Neuralex RechtspraakNeuralex Rechtspraak
Inloggen staging

Rechtbank Den Haag

ECLI:NL:RBDHA:2026:27663

2026-09-23 Civiel recht C/09/703579
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen

Gegevens

Instantie
Rechtbank Den Haag
Uitspraakdatum
2026-09-23
Publicatiedatum
2026-09-22
Rechtsgebied
Civiel recht
Procedure
Eerste aanleg - enkelvoudig
Zaaknummer
C/09/703579
Type
Uitspraak
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Inhoudsindicatie

Kostenbeding in overeenkomst tussen advocaat en cliënt. Advocaat vordert betaling van facturen van zijn cliënt. Niet voldaan aan transparantievereiste. Vernietiging oneerlijk beding en afwijzing vordering.

Citeert (1)

Geciteerd door (0)

  • geen

Wetsverwijzingen

Volledige tekst

Volledige tekst (33.856 tekens)
RECHTBANK Den Haag


Civiel recht



Zaaknummer: C/09/703579 / HA ZA 26-386




Vonnis van 23 september 2026




in de zaak van





[eisende partij] handelend onder de naam [bedrijf] te [plaats] ,
eisende partij,
advocaat: mr. R.J. van de Leur,



tegen





[gedaagde partij]
te [woonplaats] ,
gedaagde partij,
advocaat: mr. R.H. Stam.



Partijen zullen hierna worden aangeduid als [eisende partij] en [gedaagde partij] .






1De procedure


1.1.
Het procesdossier bestaat uit de volgende stukken:
- de dagvaarding van 15 april 2026, met producties 1 t/m 15a;- de conclusie van antwoord in conventie, tevens houdende eis in reconventie, met producties 1 t/m 16;- de brief aan partijen waarin is meegedeeld dat een mondelinge behandeling is bepaald;
- de conclusie van antwoord in reconventie.



1.2.
Op 13 augustus 2026 heeft een mondelinge behandeling plaatsgevonden. Partijen hebben hun standpunten nader toegelicht en hebben vragen van de rechtbank beantwoord. De griffier heeft aantekeningen gemaakt van wat partijen tijdens de zitting hebben gezegd.



1.3.
Ten slotte is vonnis bepaald.






2De feiten


2.1.

[eisende partij] drijft een advocatenkantoor dat tegen betaling juridische diensten verricht voor cliënten.



2.2.
Tussen [gedaagde partij] en haar werkgever is een arbeidsrechtelijk geschil gerezen. Op 8 mei 2025 heeft [gedaagde partij] telefonisch contact met [eisende partij] opgenomen. Daarin heeft zij hem verzocht om als haar advocaat op treden. [eisende partij] heeft haar meegedeeld daartoe bereid te zijn en heeft zijn uurtarief van € 350, exclusief 8% kantoorkosten en BTW genoemd. [gedaagde partij] heeft daarmee ingestemd. [eisende partij] is vervolgens werkzaamheden voor [gedaagde partij] gaan verrichten en heeft vanaf 7 mei 2025 uren bij [gedaagde partij] (althans bij haar rechtsbijstandsverzekeraar Achmea) in rekening gebracht.



2.3.

[gedaagde partij] heeft [eisende partij] op 13 mei 2025 meegedeeld dat haar rechtsbijstandsverzekeraar ermee instemde dat zij een advocaat naar keuze zou inschakelen en de kosten daarvoor tot een bedrag van € 8.000 rechtstreeks aan de advocaat zou betalen.



2.4.
Nadat de rechtsbijstandsverzekeraar [eisende partij] op 19 mei 2025 om een plan van aanpak had gevraagd, heeft [eisende partij] de rechtsbijstandsverzekeraar (met [gedaagde partij] in de cc) het volgende gemaild:


“Mijn uurtarief is € 350,- ex BTW en 6% kantoorkosten, maar voor Achmea ben ik bereid om af te zien van de kantoorkosten. (…)




C. Hoeveel uur denkt u daarvoor nodig te hebben?

(…)
Ureninschatting is op dit moment lastig, maar voor een bemiddeling (…) schat ik gezien de complexiteit van de zaak (…) dat minimaal 20 uur nodig zijn. De ureninschatting van de totale zaak is nog lastiger, want dan is het de vraag of hierna nog een kantongerechtprocedure aanhangig wordt gemaakt en of meerdere zittingen noodzakelijke [sic] zijn, bijvoorbeeld voor getuigenverhoren. Een zeer bewerkelijke zaak kan zeker oplopen tot tussen de 50 en 80 uur. (…)




Kunt u per processtap aangeven hoeveel uur u verwacht nodig te hebben?

Let op dit is een inschatting, geheel afhankelijk van het verloop.
Minnelijke schikking: 10-20 uur, uitzoeken situatie, stukken en onderzoek voortraject van pij
UWV verweer: 20-40 uur (zonder zitting)
Kantongerechtprocedure (verzoekschriftprocedure) met verweerschrift rond de 30 uur (incl 1 zitting)
hoger beroep: (mede afhankelijk van het voorafgaande verloop) 30 uur (inclusief 1 zitting).



Het voorafgaande betreft dus slechts een inschatting bij een redelijk te verwachten verloop. Er op dit moment net zoveel kans dat minder uren nodig zijn als dat de genoemde uren worden overschreden. (…)”




2.5.
Op 22 mei 2025 stuurt de rechtsbijstandsverzekeraar een e-mail aan [eisende partij] , waarin zij het volgende meedeelt:


“U behandelt de zaak op basis van uw uurtarief van € 350,- exclusief btw.
We spraken af dat wij aan u een uurtarief betalen voor uw werkzaamheden in de zaak. Het uurtarief betalen wij vanaf 20 mei 2025. Het gaat vooralsnog om maximaal 15 uur. Als dit aantal niet voldoende is horen wij dat graag vooraf van u. Wij betalen geen kosten die niet vooraf met ons besproken zijn. Ook betalen wij geen kosten waarvoor wij vooraf geen toestemming hebben gegeven.



(…)



Kosten die het kostenmaximum overschrijden, komen voor rekening van mevrouw [gedaagde partij] .



(…)



Wij sturen verzekerde een kopie van dit bericht. Op die manier is verzekerde ook op de hoogte.”




2.6.
Op 19 augustus 2025 heeft [gedaagde partij] aan [eisende partij] via WhatsApp een bericht gestuurd, waarin onder meer het volgende is opgenomen:


“3) Cost breakdown and overview, I was quite shocked to hear that 23 hours have been incurred when 80% of my time/calls/exchanges with you has been around [naam collega 1] case, [naam collega 2] case, [naam collega 3] case, [naam collega 4] case. Let us discuss in person.”




2.7.
Op 1 september 2025 heeft [eisende partij] de rechtsbijstandsverzekeraar (met [gedaagde partij] in de cc) gemaild en meegedeeld dat hij al ruimschoots meer dan € 8.000 inclusief BTW aan de zaak van [gedaagde partij] heeft besteed. Diezelfde dag heeft hij de rechtsbijstandsverzekeraar en [gedaagde partij] een urenoverzicht gestuurd waarop is vermeld dat in de periode van 7 mei tot en met 1 september 2025 28,6 declarabele uren zijn gemaakt, voor een bedrag van in totaal € 10.010.



2.8.
Op 10 september 2025 heeft [eisende partij] een bedrag van € 8.000 inclusief BTW aan de rechtsbijstandsverzekeraar gefactureerd. Bij deze factuur was een urenoverzicht gevoegd met de gewerkte uren in de periode 7 mei 2025 tot en met 10 september 2025. Het urenoverzicht vermelde dat in deze periode 55,2 declarabele uren waren gemaakt en dat daarmee een bedrag van € 19.320 was gemoeid. De rechtsbijstandsverzekeraar heeft de factuur van € 8.000 inclusief BTW aan [eisende partij] betaald.



2.9.
Bij e-mail van 12 september 2025 heeft de rechtsbijstandsverzekeraar [gedaagde partij] geïnformeerd dat zij een rekening van [eisende partij] van € 8.000 heeft ontvangen, deze rekening zou betalen, maar dat daarmee het kostenmaximum was bereikt. De rechtsbijstandsverzekeraar heeft [gedaagde partij] erop gewezen dat zij het meerdere aan kosten zelf aan [eisende partij] zou moeten betalen.



2.10.
Op 28 november 2025 heeft [eisende partij] een factuur voor een bedrag van € 18.150 inclusief BTW aan [gedaagde partij] gestuurd. [gedaagde partij] heeft deze factuur niet betaald.



2.11.
Op 23 maart 2026 heeft [eisende partij] een factuur voor een bedrag van € 8.153,50 aan [gedaagde partij] gestuurd. Deze factuur is evenmin door [gedaagde partij] betaald.



2.12.
Na verkregen toestemming van de Deken van de Orde van Advocaten Noord-Holland en verlof van de voorzieningenrechter, heeft [eisende partij] conservatoir beslag gelegd op de woning van [gedaagde partij] en haar bankrekening.








3Het geschil



in conventie




3.1.

[eisende partij] vordert – samengevat – dat de rechtbank bij voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad verklaard vonnis:




[gedaagde partij] veroordeelt om aan [eisende partij] te betalen een bedrag van € 28.670,04 te vermeerderen met de contactuele rente, subsidiair de wettelijke rente vanaf datum dagvaarding tot aan de dag der algehele voldoening;



[gedaagde partij] te veroordelen in de beslag- en proceskosten, te vermeerderen met wettelijke rente.





3.2.

[eisende partij] legt aan zijn vordering ten grondslag dat [gedaagde partij] toerekenbaar tekort is geschoten in haar betalingsverplichting op grond van de tussen partijen gesloten opdrachtovereenkomst. Hij vordert nakoming van die betalingsverplichting.



3.3.

[gedaagde partij] voert verweer. Zij concludeert tot niet-ontvankelijkheid van [eisende partij] , dan wel tot afwijzing van zijn vorderingen, met uitvoerbaar bij voorraad te verklaren veroordeling van [eisende partij] in de kosten van deze procedure, te vermeerderen met wettelijke rente.



3.4.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.



in reconventie





3.5.

[gedaagde partij] vordert – samengevat – dat de rechtbank voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad verklaard vonnis:




[eisende partij] veroordeelt om alle door hem ten laste van [gedaagde partij] gelegde beslagen binnen twee dagen na betekening van het vonnis op te heffen onder het doen van mededeling daarvan aan [gedaagde partij] , althans een voorlopige voorziening te treffen, zoveel mogelijk in lijn met de hiervoor gevorderde voorziening;



[eisende partij] veroordeelt in de beslag- en proceskosten, te vermeerderen met wettelijke rente.





3.6.

[gedaagde partij] legt aan haar vordering ten grondslag dat er geen grondslag (meer) bestaat voor de door [eisende partij] gelegde beslagen. Zij voert voorts aan dat er nooit enig (rechtsgeldig) beslag had mogen worden gelegd, omdat de rechtbank geen titel heeft verleend voor beslag ten laste van haar.



3.7.

[eisende partij] voert verweer en concludeert tot afwijzing van de vorderingen, met uitvoerbaar bij voorraad te verklaren veroordeling van [eisende partij] in de kosten van deze procedure, te vermeerderen met de wettelijke rente.



3.8.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.







4De beoordeling



in conventie





Geen schending van artikel 21 Rv




4.1.

[gedaagde partij] heeft als meest verstrekkende verweer aangevoerd dat de vordering van [eisende partij] moet worden afgewezen, omdat [eisende partij] niet heeft voldaan aan zijn verplichting de voor de beslissing van belang zijnde feiten volledig en naar waarheid aan te voeren. Hij zou ten onrechte de door [gedaagde partij] als producties 6 en 7 overgelegde berichten niet in het geding hebben gebracht.



4.2.
De rechtbank verwerpt dit beroep op schending van de in artikel 21 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) opgenomen waarheidsplicht. De rechtbank kan niet vaststellen dat [eisende partij] bewust een onjuist of onvolledig beeld heeft geschetst met de door hem bij dagvaarding verstrekte informatie of door het niet overleggen van de in producties 6 en 7 opgenomen berichten.



Het kostenbeding





4.3.

[gedaagde partij] heeft bij het aangaan van de opdrachtovereenkomst met [eisende partij] gehandeld als consument. Op grond van artikel 4 lid 2 van de Richtlijn 93/13/EEG betreffende oneerlijke bedingen in consumentenovereenkomsten (hierna: de richtlijn), in verbinding met artikel 6:231 van het Burgerlijk Wetboek (BW), dienen zogeheten ‘kernbedingen’ waarover niet afzonderlijk is onderhandeld (zo nodig ambtshalve) op oneerlijkheid te worden getoetst, indien deze niet duidelijk en begrijpelijk zijn geformuleerd. Het kostenbeding dat de afspraken bevat over de door de consument te betalen kosten is een kernbeding waarover in dit geval niet afzonderlijk is onderhandeld. Om te bepalen of dit beding op oneerlijkheid moet worden getoetst, moet daarom eerst beoordeeld worden of het kostenbeding duidelijk en begrijpelijk is geformuleerd.



4.4.
Een kostenbeding kan inhouden dat de kosten voor de geleverde (juridische) diensten aan de consument worden berekend aan de hand van een uurtarief, dat wordt vermenigvuldigd met het aantal uren dat door de dienstverlener aan de zaak is besteed. Het Europees Hof heeft in 2023 geoordeeld dat een dergelijk kostenbeding niet voldoet aan het vereiste dat bedingen duidelijk en begrijpelijk zijn geformuleerd in de zin van de richtlijn, indien de consument vóórdat de overeenkomst wordt gesloten geen informatie ontvangt die hem in staat stelt om met de nodige voorzichtigheid en met volledige kennis van de economische consequenties die het sluiten van deze overeenkomst met zich brengt zijn beslissing te nemen. Wanneer de advocaat geen andere informatie verschaft aan zijn cliënt dan het te betalen uurtarief, stelt dat volgens het Europees Hof een gemiddelde, normaal geïnformeerde en redelijk omzichtige en oplettende consument niet in staat om alle financiële consequenties in te schatten die voor hem uit het kostenbeding voortvloeien. Dat de uiteindelijke totale kosten afhangen van onvoorzienbare toekomstige gebeurtenissen, neemt ook niet weg dat de advocaat de consument in staat moet stellen om met de nodige voorzichtigheid zijn beslissing te nemen, met volledige kennis van enerzijds de mogelijkheid dat dergelijke gebeurtenissen zich voordoen en anderzijds de gevolgen die deze kunnen hebben voor de duur van de desbetreffende juridische diensten. Concreet betekent het voorgaande dat [eisende partij] vóórafgaand aan de overeenkomst aan [gedaagde partij] informatie moet verstrekken die voldoende aanwijzingen bevat die haar in staat stellen bij benadering de totale kosten van de diensten te ramen. Daarbij kan gedacht worden aan het verstrekken van een raming van de voorzienbare of het minimale aantal uren dat nodig is om de dienst te verlenen, of een verbintenis om met redelijke tussenpozen tussentijdse facturen of verslagen te bezorgen waarin het aantal reeds verrichte werkuren wordt vermeld. Het is aan de rechtbank om in dit concrete geval, rekening houdend met alle relevante gegevens rond de sluiting van de overeenkomst, te beoordelen of de informatie die [eisende partij] vóór de sluiting van de overeenkomst heeft meegedeeld, [gedaagde partij] in staat heeft gesteld om met de nodige voorzichtigheid en met volledige kennis van de financiële consequenties van het sluiten van de overeenkomst haar beslissing te nemen.



Niet voldaan aan transparantievereiste





4.5.

De rechtbank is van oordeel dat het tussen [eisende partij] en [gedaagde partij] overeengekomen kostenbeding, gelet op het hiervoor geschetste kader, niet duidelijk en begrijpelijk is geformuleerd. De rechtbank stelt vast dat partijen op 8 mei 2025 telefonisch een opdrachtovereenkomst zijn aangegaan, dat [eisende partij] daarin zijn uurtarief heeft genoemd en dat [gedaagde partij] daarmee akkoord is gegaan. Tijdens de mondelinge behandeling heeft [eisende partij] gezegd dat hij [gedaagde partij] tijdens dat telefoongesprek een grove inschatting heeft gegeven van het aantal uren dat hij aan de zaak verwachte te besteden. [gedaagde partij] heeft betwist dat [eisende partij] tijdens dit telefoongesprek een dergelijke mededeling heeft gedaan. De rechtbank gaat voorbij aan deze eerst bij de mondelinge behandeling ingenomen stelling van [eisende partij] , aangezien deze stelling niet is onderbouwd en ook de overige informatie die door partijen in het geding is gebracht geen aanknopingspunten bevat dat toen tijdens het telefoongesprek een inschatting van de kosten is gegeven. Dit blijkt ook niet uit de door [eisende partij] overlegde opdrachtbevestiging gedateerd 9 mei 2025, waarvan [gedaagde partij] overigens heeft betwist dat zij deze heeft ontvangen. Deze opdrachtbevestiging bevat geen kostenraming of een aanknopingspunt waaruit kan worden afgeleid dat [eisende partij] zo’n kostenraming (telefonisch) met [eisende partij] heeft besproken. De kostenraming die [eisende partij] op verzoek van de rechtsbijstandsverzekeraar op 19 mei 2025 aan de rechtsbijstandsverzekeraar en in cc aan [gedaagde partij] stuurde, dient bij de beoordeling van het kostenbeding buiten beschouwing te blijven. Deze kostenraming is immers niet voorafgaand aan het sluiten van de opdrachtovereenkomst aan [gedaagde partij] verstrekt. Op 19 mei 2025 had [eisende partij] bovendien al de nodige uren aan de zaak van [gedaagde partij] besteed.
Op basis van slechts het uurtarief en de wetenschap dat op uurbasis wordt gefactureerd, is het voor [gedaagde partij] niet mogelijk geweest om met de nodige voorzichtigheid en met volledige kennis van de financiële consequenties van de overeenkomst haar beslissing te nemen.




Oneerlijk beding





4.6.
Aangezien het kostenbeding niet duidelijk en begrijpelijk is geformuleerd, dient het beding te worden getoetst op mogelijke oneerlijkheid. Op grond van artikel 3 lid 1 van de richtlijn is een beding oneerlijk indien het, in strijd met de goede trouw, het evenwicht tussen de uit de overeenkomst voortvloeiende rechten en verplichtingen van de partijen ten nadele van de consument aanzienlijk verstoort. In artikel 6:233 BW wordt in dit kader ook wel gesproken van een beding dat ‘onredelijk bezwarend’ is. Dat het kostenbeding niet duidelijk en begrijpelijk is geformuleerd, leidt niet zonder meer tot de conclusie dat het beding ook oneerlijk is. Het onderzoek naar het mogelijk oneerlijke karakter van een beding dient in beginsel namelijk te berusten op een algehele beoordeling van het beding in het licht van alle omstandigheden van het geval. De onduidelijkheid van het kostenbeding is daarbij wel een van de factoren die in aanmerking moet worden genomen.



4.7.
Naar het oordeel van de rechtbank is het tussen [eisende partij] en [gedaagde partij] overeengekomen kostenbeding, in het licht van alle omstandigheden van het geval, oneerlijk. Zij motiveert dit als volgt.



4.8.

[eisende partij] is op grond van artikel 17 lid 1 van de Gedragsregels advocatuur van de Nederlandse Orde van Advocaten verplicht om [gedaagde partij] een in redelijkheid te vormen inschatting te geven van de te verwachten tijdsbesteding en de totale kosten. [eisende partij] heeft in dit geval nagelaten om voorafgaand aan de overeenkomst een dergelijke inschatting aan [gedaagde partij] te geven. Daar was in deze zaak temeer aanleiding voor, aangezien het verloop van het geschil tussen [gedaagde partij] en haar werkgever onvoorspelbaar en mogelijk arbeidsintensief was, doordat zowel een procedure bij het UWV als bij de kantonrechter voorzienbaar was, naast de werkzaamheden gericht op het bereiken van de gewenste minnelijke regeling. Voorts weegt mee dat [eisende partij] een voor een consument fors uurtarief van € 350 exclusief BTW bij [gedaagde partij] in rekening bracht, waardoor de kosten des te sneller zouden oplopen.



4.9.
Daar komt bij dat de rechtbank niet kan vaststellen dat [eisende partij] voorafgaand aan het sluiten van de opdrachtovereenkomst met [gedaagde partij] afspraken heeft gemaakt over het tussentijds factureren voor verrichtte werkzaamheden of het informeren van [gedaagde partij] over de kosten van de werkzaamheden. [eisende partij] heeft [gedaagde partij] na de start van de werkzaamheden voorts onvoldoende op de hoogte gehouden van de kostenontwikkeling. Het eerste overzicht van gewerkte uren dat [eisende partij] aan de rechtsbijstandsverzekeraar en [gedaagde partij] heeft gestuurd, dateert van 1 september 2025, derhalve vier maanden na aanvang van de werkzaamheden. Op dat moment had [eisende partij] al 28,6 declarabele uren aan de zaak besteed ten bedrage van € 10.010. Het met de rechtsbijstandsverzekeraar afgesproken kostenmaximum van € 8.000 was daarmee ruimschoots overschreden. Gesteld noch gebleken is dat [eisende partij] tijdig heeft gewaarschuwd dat het bedrag van € 8.000 in zicht kwam of werd overschreden. Dat had wel van hem mogen worden verwacht, aangezien de kosten boven dat bedrag niet langer door de rechtsbijstandsverzekeraar van [gedaagde partij] werden gedragen, maar voor rekening van [gedaagde partij] zelf zouden komen. Toen [eisende partij] op 10 september 2025 een factuur van € 8.000 aan de rechtsbijstandsverzekeraar stuurde, had [eisende partij] blijkens het bij de factuur gevoegde urenoverzicht 55,2 declarabele uren aan de zaak besteed, waarmee een bedrag van € 19.320 was gemoeid. [eisende partij] heeft aangevoerd dat hij [gedaagde partij] tussentijds mondeling op de hoogte heeft gehouden van het aantal uren dat hij aan de zaak had besteed. [gedaagde partij] heeft betwist dat dit is gebeurd. De rechtbank laat de juistheid van deze stelling van [eisende partij] in het midden. Van [eisende partij] mocht namelijk worden verwacht dat hij [gedaagde partij] hierover schriftelijk en voldoende duidelijk – bijvoorbeeld met een concreet overzicht van tot dan toe gemaakte kosten – informeerde. Bovendien mocht van [eisende partij] worden verwacht dat hij met [gedaagde partij] in overleg was gegaan en haar een inschatting had gegeven hoeveel kosten hij nog verwachte te maken toen het met de rechtsbijstandsverzekeraar overeengekomen kostenmaximum van € 8.000 was bereikt. Deze verdere kosten zouden immers door [gedaagde partij] moeten worden gedragen.



4.10.
Door het uitblijven van een voorafgaande kosteninschatting en adequate tussentijdse informatieverstrekking over het oplopen van de kosten, hebben de kosten voor [gedaagde partij] kunnen oplopen tot € 34.303,50, waarvan € 8.000 voor rekening van de rechtsbijstandsverzekeraar is gekomen. Het evenwicht tussen partijen is niet hersteld doordat [gedaagde partij] in september 2025 op de hoogte is geraakt van de kostenontwikkeling. Gesteld noch gebleken is dat [eisende partij] toen een inschatting heeft gemaakt tot hoe ver de kosten naar schatting nog verder zouden oplopen als [gedaagde partij] de opdracht zou voortzetten. Bovendien heeft [gedaagde partij] aangevoerd dat de zitting bij de kantonrechter op dat moment op korte termijn zou plaatsvinden en zij in die omstandigheden dacht geen andere advocaat meer te kunnen vinden. Door het gebrek aan transparantie rondom de in rekening te brengen kosten, het snel stijgende karakter van deze kosten en de gebrekkige tussentijdse informatievoorziening over het oplopen van deze kosten, is door [eisende partij] het vereiste van goede trouw onvoldoende nageleefd en is het evenwicht in de overeenkomst ten nadele van [gedaagde partij] verstoord. Daardoor heeft [gedaagde partij] niet met de nodige voorzichtigheid en voldoende geïnformeerd een keuze kunnen maken over de (financiële consequenties van) het inschakelen van [eisende partij] en over de verdere voortzetting van de dienstverlening door [eisende partij] .



Vernietiging kostenbeding





4.11.
Het gevolg van de oneerlijkheid van het kostenbeding is dat dit moet worden vernietigd en dat [gedaagde partij] in de situatie moet worden gebracht waarin zij zich zou hebben bevonden als het kostenbeding nooit was overeengekomen. De rechtbank mag in beginsel ook geen bepalingen van aanvullend recht in de plaats van het vernietigde kostenbeding stellen, zelfs als de consequentie daarvan is dat [eisende partij] (op de door de rechtsbijstandsverzekeraar aan [eisende partij] betaalde € 8.000 na) niets voor zijn diensten betaald krijgt. Dat is slechts anders indien vernietiging van het kostenbeding tot gevolg zou hebben dat de overeenkomst tussen [gedaagde partij] en [eisende partij] in zijn geheel komt te vervallen en [gedaagde partij] daarvan uiterst nadelige consequenties zou ondervinden. In dat geval kan de rechtbank bij wijze van uitzondering het vernietigde kostenbeding vervangen door een bepaling van aanvullend recht. In dit geval ondervindt [gedaagde partij] geen uiterst nadelige consequenties van de vernietiging van het kostenbeding, omdat de juridische diensten inmiddels al door [eisende partij] zijn verleend en de opdracht tot een einde is gekomen. Het oneerlijke kostenbeding moet daarom geacht worden nooit te zijn overeengekomen en het beding mag niet worden vervangen door een bepaling van aanvullend recht. [gedaagde partij] is dan ook niet gehouden aan de uit het kostenbeding voortvloeiende betalingsverplichting en kan ook niet op basis van aanvullend recht tot betaling worden verplicht. De slotsom is dat de rechtsbijstandsverzekeraar van [eisende partij] € 8.000 heeft betaald voor de door [eisende partij] aan [gedaagde partij] verrichte diensten, maar dat [gedaagde partij] de kosten die [eisende partij] boven dit bedrag heeft gefactureerd niet hoeft te betalen. De vordering van [eisende partij] wordt daarom volledig afgewezen.



Proceskosten





4.12.

[eisende partij] is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van [gedaagde partij] worden begroot op:









- griffierecht


€


1.414







- salaris advocaat


€


1.672


(2 punten × € 836)




- nakosten


€


189


(plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing)




Totaal


€


3.275











4.13.
De gevorderde wettelijke rente over de proceskosten wordt toegewezen zoals vermeld in de beslissing.



in reconventie





Geen opheffing beslag





4.14.
De door [gedaagde partij] gevorderde opheffing van de gelegde beslagen zal worden afgewezen. Opheffing van beslag kan op grond van artikel 705 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (hierna: Rv) worden uitgesproken bij verzuim van op straffe van nietigheid voorgeschreven vormen, indien summierlijk van de ondeugdelijkheid van het door de beslaglegger ingeroepen recht of van het onnodige van het beslag blijkt of indien voor een gestelde geldvordering voldoende zekerheid wordt gesteld.



4.15.

[gedaagde partij] heeft aangevoerd dat aan [eisende partij] blijkens de grosse van de beslagbeschikking geen titel voor het leggen van beslag is verleend. Tijdens de mondelinge behandeling heeft [gedaagde partij] toegelicht dat de voorzieningenrechter verlof heeft verleend voor beslag wegens een vordering van [eisende partij] op “de heer en mevrouw [naam] ”. De rechtbank heeft met [gedaagde partij] geconstateerd dat in de beslissing op [eisende partij] `s verzoek tot het leggen van beslag onder [gedaagde partij] inderdaad ten onrechte een onjuiste naam is vermeld. In het verzoekschrift is evenwel opgenomen dat het verzoek zich richt tegen [gedaagde partij] en in het verzoekschrift wordt ook consequent gesproken over een vordering van [eisende partij] op [gedaagde partij] , waarvoor [eisende partij] beslag ten laste van [gedaagde partij] wilde leggen. De vermelding van een onjuiste naam in de beslissing op het beslagverzoek moet dan ook worden aangemerkt als een kennelijk verschrijving van de voorzieningenrechter. Van verzuim van op straffe van nietigheid voorgeschreven vormen als bedoeld in artikel 705 Rv is geen sprake en deze verschrijving vormt ook anderszins geen aanleiding tot opheffing van het beslag.



4.16.
Hoewel de rechtbank de vordering van [eisende partij] zal afwijzen, is geen sprake van een vordering die summierlijk ondeugdelijk is. [gedaagde partij] heeft onvoldoende feiten en omstandigheden aangedragen waaruit kan worden afgeleid dat het beslag onnodig is. Gesteld noch gebleken is dat er voor [eisende partij] afgezien van het beslag zekerheid voor verhaal is of dat door [gedaagde partij] zekerheid is gesteld. Hiervoor is het [gedaagde partij] `s beroep op schending van artikel 21 Rv reeds afgewezen, waardoor deze vermeende schending geen reden is voor opheffing van het beslag. Tot slot geldt dat in het kader van de belangenafweging die de rechtbank moet maken bij een opheffingsvordering als de onderhavige, de enkele afwijzing van de vordering – gelet op de mogelijkheid van hoger beroep van [eisende partij] – (nog) niet leidt tot toewijzing van de opheffingsvordering, temeer daar [gedaagde partij] geen belangen heeft aangevoerd die zwaarder wegen dan het belang van [eisende partij] bij handhaving van het beslag.



Proceskosten





4.17.

[gedaagde partij] is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) van [eisende partij] betalen. De proceskosten van [eisende partij] worden begroot op € 836 (1 punt x € 836) voor salaris advocaat en € 189 (plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing) voor nakosten. Dat komt in totaal neer op € 1.025.



4.18.
De gevorderde wettelijke rente over de proceskosten wordt toegewezen zoals vermeld in de beslissing.






5De beslissing


De rechtbank:




in conventie




5.1.
wijst de vorderingen van [eisende partij] af,



5.2.
veroordeelt [eisende partij] in de proceskosten van [gedaagde partij] van € 3.275, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met € 98 plus de kosten van betekening als [eisende partij] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,



5.3.
veroordeelt [eisende partij] tot betaling van de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn betaald,



5.4.
verklaart de onder 5.2 en 5.3 opgenomen veroordelingen uitvoerbaar bij voorraad;



in reconventie





5.5.
wijst de vorderingen van [gedaagde partij] af,



5.6.
veroordeelt [gedaagde partij] in de proceskosten van [eisende partij] van € 1.025, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met € 98 plus de kosten van betekening als [gedaagde partij] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,



5.7.
veroordeelt [gedaagde partij] tot betaling van de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn betaald,





5.8.
verklaart de onder 5.6 en 5.7 opgenomen veroordelingen uitvoerbaar bij voorraad.









Dit vonnis is gewezen door mr. A.M. Boogers en in het openbaar uitgesproken op 23 september 2026.
















































Hof van Justitie van de Europese Unie 12 januari 2023, ECLI:EU:C:2023:14 (Honoraires d’avocat – Principe du tarif honoraire).


Zie ro. 40 tot en met 45 van het arrest.


Zie ro. 46 tot en met 52 van het arrest.


Zie ro. 53 tot en met 68 van het arrest.