Neuralex RechtspraakNeuralex Rechtspraak
Inloggen staging

Rechtbank Den Haag

ECLI:NL:RBDHA:2026:26479

2026-09-09 Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht NL26.50402
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen

Gegevens

Instantie
Rechtbank Den Haag
Uitspraakdatum
2026-09-09
Publicatiedatum
2026-09-11
Rechtsgebied
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Procedure
Eerste aanleg - enkelvoudig
Zaaknummer
NL26.50402
Type
Uitspraak
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Inhoudsindicatie

vervolgberoep. Medische omstandigheden. Artikel 64 procedure. Zicht op uitzetting ontbreekt niet. Voldoende voortvarend. Ongegrond.

Citeert (4)

Geciteerd door (0)

  • geen

Volledige tekst

Volledige tekst (8.949 tekens)
RECHTBANK DEN HAAG


Zittingsplaats Arnhem



Bestuursrecht



zaaknummer: NL26.50402


uitspraak van de enkelvoudige kamer van 9 september 2026 in de zaak tussen

[eiser] , v-nummer: [x] , eiser
(gemachtigde: mr. E. Derksen),


en


de minister van Asiel en Migratie.




Procesverloop


1. De minister heeft op 22 juni 2026 aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000) opgelegd. Deze maatregel duurt nog voort.



1.1.
De rechtbank heeft deze maatregel van bewaring eerder getoetst. Op dit eerste beroep heeft zij beslist met haar uitspraak van 6 juli 2026. Op het tweede beroep heeft zij beslist met haar uitspraak van 31 juli 2026.



1.2.
Eiser heeft tegen het voortduren van de maatregel van bewaring beroep ingesteld en gronden ingediend. Daarbij heeft hij verzocht om een schadevergoeding. De minister heeft een voortgangsrapportage overgelegd. Eiser heeft hierop niet nader gereageerd.



1.3.
De rechtbank heeft het vooronderzoek op 7 september 2026 gesloten en bepaald dat de zaak niet op een zitting zal worden behandeld.




Beoordeling door de rechtbank



Toetsingskader

2. Als de rechtbank van oordeel is dat de toepassing of tenuitvoerlegging van de maatregel van bewaring in strijd is met de Vw 2000 of bij afweging van alle daarbij betrokken belangen in redelijkheid niet gerechtvaardigd is, verklaart zij op grond van artikel 96, derde lid, van de Vw 2000 het beroep gegrond en beveelt zij de opheffing van de maatregel of een wijziging van de wijze van tenuitvoerlegging daarvan.



2.1.
Uit de uitspraak van 31 juli 2026 volgt dat de maatregel van bewaring tot het moment van het sluiten van het onderzoek dat aan die uitspraak ten grondslag ligt, rechtmatig was. Daarom beoordeelt de rechtbank nu alleen of het voortduren van de maatregel van bewaring sinds het moment van het sluiten van dat onderzoek (op 28 juli 2026) rechtmatig is.



Ontbreekt het zicht op uitzetting en handelt de minister voortvarend?

3. Eiser voert aan dat er geen zicht op uitzetting binnen een redelijke termijn is, omdat het beginsel van non-refoulement zich daartegen verzet. Eiser heeft daartoe gewezen op zijn medische omstandigheden. Hij heeft cardiomyopathie waarbij zowel de linker- als de rechterhartkamer is aangedaan en de pompfunctie matig is verminderd. De oorzaak is nog niet vastgesteld. Er is een genetische variant aangetroffen waarvan de klinische betekenis nog onbekend is. De behandelend specialist van het Radboud UMC heeft op 22 juli 2026 aangegeven dat nog onduidelijk is of de genetische variant een verhoogd risico op cardiomyopathie met zich brengt en daarvoor nader onderzoek nodig is. De reeds ingezette specialistische behandeling bij het Radboud UMC is vanwege de inbewaringstelling door de inrichting beëindigd en de vervangend cardioloog in het Erasmus MC heeft eiser nog niet onderzocht. Onder deze omstandigheden kan thans niet op basis van volledige en actuele specialistische informatie worden vastgesteld welke behandeling noodzakelijk is, welke prognose geldt en welke medische gevolgen aan uitzetting zijn verbonden. Dit klemt te meer nu de rechtbank bij de beoordeling van het vorige vervolgberoep betekenis heeft toegekend aan de omstandigheid dat eiser op 18 september 2026 een afspraak bij het Erasmus MC heeft. Op grond daarvan heeft de rechtbank geoordeeld dat het ontbreken van een BMA-advies niet meebrengt dat zicht op uitzetting binnen een redelijke termijn ontbreekt en dat de minister voortvarend handelt. Ook heeft de minister de voortzetting van dit medische traject in de eerdere bewaringsprocedure uitdrukkelijk aangevoerd ter onderbouwing van zijn standpunt dat zicht op uitzetting binnen een redelijke termijn bestond. Inmiddels is echter gebleken dat de minister de medische informatie van het Erasmus MC niet wenst af te wachten. De aanvraag om toepassing van artikel 64 van de Vw 2000 is namelijk afgewezen op basis van een concept-adviesnota waarin staat dat eiser medio september 2026 wordt gezien door het Erasmus MC en daarom nog geen medische informatie kan worden verstrekt. In deze concept- adviesnota is de informatie van het Radboud UMC van 22 juli 2026 niet kenbaar betrokken. De conclusie in de concept-adviesnota dat er binnen drie tot zes maanden geen medische noodsituatie zal ontstaan, bestrijdt eiser dan ook. De feitelijke situatie waarop het eerdere oordeel van de rechtbank berustte, is gelet op het voorgaande gewijzigd.




3.1.
Deze beroepsgrond slaagt niet. Ten eerste moet beoordeeld worden of concreet zicht op uitzetting ontbreekt. In de eerdere uitspraak van 31 juli 2026 heeft de rechtbank al vastgesteld dat eiser, kort voor zijn geplande uitzetting op 28 juli 2026, een aanvraag om uitstel van vertrek op grond van artikel 64 van de Vw 2000 had ingediend waarop nog niet was beslist. Naar het oordeel van de rechtbank vormde dit geen grond om aan te nemen dat concreet zicht op uitzetting ontbrak. Inmiddels is die aanvraag op 28 augustus 2026 afgewezen. Eiser heeft daartegen bezwaar gemaakt en een voorlopige voorziening ingediend om dat bezwaar af te mogen wachten. Op dat verzoek moet nog worden beslist, maar de rechtbank ziet in hetgeen eiser in dat verband heeft aangevoerd onvoldoende reden om nu al aan te nemen dat het beginsel van non-refoulement zich tegen de uitzetting van eiser verzet. Daarbij merkt de rechtbank op uit de overgelegde voortgangsrapportage volgt dat eiser eerder als fit-to-fly is verklaard en dat de medicatie die eiser gebruikt in Tunesië voorhanden is en dat hij € 500,- meekrijgt.




3.2.
Verder werkt de minister ook voldoende voortvarend aan de uitzetting van eiser. De behandeling van de aanvraag om uitstel van vertrek is voortvarend opgepakt en inmiddels is daar afwijzend op beslist. Eiser stelt dat bij het eerdere bewaringsberoep van belang zou zijn geweest dat het BMA een nader onderzoek door het Erasmus MC zou willen afwachten, en dat het daarmee in strijd is dat het BMA uiteindelijk heeft geadviseerd zonder dat onderzoek af te wachten. Dit volgt de rechtbank niet. Uit de uitspraak van 31 juli 2026 volgt slechts dat de rechtbank, omdat toen nog beslist moest worden op eisers aanvraag om uitstel van vertrek, in het kader van de vraag of voortvarend werd gehandeld, heeft betrokken dat de artsen van het Radboud UMC en het Erasmus MC inmiddels waren aangeschreven. De omstandigheid dat voor eiser een nieuwe afspraak was gepland bij de cardioloog in het Erasmus MC, was relevant voor de vraag of de medische zorg voor eiser in het detentiecentrum toereikend was. Uit de eerdere uitspraak volgt daarom niet dat het BMA het onderzoek door het Erasmus MC moest afwachten. Dat het BMA zich in staat heeft geacht om zonder nader onderzoek advies uit te brengen, is dan ook niet in strijd met de eerdere uitspraak. Verder blijkt uit de voortgangsrapportage dat op 20 augustus 2026 nog een vertrekgesprek met eiser is gevoerd en op 12 september 2026 een nieuwe vlucht gepland staat. Hiermee werkt de minister voldoende voortvarend aan de uitzetting van eiser.



Leidt ambtshalve toetsing tot een ander oordeel?

4. Los van de door eiser aangevoerde gronden, ziet de rechtbank in de door de minister en eiser verstrekte gegevens geen grond om te komen tot het oordeel dat aan de rechtmatigheidsvoorwaarden voor deze maatregel niet langer is voldaan.





Conclusie en gevolgen


5. Het beroep tegen het voortduren van de maatregel van vreemdelingenbewaring is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen. Eiser krijgt geen vergoeding van zijn proceskosten.




Beslissing


De rechtbank:


- verklaart het beroep ongegrond;
- wijst het verzoek om schadevergoeding af.






Deze uitspraak is gedaan door mr. G.A. van der Straaten, rechter, in aanwezigheid van mr. N. ter Horst, griffier.




Uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:








Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.




Rb. Den Haag (zp Arnhem) 6 juli 2026, ECLI:NL:RBDHA:2026:21836.


Rb. Den Haag (zp Arnhem) 31 juli 2026, ECLI:NL:RBDHA:2026:22628.


Dit is mogelijk op grond van artikel 96, eerste lid, van de Vw 2000.


Vergelijk HvJEU 8 november 2022, ECLI:EU:C:2022:858 en 4 september 2025, ECLI:EU:C:2025:647.