Neuralex RechtspraakNeuralex Rechtspraak
Inloggen staging

Rechtbank Den Haag

ECLI:NL:RBDHA:2026:28006

2026-09-18 Strafrecht 09/767013-20
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen

Gegevens

Instantie
Rechtbank Den Haag
Uitspraakdatum
2026-09-18
Publicatiedatum
2026-09-24
Rechtsgebied
Strafrecht
Procedure
Eerste aanleg - meervoudig
Zaaknummer
09/767013-20
Type
Uitspraak
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Inhoudsindicatie

Procesafspraken. Veroordeling voor het medeplegen van handel in cocaïne (feit 1), het medeplegen van voorbereidingshandelingen van handel in cocaïne, MDMA en metamfetamine (feit 2), het medeplegen van import van hasj (feit 3), (het medeplegen van) gewoontewitwassen (feiten 4 en 5), valsheid in geschrift (feit 6), aanbieden om witwassen te faciliteren (feit 7) en het medeplegen van het zonder registratie invoeren van ketamine (feit 8). Overeenkomstig de gemaakte procesafspraken legt de rechtbank een gevangenisstraf van 960 dagen waarvan 719 voorwaardelijk met een proeftijd van 3 jaren op, alsmede een geldboete van 110.000 euro.

Citeert (1)

Geciteerd door (0)

  • geen

Wetsverwijzingen

Volledige tekst

Volledige tekst (43.278 tekens)
Rechtbank DEN HAAG


Strafrecht



Meervoudige kamer



Parketnummer: 09/767013-20



Datum uitspraak: 18 september 2026



Tegenspraak




(Verkort vonnis)




De rechtbank Den Haag heeft op de grondslag van de tenlastelegging en naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting het navolgende vonnis gewezen in de zaak van de officier van justitie tegen de verdachte:






[verdachte]
,
geboren op [geboortedatum 2] 1977 te [geboorteplaats],
BRP-adres: [adres].






1Het onderzoek ter terechtzitting
Het onderzoek is gehouden op de terechtzittingen van 10 februari 2021, 23 april 2021, 15 juli 2021 en 4 september 2026.


De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie, mr. M.A. Visser, en van hetgeen door de verdachte en zijn raadsman, mr. J.B. van Faassen, naar voren is gebracht.






2De tenlastelegging
Aan de verdachte is ten laste gelegd hetgeen is vermeld in de dagvaarding. De tekst van de tenlastelegging is als bijlage I aan dit vonnis gehecht.





3Procesafspraken

3.1.
De aard van de zaak


Deze strafzaak kenmerkt zich doordat de officier van justitie en de verdediging zogeheten ‘procesafspraken’ hebben gemaakt over wat volgens hen een passende uitkomst van de strafzaak zou zijn. Deze procesafspraken hebben zij opgenomen in een overeenkomst, gedateerd 13 augustus 2026, die de officier van justitie op 14 augustus 2026 aan de rechtbank heeft doen toekomen. In de overeenkomst doen de officier van justitie en de verdediging aan de rechtbank een gezamenlijk voorstel voor de wijze van afdoening van de strafzaak.



Samengevat houdt dit afdoeningsvoorstel het volgende in:


- de verdachte en het Openbaar Ministerie zien af van het indienen van (nadere) onderzoekswensen;

- de verdachte hoeft in het kader van de afspraken geen nadere verklaring af te leggen. Uiteraard staat het hem vrij dit ter terechtzitting alsnog/wel te doen;

- het Openbaar Ministerie zal ter terechtzitting rekwireren tot een bewezenverklaring van:



ten aanzien van feit 1:

medeplegen van handel/vervoer/afleveren en aanwezig hebben van cocaïne in de periode van 14 april 2020 tot en met 4 juni 2020;




ten aanzien van feit 2:

medeplegen van voorbereiden van de handel in import/export van cocaïne en/of MDMA in de periode van 14 april 2020 tot en met 4 juni 2020;




ten aanzien van feit 3 (primair):

medeplegen import van hennep/hasj in de periode van 6 april 2020 tot en met 3 juni 2020;




ten aanzien van feit 4 (primair):

medeplegen van gewoontewitwassen van geldbedragen van (in totaal) € 506.600 en/of € 164.500 in de periode van 6 april 2020 tot en met 3 juni 2020;




ten aanzien van feit 5:

medeplegen van gewoontewitwassen van geldbedragen van (in totaal) € 54.246 in de periode van 1 januari 2017 tot en met 5 maart 2020;




ten aanzien van feit 6 (subsidiair):

valsheid in geschrifte door gebruik te maken van een vals stuk;




ten aanzien van feit 7:

bij geschrift opzettelijk aan een persoon aanbieden van inlichtingen en/of gelegenheid en/of middelen te verschaffen om het misdrijf van witwassen en/of het bedrijfsmatig uitvoeren van een geldwisseltransactie (2:54i Wft) in de periode van 26 maart 2020 tot en met 31 maart 2020;




ten aanzien van feit 8:

medeplegen van zonder registratie ketamine bereiden/invoeren/afleveren/uitvoeren/verhandelen in de periode van 8 juni 2020 tot en met 11 juni 2020;


- het Openbaar Ministerie zal ter terechtzitting voor die bewezenverklaring een strafeis vorderen van:



een gevangenisstraf van 960 dagen waarvan 720 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van 3 jaren;


een geldboete van € 110.000,00;



- er ligt conservatoir beslag op de overwaarde van de inmiddels verkochte woning van de verdachte en op twee bankrekeningen. Dit dient ter verrekening van de geldboete en het overige zal aan de verdachte worden teruggegeven. Ter terechtzitting is door de officier van justitie toegelicht dat er geen in beslag genomen goederen zijn waar de rechtbank een beslissing op dient te nemen;

- de verdediging zal geen verweren voeren;

- de verdachte zal zich niet onttrekken aan de tenuitvoerlegging van de straf;

- het Openbaar Ministerie zal geen ontnemingsvordering aanhangig maken;

- de verdediging en het Openbaar Ministerie stellen geen hoger beroep in indien de rechtbank komt tot een bewezenverklaring en strafoplegging conform de tussen de verdachte/verdediging en het Openbaar Ministerie gemaakte afspraken;


In de overeenkomst is verder een voorwaardelijk verzoek opgenomen van de verdachte/verdediging en het Openbaar Ministerie tot heropening van het onderzoek ter terechtzitting, indien de rechtbank de procesafspraken zou afwijzen in de volgende gevallen:




indien de rechtbank tot een andere bewezenverklaring zou komen, maar uitsluitend voor zover hierdoor de aard van het delict wezenlijk verandert;


indien de rechtbank van oordeel zou zijn dat de overeengekomen straf niet in een redelijke verhouding staat tot de ernst van de zaak.




Ter terechtzitting is dit verzoek aangevuld door de verdachte/verdediging en het Openbaar Ministerie in die zin dat het voorwaardelijke verzoek tot heropening van het onderzoek ter terechtzitting evenmin geldt indien de rechtbank zou komen tot:




aanpassingen van de bewezenverklaarde periodes of partiële vrijspraak, waaronder vrijspraak van strafverzwarende omstandigheden;


kleine aanpassingen van (het voorwaardelijk gedeelte van) de op te leggen gevangenisstraf, verband houdende met een afwijkende vaststelling van het aantal dagen dat door de verdachte in voorarrest is doorgebracht.





3.2.
Het toetsingskader


Bij de beoordeling van deze zaak zijn voor de rechtbank leidend geweest de uitgangspunten verwoord door de Hoge Raad in het arrest van 27 september 2022 (ECLI:NL:HR:2022:1252). Deze komen op het volgende neer.



Hoewel een wettelijke regeling van procesafspraken op dit moment ontbreekt, verzet het stelsel van strafvordering zich er niet tegen dat de officier van justitie en de verdediging een gezamenlijk standpunt innemen over de beoogde afdoening van een strafzaak. De totstandkoming van procesafspraken doet echter geen afbreuk aan de zelfstandige positie van de rechtbank. De rechtbank behoudt haar eigen verantwoordelijkheid dat de behandeling en de beoordeling van de strafzaak plaatsvinden overeenkomstig de daarvoor geldende wettelijke regeling – in het bijzonder de artikelen 348 en 350 van het Wetboek van Strafvordering (Sv) – en de eisen van een eerlijk proces.



Op grond van de artikelen 348 en 350 Sv beslist de rechtbank op de grondslag van de tenlastelegging en naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting over de in die bepalingen genoemde vraagpunten. Aan de verplichting die op de rechtbank rust om te beslissen op de in artikelen 348 en 350 Sv genoemde vraagpunten, wordt niet afgedaan door de omstandigheid dat een afdoeningsvoorstel wordt gedaan. Wel moet de rechtbank dat voorstel betrekken bij de beantwoording van de genoemde vraagpunten, maar zij is niet verplicht om overeenkomstig het voorstel te beslissen.



Waar het gaat om de beantwoording van de eerste vraag van artikel 350 Sv brengt de eigen zelfstandige verantwoordelijkheid van de rechtbank met zich dat zij zelf – ongeacht wat de procesafspraken daarover inhouden – dient na te gaan of zij het aan de verdachte ten laste gelegde feit bewezen acht. Artikel 338 Sv dwingt de rechtbank ertoe het bewijs dat de verdachte het ten laste gelegde feit heeft begaan slechts aan te nemen indien zij daarvan uit het onderzoek op de terechtzitting door de inhoud van wettige bewijsmiddelen de overtuiging heeft bekomen.



Waar het gaat om de beantwoording van de vierde vraag van artikel 350 Sv heeft de rechtbank een eigen zelfstandige verantwoordelijkheid om te komen tot een strafoplegging die zij passend en geboden acht. De rechtbank heeft hierbij een grote vrijheid, zowel in de keuze van de op te leggen straf als de waardering van de factoren die zij daarbij betrekt. Het afdoeningsvoorstel is een relevante factor die de rechtbank moet betrekken bij de keuze van de op te leggen straf. Indien de rechtbank van oordeel is dat wat de procesafspraken over de strafoplegging inhoudt, in een redelijke verhouding staat tot de ernst van de zaak zoals die blijkt uit de processtukken en het verhandelde op de terechtzitting, ligt het in de rede dat zij die straf als passend en geboden oplegt.



Om betekenis toe te kunnen kennen aan de procesafspraken, moet de rechtbank kunnen garanderen dat jegens de verdachte voldaan wordt aan de eisen van een eerlijk proces. In het bijzonder betekent dit dat de rechtbank moet onderzoeken of de verdachte in de concrete omstandigheden van het geval vrijwillig, op basis van voldoende en duidelijke informatie en terwijl hij zich bewust was van de rechtsgevolgen, is gekomen tot de ondubbelzinnige beslissing mee te werken aan de procesafspraken en de daarmee gepaard gaande afstand van verdedigingsrechten. Dit onderzoek vindt plaats op de terechtzitting.




3.3.
De toetsing in deze zaak


Om voormelde beoordeling te kunnen verrichten, heeft de rechtbank de strafzaak behandeld op de terechtzitting van 4 september 2026. Deze zitting had het karakter van een inhoudelijke behandeling. De rechtbank heeft de verdachte aldaar bevraagd over de procesafspraken. De verdachte, die gedurende het hele proces werd bijgestaan door zijn raadsman, heeft er blijk van gegeven dat hij weet wat de procesafspraken inhouden, dat hij begrijpt dat hij bepaalde hem toekomende rechten niet uitoefent en wat de gevolgen daarvan voor hem kunnen zijn en dat hij vrijwillig tot de ondubbelzinnige beslissing is gekomen mee te werken aan de procesafspraken.



Overeenkomstig artikel 301 Sv heeft de rechtbank de korte inhoud meegedeeld van de processtukken die zij relevant acht voor de door haar te nemen beslissingen. Dat is gedaan enerzijds om de verdachte in de gelegenheid te stellen daarop te reageren, anderzijds met het oog op de externe openbaarheid.



Vervolgens heeft de officier van justitie gerekwireerd overeenkomstig de procesafspraken en heeft de verdediging zich daarbij aangesloten. De raadsman heeft het woord gevoerd ter verdediging, waarbij hij de rechtbank heeft verzocht de procesafspraken te volgen conform hetgeen door de officier van justitie is gerekwireerd. Aan de verdachte is het recht gelaten om het laatst te spreken. Hierna heeft de rechtbank het onderzoek gesloten.



In het hierna volgende zal de rechtbank de relevante vraagpunten uit de artikelen 348 en 350 Sv beantwoorden.







4De bewijsbeslissing

4.1.
Het standpunt van de officier van justitie


De officier van justitie heeft – overeenkomstig de procesafspraken – gerekwireerd tot bewezenverklaring van het onder 1, 2, 3 primair, 4 primair, 5, 6 subsidiair, 7 en 8 ten laste gelegde.




4.2.
Het standpunt van de verdediging


De raadsman heeft – overeenkomstig de procesafspraken – geen verweer gevoerd.




4.3.
Vrijspraak


De rechtbank acht op grond van het onderzoek ter terechtzitting niet wettig en overtuigend bewezen hetgeen de verdachte onder 6 primair is ten laste gelegd, zodat hij daarvan dient te worden vrijgesproken.




4.4.
De bewijsmiddelen


De rechtbank grondt haar overtuiging dat de verdachte het bewezen verklaarde heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat en die reden geven tot de bewezenverklaring.



In die gevallen waarin de wet aanvulling van het vonnis vereist met de bewijsmiddelen, dan wel met een opgave daarvan, zal dit plaatsvinden in een aanvulling die als bijlage aan dit vonnis zal worden gehecht.




4.5.
De bewezenverklaring


De rechtbank is met betrekking tot de onder 1, 2, 3 primair, 4 primair, 5, 6 subsidiair, 7 en 8 ten laste gelegde feiten van oordeel dat deze feiten wettig en overtuigend zijn bewezen.
De rechtbank verklaart ten laste van de verdachte bewezen dat:


1.hij in de periode van 14 april 2020 tot en met 5 juni 2020 in Nederland, meermalen tezamen en in vereniging met anderen, telkens opzettelijk heeft verkocht en/of afgeleverd en/of verstrekt en/of vervoerd en/of aanwezig heeft gehad een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne, te weten:

- een hoeveelheid kalk met daarin cocaïne (zoals besproken in berichten met [accountnaam 1]en/of [accountnaam 2] en/of [accountnaam 3] en/of [accountnaam 4] en/of [accountnaam 5]), en/of- meerdere blokken, cocaïne (zoals besproken in berichten met [accountnaam 1] en/of [accountnaam 6] en/of [accountnaam 7])


zijnde cocaïne een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I;


2.hij in de periode van 14 april 2020 tot en met 5 juni 2020 in Nederland, telkens tezamen en in vereniging met anderen om een feit, bedoeld in het vierde of vijfde lid van artikel 10 van de Opiumwet, te weten het opzettelijk bereiden, bewerken, verwerken, verkopen, afleveren, verstrekken, vervoeren en/of binnen en/of buiten het grondgebied van Nederland brengen van (een) hoeveelheid/hoeveelheden van een materiaal bevattende cocaïne en/of metamfetamine en/of MDMA, zijnde cocaïne en/of metamfetamine en/of MDMA (telkens) een middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst I, voor te bereiden en/of te bevorderen,


anderen heeft getracht te bewegen om dat feit te plegen, te doen plegen, mede te plegen, uit te lokken en/of om daarbij behulpzaam te zijn en/of om daartoe gelegenheid, middelen en/of inlichtingen te verschaffen, immers heeft verdachte:


- een laborant die metamfetamine kan bereiden/verwerken aangeboden (aan [accountnaam 3] en/of [accountnaam 2]), en/of- cocaïne te koop aangeboden (aan [accountnaam 7] en/of [accountnaam 8]),


en/of



zich en/of een of meer anderen gelegenheid en/of inlichtingen tot het plegen van dat/die feit(en) heeft/hebben getracht te verschaffen, immers heeft verdachte:

- inlichtingen gevraagd (aan [accountnaam 1]) of er klanten zijn om cocaïne aan te verkopen, en/of- inlichtingen gedeeld over een grote partij cocaïne die voor '[bijnaam]' kon worden verkocht (met [accountnaam 6]), en/of- inlichtingen en/of aanwijzingen en/of opdrachten heeft gegeven (aan [accountnaam 6] en/of [accountnaam 1] en/of [accountnaam 9]), om die verdovende middelen te kopen en/of verkopen en/of in ontvangst te nemen, en/of- foto's van die verdovende middelen gemaakt en/of laten maken en/of (vervolgens) verzonden/doorgestuurd (naar [accountnaam 6] en/of [accountnaam 10]);

3.hij in de periode van 6 april 2020 tot en met 7 juni 2020 in Nederland, tezamen en in vereniging met anderen, opzettelijk binnen het grondgebied van Nederland heeft gebracht een grote hoeveelheid hasj, zijnde hasj een middel bedoeld als in de bij de Opiumwet behorende lijst II;

4.hij in de periode van 6 april 2020 tot en met 5 juni 2020 in Nederland, telkens tezamen en in vereniging met een ander of anderen, telkens voorwerpen, te weten geldbedragen van 506.600 Euro en 164.500 Euro, heeft verworven en/of voorhanden gehad en/of overgedragen, terwijl hij wist, dat die geldbedragen— onmiddellijk of middellijk — afkomstig waren uit enig misdrijf;

5.hij in de periode van 1 januari 2017 tot en met 5 maart 2020 in Nederland, telkens een of meer geldbedrag(en) van (in totaal) 54.246 euro (contante stortingen), voorhanden heeft gehad en/of heeft omgezet en/of van die geldbedragen gebruik heeft gemaakt, terwijl hij wist, dat dat voorwerp— onmiddellijk of middellijk — afkomstig was uit enig misdrijf, terwijl hij van witwassen een gewoonte heeft gemaakt;

6.hij in de periode van 1 augustus 2018 en 9 oktober 2018 te 's-Gravenhage, opzettelijk van een werkgeversverklaring en een loonstrook afgegeven door of namens [bedrijfsnaam] — zijnde geschriften die bestemd waren om tot bewijs van enig feit te dienen — gebruik heeft gemaakt door deze toe te zenden aan de Volksbank, terwijl hij wist dat dit geschrift bestemd is voor zodanig gebruik, waarbij in strijd met de waarheid op voornoemde werkgeversverklaring en loonstrook vermeld was dat hij, verdachte, het recht had op een bruto maandsalaris van 7700 euro en een bruto jaarsalaris van 92.400 euro;

7.hij op 27 maart 2020 te 's-Gravenhage bij geschrift opzettelijk aan een persoon aangeduid als [accountnaam 9] heeft aangeboden inlichtingen en/of gelegenheid en/of middelen te verschaffen om het misdrijf van witwassen en/of bedrijfsmatig uitvoeren van een geldwisseltransactie (2:54i Wft), te plegen, immers heeft hij aangeboden om 1,5 miljoen Britse ponden of meermalen 150.000 Britse ponden om te wisselen naar euro's;

8.hij in de periode van 8 juni 2020 tot en met 11 juni 2020 in Nederland, telkens tezamen en in vereniging met een ander, zonder registratie een (grote) hoeveelheid ketamine, heeft ingevoerd.



Voor zover in de tenlastelegging type- en taalfouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd en gecursiveerd weergegeven, zonder dat de verdachte daardoor in de verdediging is geschaad.







5De strafbaarheid van het bewezen verklaarde
Het bewezen verklaarde is volgens de wet strafbaar, omdat er geen feiten of omstandigheden aannemelijk zijn geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten.





6De strafbaarheid van de verdachte
De verdachte is eveneens strafbaar, omdat er geen feiten of omstandigheden aannemelijk zijn geworden die zijn strafbaarheid uitsluiten.





7De strafoplegging

7.1.
De vordering van de officier van justitie


De officier van justitie heeft – overeenkomstig de procesafspraken – gevorderd dat aan de verdachte wordt opgelegd een gevangenisstraf voor de duur van 960 dagen waarvan 720 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van drie jaren, met aftrek van de tijd in voorarrest doorgebracht en een geldboete van € 110.000,00.



De officier van justitie heeft toegelicht dat de strafeis zonder de procesafspraken hoger, maar niet hoger dan een derde dan thans geëist, uit zou zijn gevallen. Door het maken van procesafspraken is volgens de officier van justitie sprake van een efficiëntere en snellere afdoening, waardoor de strafrechtketen wordt ontlast. Dit is met name gelegen in het uitblijven van een behandeling in hoger beroep en cassatie. Daarnaast heeft de officier van justitie gewezen op de ruime overschrijding van de redelijke termijn en het maatschappelijk geaccepteerde bestaan dat de verdachte sinds de beëindiging van zijn voorarrest heeft opgebouwd. Gelet op een en ander acht de officier van justitie de door hem gevorderde straf gerechtvaardigd.




7.2.
Het standpunt van de verdediging


De verdediging heeft – overeenkomstig de procesafspraken – bepleit dat aan de verdachte de door de officier van justitie gevorderde straf wordt opgelegd.




7.3.
Het oordeel van de rechtbank


Na te melden straffen zijn in overeenstemming met de ernst van de gepleegde feiten, de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en gegrond op de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan tijdens het onderzoek op de terechtzitting is gebleken. De rechtbank neemt hierbij in het bijzonder het volgende in aanmerking.




Ernst van de feiten

De verdachte heeft zich in 2020 gedurende een periode van ongeveer anderhalve maand schuldig gemaakt aan, kort gezegd, de handel in cocaïne en het voorbereiden van de handel in cocaïne, metamfetamine en MDMA. Daarnaast heeft de verdachte zich gedurende ruwweg twee maanden schuldig gemaakt aan de invoer van hasj binnen het grondgebied van Nederland. Ook heeft de verdachte gedurende een aantal dagen in 2020 illegaal een grote hoeveelheid ketamine ingevoerd in Nederland. De verdachte heeft met deze gedragingen een bijdrage geleverd aan de instandhouding van het criminele circuit voor de handel in verdovende middelen. De grootschalige (internationale) handel in (hard)drugs heeft een ontwrichtende invloed op de samenleving. Daarnaast gaan – zoals ook blijkt uit de chatgesprekken waaraan de verdachte heeft deelgenomen – in de georganiseerde handel van (hard)drugs grote sommen geld om, waardoor de financiële belangen van daders vaak groot zijn. Om die belangen te beschermen wordt dikwijls geweld gebruikt. Van de drugshandel gaat bovendien een ondermijnend effect uit. Tevens is algemeen bekend dat het gebruik van drugs een ernstige bedreiging vormt voor de volksgezondheid en kan leiden tot een verslaving aan het gebruik daarvan. De verdachte heeft met zijn gedrag kennelijk slechts zijn eigen financiële gewin voor ogen gehad en zich daarbij niets aangetrokken van de schadelijke effecten voor de maatschappij.



Daarnaast heeft de verdachte zich gedurende (grofweg) diezelfde periode met zijn medeverdachten schuldig gemaakt aan het witwassen van grote geldbedragen. Eveneens heeft de verdachte vlak voor deze periode aangeboden om 1,5 miljoen Britse ponden om te zetten in euro’s en zo het misdrijf van witwassen gefaciliteerd. Witwassen heeft een ontwrichtende werking op het financieel en economisch verkeer en faciliteert de onderliggende (drugs)criminaliteit. Ook levert witwassen een aantasting op van de legale economie.



In aanvulling op hetgeen hierboven is overwogen weegt de rechtbank eveneens mee dat, hoewel voornoemde bewezen verklaarde feiten ernstige feiten betreffen, zij binnen een relatief beperkte periode, namelijk gedurende ongeveer twee maanden in 2020, zijn gepleegd.



In de drie jaren voorafgaand aan zijn bewezen verklaarde betrokkenheid bij (de voorbereiding van) de handel in (hard)drugs heeft de verdachte eveneens een aanzienlijk geldbedrag witgewassen. Daarnaast heeft de verdachte in 2018 gebruik gemaakt van valse stukken door deze op te sturen naar de Volksbank ten behoeve van een hypotheekaanvraag. Daarmee heeft de verdachte het vertrouwen dat in het maatschappelijk verkeer moet kunnen worden gesteld in de echtheid van dergelijke documenten beschaamd.




Strafblad

De rechtbank heeft kennisgenomen van het strafblad van de verdachte van 16 juli 2026. Daaruit blijkt dat de verdachte sinds de opheffing van zijn voorlopige hechtenis, op 30 juni 2021, niet opnieuw in aanraking is gekomen met justitie. Tevens is hij in de vijf jaren voorafgaand aan de bewezen verklaarde feiten niet voor soortgelijke feiten veroordeeld.




Persoon van de verdachte

De rechtbank heeft kennisgenomen van hetgeen in de procesafspraken gerelateerd is over de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, de door de raadsman overgelegde stukken en wat de verdachte over zijn persoonlijke omstandigheden ter terechtzitting heeft verklaard. De verdachte lijkt zijn leven gebeterd te hebben. Hij heeft een vaste baan en is betrokken bij de branchevereniging van de sector waarin hij werkzaam is.




Redelijke termijn

Onderhavige strafbare feiten zijn gepleegd in 2020, inmiddels meer dan zes jaren geleden. De rechtbank overweegt dat als uitgangspunt heeft te gelden dat de behandeling van een strafzaak ter terechtzitting dient te zijn afgerond met een eindvonnis in eerste aanleg binnen twee jaar nadat de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6, eerste lid, van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden is aangevangen. In deze zaak is die termijn aangevangen op 2 november 2020, met de inverzekeringstelling van de verdachte. De rechtbank overweegt dat de overschrijding van de redelijke termijn niet te wijten is aan de verdediging. Zowel het tijdsverloop in het algemeen als de ruime overschrijding van de redelijke termijn heeft een sterk matigend effect op een op te leggen straf.




De procesafspraken

De rechtbank heeft acht geslagen op de procesafspraken en de inhoud daarvan met betrekking tot de strafoplegging. De officier van justitie heeft aangevoerd dat een matiging van de strafeis gerechtvaardigd is nu de verdachte heeft meegewerkt aan een procedure die tot tijdwinst leidt. Er is veel voordeel behaald door het ontlasten van onderzoeks- en zittingscapaciteit van politie en justitie alsook door het voorkomen van een eventuele behandeling van de zaak in hoger beroep en cassatie. De rechtbank is zich ervan bewust dat de afspraak om geen hoger beroep in te stellen niet als rechtsgeldige afstand van dat rechtsmiddel geldt. Mocht toch hoger beroep worden ingesteld, dan is die afspraak echter wel relevant bij de beoordeling van de ontvankelijkheid van dat hoger beroep. Uit de omstandigheid dat in eerste aanleg vonnis is gewezen overeenkomstig de procesafspraken zal in de regel voortvloeien dat het belang ontbreekt bij een behandeling van de zaak in hoger beroep. Een volledige behandeling in hoger beroep lijkt daarmee onwaarschijnlijk. Het voorstel dient niet alleen een efficiënte en voortvarende behandeling, maar ook een effectieve afdoening van de zaak, omdat de zaak sneller onherroepelijk wordt en de straf sneller wordt geëxecuteerd. De procesafspraken dragen dus aanzienlijk bij aan een efficiëntere rechtsgang. Dat de verdachte heeft meegewerkt aan de totstandkoming van de procesafspraken weegt de rechtbank daarom mee in zijn voordeel.




De op te leggen straf

Alles afwegende, worden de strafdoelen voldoende gediend met oplegging van een gevangenisstraf voor de duur van 960 dagen, waarvan 719 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van drie jaren, met aftrek van de tijd in voorarrest doorgebracht en een geldboete van € 110.000,00. Voor feit 8, een overtreding, zal geen afzonderlijke straf of maatregel worden opgelegd.



Aangezien het onvoorwaardelijk deel van de aan de verdachte op te leggen gevangenisstraf gelijk is aan het reeds door hem ondergane voorarrest, zal de rechtbank het geschorste bevel tot voorlopige hechtenis van de verdachte opheffen.







8De toepasselijke wetsartikelen
De op te leggen straffen zijn gegrond op de artikelen:
- 14 a, 14b, 14c, 23, 24c, 47, 55, 57, 62, 133, 225, 420bis en 420ter van het Wetboek van Strafrecht;
- 2, 3, 10, 10 a, 11 en 12 van de Opiumwet, en de daarbij behorende lijsten I en II;
- 1, 2 en 6 van de Wet op de economische delicten;
- 38 van de Geneesmiddelenwet.


Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij ten tijde van het bewezen verklaarde rechtens golden dan wel ten tijde van deze uitspraak rechtens gelden.





9De beslissing


De rechtbank:



verklaart niet wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 6 primair ten laste gelegde feit heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij;



verklaart wettig en overtuigend bewezen, dat de verdachte de onder 1, 2, 3 primair, 4 primair, 5, 6 subsidiair, 7 en 8 ten laste gelegde feiten heeft begaan, zoals hierboven onder 4.5. bewezen is verklaard;



verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij;



verklaart het bewezen verklaarde strafbaar en dat het bewezen verklaarde uitmaakt:




ten aanzien van feit 1:




de eendaadse samenloop van:




medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 2 onder B van de Opiumwet gegeven verbod, meermalen gepleegd;




en





medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2 onder C van de Opiumwet gegeven verbod, meermalen gepleegd;




ten aanzien van feit 2:





medeplegen van om een feit, bedoeld in het vierde en vijfde lid van artikel 10 van de Opiumwet voor te bereiden of te bevorderen, een ander trachten te bewegen om dat feit te plegen, te doen plegen, mede te plegen of uit te lokken, om daarbij behulpzaam te zijn of om daartoe gelegenheid, middelen of inlichtingen te verschaffen, meermalen gepleegd;



en




medeplegen van om een feit, bedoeld in het vierde en vijfde lid van artikel 10 van de Opiumwet, voor te bereiden of te bevorderen, zich en een ander gelegenheid, middelen of inlichtingen tot het plegen van dat feit trachten te verschaffen, meermalen gepleegd;




ten aanzien van feit 3:





medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 3 onder A van de Opiumwet gegeven verbod;




ten aanzien van feit 4:





medeplegen van witwassen, meermalen gepleegd;




ten aanzien van feit 5:





gewoontewitwassen;




ten aanzien van feit 6:





opzettelijk gebruik maken van een vals geschrift, als bedoeld in artikel 225, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht, als ware het echt en onvervalst;




ten aanzien van feit 7:





bij geschrift aanbieden inlichtingen, gelegenheid of middelen te verschaffen om enig strafbaar feit te plegen;




ten aanzien van feit 8:





medeplegen van overtreding van een voorschrift, gesteld bij artikel 38, eerste lid, van de Geneesmiddelenwet;



verklaart de verdachte daarvoor strafbaar;



veroordeelt de verdachte tot:




ten aanzien van de feiten 1, 2, 3, 4, 5, 6 en 7:

een gevangenisstraf voor de duur van 960 (NEGENHONDERDENZESTIG) DAGEN;



bepaalt dat de tijd door de veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van het onvoorwaardelijk gedeelte van de hem opgelegde gevangenisstraf geheel in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht;



bepaalt dat een gedeelte van die straf, groot 719 (ZEVENHONDERDENNEGENTIEN) DAGEN, niet zal worden tenuitvoergelegd onder de algemene voorwaarde dat de veroordeelde zich voor het einde van de hierbij op drie jaren vastgestelde proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit;



veroordeelt de verdachte voorts tot:



een geldboete van € 110.000,00 (HONDERDENTIENDUIZEND EURO);



bepaalt dat de geldboete bij gebreke van betaling en verhaal zal worden vervangen
door hechtenis voor de tijd van 365 (DRIEHONDERDVIJFENZESTIG) DAGEN;




ten aanzien van feit 8:

bepaalt dat geen straf of maatregel wordt opgelegd;



heft op het geschorste bevel tot voorlopige hechtenis van de verdachte.





Dit vonnis is gewezen door
mr. M. Diepenhorst, voorzitter,
mr. H.P.M. Meskers, rechter,
mr. C.D.V. Efstratiades, rechter,
in tegenwoordigheid van mr. N.T.G. Levelt, griffier,
en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank van 18 september 2026.





Bijlage I





Tekst tenlastelegging



1.hij op één of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 1 maart 2020 tot en met 1 juli 2020 te Barendrecht en/of te 's-Gravenhage en/of elders in Nederland, meermalen, althans eenmaal, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, (telkens) opzettelijk heeft bereid en/of bewerkt en/of verwerkt en/of verkocht en/of afgeleverd en/of verstrekt en/of vervoerd en/of aanwezig heeft gehad een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne, te weten:

- een hoeveelheid kalk met daarin cocaïne (zoals besproken in berichten met [accountnaam 1]en/of [accountnaam 2] en/of [accountnaam 3] en/of [accountnaam 4] en/of [accountnaam 5]), en/of- meerdere blokken, althans hoeveelheden, cocaïne (zoals besproken in berichten met [accountnaam 1] en/of [accountnaam 6] en/of [accountnaam 7])


zijnde cocaïne een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet;


2.hij op één of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 27 maart 2020 tot en met 1 juli 2020 te Barendrecht en/of te 's-Gravenhage en/of elders in Nederland, (telkens) tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, om een feit, bedoeld in het vierde of vijfde lid van artikel 10 van de Opiumwet, te weten het opzettelijk bereiden, bewerken, verwerken, verkopen, afleveren, verstrekken, vervoeren en/of binnen en/of buiten het grondgebied van Nederland brengen van (een) hoeveelheid/hoeveelheden van een materiaal bevattende cocaïne en/of metamfetamine en/of MDMA, zijnde cocaïne en/of metamfetamine en/of MDMA (telkens) een middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst I, voor te bereiden en/of te bevorderen,


een of meer anderen heeft getracht te bewegen om dat/die feit(en) te plegen, te doen plegen, mede te plegen, uit te lokken en/of om daarbij behulpzaam te zijn en/of om daartoe gelegenheid, middelen en/of inlichtingen te verschaffen, immers heeft verdachte:


- een laborant die metamfetamine kan bereiden/verwerken aangeboden (aan [accountnaam 3] en/of [accountnaam 2]), en/of- cocaïne te koop aangeboden (aan [accountnaam 7] en/of [accountnaam 8]),


en/of



zich en/of een of meer anderen gelegenheid en/of inlichtingen tot het plegen van dat/die feit(en) heeft/hebben getracht te verschaffen, immers heeft verdachte:

- inlichtingen gevraagd (aan [accountnaam 1]) of er klanten zijn om cocaïne aan te verkopen, en/of- inlichtingen gedeeld over een grote partij cocaïne die voor '[bijnaam]' kon worden verkocht (met [accountnaam 6]), en/of- inlichtingen en/of aanwijzingen en/of opdrachten heeft gegeven (aan [accountnaam 6] en/of [accountnaam 1] en/of [accountnaam 9]), om die verdovende middelen te kopen en/of verkopen en/of in ontvangst te nemen, en/of- foto's van die verdovende middelen gemaakt en/of laten maken en/of (vervolgens) verzonden/doorgestuurd (naar [accountnaam 6] en/of [accountnaam 10]);

3.hij, op één of meerdere tijdstippen, in of omstreeks de periode van 1 januari 2020 tot en met 2 november 2020, te Barendrecht en/of te 's-Gravenhage en/of elders in Nederland en/of in Spanje, meermalen althans eenmaal, tezamen en in vereniging met anderen, althans alleen, (telkens) opzettelijk binnen het grondgebied van Nederland heeft gebracht een grote hoeveelheid hennep en/of hasj, zijnde hennep en/of hasj (een) middel(en) bedoeld als in de bij de Opiumwet behorende lijst II, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet;


Subsidiair, indien het vorenstaande niet tot een bewezenverklaring en/of een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:



hij, op één of meerdere tijdstippen, in of omstreeks de periode van 1 januari 2020 tot en met 2 november 2020, te Barendrecht en/of te 's-Gravenhage en/of elders in Nederland en/of in Spanje, meermalen althans eenmaal, tezamen en in vereniging met anderen, althans alleen, (telkens) opzettelijk heeft verkocht en/of afgeleverd en/of verstrekt en/of vervoerd, een hoeveelheid van 15,3 en/of 46,5 kg en/of 50 kg en/of 50 kg en/of 15 kg hennep en/of hasj, althans een (grote) hoeveelheid van een materiaal bevattende hennep en/of hasj, zijnde hennep en/of hasj (een) middel(en) bedoeld als in de bij de Opiumwet behorende lijst II, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet;


4.hij op één of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 27 maart 2020 tot en met 2 november 2020, te Barendrecht en/of te 's-Gravenhage en/of elders in Nederland en/of in Engeland, (telkens) tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, (telkens) voorwerpen, te weten een of meer geldbedrag(en) van (in totaal) 506.600 Euro en/of 164.500 Euro, althans enig geldbedrag, heeft verworven en/of voorhanden gehad en/of overgedragen en/of omgezet, terwijl hij wist althans redelijkerwijs moest vermoeden, dat dat geldbedrag geheel of gedeeltelijk — onmiddellijk of middellijk — afkomstig was uit enig misdrijf, terwijl hij van witwassen een gewoonte heeft gemaakt;


Subsidiair, indien het vorenstaande niet tot een bewezenverklaring en/of een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:



hij op één of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 27 maart 2020 tot en met 2 november 2020, te Barendrecht en/of te 's-Gravenhage en/of elders in Nederland en/of in Engeland, (telkens) tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, (telkens) voorwerpen, te weten een of meer geldbedrag (en) van (in totaal) 506.600 Euro en/of 164.500 Euro, althans enig geldbedrag, heeft verworven, voorhanden gehad, overgedragen en/of omgezet en/of van voorwerpen, te weten (een) geldbedrag(en) gebruik heeft gemaakt, terwijl hij wist althans redelijkerwijs moest vermoeden, dat dat voorwerp geheel of gedeeltelijk — onmiddellijk of middellijk — afkomstig was uit enig misdrijf en/of van witwassen een gewoonte heeft/hebben gemaakt;


5.hij op één of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 1 januari 2017 tot en met 5 maart 2020, te Voorburg en/of te 's-Gravenhage en/of elders in Nederland, (telkens) tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, (telkens) een of meer geldbedrag(en) van (in totaal) 54.246 euro (contante stortingen), althans enig geldbedrag voorhanden heeft gehad en/of heeft omgezet en/of van die geldbedragen gebruik heeft gemaakt, terwijl hij wist althans redelijkerwijs moest vermoeden, dat dat voorwerp geheel of gedeeltelijk — onmiddellijk of middellijk — afkomstig was uit enig misdrijf, terwijl hij van witwassen een gewoonte heeft gemaakt;

6.hij op tijdstippen in de periode van 1 augustus 2018 en 9 oktober 2018 te Utrecht en/of 's-Gravenhage, tezamen en in vereniging met een ander, althans alleen, opzettelijk een werkgeversverklaring en/of loonstrook afgegeven door of namens [bedrijfsnaam] — zijnde (een) geschrift(en) die/dat bestemd was/waren om tot bewijs van enig feit te dienen — valselijk heeft/hebben opgemaakt immers heeft hij/hebben zij valselijk in strijd met de waarheid op voornoemde werkgeversverklaring en/of loonstrook vermeld dat hij, verdachte, het recht had op een bruto maandsalaris van 7700 euro en/of een bruto jaarsalaris van 92.400 euro, zulks met het oogmerk om dat geschrift als echt en onvervalst te gebruiken of door anderen te doen gebruiken;


Subsidiair, indien het vorenstaande niet tot een bewezenverklaring en/of een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:



hij op tijdstippen in de periode van 1 augustus 2018 en 9 oktober 2018 te Utrecht en/of 's-Gravenhage, tezamen en in vereniging met een ander, althans alleen, opzettelijk van een werkgeversverklaring en/of loonstrook afgegeven door of namens [bedrijfsnaam] — zijnde (een) geschrift(en) die/dat bestemd was/waren om tot bewijs van enig feit te dienen — gebruik heeft gemaakt door deze toe te zenden of te doen toezenden aan de Volksbank, terwijl hij wist of redelijkerwijs had moete vermoeden dat dit geschrift bestemd is voor zodanig gebruik, waarbij in strijd met de waarheid op voornoemde werkgeversverklaring en/of loonstrook vermeld was dat hij, verdachte, het recht had op een bruto maandsalaris van 7700 euro en/of een bruto jaarsalaris van 92.400 euro;


7.hij in of omstreeks de periode van 26 maart 2020 tot en met 31 maart 2020 te 's-Gravenhage, althans in Nederland bij geschrift opzettelijk aan een persoon aangeduid als [accountnaam 9] heeft aangeboden inlichtingen en/of gelegenheid en/of middelen te verschaffen om het misdrijf van witwassen en/of bedrijfsmatig uitvoeren van een geldwisseltransactie (2:54i Wft), althans enig strafbaar feit te plegen, immers heeft hij aangeboden om 1,5 miljoen Britse ponden of meermalen 150.000 Britse ponden om te wisselen naar euro's, althans heeft hij inlichtingen ten behoeve van het uitvoeren van voornoemde transactie(s) doorgegeven;

8.hij op een of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 8 juni 2020 tot en met 1 juli 2020 te 's-Gravenhage en/of elders in Nederland en/of in Engeland, (telkens) tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, zonder registratie een (grote) hoeveelheid ketamine, in elk geval een werkzame stof, heeft bereid en/of ingevoerd en/of afgeleverd en/of uitgevoerd en/of verhandeld.