Rechtbank Den Haag
ECLI:NL:RBDHA:2026:27676
2026-08-12
Civiel recht
K/4502/12101667 \ RL EXPL 26-4230
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen
Inhoudsindicatie
Aansprakelijkheid werkgever op grond van artikel 7:658 lid 2 BW en artikel 7:611 BW – scooter ongeval – letselschade – voorschot schadevergoeding – immateriële schade/smartengeld op basis van de Rotterdamse Schaal
Citeert (1)
- ECLI:NL:HR:2008:BD3129 Hoge Raad 12-12-2008
Geciteerd door (0)
- geen
Wetsverwijzingen
Volledige tekst
Volledige tekst (30.999 tekens)
RECHTBANK
DEN HAAG
Civiel recht
Kantonrechter
Zittingsplaats Den Haag
im/bc
Zaaknummer: 12101667 \ RL EXPL 26-4230
Vonnis van 12 augustus 2026
in de zaak van
[eisende partij]
,
te [woonplaats] ,
eisende partij,
hierna te noemen: [eisende partij] ,
gemachtigde: mr. Y.Y. Boduç,
tegen
[gedaagde partij] , VENNOOT VAN [bedrijf],
te [plaats] ,
gedaagde partij,
hierna te noemen: [gedaagde partij] ,
gemachtigde: mr. H. Tahiri el Osruti.
1De procedure
1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding van 30 oktober 2025 met producties 1 tot en met 15;
- het verwijzingsvonnis van 11 februari 2026 van team handel van deze rechtbank;- de conclusie van antwoord;
- de mondelinge behandeling van 13 juli 2026, waarvan door de griffier aantekeningen zijn gemaakt.
1.2.
Ten slotte is vonnis bepaald.
2De feiten
2.1.
[eisende partij] is op 28 mei 2023 in dienst getreden bij [gedaagde partij] op basis van een arbeidsovereenkomst in de functie van bezorger.
2.2.
Op 12 juni 2023 is [eisende partij] betrokken geraakt bij een verkeersongeval toen hij onderweg was om een maaltijd te bezorgen. Hij reed daarbij op een door [gedaagde partij] aan hem ter beschikking gestelde scooter. Bij dat ongeval heeft [eisende partij] letsel opgelopen. Hij is na het ongeval door de ambulance met spoed naar het ziekenhuis vervoerd, aldaar geopereerd en voor tien dagen opgenomen geweest.
2.3.
Bij het ongeval heeft [eisende partij] een stilstaande auto geraakt. De bestuurder van de geraakte auto heeft het schadeformulier ingevuld en ten aanzien van de toedracht het volgende genoteerd: “Stond stil scooter kwam met snelheid gleed uit komt tegen auto”.
2.4.
Per brief van 18 november 2024 heeft [eisende partij] [gedaagde partij] aansprakelijk gesteld voor de gevolgen van het ongeval. De brief vermeldt, voor zover relevant, het volgende:
“Aansprakelijkheid werkgever
Allereerst meent cliënt dat u aansprakelijk bent op grond van artikel 7:658 BW. Cliënt is met de scooter bij het afremmen uitgegleden, hetgeen heeft geleid tot een ongeval. Omdat de scooter is uitgegleden bij het afremmen, meent cliënt dat u niet heeft voldaan aan uw zorgplicht als werkgever. U heeft er niet voor gezorgd dat de scooter voldeed aan de benodigde eisen, zodat cliënt op een veilige manier kon afremmen zonder uit te glijden.
Niet goed verzekerd
Verder meent cliënt dat u zich niet als een goed werkgever heeft gedragen ex artikel 7:611 BW. (…)
U heeft geen behoorlijke verzekering afgesloten voor uw werknemers die als bezorger werkzaamheden verrichten en zich vaak in het verkeer begeven. U heeft cliënt aangegeven een schadeverzekering opzittende (hierna: “SVO”) te hebben afgesloten voor de scooter die cliënt ten tijde van het ongeval bestuurde. Wij hebben namens cliënt de door u aangegeven verzekeraars aangeschreven met een verzoek om dekking voor de schade die cliënt heeft opgelopen. De door u genoemde verzekeraars hebben beide aangegeven dat geen SVO verzekering is afgesloten voor de scooter. Dit is later ook bevestigd door u c.q. uw advocaat.”
2.5.
Per brief van 28 november 2024 heeft [gedaagde partij] de aansprakelijkheid van de hand gewezen.
3Het geschil
3.1.
[eisende partij] vordert – samengevat – een verklaring voor recht dat [gedaagde partij] aansprakelijk is voor zijn schade als gevolg van het ongeval en [gedaagde partij] te veroordelen tot het betalen van een voorschot op de schadevergoeding van € 45.746,62, met veroordeling van [gedaagde partij] in de proceskosten.
3.2.
[eisende partij] legt aan de vordering ten grondslag dat [gedaagde partij] primair op grond van artikel 7:658 lid 2 BW (aansprakelijkheid arbeidsongevallen) aansprakelijk is voor zijn schade, omdat hij in de uitoefening van zijn werkzaamheden (letsel)schade heeft geleden. Subsidiair stelt [eisende partij] dat [gedaagde partij] geen behoorlijke verzekering voor [eisende partij] heeft afgesloten die zijn schade in de uitoefening van zijn werkzaamheden dekt. De door [gedaagde partij] afgesloten verzekeringen dekken slechts schade toegebracht aan derden, maar bieden geen dekking voor de schade die zijn werknemers zelf lijden. Er bestond voor [gedaagde partij] wel een mogelijkheid om het risico op ongevallen tegen een behoorlijke verzekering met een aanvaardbare premie van € 390,00 per jaar te dekken. [gedaagde partij] is daarom ook op grond van artikel 7:611 BW (goed werkgeverschap) aansprakelijk voor zijn schade.
3.3.
[gedaagde partij] voert verweer. [gedaagde partij] concludeert tot niet-ontvankelijkheid van [eisende partij] , dan wel tot afwijzing van de vorderingen van [eisende partij] , met uitvoerbaar bij voorraad te verklaren veroordeling van [eisende partij] in de kosten van deze procedure.
3.4.
[gedaagde partij] voert aan dat hij zijn zorgplicht (artikel 7:658 lid 1 BW) is nagekomen en daarom niet voor de schade aansprakelijk is. [gedaagde partij] stelt in dat kader dat hij de scooter deugdelijk heeft laten onderhouden en dat aan [eisende partij] , net als aan zijn collega’s, duidelijke instructies zijn gegeven dat hij veilig rijgedrag dient te vertonen en zich aan de verkeersregels dient te houden. Ook stelt [gedaagde partij] dat hij zijn werknemers instrueert de scooters voor vertrek te controleren. Daarbij geldt dat de zorgplicht van [gedaagde partij] in het onderhavige geval beperkt is, omdat [eisende partij] in de uitoefening van zijn werkzaamheden deelneemt aan het wegverkeer, waarover [gedaagde partij] geen zeggenschap heeft en waarop [gedaagde partij] niet middels het geven van aanwijzingen effectief invloed kan uitoefenen. [eisende partij] draagt daarbij een eigen verantwoordelijkheid zich aan de verkeersregels te houden. Terzake de subsidiaire grondslag stelt [gedaagde partij] dat er voor hem geen mogelijkheid bestond de scooter aanvullend te verzekeren, omdat de scooter door [gedaagde partij] wordt geleaset. Los daarvan stelt [gedaagde partij] dat [eisende partij] het ongeluk zelf heeft veroorzaakt door haaientanden te negeren, te hard te rijden en geen voorrang te verlenen, waar hij dat wel had moeten doen. Onder die omstandigheden is niet met zekerheid te zeggen dat een verzekeraar de schade die [eisende partij] lijdt zou dekken en is het eerder aannemelijk dat de vergoeding van dergelijke schade door een verzekeraar wordt uitgesloten.
3.5.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.
4De beoordeling
Verklaring voor recht: [gedaagde partij] is aansprakelijk
4.1.
De vraag die ter beantwoording voorligt is of [gedaagde partij] als werkgever van [eisende partij] aansprakelijk is voor de door [eisende partij] geleden en nog te lijden schade als gevolg van het scooterongeluk.
4.2.
Tussen partijen is niet in geschil dat [eisende partij] in de uitoefening van zijn werkzaamheden betrokken is geweest bij een verkeersongeval en daardoor schade heeft geleden. Dat betekent dat [gedaagde partij] in beginsel aansprakelijk is voor de door [eisende partij] als gevolg van het ongeval geleden en nog te lijden schade op grond van artikel 7:658 lid 2 BW. Dat is slechts anders indien [gedaagde partij] stelt – en bij gemotiveerde betwisting bewijst – dat hij aan zijn zorgplicht (artikel 7:658 lid 1 BW) heeft voldaan of dat het ongeval in belangrijke mate het gevolg is geweest van opzet of roekeloosheid van [eisende partij] .
4.3.
Artikel 7:658 lid 1 BW bepaalt ten aanzien van de zorgplicht van de werkgever dat hij verplicht is de lokalen, werktuigen en gereedschappen waarin of waarmee hij de arbeid doet verrichten, op zodanige wijze inricht en onderhoudt alsmede voor het verrichten van de arbeid zodanige maatregelen treft en aanwijzingen verstrekt als redelijkerwijs nodig is om te voorkomen dat de werknemer in de uitoefening van zijn werkzaamheden schade lijdt. Artikel 7:658 BW beoogt niet een absolute waarborg te scheppen voor bescherming tegen gevaar, maar een werkgever dient ingevolge dit artikel wel die maatregelen te nemen die redelijkerwijs nodig zijn om te voorkomen dat de werknemer in de uitoefening van zijn werkzaamheden schade lijdt. Welke verplichtingen in een concrete situatie op de werkgever rusten, hangt af van alle omstandigheden van het geval. Relevante omstandigheden zijn daarbij onder meer de aard van de werkzaamheden, de kenbaarheid van het gevaar, de mate van bezwaarlijkheid van het treffen van maatregelen en de te verwachten (on)oplettendheid van de werknemer, mede gelet op diens (werk)ervaring.
4.4.
Wanneer het gaat om gevallen waarin een werknemer in de uitoefening van zijn werkzaamheden deelneemt aan het wegverkeer zal de omvang van de zorgplicht van de werkgever in de regel slechts beperkt kunnen zijn. De werkgever heeft immers geen zeggenschap over de inrichting en de daarmee samenhangende verkeersveiligheid van de openbare weg en daarnaast kan een groot aantal factoren bijdragen aan het ontstaan van verkeersongevallen, zonder dat de werkgever daarop door het treffen van maatregelen of het geven van aanwijzingen effectief invloed kan uitoefenen, afgezien van de veiligheid van het voertuig dat hij aan de werknemer ter beschikking stelt en het geven van onderricht, instructies en voorschriften die de veiligheid van de werknemer kunnen bevorderen (HR 12 december 2008, ECLI:NL:HR:2008:BD3129).
4.5.
In dat kader heeft [gedaagde partij] gesteld dat hij de scooter deugdelijk heeft onderhouden, onder overlegging van diverse onderhoudsfacturen, en dat hij [eisende partij] instructies heeft gegeven hoe zich in het verkeer te gedragen en dat [eisende partij] de scooter zelf op geschiktheid dient te controleren voor gebruik. [eisende partij] heeft deze stellingen weersproken en aangevoerd dat de banden van de scooter die hij gebruikte onvoldoende profiel hadden, nu hij bij het remmen is uitgegleden. [eisende partij] heeft verder aangevoerd dat de staat van de scooter op het moment van het ongeluk niet kan worden vastgesteld op basis van de onderhoudsfacturen, aangezien de laatste factuur dateert van drie weken voor het ongeluk. Daarnaast betwist [eisende partij] dat hij instructies heeft gekregen om veilig de weg op te gaan of zelf de scooter te controleren voor gebruik. Hij is direct de weg op gestuurd zonder enige vorm van begeleiding of toezicht.
4.6.
Gelet op de gemotiveerde betwisting van [eisende partij] lag het op de weg van [gedaagde partij] om zijn stelling dat hij aan zijn zorgplicht heeft voldaan nader te onderbouwen. Dat heeft hij naar het oordeel van de kantonrechter onvoldoende gedaan. [gedaagde partij] heeft ter zitting verklaard dat er geen vaste instructieprotocollen zijn en alleen mondelinge instructies worden gegeven. Uit niets is echter gebleken dat die mondelinge instructies daadwerkelijk gegeven zijn en dat die instructies erop gericht waren om de veiligheid van de werknemers te bevorderen. De kantonrechter dient er daardoor vanuit te gaan dat [eisende partij] zonder enige instructies de weg op is gestuurd. De kantonrechter is bovendien met [eisende partij] van oordeel dat de onderhoudsfacturen onvoldoende onderbouwing bieden voor de stelling dat de scooter op het moment van het ongeluk veilig was voor gebruik. De laatste factuur dateert van drie weken geleden en op basis daarvan kan de kantonrechter niet vaststellen dat met de scooter ten tijde van het ongeluk niets mis was. [gedaagde partij] had direct na het ongeluk de status van de scooter moeten laten onderzoeken om de deugdelijkheid van de scooter te kunnen aantonen. Dat [gedaagde partij] aan zijn zorgplicht heeft voldaan is aldus onvoldoende gebleken.
4.7.
Voorts staat tussen partijen vast dat [gedaagde partij] geen afdoende verzekering heeft afgesloten om zijn medewerkers tegen schade als gevolg van een verkeersongeval te verzekeren, terwijl [gedaagde partij] daartoe wel een redelijke mogelijkheid had.
4.8.
Artikel 7:611 BW brengt mee dat een werkgever, uit hoofde van zijn verplichting om zich als goed werkgever te gedragen, gehouden is zorg te dragen voor een behoorlijke verzekering van werknemers, van wie de werkzaamheden ertoe kunnen leiden dat zij als bestuurder van een motorvoertuig bij een verkeersongeval betrokken raken en dat, indien de werkgever tekort geschoten is in de nakoming van deze verzekeringsplicht, hij aansprakelijk is voor de daardoor voor de werknemer veroorzaakte schade, zijnde het missen van de uitkering die de werknemer op grond van een behoorlijke verzekering zou zijn toegekomen.
4.9.
Nu [gedaagde partij] geen behoorlijke verzekering heeft afgesloten voor zijn werknemers schiet hij tekort in zijn verlichting zich als goed werkgever te gedragen. Dat [gedaagde partij] de scooter leaset en daardoor niet aan zijn verzekeringsplicht kan voldoen, voor zover die stelling al juist is, komt voor zijn risico. Hij kan zijn verzekeringsverplichting niet afwentelen op de leasemaatschappij en blijft daarvoor zelf verantwoordelijk.
4.10.
[gedaagde partij] is aldus ook op grond van artikel 7:611 BW aansprakelijk voor de schade van [eisende partij] . [gedaagde partij] stelt ten aanzien van de schade dat een verzekeraar niets aan [eisende partij] zou hebben uitgekeerd, omdat hij het ongeluk zelf heeft veroorzaakt, door haaientanden te negeren, te hard te rijden en geen voorrang te verlenen, waar hij dat wel had moeten doen. [gedaagde partij] verwijst daarbij naar het schadeformulier (zoals hiervoor geciteerd onder 2.3). [eisende partij] heeft weersproken dat hij harder dan de toegestane snelheid reed. Hij voert aan dat hij heeft geremd en is uitgegleden door de gladde banden. Los daarvan betwist [eisende partij] dat de schuldvraag voor de uitkering van de verzekeraar relevant is.
4.11.
Het schadeformulier biedt naar het oordeel van de kantonrechter onvoldoende onderbouwing voor de stelling dat het ongeval volledig aan [eisende partij] zelf te wijten is. Als dat al het geval zou zijn, dan geldt dat [gedaagde partij] zijn stelling dat uitkering in dat geval zou zijn uitgesloten onvoldoende heeft onderbouwd. [gedaagde partij] heeft geen (voorbeeld) polisvoorwaarden in het geding gebracht van bijvoorbeeld een opzittende verzekering waaruit een dergelijke uitsluitingsclausule uit blijkt. De kantonrechter passeert daarom zijn stelling dat de verzekeringsuitkering, en daarmee de voor vergoeding in aanmerking komende schade, in het onderhavige geval nihil zou zijn geweest.
4.12.
Het voorgaande leidt tot de conclusie dat [gedaagde partij] jegens [eisende partij] aansprakelijk is voor de schade die [eisende partij] als gevolg van het scooterongeluk lijdt of nog zal lijden en verplicht is die schade te vergoeden.
Voorschot schadevergoeding: een bedrag van € 21.746,62 wordt toegewezen
4.13.
[eisende partij] heeft een voorschot op de schadevergoeding gevorderd van € 45.746,62. Dit bedrag heeft hij onderbouwd middels overlegging van een concept schadestaat. De schadestaat vermeldt de volgende schadeposten, samengevat en anders weergegeven:
Ziekenhuiskosten conform Letselschade Richtlijn Ziekenhuis- en Revalidatiedaggeldvergoeding 2023 (hierna: Letselschade Richtlijn)
€
350,00
Kosten huishoudelijke hulp conform Letselschade Richtlijn voor de eerste 13 weken
€
666,25
Huishoudelijke hulp conform Letselschade Richtlijn voor de tweede 13 weken
€
286,00
Huishoudelijke hulp conform Letselschade Richtlijn voor de 26 weken daaropvolgend
€
286,00
Implantaten voor 4 tanden
€
8.438,37
Fysiotherapiekosten
€
180,00
Schade aan kleding
€
150,00
Parkeer- en tankkosten
€
350,00
Inkomstenverlies over 7 maanden
€
1.792,00
Persoonlijke verzorgingskosten (waaronder maaltijden en mantelzorg)
€
3.248,00
Smartengeld
€
30.000,00
Totaal
€
45.746,62 + P.M. posten
4.14.
[gedaagde partij] heeft de gestelde schade weersproken. Hij voert aan dat [eisende partij] de schade op geen enkele wijze heeft onderbouwd, met name wat betreft de smartengeldvergoeding van € 30.000,00.
4.15.
Beoordeeld moet worden of in deze procedure toewijzing van een voorschot op een uiteindelijk aan [eisende partij] toe te kennen schadevergoeding op z’n plaats is. Daarbij geldt dat de rechter op grond van artikel 6:97 BW de schade begroot op de wijze die het meest met de aard ervan in overeenstemming is. Wanneer de omvang van de schade niet nauwkeurig kan worden vastgesteld, dan wordt zij geschat.
Medische kosten: ziekenhuiskosten, implantaten, fysiotherapie en huishoudelijke hulp
4.16.
[eisende partij] heeft ter onderbouwing van zijn medische kosten diverse foto’s van het letsel overgelegd als ook verschillende medische verslagen, waaronder de ontslag brieven uit het ziekenhuis van de afdelingen Kindergeneeskunde, Intensive Care en de Traumachirurgie en de onderzoeksverslagen van de afdeling Radiologie. Ter onderbouwing van de tandartskosten heeft [eisende partij] een offerte van 8 juli 2025 van de TandProtheek overgelegd en ten aanzien van de kosten voor de fysiotherapie de declaratie van 5 juli 2024 van Tang Fysiotherapie. Daarmee heeft [eisende partij] die kosten, anders dan [gedaagde partij] aanvoert, naar het oordeel van de kantonrechter voldoende onderbouwd.
4.17.
Voor een aantal niet concreet waardeerbare medische schadeposten, zoals de ziekenhuiskosten en de kosten voor huishoudelijke hulp, heeft [eisende partij] aansluiting gezocht bij de Letselschade Richtlijn Ziekenhuis- en Revalidatiedaggeldvergoeding 2023 en berekeningen overgelegd van de gestelde schadeposten. [gedaagde partij] heeft de toepasselijkheid van de richtlijn noch de berekeningen inhoudelijk weersproken. Ook die kosten acht de kantonrechter daarmee als voldoende gesteld en onvoldoende weersproken toewijsbaar.
4.18.
De kantonrechter acht daarmee een bedrag aan € 10.206,62 (€ 350,00 + € 666,25 + € 286,00 + € 286,00 + € 8.438,37 + € 180,00) toewijsbaar.
Kledingschade, gemaakte parkeer- en tankkosten, inkomstenverlies en verzorgingskosten
4.19.
De door [eisende partij] geschatte kosten voor zijn kleding en parkeer- en tankkosten komen de kantonrechter niet onredelijk voor en zijn ook niet gemotiveerd door [gedaagde partij] weersproken. Ook de door [eisende partij] gemaakt berekeningen om het inkomstenverlies en de verzorgingskosten te bepalen heeft [gedaagde partij] niet inhoudelijk weersproken. Die schadeposten acht de kantonrechter daarmee voldoende onderbouwd, waardoor een bedrag van € 5.540,00 (€ 150,00 + € 350,00 + € 1.792,00 + € 3.248,00) toewijsbaar is.
Immateriële schade/smartengeld
4.20.
De kantonrechter overweegt dat smartengeld een naar billijkheid vast te stellen vergoeding vormt voor het niet in vermogensschade bestaande nadeel dat is geleden door een persoon die als gevolg van een gebeurtenis waarvoor een ander aansprakelijk is, (lichamelijk) letsel heeft opgelopen (artikel 6:106 BW). Bij de begroting van het smartengeld dient rekening te worden gehouden met alle omstandigheden van het geval, waaronder in het bijzonder de aard, ernst en duur van het letsel, de pijn, de intensiteit van het verdriet en de gederfde levensvreugde en de gevolgen daarvan voor betrokkene. Ook moet de rechter de aard van de aansprakelijkheid en het aan de aansprakelijke partij te maken verwijt meewegen. De kantonrechter let ook op de bedragen die door Nederlandse rechters in (enigszins) vergelijkbare gevallen zijn toegekend, daaronder begrepen de maximaal toegekende bedragen, een en ander met in aanmerkingneming van de sedert de betreffende uitspraken opgetreden geldontwaarding.
4.21.
[eisende partij] heeft in dat kader gesteld dat hij diverse vormen van lichamelijk letsel heeft opgelopen, waaronder afgebroken tanden, littekens op borst, lippen en hoofd, onderrugklachten, bovenbeen klachten, hersenschudding, en dat hij daarnaast ook mentale klachten ervaart, zoals angst in het verkeer en slaapproblemen. Ten tijde van het ongeluk was hij 16 jaar en hij heeft tien dagen in het ziekenhuis gelegen. De rest van zijn leven zal hij met de gevolgen daarvan worden geconfronteerd. [eisende partij] stelt dan ook dat gelet op die omstandigheden een vergoeding van smartengeld op z’n plaats is. De vergoeding die [eisende partij] vordert heeft hij gebaseerd en naar billijkheid ingeschat op basis van de Rotterdamse Schaal. Concreet voert hij de volgende categorieën uit de Rotterdamse Schaal aan, op basis waarvan hij stelt een smartengeld vergoeding toe te komen:
Hoofdstuk 4 Inwendig letsel, paragraaf 4.1 Borstletsel, onder (d) Minder ernstig borstletsel
€
8.500 tot 12.000
Hoofdstuk 5 Orthopedisch letsel, paragraaf 5.3 Rugletsel, onder (c) Gering rugletsel, categorie I en II
€
3.000 tot 8.500
Hoofdstuk 5 Orthopedisch letsel, paragraaf 5.4 Schouderletsel, onder (d) Gering schouderletsel, categorie I
€
3.000 tot 5.500
Hoofdstuk 9 Gezichtsletsel, paragraaf 9.1 Schedelbeschadiging, onder (e) Breuken van de kaak, categorie III
€
4.500 tot 6.000
Hoofdstuk 9 Gezichtsletsel, paragraaf 9.1 Schedelbeschadiging, onder (f) Beschadiging van tand(en), categorie II
€
6.000 tot 8.000
Hoofdstuk 9 Gezichtsletsel, paragraaf 9.2 Misvorming van het gezicht, onder (c) Middelzware littekenvorming
€
6.000 tot 21.000
Hoofdstuk 10 Littekens aan andere delen van het lichaam, onder (b) Middelzware littekenvorming
€
5.500 tot 16.000
4.22.
Tegelijkertijd heeft [eisende partij] aangevoerd dat het op dit moment nog onduidelijk is of er sprake is van een medische eindsituatie. Daarvoor dient hij eerst medische verklaringen op te vragen, die hij een opvolgende procedure voor het definitief vaststellen van de totale schade zal inbrengen. Die omstandigheid maakt dat de kantonrechter de kosten van het smartengeld terughoudend zal inschatten, nu [eisende partij] nog onvoldoende heeft onderbouwd en op dit moment nog onvoldoende duidelijk is dat aan alle omstandigheden/vereisten zoals genoemd in de categorieën van de Rotterdamse Schaal is voldaan, met dien verstande dat de kantonrechter een voorschotvergoeding vanwege het verlies aan voortanden wel toewijsbaar acht. Naar het oordeel van de kantonrechter staat immers wel voldoende vast dat [eisende partij] vier voortanden door het ongeluk verloren is. De Rotterdamse Schaal schrijft voor verlies of ernstige beschadiging van meerdere voortanden (meer dan twee) een vergoeding van € 6.000 tot € 8.000 voor, waarbij de hoogte van het bedrag afhangt van de duur van behandelingen en het veroorzaakte ongemak, zoals problemen met eten. Ten aanzien van dat laatste heeft [eisende partij] geen concrete onderbouwing gegeven. De kantonrechter zal daarom het minimale bedrag van € 6.000,00 als voorschot toewijzen.
4.23.
Ter zitting heeft [gedaagde partij] , althans zijn gemachtigde, een beroep gedaan op het toepassen van een causale verdeling met een billijkheidscorrectie, indien een voorschot wordt toegewezen. Voor zover dat verweer al tijdig is gedaan, gelet op het bepaalde in artikel 128 Rv, geldt dat [gedaagde partij] dat verweer op geen enkele wijze heeft onderbouwd, waardoor de kantonrechter dit verweer passeert.
4.24.
Het voorgaande maakt dat de kantonrechter een totaalbedrag van € 10.206,62 + € 5.540,00 + € 6.000,00 = € 21.746,62 als voorschot voor de schadevergoeding zal toewijzen.
Proceskosten
4.25.
[gedaagde partij] is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. Omdat [eisende partij] heeft geprocedeerd op basis van een toevoeging, zal [gedaagde partij] niet worden veroordeeld tot betaling van de explootkosten en betekeningskosten. De proceskosten van [eisende partij] worden begroot op:
- griffierecht
€
90,00
- salaris gemachtigde
€
576,00
(2 punten × € 288,00)
- nakosten
€
144,00
Totaal
€
810,00
5De beslissing
De kantonrechter
5.1.
verklaart voor recht dat [gedaagde partij] jegens [eisende partij] aansprakelijk is voor de door [eisende partij] geleden en nog te lijden schade als gevolg van het ongeval van 12 juni 2023 en dat [gedaagde partij] de daaruit voortvloeiende schade aan [eisende partij] dient te vergoeden,
5.2.
veroordeelt [gedaagde partij] om aan [eisende partij] te betalen een bedrag van € 21.746,62 als voorschot op de door [eisende partij] geleden schade, te voldoen binnen 5 werkdagen na betekening van dit vonnis,
5.3.
veroordeelt [gedaagde partij] in de proceskosten van € 810,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe,
5.4.
verklaart dit vonnis voor wat betreft de veroordelingen uitvoerbaar bij voorraad,
5.5.
wijst het meer of anders gevorderde af.
Dit vonnis is gewezen door mr. D. Jongsma en in het openbaar uitgesproken op 12 augustus 2026.
DEN HAAG
Civiel recht
Kantonrechter
Zittingsplaats Den Haag
im/bc
Zaaknummer: 12101667 \ RL EXPL 26-4230
Vonnis van 12 augustus 2026
in de zaak van
[eisende partij]
,
te [woonplaats] ,
eisende partij,
hierna te noemen: [eisende partij] ,
gemachtigde: mr. Y.Y. Boduç,
tegen
[gedaagde partij] , VENNOOT VAN [bedrijf],
te [plaats] ,
gedaagde partij,
hierna te noemen: [gedaagde partij] ,
gemachtigde: mr. H. Tahiri el Osruti.
1De procedure
1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding van 30 oktober 2025 met producties 1 tot en met 15;
- het verwijzingsvonnis van 11 februari 2026 van team handel van deze rechtbank;- de conclusie van antwoord;
- de mondelinge behandeling van 13 juli 2026, waarvan door de griffier aantekeningen zijn gemaakt.
1.2.
Ten slotte is vonnis bepaald.
2De feiten
2.1.
[eisende partij] is op 28 mei 2023 in dienst getreden bij [gedaagde partij] op basis van een arbeidsovereenkomst in de functie van bezorger.
2.2.
Op 12 juni 2023 is [eisende partij] betrokken geraakt bij een verkeersongeval toen hij onderweg was om een maaltijd te bezorgen. Hij reed daarbij op een door [gedaagde partij] aan hem ter beschikking gestelde scooter. Bij dat ongeval heeft [eisende partij] letsel opgelopen. Hij is na het ongeval door de ambulance met spoed naar het ziekenhuis vervoerd, aldaar geopereerd en voor tien dagen opgenomen geweest.
2.3.
Bij het ongeval heeft [eisende partij] een stilstaande auto geraakt. De bestuurder van de geraakte auto heeft het schadeformulier ingevuld en ten aanzien van de toedracht het volgende genoteerd: “Stond stil scooter kwam met snelheid gleed uit komt tegen auto”.
2.4.
Per brief van 18 november 2024 heeft [eisende partij] [gedaagde partij] aansprakelijk gesteld voor de gevolgen van het ongeval. De brief vermeldt, voor zover relevant, het volgende:
“Aansprakelijkheid werkgever
Allereerst meent cliënt dat u aansprakelijk bent op grond van artikel 7:658 BW. Cliënt is met de scooter bij het afremmen uitgegleden, hetgeen heeft geleid tot een ongeval. Omdat de scooter is uitgegleden bij het afremmen, meent cliënt dat u niet heeft voldaan aan uw zorgplicht als werkgever. U heeft er niet voor gezorgd dat de scooter voldeed aan de benodigde eisen, zodat cliënt op een veilige manier kon afremmen zonder uit te glijden.
Niet goed verzekerd
Verder meent cliënt dat u zich niet als een goed werkgever heeft gedragen ex artikel 7:611 BW. (…)
U heeft geen behoorlijke verzekering afgesloten voor uw werknemers die als bezorger werkzaamheden verrichten en zich vaak in het verkeer begeven. U heeft cliënt aangegeven een schadeverzekering opzittende (hierna: “SVO”) te hebben afgesloten voor de scooter die cliënt ten tijde van het ongeval bestuurde. Wij hebben namens cliënt de door u aangegeven verzekeraars aangeschreven met een verzoek om dekking voor de schade die cliënt heeft opgelopen. De door u genoemde verzekeraars hebben beide aangegeven dat geen SVO verzekering is afgesloten voor de scooter. Dit is later ook bevestigd door u c.q. uw advocaat.”
2.5.
Per brief van 28 november 2024 heeft [gedaagde partij] de aansprakelijkheid van de hand gewezen.
3Het geschil
3.1.
[eisende partij] vordert – samengevat – een verklaring voor recht dat [gedaagde partij] aansprakelijk is voor zijn schade als gevolg van het ongeval en [gedaagde partij] te veroordelen tot het betalen van een voorschot op de schadevergoeding van € 45.746,62, met veroordeling van [gedaagde partij] in de proceskosten.
3.2.
[eisende partij] legt aan de vordering ten grondslag dat [gedaagde partij] primair op grond van artikel 7:658 lid 2 BW (aansprakelijkheid arbeidsongevallen) aansprakelijk is voor zijn schade, omdat hij in de uitoefening van zijn werkzaamheden (letsel)schade heeft geleden. Subsidiair stelt [eisende partij] dat [gedaagde partij] geen behoorlijke verzekering voor [eisende partij] heeft afgesloten die zijn schade in de uitoefening van zijn werkzaamheden dekt. De door [gedaagde partij] afgesloten verzekeringen dekken slechts schade toegebracht aan derden, maar bieden geen dekking voor de schade die zijn werknemers zelf lijden. Er bestond voor [gedaagde partij] wel een mogelijkheid om het risico op ongevallen tegen een behoorlijke verzekering met een aanvaardbare premie van € 390,00 per jaar te dekken. [gedaagde partij] is daarom ook op grond van artikel 7:611 BW (goed werkgeverschap) aansprakelijk voor zijn schade.
3.3.
[gedaagde partij] voert verweer. [gedaagde partij] concludeert tot niet-ontvankelijkheid van [eisende partij] , dan wel tot afwijzing van de vorderingen van [eisende partij] , met uitvoerbaar bij voorraad te verklaren veroordeling van [eisende partij] in de kosten van deze procedure.
3.4.
[gedaagde partij] voert aan dat hij zijn zorgplicht (artikel 7:658 lid 1 BW) is nagekomen en daarom niet voor de schade aansprakelijk is. [gedaagde partij] stelt in dat kader dat hij de scooter deugdelijk heeft laten onderhouden en dat aan [eisende partij] , net als aan zijn collega’s, duidelijke instructies zijn gegeven dat hij veilig rijgedrag dient te vertonen en zich aan de verkeersregels dient te houden. Ook stelt [gedaagde partij] dat hij zijn werknemers instrueert de scooters voor vertrek te controleren. Daarbij geldt dat de zorgplicht van [gedaagde partij] in het onderhavige geval beperkt is, omdat [eisende partij] in de uitoefening van zijn werkzaamheden deelneemt aan het wegverkeer, waarover [gedaagde partij] geen zeggenschap heeft en waarop [gedaagde partij] niet middels het geven van aanwijzingen effectief invloed kan uitoefenen. [eisende partij] draagt daarbij een eigen verantwoordelijkheid zich aan de verkeersregels te houden. Terzake de subsidiaire grondslag stelt [gedaagde partij] dat er voor hem geen mogelijkheid bestond de scooter aanvullend te verzekeren, omdat de scooter door [gedaagde partij] wordt geleaset. Los daarvan stelt [gedaagde partij] dat [eisende partij] het ongeluk zelf heeft veroorzaakt door haaientanden te negeren, te hard te rijden en geen voorrang te verlenen, waar hij dat wel had moeten doen. Onder die omstandigheden is niet met zekerheid te zeggen dat een verzekeraar de schade die [eisende partij] lijdt zou dekken en is het eerder aannemelijk dat de vergoeding van dergelijke schade door een verzekeraar wordt uitgesloten.
3.5.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.
4De beoordeling
Verklaring voor recht: [gedaagde partij] is aansprakelijk
4.1.
De vraag die ter beantwoording voorligt is of [gedaagde partij] als werkgever van [eisende partij] aansprakelijk is voor de door [eisende partij] geleden en nog te lijden schade als gevolg van het scooterongeluk.
4.2.
Tussen partijen is niet in geschil dat [eisende partij] in de uitoefening van zijn werkzaamheden betrokken is geweest bij een verkeersongeval en daardoor schade heeft geleden. Dat betekent dat [gedaagde partij] in beginsel aansprakelijk is voor de door [eisende partij] als gevolg van het ongeval geleden en nog te lijden schade op grond van artikel 7:658 lid 2 BW. Dat is slechts anders indien [gedaagde partij] stelt – en bij gemotiveerde betwisting bewijst – dat hij aan zijn zorgplicht (artikel 7:658 lid 1 BW) heeft voldaan of dat het ongeval in belangrijke mate het gevolg is geweest van opzet of roekeloosheid van [eisende partij] .
4.3.
Artikel 7:658 lid 1 BW bepaalt ten aanzien van de zorgplicht van de werkgever dat hij verplicht is de lokalen, werktuigen en gereedschappen waarin of waarmee hij de arbeid doet verrichten, op zodanige wijze inricht en onderhoudt alsmede voor het verrichten van de arbeid zodanige maatregelen treft en aanwijzingen verstrekt als redelijkerwijs nodig is om te voorkomen dat de werknemer in de uitoefening van zijn werkzaamheden schade lijdt. Artikel 7:658 BW beoogt niet een absolute waarborg te scheppen voor bescherming tegen gevaar, maar een werkgever dient ingevolge dit artikel wel die maatregelen te nemen die redelijkerwijs nodig zijn om te voorkomen dat de werknemer in de uitoefening van zijn werkzaamheden schade lijdt. Welke verplichtingen in een concrete situatie op de werkgever rusten, hangt af van alle omstandigheden van het geval. Relevante omstandigheden zijn daarbij onder meer de aard van de werkzaamheden, de kenbaarheid van het gevaar, de mate van bezwaarlijkheid van het treffen van maatregelen en de te verwachten (on)oplettendheid van de werknemer, mede gelet op diens (werk)ervaring.
4.4.
Wanneer het gaat om gevallen waarin een werknemer in de uitoefening van zijn werkzaamheden deelneemt aan het wegverkeer zal de omvang van de zorgplicht van de werkgever in de regel slechts beperkt kunnen zijn. De werkgever heeft immers geen zeggenschap over de inrichting en de daarmee samenhangende verkeersveiligheid van de openbare weg en daarnaast kan een groot aantal factoren bijdragen aan het ontstaan van verkeersongevallen, zonder dat de werkgever daarop door het treffen van maatregelen of het geven van aanwijzingen effectief invloed kan uitoefenen, afgezien van de veiligheid van het voertuig dat hij aan de werknemer ter beschikking stelt en het geven van onderricht, instructies en voorschriften die de veiligheid van de werknemer kunnen bevorderen (HR 12 december 2008, ECLI:NL:HR:2008:BD3129).
4.5.
In dat kader heeft [gedaagde partij] gesteld dat hij de scooter deugdelijk heeft onderhouden, onder overlegging van diverse onderhoudsfacturen, en dat hij [eisende partij] instructies heeft gegeven hoe zich in het verkeer te gedragen en dat [eisende partij] de scooter zelf op geschiktheid dient te controleren voor gebruik. [eisende partij] heeft deze stellingen weersproken en aangevoerd dat de banden van de scooter die hij gebruikte onvoldoende profiel hadden, nu hij bij het remmen is uitgegleden. [eisende partij] heeft verder aangevoerd dat de staat van de scooter op het moment van het ongeluk niet kan worden vastgesteld op basis van de onderhoudsfacturen, aangezien de laatste factuur dateert van drie weken voor het ongeluk. Daarnaast betwist [eisende partij] dat hij instructies heeft gekregen om veilig de weg op te gaan of zelf de scooter te controleren voor gebruik. Hij is direct de weg op gestuurd zonder enige vorm van begeleiding of toezicht.
4.6.
Gelet op de gemotiveerde betwisting van [eisende partij] lag het op de weg van [gedaagde partij] om zijn stelling dat hij aan zijn zorgplicht heeft voldaan nader te onderbouwen. Dat heeft hij naar het oordeel van de kantonrechter onvoldoende gedaan. [gedaagde partij] heeft ter zitting verklaard dat er geen vaste instructieprotocollen zijn en alleen mondelinge instructies worden gegeven. Uit niets is echter gebleken dat die mondelinge instructies daadwerkelijk gegeven zijn en dat die instructies erop gericht waren om de veiligheid van de werknemers te bevorderen. De kantonrechter dient er daardoor vanuit te gaan dat [eisende partij] zonder enige instructies de weg op is gestuurd. De kantonrechter is bovendien met [eisende partij] van oordeel dat de onderhoudsfacturen onvoldoende onderbouwing bieden voor de stelling dat de scooter op het moment van het ongeluk veilig was voor gebruik. De laatste factuur dateert van drie weken geleden en op basis daarvan kan de kantonrechter niet vaststellen dat met de scooter ten tijde van het ongeluk niets mis was. [gedaagde partij] had direct na het ongeluk de status van de scooter moeten laten onderzoeken om de deugdelijkheid van de scooter te kunnen aantonen. Dat [gedaagde partij] aan zijn zorgplicht heeft voldaan is aldus onvoldoende gebleken.
4.7.
Voorts staat tussen partijen vast dat [gedaagde partij] geen afdoende verzekering heeft afgesloten om zijn medewerkers tegen schade als gevolg van een verkeersongeval te verzekeren, terwijl [gedaagde partij] daartoe wel een redelijke mogelijkheid had.
4.8.
Artikel 7:611 BW brengt mee dat een werkgever, uit hoofde van zijn verplichting om zich als goed werkgever te gedragen, gehouden is zorg te dragen voor een behoorlijke verzekering van werknemers, van wie de werkzaamheden ertoe kunnen leiden dat zij als bestuurder van een motorvoertuig bij een verkeersongeval betrokken raken en dat, indien de werkgever tekort geschoten is in de nakoming van deze verzekeringsplicht, hij aansprakelijk is voor de daardoor voor de werknemer veroorzaakte schade, zijnde het missen van de uitkering die de werknemer op grond van een behoorlijke verzekering zou zijn toegekomen.
4.9.
Nu [gedaagde partij] geen behoorlijke verzekering heeft afgesloten voor zijn werknemers schiet hij tekort in zijn verlichting zich als goed werkgever te gedragen. Dat [gedaagde partij] de scooter leaset en daardoor niet aan zijn verzekeringsplicht kan voldoen, voor zover die stelling al juist is, komt voor zijn risico. Hij kan zijn verzekeringsverplichting niet afwentelen op de leasemaatschappij en blijft daarvoor zelf verantwoordelijk.
4.10.
[gedaagde partij] is aldus ook op grond van artikel 7:611 BW aansprakelijk voor de schade van [eisende partij] . [gedaagde partij] stelt ten aanzien van de schade dat een verzekeraar niets aan [eisende partij] zou hebben uitgekeerd, omdat hij het ongeluk zelf heeft veroorzaakt, door haaientanden te negeren, te hard te rijden en geen voorrang te verlenen, waar hij dat wel had moeten doen. [gedaagde partij] verwijst daarbij naar het schadeformulier (zoals hiervoor geciteerd onder 2.3). [eisende partij] heeft weersproken dat hij harder dan de toegestane snelheid reed. Hij voert aan dat hij heeft geremd en is uitgegleden door de gladde banden. Los daarvan betwist [eisende partij] dat de schuldvraag voor de uitkering van de verzekeraar relevant is.
4.11.
Het schadeformulier biedt naar het oordeel van de kantonrechter onvoldoende onderbouwing voor de stelling dat het ongeval volledig aan [eisende partij] zelf te wijten is. Als dat al het geval zou zijn, dan geldt dat [gedaagde partij] zijn stelling dat uitkering in dat geval zou zijn uitgesloten onvoldoende heeft onderbouwd. [gedaagde partij] heeft geen (voorbeeld) polisvoorwaarden in het geding gebracht van bijvoorbeeld een opzittende verzekering waaruit een dergelijke uitsluitingsclausule uit blijkt. De kantonrechter passeert daarom zijn stelling dat de verzekeringsuitkering, en daarmee de voor vergoeding in aanmerking komende schade, in het onderhavige geval nihil zou zijn geweest.
4.12.
Het voorgaande leidt tot de conclusie dat [gedaagde partij] jegens [eisende partij] aansprakelijk is voor de schade die [eisende partij] als gevolg van het scooterongeluk lijdt of nog zal lijden en verplicht is die schade te vergoeden.
Voorschot schadevergoeding: een bedrag van € 21.746,62 wordt toegewezen
4.13.
[eisende partij] heeft een voorschot op de schadevergoeding gevorderd van € 45.746,62. Dit bedrag heeft hij onderbouwd middels overlegging van een concept schadestaat. De schadestaat vermeldt de volgende schadeposten, samengevat en anders weergegeven:
Ziekenhuiskosten conform Letselschade Richtlijn Ziekenhuis- en Revalidatiedaggeldvergoeding 2023 (hierna: Letselschade Richtlijn)
€
350,00
Kosten huishoudelijke hulp conform Letselschade Richtlijn voor de eerste 13 weken
€
666,25
Huishoudelijke hulp conform Letselschade Richtlijn voor de tweede 13 weken
€
286,00
Huishoudelijke hulp conform Letselschade Richtlijn voor de 26 weken daaropvolgend
€
286,00
Implantaten voor 4 tanden
€
8.438,37
Fysiotherapiekosten
€
180,00
Schade aan kleding
€
150,00
Parkeer- en tankkosten
€
350,00
Inkomstenverlies over 7 maanden
€
1.792,00
Persoonlijke verzorgingskosten (waaronder maaltijden en mantelzorg)
€
3.248,00
Smartengeld
€
30.000,00
Totaal
€
45.746,62 + P.M. posten
4.14.
[gedaagde partij] heeft de gestelde schade weersproken. Hij voert aan dat [eisende partij] de schade op geen enkele wijze heeft onderbouwd, met name wat betreft de smartengeldvergoeding van € 30.000,00.
4.15.
Beoordeeld moet worden of in deze procedure toewijzing van een voorschot op een uiteindelijk aan [eisende partij] toe te kennen schadevergoeding op z’n plaats is. Daarbij geldt dat de rechter op grond van artikel 6:97 BW de schade begroot op de wijze die het meest met de aard ervan in overeenstemming is. Wanneer de omvang van de schade niet nauwkeurig kan worden vastgesteld, dan wordt zij geschat.
Medische kosten: ziekenhuiskosten, implantaten, fysiotherapie en huishoudelijke hulp
4.16.
[eisende partij] heeft ter onderbouwing van zijn medische kosten diverse foto’s van het letsel overgelegd als ook verschillende medische verslagen, waaronder de ontslag brieven uit het ziekenhuis van de afdelingen Kindergeneeskunde, Intensive Care en de Traumachirurgie en de onderzoeksverslagen van de afdeling Radiologie. Ter onderbouwing van de tandartskosten heeft [eisende partij] een offerte van 8 juli 2025 van de TandProtheek overgelegd en ten aanzien van de kosten voor de fysiotherapie de declaratie van 5 juli 2024 van Tang Fysiotherapie. Daarmee heeft [eisende partij] die kosten, anders dan [gedaagde partij] aanvoert, naar het oordeel van de kantonrechter voldoende onderbouwd.
4.17.
Voor een aantal niet concreet waardeerbare medische schadeposten, zoals de ziekenhuiskosten en de kosten voor huishoudelijke hulp, heeft [eisende partij] aansluiting gezocht bij de Letselschade Richtlijn Ziekenhuis- en Revalidatiedaggeldvergoeding 2023 en berekeningen overgelegd van de gestelde schadeposten. [gedaagde partij] heeft de toepasselijkheid van de richtlijn noch de berekeningen inhoudelijk weersproken. Ook die kosten acht de kantonrechter daarmee als voldoende gesteld en onvoldoende weersproken toewijsbaar.
4.18.
De kantonrechter acht daarmee een bedrag aan € 10.206,62 (€ 350,00 + € 666,25 + € 286,00 + € 286,00 + € 8.438,37 + € 180,00) toewijsbaar.
Kledingschade, gemaakte parkeer- en tankkosten, inkomstenverlies en verzorgingskosten
4.19.
De door [eisende partij] geschatte kosten voor zijn kleding en parkeer- en tankkosten komen de kantonrechter niet onredelijk voor en zijn ook niet gemotiveerd door [gedaagde partij] weersproken. Ook de door [eisende partij] gemaakt berekeningen om het inkomstenverlies en de verzorgingskosten te bepalen heeft [gedaagde partij] niet inhoudelijk weersproken. Die schadeposten acht de kantonrechter daarmee voldoende onderbouwd, waardoor een bedrag van € 5.540,00 (€ 150,00 + € 350,00 + € 1.792,00 + € 3.248,00) toewijsbaar is.
Immateriële schade/smartengeld
4.20.
De kantonrechter overweegt dat smartengeld een naar billijkheid vast te stellen vergoeding vormt voor het niet in vermogensschade bestaande nadeel dat is geleden door een persoon die als gevolg van een gebeurtenis waarvoor een ander aansprakelijk is, (lichamelijk) letsel heeft opgelopen (artikel 6:106 BW). Bij de begroting van het smartengeld dient rekening te worden gehouden met alle omstandigheden van het geval, waaronder in het bijzonder de aard, ernst en duur van het letsel, de pijn, de intensiteit van het verdriet en de gederfde levensvreugde en de gevolgen daarvan voor betrokkene. Ook moet de rechter de aard van de aansprakelijkheid en het aan de aansprakelijke partij te maken verwijt meewegen. De kantonrechter let ook op de bedragen die door Nederlandse rechters in (enigszins) vergelijkbare gevallen zijn toegekend, daaronder begrepen de maximaal toegekende bedragen, een en ander met in aanmerkingneming van de sedert de betreffende uitspraken opgetreden geldontwaarding.
4.21.
[eisende partij] heeft in dat kader gesteld dat hij diverse vormen van lichamelijk letsel heeft opgelopen, waaronder afgebroken tanden, littekens op borst, lippen en hoofd, onderrugklachten, bovenbeen klachten, hersenschudding, en dat hij daarnaast ook mentale klachten ervaart, zoals angst in het verkeer en slaapproblemen. Ten tijde van het ongeluk was hij 16 jaar en hij heeft tien dagen in het ziekenhuis gelegen. De rest van zijn leven zal hij met de gevolgen daarvan worden geconfronteerd. [eisende partij] stelt dan ook dat gelet op die omstandigheden een vergoeding van smartengeld op z’n plaats is. De vergoeding die [eisende partij] vordert heeft hij gebaseerd en naar billijkheid ingeschat op basis van de Rotterdamse Schaal. Concreet voert hij de volgende categorieën uit de Rotterdamse Schaal aan, op basis waarvan hij stelt een smartengeld vergoeding toe te komen:
Hoofdstuk 4 Inwendig letsel, paragraaf 4.1 Borstletsel, onder (d) Minder ernstig borstletsel
€
8.500 tot 12.000
Hoofdstuk 5 Orthopedisch letsel, paragraaf 5.3 Rugletsel, onder (c) Gering rugletsel, categorie I en II
€
3.000 tot 8.500
Hoofdstuk 5 Orthopedisch letsel, paragraaf 5.4 Schouderletsel, onder (d) Gering schouderletsel, categorie I
€
3.000 tot 5.500
Hoofdstuk 9 Gezichtsletsel, paragraaf 9.1 Schedelbeschadiging, onder (e) Breuken van de kaak, categorie III
€
4.500 tot 6.000
Hoofdstuk 9 Gezichtsletsel, paragraaf 9.1 Schedelbeschadiging, onder (f) Beschadiging van tand(en), categorie II
€
6.000 tot 8.000
Hoofdstuk 9 Gezichtsletsel, paragraaf 9.2 Misvorming van het gezicht, onder (c) Middelzware littekenvorming
€
6.000 tot 21.000
Hoofdstuk 10 Littekens aan andere delen van het lichaam, onder (b) Middelzware littekenvorming
€
5.500 tot 16.000
4.22.
Tegelijkertijd heeft [eisende partij] aangevoerd dat het op dit moment nog onduidelijk is of er sprake is van een medische eindsituatie. Daarvoor dient hij eerst medische verklaringen op te vragen, die hij een opvolgende procedure voor het definitief vaststellen van de totale schade zal inbrengen. Die omstandigheid maakt dat de kantonrechter de kosten van het smartengeld terughoudend zal inschatten, nu [eisende partij] nog onvoldoende heeft onderbouwd en op dit moment nog onvoldoende duidelijk is dat aan alle omstandigheden/vereisten zoals genoemd in de categorieën van de Rotterdamse Schaal is voldaan, met dien verstande dat de kantonrechter een voorschotvergoeding vanwege het verlies aan voortanden wel toewijsbaar acht. Naar het oordeel van de kantonrechter staat immers wel voldoende vast dat [eisende partij] vier voortanden door het ongeluk verloren is. De Rotterdamse Schaal schrijft voor verlies of ernstige beschadiging van meerdere voortanden (meer dan twee) een vergoeding van € 6.000 tot € 8.000 voor, waarbij de hoogte van het bedrag afhangt van de duur van behandelingen en het veroorzaakte ongemak, zoals problemen met eten. Ten aanzien van dat laatste heeft [eisende partij] geen concrete onderbouwing gegeven. De kantonrechter zal daarom het minimale bedrag van € 6.000,00 als voorschot toewijzen.
4.23.
Ter zitting heeft [gedaagde partij] , althans zijn gemachtigde, een beroep gedaan op het toepassen van een causale verdeling met een billijkheidscorrectie, indien een voorschot wordt toegewezen. Voor zover dat verweer al tijdig is gedaan, gelet op het bepaalde in artikel 128 Rv, geldt dat [gedaagde partij] dat verweer op geen enkele wijze heeft onderbouwd, waardoor de kantonrechter dit verweer passeert.
4.24.
Het voorgaande maakt dat de kantonrechter een totaalbedrag van € 10.206,62 + € 5.540,00 + € 6.000,00 = € 21.746,62 als voorschot voor de schadevergoeding zal toewijzen.
Proceskosten
4.25.
[gedaagde partij] is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. Omdat [eisende partij] heeft geprocedeerd op basis van een toevoeging, zal [gedaagde partij] niet worden veroordeeld tot betaling van de explootkosten en betekeningskosten. De proceskosten van [eisende partij] worden begroot op:
- griffierecht
€
90,00
- salaris gemachtigde
€
576,00
(2 punten × € 288,00)
- nakosten
€
144,00
Totaal
€
810,00
5De beslissing
De kantonrechter
5.1.
verklaart voor recht dat [gedaagde partij] jegens [eisende partij] aansprakelijk is voor de door [eisende partij] geleden en nog te lijden schade als gevolg van het ongeval van 12 juni 2023 en dat [gedaagde partij] de daaruit voortvloeiende schade aan [eisende partij] dient te vergoeden,
5.2.
veroordeelt [gedaagde partij] om aan [eisende partij] te betalen een bedrag van € 21.746,62 als voorschot op de door [eisende partij] geleden schade, te voldoen binnen 5 werkdagen na betekening van dit vonnis,
5.3.
veroordeelt [gedaagde partij] in de proceskosten van € 810,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe,
5.4.
verklaart dit vonnis voor wat betreft de veroordelingen uitvoerbaar bij voorraad,
5.5.
wijst het meer of anders gevorderde af.
Dit vonnis is gewezen door mr. D. Jongsma en in het openbaar uitgesproken op 12 augustus 2026.