Neuralex RechtspraakNeuralex Rechtspraak
Inloggen staging

Rechtbank Den Haag

ECLI:NL:RBDHA:2026:27423

2026-08-21 Civiel recht; Personen- en familierecht C/09/702649 / FA RK 26-3276
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen

Gegevens

Instantie
Rechtbank Den Haag
Uitspraakdatum
2026-08-21
Publicatiedatum
2026-09-21
Rechtsgebied
Civiel recht; Personen- en familierecht
Procedure
Eerste aanleg - meervoudig
Zaaknummer
C/09/702649 / FA RK 26-3276
Type
Uitspraak
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Inhoudsindicatie

Beschikking van de meervoudige kamer over een verzoek tot gezagsbeëindiging.

Citeert (0)

  • geen

Geciteerd door (0)

  • geen

Wetsverwijzingen

Volledige tekst

Volledige tekst (23.692 tekens)
RECHTBANK DEN HAAG


Jeugd- en Zorgrecht



Zaaknummer: C/09/702649 / FA RK 26-3276
Datum uitspraak: 21 augustus 2026




Beschikking van de meervoudige kamer over een verzoek tot gezagsbeëindiging




in de zaak van




de Raad voor de Kinderbescherming, regio Haaglanden,
hierna te noemen: de Raad,



over





[de minderjarige]
, geboren op [geboortedatum 1] 2024 in [geboorteplaats 1] ,
hierna te noemen: [de minderjarige] .



De rechtbank merkt als belanghebbenden aan:





[de moeder]
,
hierna te noemen: de moeder,
wonende in [woonplaats] ,
advocaat: mr. L. da Silva uit 's-Gravenhage,





[de tante]
,
hierna te noemen: de tante,
wonende op een bij de rechtbank bekend adres.




Stichting Jeugdbescherming West Haaglanden,
hierna te noemen: de gecertificeerde instelling.



De rechtbank merkt als informanten aan:





[de grootouder 1]
,
en


[de grootouder 2]
,
hierna gezamenlijk te noemen: de grootouders,
wonende op een bij de rechtbank bekend adres.





1Het verloop van de procedure


1.1.
De rechtbank neemt de volgende stukken mee in de beoordeling:


het verzoekschrift met bijlagen, ontvangen op 1 april 2026;


de bereidverklaring van de gecertificeerde instelling van 11 november 2025.






1.2.
De zitting met gesloten deuren heeft plaatsgevonden op 17 juli 2026. Daarbij waren aanwezig:



[naam 1] , namens de Raad;



[naam 2] , namens de gecertificeerde instelling;


de advocaat van de moeder;


de tante;


de grootouders.




De moeder is niet verschenen. De rechtbank stelt vast dat de moeder wel juist is opgeroepen.






2De feiten


2.1.
De moeder is belast met het eenhoofdig gezag over [de minderjarige] .



2.2.

[de minderjarige] verblijft bij de tante.



2.3.
De kinderrechter in deze rechtbank heeft bij beschikking van 31 maart 2026 de ondertoezichtstelling van [de minderjarige] verlengd tot 3 oktober 2026 en voor dezelfde duur de machtiging verlengd om [de minderjarige] gedurende dag en nacht uit huis te plaatsen in een voorziening voor (netwerk)pleegzorg.



2.4.
De gecertificeerde instelling heeft zich bij brief van 11 november 2025 bereid verklaard om de voogdij te aanvaarden.





3Het verzoek


3.1.
De Raad verzoekt het gezag van de moeder te beëindigen, de gecertificeerde instelling tot voogd over [de minderjarige] te benoemen en de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.



3.2.

De Raad heeft het verzoek als volgt gemotiveerd. De moeder is als gevolg van haar drugsverslaving niet in staat gebleken [de minderjarige] een veilige en stabiele opvoedingsomgeving te bieden. De moeder breekt structureel klinische opnames in verband met een traject tot detoxificatie af. Ook tijdens de laatste opname in april 2026 is zij voortijdig vertrokken. [de minderjarige] verblijft sinds hij drie maanden oud is in het netwerkpleeggezin (van de tante). Op dit moment is er al tien maanden geen contact tussen [de minderjarige] en de moeder. Het perspectief van [de minderjarige] ligt bij de tante en [de minderjarige] heeft recht op duidelijkheid rondom zijn perspectief. Onduidelijkheid over het perspectief van [de minderjarige] zorgt ook bij de tante en grootouders voor spanningen. De Raad is van mening dat de moeder niet in staat is de verantwoordelijkheid voor de verzorging en opvoeding van [de minderjarige] binnen een voor hem aanvaardbaar te achten termijn te dragen. De afgelopen jaren is in het kader van de ondertoezichtstelling geprobeerd om toe te werken naar de thuisplaatsing van [de minderjarige] bij de moeder, maar dit is niet gelukt. De moeder is slecht bereikbaar voor de hulpverlenende instanties en het lukt haar door haar verslavingsproblematiek niet om de zorgen weg te nemen en vaste omgang met [de minderjarige] op te bouwen.
Vanwege de verstoorde relatie tussen de moeder en de tante is het wenselijk dat de gecertificeerde instelling belast wordt met de voogdij. De Raad hoopt dat het de moeder lukt om andere keuzes te maken, zodat er in de toekomst weer (een vorm van) contact kan ontstaan tussen [de minderjarige] en haar en tussen haar en de tante. De jeugdbeschermer kan hierin ondersteuning bieden.






4De standpunten


4.1.
De advocaat van de moeder heeft tijdens de mondelinge behandeling naar voren gebracht dat de moeder erkent dat zij vanwege haar problematiek op dit moment niet voor [de minderjarige] kan zorgen, maar stelt dat zij bezig is om haar leven op orde te brengen. Dit doet ze door het oppakken van hobby’s, zoals schilderen en het lezen van opvoedkundige boeken. Ze ontkent het verleden niet, maar hoopt dat zij binnen een voor [de minderjarige] aanvaardbare termijn wel weer de verantwoordelijkheid voor zijn verzorging en opvoeding kan dragen. De moeder is aan de ene kant heel blij dat haar familie voor [de minderjarige] zorgt, maar zij mist [de minderjarige] ook erg, zou graag nog een kans krijgen om hem op te voeden en wil hiervoor vechten. Ze heeft het gevoel er alleen voor te staan en geen hulp te krijgen. De moeder vindt dat een detox haar niet helpt. Ook zou ze graag het contact met [de minderjarige] weer herstellen. Verzocht wordt om het verzoek van de Raad af te wijzen, omdat het volgens de moeder te vroeg is om te komen tot een gezagsbeëindiging.



4.2.
De tante stemt in met gezagsbeëindiging. Het gaat goed met [de minderjarige] . Hij ontwikkelt zich goed en voelt zich thuis in het gezin van de tante. Hoewel de tante het graag anders had gezien, is zij ervan overtuigd dat de moeder niet in staat is om voor [de minderjarige] te zorgen omdat zij amper voor zichzelf kan zorgen. De tante heeft de moeder al een jaar niet gesproken.



4.3.

De gecertificeerde instelling onderschrijft de zorgen en het verzoek van de Raad.
Het gaat niet goed met de moeder, omdat de verslaving aan cocaïne en alcohol haar leven beheerst. Een gezagsbeëindiging past bij het perspectief van [de minderjarige] dat niet meer bij de moeder ligt, maar bij het huidige pleeggezin waar hij inmiddels al ruim twee jaar liefdevol opgroeit en zich goed ontwikkelt. Ook de grootouders zijn belangrijk voor [de minderjarige] .
Tijdens de voorlopige ondertoezichtstelling is bekeken of [de minderjarige] en de moeder in een moeder-kindhuis konden worden geplaatst, zodat de moeder vanuit daar bij Brijder kon starten om haar band met [de minderjarige] te behouden. Dit is niet gelukt, omdat de moeder zich niet aan de voorwaarden die Brijder stelde, hield.
Daarna zijn nog vele opnames gepland voor de moeder, maar ook deze zijn niet gelukt. De meest recente opname in april 2026 zou niet alleen voor detoxificatie zijn, maar ook om diagnostiek te laten plaatsvinden. Ook deze opname is voortijdig afgebroken door de moeder.
Het afgelopen jaar zijn er zeven tot acht begeleide omgangsmomenten geweest tussen de moeder en [de minderjarige] , waarvan er maar twee goed zijn gegaan. De andere omgangsmomenten was de moeder óf onder invloed óf zij zei deze af. [de minderjarige] had daar dan dagenlang last van. In de periode daarna is het de moeder niet meer gelukt om op een goede manier in contact te blijven met Brijder. De gecertificeerde instelling heeft ook weinig contact met de moeder. Het voorgaande bevestigt volgens de gecertificeerde instelling dat, hoe graag de moeder dat ook wil, zij op dit moment nog niet in staat is om begeleide omgang met [de minderjarige] te hebben.
In juli 2026 is er een Veilig Thuis-melding geweest, omdat de vriend van de moeder vermoedde dat zij in verwachting was. Toen de politie bij de woning kwam, bleek dat de woning zwaar vervuild was en dat de gebruikersmiddelen voor drugs op tafel lagen. Ook bleek dat de voordeur al 1,5 jaar niet op slot kan, waardoor iedereen naar binnen kan lopen. De moeder weigerde een zwangerschapstest. Uiteindelijk heeft Brijder haar bereid gekregen een zwangerschapstest te doen en bleek ze niet in verwachting te zijn.




4.4.
De grootouders zijn het eens met het verzoek tot beëindiging van het gezag van de moeder. Zij proberen al achttien jaar om de moeder op het rechte pad te krijgen. De grootouders vinden het zorgelijk dat de moeder niet toegeeft dat zij verslaafd is aan drugs en dat haar prioriteit niet bij [de minderjarige] ligt, maar bij het verkrijgen van drugs. Zij zouden graag zien dat de moeder contact met [de minderjarige] heeft. Zij hadden de hoop dat de moeder zou stoppen met drugs toen zij zwanger was, maar toen [de minderjarige] drie weken oud was, gebruikte zij alweer drugs. De grootouders hebben veel verdriet van de situatie en geven aan wanhopig te zijn. Ze spreken de moeder bijna nooit, omdat ze steeds andere telefoonnummers heeft. De grootouders geven aan dat [de minderjarige] voor hen prioriteit heeft en zij hopen dat er voor hem en voor de tante duidelijkheid komt. Als de moeder haar leven op de rit heeft, zal het hopelijk ook goed komen met het contact met [de minderjarige] .





5De beoordeling


5.1.
Op grond van het bepaalde in artikel 1:266, eerste lid, aanhef en onder a van het Burgerlijk Wetboek (hierna: BW) kan de rechtbank het gezag van een ouder beëindigen, indien een minderjarige zodanig opgroeit dat hij in zijn ontwikkeling ernstig wordt bedreigd, en de ouder niet in staat is de verantwoordelijkheid voor de verzorging en opvoeding, bedoeld in artikel 1:247, tweede lid, BW te dragen binnen een voor de persoon en de ontwikkeling van de minderjarige aanvaardbaar te achten termijn.



5.2.

Uit de wetsgeschiedenis volgt dat voor het bepalen van de aanvaardbare termijn gekeken moet worden naar de periode van onzekerheid over de vraag in welk gezin het kind verder zal opgroeien, die het kind kan overbruggen zonder verdergaand ernstige schade voor zijn ontwikkeling op te lopen. Wat voor een kind een redelijke termijn is, is afhankelijk van zijn leeftijd en ontwikkeling, zodat de bepaling van die termijn maatwerk is; precieze termijnen zijn niet te geven. Wel is duidelijk dat een jarenlange verlenging van de ondertoezichtstelling daar niet bij past.
In de wetsgeschiedenis is een aantal factoren genoemd die van belang zijn bij de afweging of een gezagsbeëindigende maatregel aangewezen is. Zo moet er duidelijkheid komen over het opvoedings- en ontwikkelingsperspectief van het kind, zeker als het al op jonge leeftijd uit huis is geplaatst. Als een thuisplaatsing niet meer mogelijk is, blijft bij een jaarlijkse verlenging van de maatregel van ondertoezichtstelling en uithuisplaatsing onzekerheid over het opvoedingsperspectief voortduren. In die gevallen dient aan het belang van het kind bij continuïteit van de opvoedingssituatie en een ongestoord hechtingsproces zwaarwegende betekenis te worden toegekend.




5.3.
Het beëindigen van het ouderlijk gezag is een maatregel die ingrijpt in het gezinsleven van zowel de ouder van wie het gezag wordt beëindigd als de minderjarige waarover het gezag wordt uitgeoefend. Dit betekent dat de rechtbank het verzoek tot gezagsbeëindiging ook dient te toetsen aan artikel 8 van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens (EVRM). Artikel 8 EVRM vereist onder meer dat de belangen van het kind en die van de ouder tegen elkaar worden afgewogen. Ten aanzien van het belang van het kind volgt uit het bepaalde in de artikelen 3 en 20 van het Internationaal Verdrag inzake de Rechten van het Kind (IVRK) dat de belangen van het kind voorop staan bij het nemen van een beslissing tot het beëindigen van ouderlijk gezag. Daarnaast is blijkens de jurisprudentie van het Europese Hof voor de Rechten van de Mens, ingevolge artikel 8 van het EVRM vereist dat indien het doel (het wegnemen van de ernstige ontwikkelingsbedreiging) met een lichtere maatregel kan worden bereikt, deze verkozen moet worden boven de zwaardere maatregel. Verder dient de inmenging in het gezinsleven die het gevolg is van de maatregel, in een redelijke verhouding te staan tot het doel dat met de maatregel wordt nagestreefd. In het geval van een gezagsbeëindiging moet daadwerkelijk gebleken zijn dat voortzetting van de familieband schadelijk is voor het kind. Een gezagsbeëindiging is namelijk een zeer zwaar middel dat alleen in uitzonderlijke gevallen mag worden toegepast.



5.4.

De rechtbank overweegt in deze zaak als volgt. Uit de ingediende stukken en de verklaringen ter zitting is gebleken dat de ontwikkeling van [de minderjarige] nog altijd ernstig wordt bedreigd. Al gedurende de zwangerschap en direct na de geboorte van [de minderjarige] was er hulpverlening betrokken bij de moeder vanwege de op dat moment al jarenlang bestaande verslavingsproblematiek. Toen de moeder enkele maanden na de geboorte van [de minderjarige] voortijdig, tegen het advies van de behandelaar in, vertrok uit de detox-opname bij Brijder, is [de minderjarige] in zijn huidige pleeggezin geplaatst.
Uit de stukken en het verhandelde ter zitting is ook duidelijk geworden dat de ernstige zorgen over het drugsgebruik van de moeder nog steeds aanwezig zijn en dat er bij de moeder een zorgelijk patroon zichtbaar is dat er uit bestaat dat het haar niet lukt om, ondanks haar goede voornemens, hulp te aanvaarden voor haar verslavingsproblematiek.
Hoewel de moeder beweert dat niet langer sprake is van een verslaving, heeft zij klinische opnames in verband met een traject tot detoxificatie herhaaldelijk voortijdig beëindigd en heeft zij ook anderszins geen mogelijkheden benut om de situatie ten gunste van [de minderjarige] te veranderen. Hierdoor wordt het patroon bij moeder niet doorbroken en blijft de situatie voor [de minderjarige] belastend en onveilig. De ernst van de structurele verslavingsproblematiek van de moeder maakt het onaannemelijk dat zij daarin op eigen kracht een ommekeer kan bewerkstelligen. Zij is niet in staat gebleken om daadwerkelijk stappen te zetten om haar verslavingsproblematiek de baas te worden en haar leven structureel op orde te krijgen. De ondertoezichtstelling en uithuisplaatsing van [de minderjarige] hebben hierin ook geen verandering kunnen brengen.
De onveilige en onhygiënische thuissituatie die na de Veilig Thuis-melding recent nog bij de moeder werd aangetroffen, bevestigt dat de bestaande zorgen onveranderd aanwezig zijn.




5.4.
Verder is gebleken dat het de gecertificeerde instelling niet is gelukt om met de moeder in contact te komen en zodoende de moeder te betrekken bij belangrijke zaken en beslissingen rondom [de minderjarige] . De moeder geeft al jaren geen dan wel onvoldoende invulling aan haar gezag doordat zij niet bereikbaar is. Ook is gebleken dat er al langere tijd geen contact is tussen de moeder en [de minderjarige] , wat maakt dat zij de behoeften van [de minderjarige] niet goed kent en niet, althans onvoldoende, bekend is met zijn ontwikkeling of zijn huidige leven. Bij twee contactmomenten die wel plaatsvonden, werd gezien dat dit voor zorgelijke reacties zorgde bij [de minderjarige] , Hij werd apathisch en was een aantal dagen uit zijn doen.



5.5.

Bij deze stand van zaken is de verwachting ook niet meer gerechtvaardigd dat de situatie van de moeder zal verbeteren. Mede in het licht van de hiervoor weergegeven wetsgeschiedenis, is de rechtbank met de Raad en de gecertificeerde instelling van oordeel dat de aanvaardbare termijn voor [de minderjarige] is verstreken.
Uit de rapportage van de Raad volgt dat het perspectief van [de minderjarige] niet meer bij moeder ligt, maar bij de tante, bij wie hij inmiddels twee jaar verblijft en waar hij zich heel positief en leeftijdsadequaat ontwikkelt. De tante is zeer goed in staat om tegemoet te komen aan de opvoedbehoeften van [de minderjarige] .
Het is voor de ontwikkeling van [de minderjarige] van groot belang dat hij zich ongestoord (verder) kan ontwikkelen. Daarvoor is het nodig dat het voor [de minderjarige] en de belangrijke mensen in zijn leven duidelijk is bij wie hij zal opgroeien en wie over hem zal beslissen. Dat is nu nog niet het geval, omdat het laten voortduren van de maatregelen van ondertoezichtstelling en uithuisplaatsing met behoud van gezag van de moeder enkel leidt tot meer onduidelijkheid richting de toekomst, terwijl [de minderjarige] juist behoefte heeft aan duidelijkheid. De gezagsbeëindiging is noodzakelijk om die duidelijkheid voor [de minderjarige] te waarborgen. Ook de tante en de grootouders hebben belang bij die duidelijkheid. Zij hebben [de minderjarige] liefdevol opgenomen in hun gezinnen en zich aan hem gehecht. Ook voor hen mag de onzekerheid over het perspectief niet onaanvaardbaar lang duren. De gezagsbeëindiging zal naar verwachting rust geven en daarmee mogelijk ook meer ruimte creëren voor contact(herstel) met de moeder.




5.6
Hoewel de moeder middels haar advocaat heeft aangegeven dat zij nog een reële kans moet krijgen om te laten zien dat zij kan wat er van haar wordt gevraagd en verwacht, is de rechtbank van oordeel dat haar die kans meermaals is geboden en dat het wachten op het moment dat zij de kans pakt, niet ten koste mag gaan van het welzijn van [de minderjarige] . Het belang van [de minderjarige] bij stabiliteit en duidelijkheid weegt zwaarder dan het belang van de moeder om weer voor te hem te zorgen.



5.7.
Gelet op dit alles is het belangrijk dat de veilige en stabiele opvoedsituatie die [de minderjarige] bij de tante heeft, gecontinueerd wordt. Middels de beëindiging van het gezag kan [de minderjarige] de duidelijkheid worden geboden die hij nodig heeft om zich veilig verder te kunnen ontwikkelen. De gezagsbeëindiging is daarmee proportioneel en in het belang van [de minderjarige] noodzakelijk.



5.8.
Het voorgaande leidt tot de conclusie dat aan zowel het criterium van artikel 1:266, eerste lid, onder a BW als aan het criterium van artikel 8 EVRM is voldaan en dat beëindiging van het gezag van de moeder in het belang van [de minderjarige] is. Het verzoek zal daarom worden toegewezen.



5.9.
De rechtbank benadrukt dat de beslissing om het gezag van de moeder te beëindigen, niet betekent dat zij vanaf nu geen rol meer in het leven van [de minderjarige] kan spelen. De moeder zal altijd de moeder van [de minderjarige] blijven. Een beëindiging van het gezag hoeft het contactherstel ook niet in de weg te staan. De rechtbank gaat ervan uit dat alle betrokkenen zich zullen inspannen voor een betekenisvolle rol van de moeder in het leven van [de minderjarige] , op een wijze die passend is bij de ontwikkeling en belastbaarheid van [de minderjarige] . Daarvoor is het wel noodzakelijk dat de moeder haar verslaving en problematiek onder controle krijgt. Met de Raad en de gecertificeerde instelling spreekt de rechtbank de hoop uit dat de moeder de noodzakelijk geachte hulpverlening in haar leven gaat toelaten om te werken aan een verbetering van de situatie en daarmee het vergroten van haar mogelijkheden tot contact met [de minderjarige] .



5.10.
Door de beëindiging van het gezag van de moeder is er niemand meer om gezagsbeslissingen over [de minderjarige] te nemen. De rechtbank benoemt daarom een voogd over [de minderjarige] die voortaan de gezagsbeslissingen neemt. De gecertificeerde instelling heeft verklaard dat te willen doen. De rechtbank is van oordeel dat de gecertificeerde instelling de voogdij moet krijgen. De gecertificeerde instelling is al langere tijd betrokken bij Damianen is vanuit haar deskundigheid en professie toegerust om de belangen van [de minderjarige] te behartigen, waaronder het realiseren van (een vorm van) contact tussen [de minderjarige] en de moeder op het moment dat daarvoor bij [de minderjarige] ruimte bestaat en de moeder hierin stabiliteit kan bieden. De rechtbank zal de gecertificeerde instelling daarom tot voogd over [de minderjarige] benoemen.



5.11.
De rechtbank zal bepalen dat de moeder aan de gecertificeerde instelling die tot voogd wordt benoemd, rekening en verantwoording moet afleggen over het door haar gevoerde bewind over het vermogen van [de minderjarige] . Dit betekent dat zij de gecertificeerde instelling op de hoogte moet stellen van alle geldzaken die over [de minderjarige] gaan, zodat de gecertificeerde instelling vanaf nu voor [de minderjarige] de geldzaken kan regelen.



5.12.
De beslissing wordt van rechtswege aangetekend in het gezagsregister.



5.13.
De rechtbank verklaart de beslissing uitvoerbaar bij voorraad, zoals is verzocht. Dat wil zeggen dat de beslissing direct geldt, ook als iemand in hoger beroep gaat.





6De beslissing


De rechtbank:



6.1.
beëindigt het ouderlijk gezag van [de moeder], geboren op [geboortedatum 2] 1991 in [geboorteplaats 2] , over [de minderjarige], geboren op 4 maart 2024 in 's-Gravenhage;



6.2.
benoemt Stichting Jeugdbescherming west Haaglanden tot voogd over genoemde minderjarige;



6.3.
bepaalt dat de moeder rekening en verantwoording moet afleggen over het door haar gevoerde bewind over het vermogen van genoemde minderjarige;


6.4.
verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad.









Deze beschikking is gegeven door mr. H.J.M. Bellekom, mr. J.E. Bierling en mr. R. van Zeijst-Repelaer van Driel, kinderrechters, en in het openbaar uitgesproken op 21 augustus 2026, in aanwezigheid van mr. I.M. Kroon als griffier.







Tegen eindbeslissingen in deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof Den Haag. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen:



degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;


andere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen.





Artikel 1:275, eerste lid, BW.


Artikel 1:276, eerste lid, BW.


Artikel 2 Besluit gezagsregisters.