Neuralex RechtspraakNeuralex Rechtspraak
Inloggen staging

Rechtbank Den Haag

ECLI:NL:RBDHA:2026:27553

2026-08-25 Bestuursrecht; Omgevingsrecht SGR 25/5756
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen

Gegevens

Instantie
Rechtbank Den Haag
Uitspraakdatum
2026-08-25
Publicatiedatum
2026-09-21
Rechtsgebied
Bestuursrecht; Omgevingsrecht
Procedure
Eerste aanleg - enkelvoudig
Zaaknummer
SGR 25/5756
Type
Uitspraak
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Inhoudsindicatie

Beroep gegrond. De bestuurlijke boete en het strafvonnis zien op dezelfde gedraging, zowel in feitelijke als in juridische zin. Omdat de kinderrechter ten tijde van het nemen van het bestreden besluit reeds een strafrechtelijk oordeel had gegeven over deze overtreding, had het college de bestuurlijke boete moeten herroepen.

Citeert (3)

Geciteerd door (0)

  • geen

Wetsverwijzingen

Volledige tekst

Volledige tekst (22.138 tekens)
RECHTBANK DEN HAAG


Bestuursrecht



zaaknummer: SGR 25/5756


uitspraak van de enkelvoudige kamer van 25 augustus 2026 in de zaak tussen

[eiser], uit [woonplaats], eiser
(gemachtigde: mr. M.I. Bal),


en


het college van burgemeester en wethouders van Den Haag, het college
(gemachtigde: [gemachtigde]).


Samenvatting


1. Deze uitspraak gaat over een aan eiser opgelegde bestuurlijke boete voor het opslaan van illegaal vuurwerk in de kelderbox van zijn woning. Eiser is het hier niet mee eens. Hij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de bestuurlijke boete.



1.1.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat eiser in strijd met de wetgeving dubbel is bestraft, omdat eiser voor hetzelfde feit al strafrechtelijk is veroordeeld. Het college had de bestuurlijke boete daarom in het bestreden besluit moeten herroepen. Eiser krijgt dus gelijk en het beroep is dus gegrond. Dit betekent dat eiser geen bestuurlijke boete hoeft te betalen. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.




Procesverloop


2. Met het besluit van 9 januari 2025 (het primaire besluit) heeft het college aan eiser een bestuurlijke boete van € 8.000,- opgelegd voor het opslaan van illegaal vuurwerk in de kelderbox van de woning aan [adres] in [plaats].



2.1.
Met het besluit van 7 augustus 2025 (het bestreden besluit) op het bezwaar van eiser heeft het college het primaire besluit gedeeltelijk herroepen door het boetebedrag te matigen en een betalingsregeling aan te bieden. Voor het overige is het primaire besluit in stand gelaten.



2.2.
Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.



2.3.
Het college heeft gereageerd met een verweerschrift.



2.4.
De rechtbank heeft het beroep op 22 mei 2026 op zitting behandeld. Eiser en het college hebben zich laten vertegenwoordigen door hun gemachtigden.




Beoordeling door de rechtbank



Totstandkoming van het bestreden besluit




3. Eiser is op 1 november 2024 door de politie Den Haag aangehouden vanwege het bezit van drie kilogram illegaal vuurwerk. Naar aanleiding van de aanhouding heeft de politie diezelfde dag een controle uitgevoerd in de woning van eiser aan [adres] in [plaats]. Tijdens deze controle is zeven kilogram illegaal vuurwerk aangetroffen in de kelderbox.


3.1.
Met het primaire besluit heeft het college aan eiser een bestuurlijke boete van € 8.000,- opgelegd voor het in strijd met artikel 6.4 van het Besluit bouwwerken leefomgeving (Bbl) opslaan van illegaal vuurwerk in de kelderbox van de woning.



3.2.
Met het mondeling vonnis van 28 april 2025 heeft de kinderrechter eiser veroordeeld tot een taakstraf van 70 uur in verband met een overtreding van een voorschrift gesteld krachtens artikel 9.2.2.1 van de Wet milieubeheer (artikel 1.2.2 van het Vuurwerkbesluit), gepleegd op 1 november 2024.



3.3.
Op 16 juni 2025 heeft EDR een draagkrachtberekening uitgevoerd naar de financiële situatie van het gezin van eiser. De financiële positie van het gezin van eiser wordt daarin als zwak tot matig ingeschat, gezien de vele toeslagen die het gezin ontvangt.


3.4.
Gelet op de draagkrachtberekening heeft het college met het bestreden besluit het primaire besluit gedeeltelijk herroepen. Het college heeft het boetebedrag gematigd tot € 4.000,- en eiser de mogelijkheid geboden een betalingsregeling te treffen van € 50,- per maand. Voor het overige is het primaire besluit in stand gelaten.



Juridisch kader



4. De voor de beoordeling van deze zaak belangrijke wet- en regelgeving is opgenomen in de bijlage die deel uitmaakt van deze uitspraak.



Is sprake van dubbele bestraffing?





Standpunten van partijen


5. Eiser betoogt dat met de bestuurlijke boete sprake is van dubbele bestraffing, omdat hij reeds strafrechtelijk veroordeeld is.



5.1.
Het college stelt zich op het standpunt dat de strafrechtelijke en bestuursrechtelijke gedragingen niet dusdanig overeenkomen dat sprake is van dubbele bestraffing. Daartoe voert het college aan dat sprake is van verschillende normstellingen, met verschillende strafmaxima, die verschillende doelen beschermen. Daarnaast meent het college dat kan niet worden aangenomen dat het vonnis van de kinderrechter ziet op een strafrechtelijke veroordeling wegens het opslaan van vuurwerk in de woning, omdat artikel 1.2.2 van het Vuurwerkbesluit verschillende leden kent, die verschillende gedragingen verbieden.





Het ne bis in idem- en una via-beginsel




5.2.
Artikel 5:43 van de Awb codificeert het ne bis in idem-beginsel voor bestuurlijke boeten. Dit beginsel houdt in dat een overtreder niet tweemaal mag worden bestraft voor dezelfde overtreding. Artikel 5:44 van de Awb ziet op de verhouding tussen bestuurlijke boeten en strafrechtelijke sancties. Op grond van artikel 5:44, eerste lid, van de Awb kan een bestuursorgaan geen bestuurlijke boete opleggen indien tegen de overtreder wegens dezelfde gedraging een strafvervolging is ingesteld en het onderzoek ter terechtzitting is begonnen of een strafbeschikking is uitgevaardigd. Dit wordt het una via-beginsel genoemd.


5.3.
Binnen het strafrecht is het ne bis in idem-beginsel opgenomen in artikel 68 van het Wetboek van Strafrecht (Sr). De vaste rechtspraak van de Hoge Raad over artikel 68 Sr is van overeenkomstige toepassing op de uitleg van artikel 5:44 van de Awb. Bij de toetsing of sprake is van hetzelfde feit, of dezelfde gedraging in het bestuursrecht, vormt in de eerste plaats de juridische aard van de feiten een relevante vergelijkingsfactor. In dit kader wordt gekeken naar de rechtsgoederen ter bescherming waarvan de onderscheidene delictsomschrijvingen strekken en de strafmaxima die op de onderscheiden feiten zijn gesteld. Daarnaast is van belang of de gedragingen van de overtreder feitelijk nauw samenhangen, zowel wat betreft de aard en de kennelijke strekking van de gedragingen als wat betreft de tijd waarop, de plaats waar en de omstandigheden waaronder zij zijn verricht.


5.4.
De rechtbank dient in deze zaak dus de vraag te beantwoorden of de gedraging die ten grondslag ligt aan de strafvervolging dezelfde is als de gedraging waarvoor de bestuurlijke boete is opgelegd, zowel in feitelijke als in juridische zin.



Is sprake van dezelfde feitelijke gedraging?




5.5.
Het college heeft aan eiser een bestuurlijke boete opgelegd wegens het opslaan van illegaal vuurwerk in de kelderbox van zijn woning, hetgeen een overtreding is van artikel 6.4 van het Bbl. Uit de aantekening mondeling vonnis van de kinderrechter blijkt dat eiser is veroordeeld wegens een overtreding van artikel 1.2.2 van het Vuurwerkbesluit. Voor zover het college zich op het standpunt stelt dat uit dit vonnis niet kan worden afgeleid dat de strafrechtelijke veroordeling betrekking heeft op het opslaan van illegaal vuurwerk in de kelderbox van de woning, volgt de rechtbank dit standpunt niet. Uit de aantekening mondeling vonnis blijkt dat de veroordeling ziet op een feit gepleegd op 1 november 2024. Tussen partijen staat niet ter discussie dat aan dit vonnis en de bestuurlijke boete dezelfde politierapportage van 4 december 2024 ten grondslag ligt. In deze rapportage is beschreven dat op 1 november 2024 is geconstateerd dat eiser zeven kilogram illegaal vuurwerk had opgeslagen in de kelderbox van zijn woning. In de rapportage is ook expliciet gewezen op de verboden in artikel 1.2.2, eerste en derde lid, van het Vuurwerkbesluit om professioneel vuurwerk op te slaan respectievelijk als een ander dan een persoon met gespecialiseerde kennis van professioneel vuurwerk voorhanden te hebben. De rechtbank heeft daarom geen aanleiding om te veronderstellen dat de tenlastelegging en bewezenverklaring in de strafrechtelijke procedure geen betrekking hadden op het opslaan of voorhanden hebben van professioneel vuurwerk in de kelderbox van de woning van eiser op die datum. Gelet hierop is de rechtbank van oordeel dat de strafrechtelijke veroordeling en de opgelegde bestuurlijke boete betrekking hebben op dezelfde feitelijke gedraging.



5.6.
Nu vaststaat dat de bestuurlijke boete en het strafrechtelijk vonnis betrekking hebben op dezelfde feitelijke gedraging, ziet de rechtbank zich voor de vraag gesteld of ook in juridische zin sprake is van dezelfde gedraging. Voor de beantwoording van deze vraag zal de rechtbank, onder verwijzing naar de rechtspraak van de Hoge Raad en de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State zoals weergegeven onder 5.3, beoordelen of de overtreden wettelijke voorschriften dezelfde rechtsgoederen beogen te beschermen en of daaraan dezelfde strafmaxima zijn verbonden.



Is sprake van dezelfde beschermde rechtsgoederen?




5.7.
De bestuurlijke boete ziet op een overtreding van artikel 6.4 van het Bbl. Dit artikel bevat een specifieke zorgplicht voor het brandveilig gebruik van bouwwerken. In de nota van toelichting bij het Bbl is opgemerkt dat vóór de inwerkingtreding van de Omgevingswet (Ow) vergelijkbare zorgplichten waren opgenomen in onder meer artikel 1a, tweede lid, van de Woningwet en de artikelen 1.16, eerste lid, 7.10 en 7.16 van het Bouwbesluit 2012. Deze zorgplichten waren gericht op de bescherming van de omgeving en de gezondheid van personen. Zo volgt uit de toelichting bij artikel 1.16, eerste lid, van het Bouwbesluit 2012 dat deze zorgplicht de gezondheid en veiligheid beoogde te beschermen. Ook uit de bewoording van artikel 1a, eerste lid, van de Woningwet volgt dat deze zorgplicht strekte tot de bescherming van de gezondheid en veiligheid van personen en de omgeving. Gelet op de nota van toelichting bij het Bbl gaat de rechtbank ervan uit dat artikel 6.4 van het Bbl dezelfde belangen beoogt te beschermen.



5.8.
De strafrechtelijke veroordeling ziet op een overtreding van een voorschrift gesteld krachtens artikel 9.2.2.1 van de Wet milieubeheer, namelijk artikel 1.2.2 van het Vuurwerkbesluit. Uit de nota van toelichting bij het Vuurwerkbesluit volgt dat dit besluit tot doel heeft betere waarborgen te scheppen voor de bescherming van mens en milieu tegen de mogelijke effecten die het opslaan, bewerken en afsteken van vuurwerk kunnen veroorzaken. Ook uit de tekst van artikel 9.2.2.1 van de Wet milieubeheer blijkt dat deze regels tot doel hebben ongewenste effecten voor de gezondheid van de mens of voor het milieu te voorkomen of te beperken.



5.9.
Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat de rechtsgoederen die artikel 6.4 van het Bbl en artikel 1.2.2 van het Vuurwerkbesluit beogen te beschermen, in belangrijke mate overeenkomen. Beide bepalingen beogen immers de gezondheid en veiligheid van personen en de omgeving te beschermen tegen brandgevaar.



Is sprake van dezelfde strafmaxima?




5.10.
Op grond van artikel 4.3, eerste lid, aanhef en onder a, van de Ow kunnen bij algemene maatregel van bestuur regels worden gesteld over onder meer het gebruik en in stand houden van bouwwerken. Artikel 6.4 van het Bbl, waar de bestuurlijke boete op ziet, bevat dergelijke regels. Op grond van artikel 18.12, eerste en derde lid, van de Ow kan het college bij een overtreding van deze regels, die een bedreiging van de leefbaarheid of een gevaar voor de gezondheid of veiligheid veroorzaakt, een bestuurlijke boete opleggen tot ten hoogste het bedrag dat is vastgesteld voor de vierde categorie, als bedoeld in artikel 23, vierde lid, van het Wetboek van Strafrecht,



5.11.
Een overtreding van een voorschrift bij of krachtens artikel 9.2.2.1 van de Wet milieubeheer is in artikel 1a, onder 1°, van de Wet op de economische delicten (WED) aangemerkt als een economisch delict. Op grond van artikel 6, eerste lid, onder 4°, van de WED wordt degene die een dergelijk economisch delict begaat en waarbij sprake is van een overtreding, gestraft met een gevangenisstraf van ten hoogste een jaar, een taakstraf of een geldboete van de vierde categorie.



5.12.
Uit het voorgaande volgt dat zowel de bestuurlijke boete die op grond van artikel 18.12, eerste en derde lid, van de Ow kan worden opgelegd als de geldboete die op grond van artikel 6, eerste lid, onder 4°, van de WED kan worden opgelegd, ten hoogste het bedrag dat is vastgesteld voor de vierde categorie kan bedragen. De wettelijke maxima voor de op te leggen geldboetes zijn dus gelijk.



Conclusie




5.13.
Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen, is de rechtbank van oordeel dat de bestuurlijke boete en het strafvonnis zien op dezelfde gedraging, zowel in feitelijke als in juridische zin. Er is dan ook sprake van dezelfde gedraging als bedoeld in artikel 5:44, eerste lid, van de Awb. Omdat de kinderrechter ten tijde van het nemen van het bestreden besluit reeds een strafrechtelijk oordeel had gegeven over deze overtreding, had het college de bestuurlijke boete op grond van artikel 5:44, eerste lid, van de Awb moeten herroepen. Het betoog van eiser slaagt. De overige beroepsgronden van eiser behoeven daarom geen bespreking.




Conclusie en gevolgen


6. Het beroep is gegrond, omdat het college de bestuurlijke boete in het bestreden besluit in strijd met artikel 5:44, eerste lid, van de Awb niet heeft herroepen. De rechtbank zal het bestreden besluit daarom vernietigen. Met toepassing van artikel 8:72a van de Awb voorziet de rechtbank zelf in de zaak en herroept zij het primaire besluit waarmee de bestuurlijke boete is opgelegd. Dit betekent dat eiser geen bestuurlijke boete hoeft te betalen.



6.1.
Omdat het beroep gegrond is, moet het college het griffierecht aan eiser vergoeden en krijgt eiser ook een vergoeding van zijn proceskosten. Het college moet deze vergoeding betalen. De vergoeding is met toepassing van het Besluit proceskosten bestuursrecht als volgt berekend. Voor de rechtsbijstand door zijn gemachtigde krijg eiser een vast bedrag per proceshandeling. In beroep heeft elke proceshandeling een waarde van € 934,-. Omdat de gemachtigde van eiser een beroepschrift heeft ingediend en heeft deelgenomen aan de zitting, bedraagt de vergoeding in totaal € 1.868,-. Verder zijn er geen kosten die voor vergoeding in aanmerking komen.





Beslissing


De rechtbank:

- verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt het bestreden besluit van 7 augustus 2025;
- herroept het primaire besluit van 9 januari 2025;
- bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het bestreden besluit;
- bepaalt dat het college het griffierecht van € 194,- aan eiser moet vergoeden;
- veroordeelt het college tot betaling van € 1.868,- aan proceskosten aan eiser.





Deze uitspraak is gedaan door mr. A.J. van der Ven, rechter, in aanwezigheid van
mr. E.M.J. Kemper, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar op
25 augustus 2026.














griffier


rechter








Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:





Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.















BIJLAGE


Op grond van artikel 5:43 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) legt het bestuursorgaan geen bestuurlijke boete op indien aan de overtreder wegens dezelfde overtreding reeds eerder een bestuurlijke boete is opgelegd, dan wel een kennisgeving als bedoeld in artikel 5:50, tweede lid, aanhef en onderdeel a, is bekendgemaakt.
Op grond van artikel 5:44, eerste lid, van de Awb legt het bestuursorgaan geen bestuurlijke boete op indien tegen de overtreder wegens dezelfde gedraging een strafvervolging is ingesteld en het onderzoek ter terechtzitting is begonnen, dan wel een strafbeschikking is uitgevaardigd.



Op grond van artikel 4.3, eerste lid, aanhef en onder a, van de Omgevingswet (Ow) worden bij algemene maatregel van bestuur regels gesteld over bouwactiviteiten, sloopactiviteiten en het gebruik en het in stand houden van bouwwerken.



Artikel 18.12 van de Ow bepaalt:

1. Het bevoegd gezag kan een bestuurlijke boete opleggen bij overtreding van:

a. op grond van artikel 4.1, eerste lid, in een omgevingsplan gestelde regels over het gebruik of de staat van open erven of terreinen of het gebruik van gebouwen, of over het tegengaan van hinder.
b. op grond van artikel 4.3, eerste lid, aanhef en onder a, en vierde lid, gestelde regels over bouwactiviteiten, sloopactiviteiten en het gebruik en in stand houden van bouwwerken,

2. De bestuurlijke boete bedraagt ten hoogste het bedrag dat is vastgesteld voor de tweede categorie, bedoeld in artikel 23, vierde lid, van het Wetboek van Strafrecht.
3. Als de overtreding een bedreiging van de leefbaarheid of een gevaar voor de gezondheid of veiligheid veroorzaakt, kan het bevoegd gezag de boete verhogen tot ten hoogste het bedrag dat is vastgesteld voor de vierde categorie, bedoeld in artikel 23, vierde lid, van het Wetboek van Strafrecht.
4. Bij algemene maatregel van bestuur kunnen nadere regels worden gesteld over de hoogte van de bestuurlijke boete die wegens een overtreding kan worden opgelegd.


Op grond van artikel 6.4 van het Besluit bouwwerken leefomgeving (Bbl) is degene die weet of redelijkerwijs kan vermoeden dat als gevolg van het gebruik een van de volgende situaties kan ontstaan, verplicht alle maatregelen te nemen die redelijkerwijs kunnen worden gevraagd om te voorkomen dat:

a. brandgevaar wordt veroorzaakt;
bij brand een gevaarlijke situatie wordt veroorzaakt;
de melding van, alarmering bij of bestrijding van brand wordt belemmerd;
het gebruik van vluchtmogelijkheden bij brand wordt belemmerd;
het redden van personen of dieren bij brand wordt belemmerd; en
er op een andere manier voor de brandveiligheid ontstaat of voortduurt.


Op grond van artikel 9.2.2.1, eerste lid, van de Wet milieubeheer kunnen bij algemene maatregel van bestuur, indien een redelijk vermoeden is gerezen dat door de handelingen met stoffen, mengsels of genetisch gemodificeerde organismen ongewenste effecten voor de gezondheid van de mens of voor het milieu zullen ontstaan, regels worden gesteld met betrekking tot het vervaardigen, in Nederland invoeren, toepassen, bewerken, verwerken, voorhanden hebben, aan een ander ter beschikking stellen, vervoeren, uitvoeren en zich ontdoen van deze stoffen, mengsels of organismen, met inbegrip van het voorbereiden of bevorderen van deze handeling.



Op grond van artikel 1.2.2, eerste lid, van het Vuurwerkbesluit is het verboden professioneel vuurwerk of pyrotechnische artikelen voor theatergebruik, indien bestemd voor particulier gebruik, binnen het grondgebied van Nederland te brengen, op te slaan, te vervaardigen, voorhanden te hebben of aan een ander ter beschikking te stellen. Op grond van het derde lid is het verboden als een ander dan een persoon met gespecialiseerde kennis professioneel vuurwerk of pyrotechnische artikelen voor theatergebruik op te slaan, voorhanden te hebben of tot ontbranding te brengen.



Op grond van artikel 1a, onder 1°, van de Wet op de economische delicten (WED) zijn overtredingen van voorschriften gesteld bij of krachtens artikel 9.2.2.1 van de Wet milieubeheer eveneens economische delicten.



Op grond van artikel 6, eerste lid, onder 4°, van de WED wordt hij die een economisch delict begaat, in het geval van overtreding, voor zover het betreft een economisch delict bedoeld in artikel 1, onder 1°, of in artikel 1a, onder 1°, gestraft met hechtenis van ten hoogste een jaar, taakstraf of geldboete van de vierde categorie.




Zie de uitspraak van de Hoge Raad van 1 februari 2011 (ECLI:NL:HR:2011:BM9102) en de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 26 mei 2021 (ECLI:NL:RVS:2021:1106). Zie ook de uitspraak van de rechtbank Den Haag van 23 december 2025 (ECLI:NL:RBDHA:2025:27169).


Staatsblad 2018, 291, p. 456.


Staatsblad 2011, 416, p. 196.


Staatsblad 2002, 33, p. 48.