Neuralex RechtspraakNeuralex Rechtspraak
Inloggen staging

Rechtbank Den Haag

ECLI:NL:RBDHA:2026:27848

2026-08-17 Civiel recht; Verbintenissenrecht K/4502/12086561
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen

Gegevens

Instantie
Rechtbank Den Haag
Uitspraakdatum
2026-08-17
Publicatiedatum
2026-09-23
Rechtsgebied
Civiel recht; Verbintenissenrecht
Procedure
Eerste aanleg - enkelvoudig
Zaaknummer
K/4502/12086561
Type
Uitspraak
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Inhoudsindicatie

Verklaring voor recht huurovereenkomst; artikel 7:262 BW; uitspraak huurcommissie; geen vaststelling huurprijs kantonrechter; afwijzen vorderingen

Citeert (0)

  • geen

Geciteerd door (0)

  • geen

Wetsverwijzingen

Volledige tekst

Volledige tekst (13.388 tekens)
RECHTBANK
DEN HAAG



RvdB b/c



Civiel recht
Kantonrechter



Zittingsplaats Den Haag



Zaaknummer: 12086561 \ RL EXPL 26-3471




Vonnis van 17 augustus 2026 (bij vervroeging)




in de zaak van





[eisende partij]
,
wonende te [woonplaats 1]
eisende partij,
hierna te noemen: [eisende partij] ,
gemachtigde: mr. S. Ramautar,



tegen





[gedaagde partij]
,
wonende te [woonplaats 2] ,
gedaagde partij,
hierna te noemen: [gedaagde partij] ,
procederend in persoon.





1De procedure


1.1.
De kantonrechter heeft kennisgenomen van de volgende stukken:


de dagvaarding van 21 november 2025 met zes producties;


het herstelexploot van 28 januari 2026;


het antwoord van [gedaagde partij] ; en


de brief waarin is meegedeeld dat een mondelinge behandeling is bepaald.





1.2.
Op 27 juli 2026 heeft de mondelinge behandeling plaatsgevonden, waarvan door de griffier aantekeningen zijn gemaakt. Namens mevrouw [eisende partij] is mr. Ramautar via een Microsoft Teams-verbinding aanwezig. [gedaagde partij] vertegenwoordigde zichzelf.



1.3.

[gedaagde partij] heeft nog aanvullende stukken gestuurd naar de rechtbank en naar mr. Ramautar. De rechtbank en mr. Ramataur hebben deze stukken niet ontvangen. [gedaagde partij] heeft aangegeven geen behoefte te hebben om deze stukken nogmaals te sturen, omdat hij ze tijdens de mondelinge behandeling heeft toegelicht.



1.4.
Ten slotte is vonnis bepaald op vandaag, dat bij vervroeging wordt gewezen.






2De feiten


2.1.

[bedrijfsnaam 1] en [eisende partij] hebben een huurovereenkomst gesloten waarin het appartement op de eerste verdieping aan het [adres] vanaf 1 april 2021 wordt verhuurd aan [eisende partij] voor een huurprijs van € 650,- per maand. Op de begane grond bevindt zich een Italiaans restaurant. De huurovereenkomst is ondertekend door [gedaagde partij] .



2.2.
Tot 1 september 2023 was er een vennootschap onder firma ingeschreven in het Handelsregister met de naam [bedrijfsnaam 1] (KvK-nummer [KvK-nummer 1] ) met [gedaagde partij] als vennoot. Op 5 oktober 2023 is in het Handelsregister geregistreerd dat de onderneming met ingang van 1 september 2023 is voortgezet door [bedrijfsnaam 1] onder KvK-nummer [KvK-nummer 2] met [vennoot 1] en [vennoot 2] als vennoten.



2.3.
Het pand aan het [adres] was vanaf 29 mei 2009 eigendom van [bedrijfsnaam 2] B.V. Op 21 juli 2025 is de eigendom overgegaan naar [naam] .



2.4.
Op 8 oktober 2024 heeft [eisende partij] een verzoek tot (tijdelijke) huurprijsverlaging ingediend bij de Huurcommissie vanwege achterstallig onderhoud. De Huurcommissie heeft de all-in huurprijs gesplitst in een kale huurprijs van € 357,50 per maand en een voorschot voor bijkomende kosten van € 162,50 per maand. Op 4 juli 2025 heeft zij deze uitspraak aan partijen gestuurd.



2.5.
Op 24 maart 2025 heeft [eisende partij] een verzoek tot huurprijsverlaging ingediend bij de Huurcommissie. Naar aanleiding van dit verzoek heeft de Huurcommissie een onderzoek uitgevoerd, waarbij punten zijn vastgesteld om de huurprijs te kunnen bepalen. De Huurcommissie heeft in haar uitspraak geoordeeld dat zij de huurprijs niet kan vaststellen, omdat zij onvoldoende informatie heeft over wie de verhuurder is. Op 26 september 2025 heeft zij deze uitspraak aan partijen gestuurd.



2.6.
Tussen partijen zijn in de afgelopen jaren meerdere gerechtelijke procedures gevoerd.



2.7.

[eisende partij] verblijft sinds februari 2026 niet meer in de woning, maar bij haar familie in Bulgarije. In elk geval vanaf dat moment betaalt zij geen huur meer.





3Het geschil


3.1.

[eisende partij] vordert - samengevat - een verklaring voor recht dat er een huurovereenkomst bestaat tussen haar en [gedaagde partij] en een verklaring voor recht dat de all-in huurprijs € 446,19 bedraagt, met veroordeling van [gedaagde partij] in de proceskosten.



3.2.

[gedaagde partij] is het niet eens met de vordering. Volgens [gedaagde partij] - samengevat - is hij geen verhuurder (meer) en moet [eisende partij] zich richten tot de eigenaar van de woning.



3.3.
Op de stellingen van partijen wordt hierna voor zover nodig nader ingegaan.







4De beoordeling




[eisende partij] heeft de kantonrechter niet volledig ingelicht: schending artikel 21 Rv




4.1.
De kantonrechter vindt dat [eisende partij] in strijd heeft gehandeld met artikel 21 van Burgerlijke Rechtsvordering. Daarin staat dat partijen verplicht zijn de rechter volledig en naar waarheid in te lichten over de feiten die relevant zijn voor de beslissing. Doen zij dat niet, dan mag de rechter daar de consequenties aan verbinden die hij passend vindt. [eisende partij] heeft de kantonrechter onvolledig ingelicht. In de dagvaarding heeft zij namelijk niets gezegd over meerdere gerechtelijke procedures die tussen betrokkenen zijn gevoerd over de voorliggende kwestie. Dit moest de kantonrechter afleiden uit een indirecte verwijzing in een van de producties van de dagvaarding. Pas nadat de kantonrechter tijdens de mondelinge behandeling hierover vragen stelde, volgde een reactie.



4.2.
Uit een van de tussen betrokkenen gevoerde procedures zou volgen dat de rechter heeft geoordeeld dat [eisende partij] de woning tijdelijk moet verlaten vanwege een renovatie. Om die reden verblijft [eisende partij] sinds februari 2026 niet meer in de woning, maar bij haar familie in Bulgarije. Toen vernam de kantonrechter ook dat [naam] een bodemprocedure is gestart tegen [eisende partij] , waarin hij ontbinding van de huurovereenkomst vordert en ontruiming van de woning. Al deze omstandigheden zijn relevant voor de beoordeling van de vraag of tussen partijen in deze procedure een huurovereenkomst bestaat of niet.



4.3.
Mr. Ramautar heeft tijdens de mondelinge behandeling over deze gang van zaken verklaard dat het gaat over een langlopend geschil, het een omvangrijk dossier zou zijn en [eisende partij] de rechtbank daar niet mee wilde belasten.



4.4.
Zoals hierna zal blijken, heeft deze proceshouding eraan bijgedragen dat nog steeds veel onduidelijk is over de (huur)situatie van [eisende partij] . Dit is voor de kantonrechter een extra reden om te oordelen dat [eisende partij] haar vorderingen onvoldoende heeft onderbouwd en dat deze daarom moeten worden afgewezen.



Onvoldoende onderbouwd dat tussen partijen een huurovereenkomst bestaat





4.5.
Beide partijen stellen zich op het standpunt dat met de in de huurovereenkomst van 21 april 2021 genoemde verhuurder de vof [bedrijfsnaam 1] (KvK-nummer [KvK-nummer 1] ) wordt bedoeld (hierna te noemen: de vof). De kantonrechter zal daar daarom vanuit gaan.



4.6.

[eisende partij] stelt dat zij, sinds de hiervoor genoemde vof is uitgeschreven, een huurovereenkomst heeft met [gedaagde partij] omdat hij de huurovereenkomst namens de vof heeft ondertekend, hij destijds vennoot van de vof was, en nergens blijkt uit dat de huurovereenkomst is opgezegd of dat de verhuurder is gewijzigd. [gedaagde partij] heeft betwist dat hij de verhuurder is en daarvoor de volgende redenen gegeven. Hij stelt dat de vof het appartement huurde van [bedrijfsnaam 2] B.V. (de toenmalige eigenaar), dat de vof onderverhuurde aan [eisende partij] . De huurovereenkomst tussen [bedrijfsnaam 2] BV en de vof is volgens hem opgezegd/beëindigd. Hierdoor heeft de vof dan wel [gedaagde partij] geen zeggenschap meer over de woning. Daarom vindt [gedaagde partij] dat [eisende partij] zich tot de eigenaar van het appartement, [naam] , moet richten.



4.7.

[eisende partij] heeft betwist dat er een huurovereenkomst tussen [bedrijfsnaam 2] BV en de vof was. Volgens haar had de vof het appartement in bruikleen. Dat betekent volgens haar dat zij geen beroep op de onderhuurbescherming van artikel 7:269 BW kan doen.



4.8.
De stelplicht en de bewijslast van de stelling dat er een huurovereenkomst tussen [eisende partij] en [gedaagde partij] bestaat rusten op [eisende partij] . [eisende partij] moet dan ook voldoende feiten stellen die haar vordering kunnen dragen. Dat heeft zij niet voldoende gedaan. In de eerste plaats is gebleken dat meerdere procedures zijn gevoerd over achterstallige huur, de huurprijs en/of ontbinding en ontruiming van de woning en dat [eisende partij] , zoals onder nr. 4.4 is overwogen, relevante informatie daarover achterwege heeft gelaten. In de tweede plaats is door [gedaagde partij] aangegeven dat [bedrijfsnaam 2] B.V. zich in een eerdere procedure op het standpunt heeft gesteld dat zij verhuurder is. Voor de kantonrechter is dit een aanknopingspunt dat [gedaagde partij] , voor zover hij al verhuurder is geweest, dat in elk geval nu niet meer is. [eisende partij] heeft is in het licht hiervan onvoldoende aangevoerd ter onderbouwing van haar stelling dat [gedaagde partij] de verhuurder is en dat zij geen beroep kan doen op onderhuurbescherming van artikel 7:269 BW. De kantonrechter ziet ook geen aanleiding om [eisende partij] alsnog de gelegenheid te geven tot verduidelijking of een nadere onderbouwing, met name nu ze zij de relevante feiten heeft weggelaten.



4.9.
Dit alles brengt de kantonrechter tot de conclusie dat de gevorderde verklaring voor recht moet worden afgewezen.



Vaststellen van de huurprijs niet mogelijk omdat niet duidelijk is wie verhuurder is





4.10.
Stoyonova is het niet eens met de uitspraak van de Huurcommissie, die op 26 september 2025 aan partijen is verstuurd omdat zij vindt dat duidelijk is dat [gedaagde partij] verhuurder is. Op grond van artikel 7:262 BW heeft zij de kantonrechter gevraagd om een beslissing te nemen over de huurprijs. [eisende partij] heeft deze vordering tijdig ingediend, namelijk via de dagvaarding van 21 november 2025.



4.11.
Zoals hiervoor is overwogen, heeft [eisende partij] onvoldoende gesteld voor de vaststelling dat [gedaagde partij] verhuurder is. Wie dan wel de verhuurder is, is op basis van de gegevens die de kantonrechter heeft, ook niet te bepalen. Om de huurprijs te kunnen vaststellen is noodzakelijk dat vaststaat wie de verhuurder is. Pas als dat duidelijk zou zijn en die (rechts)persoon in rechte wordt betrokken kan de huurprijs worden vastgesteld. De vordering tot vaststelling van de huurprijs wordt daarom ook afgewezen.




[eisende partij] moet de proceskosten betalen





4.12.

[eisende partij] is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van [gedaagde partij] worden begroot op:









- verletkosten


€


50,00







- nakosten


€


21,50


(plus de kosten van betekening zoals vermeld in de beslissing)




Totaal


€


71,50
















5De beslissing


De kantonrechter



5.1.
wijst de vorderingen van [eisende partij] af,



5.2.
veroordeelt [eisende partij] in de proceskosten van € 71,50, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de kosten van betekening als [eisende partij] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend.,









Dit vonnis is gewezen door mr. R.P.M.G. van den Boorn en bij vervroeging in het openbaar uitgesproken op 17 augustus 2026.