraan in de weg staat. De ene verklaring houdt namelijk in dat eiser voorafgaand aan het ontvangen van het geld te horen kreeg dat hij daarvoor seks met [de persoon] moest hebben, terwijl de andere verklaring inhoudt dat eiser het geld eerst had ontvangen en pas later van hem in ruil daarvoor seks werd verlangd. Niet valt in te zien dat de ene verklaring een samenvatting van de andere is, nu eiser daarmee twee verschillende versies van de gebeurtenissen heeft gegeven. Daar komt bij dat deze gebeurtenis een belangrijk aspect van het asielrelaas vormt, zodat aan de wisselende verklaringen hierover niet zomaar kan worden voorbijgegaan.
Bedreigingen door [naam 1] en [naam 2]
4.3.
Ten aanzien van de gestelde bedreigingen werpt de minister eiser tegen dat zijn verklaringen tegenstrijdig zijn, omdat eiser heeft verklaard dat er na het incident in het kippenhok één bedreiging heeft plaatsgevonden, terwijl dit haaks staat op zijn verklaringen over vier verschillende bedreigingen. De rechtbank overweegt hierover als volgt. De tegenwerping van de minister is gebaseerd op het antwoord van eiser op de vraag wat er is gebeurd tussen de ruzie in het kippenhok en het vertrek van eiser. Eiser antwoordde daarop: ‘In deze periode gebeurde alleen een bedreiging.’ Uit deze verklaring volgt echter niet ondubbelzinnig dat eiser heeft bedoeld dat er slechts één bedreiging heeft plaatsgevonden.
Volgens eiser berust dit op een vergissing aan de zijde van de IND. De rechtbank kan eiser hierin volgen. Uit het verslag van het nader gehoor blijkt namelijk dat eiser op verschillende momenten consistent spreekt over bedreigingen in het meervoud. Tegen deze achtergrond kan uit het gebruik van de woorden ‘een bedreiging’ niet de conclusie worden getrokken dat hij heeft verklaard dat er slechts één bedreiging heeft plaatsgevonden. Daartegenover overweegt de rechtbank dat de minister de verklaringen van eiser over de bedreiging op straat wél als tegenstrijdig heeft mogen aanmerken. Zo heeft eiser verklaard dat de bedreiging op straat overdag om 3.00 uur plaatsvond, terwijl hij later over dezelfde bedreiging heeft verklaard dat deze om 3.00 uur ’s avonds plaatsvond.
Overgelegde documenten
4.4.
Ten aanzien van de overgelegde documenten overweegt de rechtbank als volgt. Eiser heeft tijdens het gehoor twee kopieën van politieoproepen overgelegd en later in de beroepsprocedure de fysieke versies daarvan. Volgens de minister blijkt uit deze documenten niet waarom eiser moet verschijnen. Ook is niet duidelijk wat de aanleiding voor de oproep is geweest. Zowel in zijn besluit als ter zitting heeft de minister op het volgende gewezen. Uit de verklaringen van eiser blijkt dat hij de zoons van [de persoon] twee maanden vóór zijn vertrek voor het laatst heeft gezien. Zij hebben hem meegedeeld dat zij aangifte tegen eiser zouden doen als hij nog in de buurt van hun vader ([de persoon]) zou komen. Eiser heeft, naar eigen zeggen, zich hieraan gehouden en heeft sindsdien geen contact meer gehad met [de persoon]. De minister ziet niet in waarom de twee zoons desondanks juist naar de politie zouden zijn gestapt. De rechtbank kan de minister hierin volgen. Verder betrekt de rechtbank hierbij dat eiser heeft willen onderbouwen dat de politie naar hem op zoek is met een document dat dit, gelet op de dagtekening, evident niet kan aantonen. Op één van de twee overgelegde documenten is 16 maart 2026 als dagtekening vermeld, terwijl de door eiser gestelde problemen volgens zijn verklaring pas vanaf april 2026 zijn begonnen.
Niet in grote lijnen geloofwaardig
4.5.
De rechtbank overweegt verder dat de minister bij de beoordeling van de geloofwaardigheid van de problemen heeft mogen betrekken dat eiser niet in grote lijnen als geloofwaardig wordt beschouwd. De minister mocht er in dit kader op wijzen dat gelet op eisers verklaringen het vermoeden ontstaat dat zijn reis naar Nederland te maken heeft met werk in plaats van met het verzoek om internationale bescherming. Volgens eiser betekent het feit dat hij in 2023 plannen had om in het buitenland te gaan werken en daarover heeft verklaard, niet dat hij om economische motieven is gevlucht. De rechtbank kan eiser hierin volgen, omdat de gestelde problemen zich in 2023 nog niet voordeden. Dat neemt echter niet weg dat eiser, op de vraag waarom hij niet op een andere plek in Zanzibar of Tanzania had kunnen verblijven, het volgende heeft verklaard:
‘Ik had heel veel nagedacht. Ik dacht bijvoorbeeld om naar Engeland, Amerika
of Canada te gaan. Waarom? Ik wil gewoon gaan werken zodat ik mijn gezin
kan helpen. Omdat in Tanzania op dat moment moeilijk was, dacht ik dat in
Nederland of België misschien werk is. Ik wil gewoon werken zodat ik mijn
gezin kan helpen.’ Gelet op deze verklaring is gerede twijfel ontstaan aan de oprechtheid van eisers behoefte aan internationale bescherming.
Tussenconclusie geloofwaardigheid
4.6.
Naar het oordeel van de rechtbank heeft de minister zich niet ten onrechte op het standpunt gesteld dat de problemen vanwege toegedichte homoseksualiteit ongeloofwaardig zijn. Hiervoor is van belang dat de minister, gelet op hetgeen is overwogen onder 4.2. tot en met 4.5, heeft kunnen vinden dat eiser op verschillende punten vage en wisselende verklaringen heeft afgelegd en in grote lijnen niet geloofwaardig is. Hoewel de rechtbank bij enkele tegenwerpingen van de minister kanttekeningen heeft geplaatst, mocht de minister, gelet op het geheel van de overige tegenwerpingen die wel standhouden en afgezet tegen de beperkte kanttekeningen, aannemen dat de verklaringen van eiser geen samenhangend en aannemelijk geheel vormen.
Kennelijke afdoening
5. Eiser heeft verder aangevoerd dat de minister zijn aanvraag niet als kennelijk ongegrond had mogen afwijzen. Eiser is afkomstig uit Zanzibar, een deelstaat van Tanzania met een semi-autonome status. Volgens hem is het inwilligingspercentage van asielzoekers uit Zanzibar hoger dan 20%. Daarnaast is het inwilligingspercentage voor homoseksuele asielzoekers, of asielzoekers met een toegedichte homoseksualiteit, vele malen hoger dan 20%. De minister heeft dit volgens eiser miskend.
5.1.
De rechtbank overweegt hierover als volgt. De stelling dat het inwilligingspercentage van asielzoekers uit Zanzibar hoger is dan 20%, is niet (nader) onderbouwd. Op zitting heeft de gemachtigde van eiser aangegeven dat deze stelling berust op haar eigen persoonlijke ervaringen met cliënten. De rechtbank acht deze toelichting onvoldoende als onderbouwing.
5.2.
Wat betreft de verwijzing naar het inwilligingspercentage voor homoseksuele asielzoekers, dan wel asielzoekers aan wie homoseksualiteit wordt toegedicht, dat in het geval van Tanzania vele malen hoger ligt dan 20%, het volgende. Naar het oordeel van de rechtbank staat artikel 42, eerste lid, aanhef en onder j, van de Procedureverordening er niet aan in de weg dat de aanvraag als kennelijk ongegrond wordt afgewezen wanneer de minister zorgvuldig heeft vastgesteld dat het onderdeel van het relaas waarop de gestelde kwetsbaarheid is gebaseerd, ongeloofwaardig is. In dit geval heeft de minister zich op goede gronden en na een zorgvuldige beoordeling op het standpunt gesteld dat de problemen van eiser vanwege de hem toegedichte homoseksualiteit niet geloofwaardig zijn. De verwijzing dat het inwilligingspercentage voor homoseksuele asielzoekers, dan wel voor asielzoekers aan wie homoseksualiteit wordt toegedicht, vele malen hoger ligt dan 20%, treft in het geval van eiser dan ook geen doel. Eiser kan vanwege de ongeloofwaardigheid van de gestelde toegedichte homoseksualiteit immers niet tot deze groep worden gerekend. Eiser valt daarmee terug op het reguliere inwilligingspercentage voor Tanzania. Niet is betwist dat dit percentage lager is dan 20%. De aanvraag kon daarom als kennelijk ongegrond worden afgewezen.
5.3.
De beroepsgrond slaagt niet.
Terugkeerbesluit
6. Eiser kan zich niet verenigen met het standpunt van de minister dat hij op grond van de removal order kan worden uitgezet naar Turkije. Eiser voert daartoe aan dat hij slechts een transit op de luchthaven van Istanbul heeft gehad en nooit op het Turkse grondgebied heeft verbleven. Er is volgens eiser dan ook geen sprake van een situatie als bedoeld in artikel 3, derde lid, van de Terugkeerrichtlijn. Daarmee verschilt de onderhavige situatie van de casus waarover de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) heeft geoordeeld in haar uitspraak van 10 juli 2026.
6.1.
De rechtbank stelt voorop dat de minister in het terugkeerbesluit heeft opgenomen dat eiser kan worden verwijderd naar Tanzania of Turkije. Uit het dossier leidt de rechtbank af dat eiser op basis van een aanwezige removal order ook naar de luchthaven van Istanbul gestuurd kan worden.
6.2.
Onder verwijzing naar de uitspraak van de Afdeling van 12 juli 2024 overweegt de rechtbank dat het voor de minister mogelijk is om een vreemdeling op basis van een removal order naar een derde land te sturen, via welk land de vreemdeling het EU-gebied is binnengekomen, als de minister dit in een terugkeerbesluit opneemt. Wel zal de minister moeten beoordelen, als een bepaald land wordt genoemd in het terugkeerbesluit, of eiser in dat land gevrijwaard is van het risico op schending van artikel 3 van het EVRM. Om dit naar behoren te kunnen doen, zal de vreemdeling over een eventuele terugkeer naar het genoemde land moeten worden gehoord. In de onderhavige zaak is dat gebeurd middels een aanvullend gehoor, waarbij eiser is bevraagd over een mogelijke terugkeer naar Turkije, op basis van de removal order. In reactie op de vraag of er redenen zijn waarom hij niet naar Turkije zou kunnen, geeft eiser aan: “Nee. Er zijn geen nieuwe redenen behalve wat er gebeurd is.” In beroep heeft eiser ten aanzien van het risico op schending van artikel 3 van het EVRM niets aangevoerd.
6.3.
De rechtbank overweegt verder dat, zoals volgt uit de uitspraak van de Afdeling van 10 juli 2026, de minister een land dat partij is bij het Verdrag van Chicago (zoals Turkije) en waarnaar een vreemdeling op basis van een removal order kan worden terugvervoerd, mag aanmerken als land van doorreis en daarmee als land van terugkeer in de zin van artikel 3, derde lid, tweede streepje, van de Terugkeerrichtlijn.
6.4.
De beroepsgrond slaagt dus ook niet.
Conclusie en gevolgen
7. De minister heeft de aanvraag van eiser terecht afgewezen als kennelijk ongegrond. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat de afwijzing van de aanvraag in stand blijft.
8. Omdat op het beroep is beslist, bestaat er geen aanleiding meer voor het treffen van een voorlopige voorziening. De voorzieningenrechter wijst het verzoek daarom af.
9. Eiser krijgt geen vergoeding van zijn proceskosten.
Beslissing
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. R.H.G. Odink (voorzieningen)rechter, in aanwezigheid van mr. H. El Ouahabi, griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op:
Uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen twee weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden of na de dag van plaatsing daarvan in het digitale dossier. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen. Tegen de uitspraak op het verzoek om een voorlopige voorziening staat geen hoger beroep of verzet open.
Verordening (EU) 2024/1348.
Pagina 18 verslag nader gehoor.
Pagina 18-19 verslag nader gehoor.
Pagina 9 verslag nader gehoor.
Pagina 9 verslag nader gehoor.
Pagina 13 verslag nader gehoor.
Pagina 19 verslag nader gehoor.
Zie bijvoorbeeld pagina 6, 7 en 16 verslag nader gehoor.
Pagina 8 verslag nader gehoor.
Pagina 24 verslag nader gehoor.
Pagina 19 verslag nader gehoor.
Richtlijn 2008/115/EG.
ECLI:NL:RVS:2026:4028
ECLI:NL:RVS:2024:2843.
Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden.
Pagina 3 verslag aanvullend gehoor
ECLI:NL:2026:4028, rechtsoverweging 8 tot en met 11.3 en zie in het bijzonder rechtsoverweging 9.