Rechtbank Den Haag
ECLI:NL:RBDHA:2026:22628
2026-07-31
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
NL26.39628
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen
Inhoudsindicatie
Vervolgberoep; ongegrond.
Citeert (3)
- ECLI:EU:C:2025:647
- ECLI:NL:RVS:2026:329 Raad van State 23-01-2026
- ECLI:EU:C:2022:858
Geciteerd door (1)
- ECLI:NL:RBDHA:2026:26479 Rechtbank Den Haag 09-09-2026
Volledige tekst
Volledige tekst (15.390 tekens)
RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Arnhem
Bestuursrecht
zaaknummer: NL26.39628
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 31 juli 2026 in de zaak tussen
[eiser], v-nummer: [nummer], eiser
(gemachtigde: mr. E. Derksen),
en
de minister van Asiel en Migratie,
(gemachtigde: mr. A.N. Sap).
Procesverloop
1. Met het besluit van 22 juni 2026 heeft de minister aan eiser de maatregel van vreemdelingenbewaring op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000) opgelegd. Bij uitspraak van 6 juli 2026 heeft de rechtbank het beroep van eiser tegen dat besluit ongegrond verklaard.
1.1.
Eiser heeft tegen het voortduren van de maatregel beroep ingesteld. Eiser heeft ook verzocht om schadevergoeding.
1.2.
De minister heeft een voortgangsrapportage overgelegd. Eiser heeft hierop gereageerd.
1.3.
De rechtbank heeft het beroep op 28 juli 2026 op zitting behandeld. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. De minister heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.
Beoordeling door de rechtbank
Toetsingskader
2. Indien de rechtbank van oordeel is dat de toepassing of tenuitvoerlegging van de maatregel van vreemdelingenbewaring in strijd is met de Vw 2000 dan wel bij afweging van alle daarbij betrokken belangen in redelijkheid niet gerechtvaardigd is, verklaart zij het beroep gegrond en beveelt zij de opheffing van de maatregel of een wijziging van de wijze van tenuitvoerlegging daarvan.
3. Uit de uitspraak van 6 juli 2026 volgt dat de maatregel van vreemdelingenbewaring tot het moment van sluiten van dat onderzoek, rechtmatig was. Daarom beoordeelt de rechtbank nu alleen of de maatregel van vreemdelingenbewaring sinds het moment van sluiten van dat onderzoek, op 30 juni 2026, rechtmatig is.
Rechtmatig verblijf
4. Eiser betoogt dat hij niet langer in vreemdelingenbewaring kan worden gehouden op grond van artikel 59, eerste lid onder a, van de Vw 2000. Doordat eiser een zogenaamde artikel 64 van de Vw 2000-aanvraag heeft ingediend, zijn de rechtsgevolgen van het terugkeerbesluit naar zijn mening opgeschort en kan niet langer aan de maatregel ten grondslag worden gelegd dat eiser moet vertrekken
4.1.
Deze beroepsgrond slaagt niet. Het indienen van een artikel 64 van de Vw 2000-aanvraag maakt niet dat het voortduren van de maatregel van vreemdelingenbewaring op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw 2000 onrechtmatig is. Het indienen van een dergelijke aanvraag levert immers geen rechtmatig verblijf op. Dat dit wel zo zou zijn is door eiser niet onderbouwd. De rechtbank wijst er verder op dat pas nadat een positieve beslissing is genomen op een artikel 64 van de Vw 2000-aanvraag op grond van artikel 8, aanhef en onder j, van de Vw 2000, (wel) uitdrukkelijk sprake is van rechtmatig verblijf, maar hiervan is nu (nog) geen sprake.
Zicht op uitzetting en voortvarend handelen
5. Eiser betoogt dat er geen concreet zicht is op uitzetting. Eiser stelt dat de geplande vlucht van eiser op [datum] 2026 is geannuleerd door de luchtvaartmaatschappij. Het is onbekend of en wanneer een nieuwe vlucht is gepland. De minister is verplicht dit inzichtelijk te maken, omdat anders de maatregel van vreemdelingenbewaring enkel voortduurt op het voornemen om op enig moment een nieuwe vlucht te plannen. Nu de minister nog geen nieuwe vlucht heeft gepland, handelt hij onvoldoende voortvarend. Verder betoogt eiser dat hij een artikel 64 van de Vw 2000-aanvraag heeft gedaan, wat maakt dat zicht op uitzetting binnen een redelijke termijn niet bestaat.
5.1.
De beroepsgrond slaagt niet. Zoals eerder is geoordeeld, ontbreekt zicht op uitzetting niet. De rechtbank is ook in deze zaak niet gebleken van omstandigheden om daar in het geval van eiser nu anders over te oordelen. De geplande vlucht van eiser op [datum] 2026 is geannuleerd door de luchtvaartmaatschappij. Vervolgens heeft de minister op [datum] 2026 een nieuwe vlucht gepland voor [datum] 2026. Deze vlucht is geannuleerd op [datum] 2026 omdat eiser een artikel 64 van de Vw 2000-aanvraag indiende. De minister heeft op zitting toegelicht dat wanneer een verzoek om uitstel van vertrek wordt ingediend terwijl een vreemdeling in vreemdelingenbewaring verblijft, deze met spoed wordt behandeld. Eiser moest in dit kader een toestemmingsverklaring tekenen. Toen dit achterwege bleef heeft de minister op [datum] 2026 een herstel verzuim aan eiser gestuurd. Inmiddels is de verklaring ontvangen en zijn op [datum] 2026 de artsen van het Radboud UMC en het EMC aangeschreven. Dit is naar het oordeel van de rechtbank voldoende voortvarend. De omstandigheid dat eiser heeft verzocht om uitstel van vertrek en dat dit nog moet worden beoordeeld, betreft slechts een tijdelijk beletstel voor de uitzetting. Dit tijdelijke beletsel gaat niet zo ver dat dit nu al leidt tot het oordeel dat het voortduren van de maatregel van vreemdelingenbewaring onrechtmatig is.
Lichter middel
6. Eiser betoogt dat de minister had moeten volstaan met een lichter middel. Eiser beschikt over een verblijfadres in Nijmegen en wordt begeleid door stichting GAST. Eiser is bereid daar te verblijven, zich te melden, bereikbaar te blijven, mee te werken aan medische onderzoeken en mee te werken aan een toekomstige uitzetting. De minister heeft niet gemotiveerd waarom dit onvoldoende zou zijn. Dat eiser eerder heeft verklaard niet te willen meewerken aan zijn uitzetting moet achterwege worden gelaten nu deze verklaringen zijn gedaan uit angst en van een daadwerkelijke onttrekkingsdrang niet is gebleken. Na het annuleren van de vlucht had de minister opnieuw moeten beoordelen of met een lichter middel kon worden volstaan.
6.1.
Deze beroepsgrond slaagt niet. De rechtbank heeft eerder geen aanleiding gezien om te oordelen dat de minister had moeten volstaan met een lichter middel dan de inbewaringstelling van eiser. Hier ziet de rechtbank ook nu geen aanleiding voor. Eiser heeft met zijn stelling dat hij een verblijfsadres heeft in Nijmegen, van welk adres hij overigens geen gegevens heeft verstrekt noch over de vraag of hij daar feitelijk zou kunnen verblijven, dat hij wil meewerken aan een meldplicht, dat hij wil meewerken aan zijn uitzetting en dat zijn eerdere verklaringen die blijk geven van verzet tegen zijn uitzetting achterwege moeten worden gelaten, namelijk niet aannemelijk gemaakt dat er zich in de te toetsen periode gewijzigde omstandigheden hebben voorgedaan waardoor het risico op onttrekking is afgenomen of waardoor de maatregel onevenredig bezwarend is geworden. Deze nieuwe goede voornemens van eiser, waaraan de rechtbank in het licht van alle overige gegevens in het dossier en de verklaring van eiser op de zitting, waaruit volgt dat hij in Nederland wil blijven, twijfelt, wegen niet op tegen de omstandigheid dat eiser eerder met onbekende bestemming is vertrokken, hij eerder zonder succes asielaanvragen heeft ingediend en in illegaliteit verbleef. De rechtbank ziet niet in waarom de minister na het annuleren van de vlucht opnieuw had moeten beoordelen of met een lichter middel kon worden volstaan, nu dit de omstandigheid dat er in eisers geval wel degelijk een onttrekkingsrisico bestaat niet anders maakt.
Fit-to-fly
7. Eiser betoogt dat de fit-to-fly beoordelingen niet zorgvuldig hebben plaatsgevonden. Hierbij is volgens eiser van belang dat zijn medische beoordeling binnen één dag ingrijpend is gewijzigd. Op [datum] 2026 werd beoordeling door eisers cardioloog noodzakelijk geacht. Vervolgens is eiser op [datum] 2026 alsnog fit-to-fly verklaard, omdat eiser geen afspraak zou hebben op [datum] 2026, met zijn cardioloog. De uitnodigingen voor de geplande onderzoeken in het Radboud UMC op [datum] 2026 bevestigen echter dat sprake is van concrete vervolgdiagnostiek. Niet is inzichtelijk gemaakt welke informatie bij de beoordeling van eisers fit-to-fly verklaring is betrokken. Gelet hierop moeten de fit-to-fly rapporten worden overgelegd.
7.1.
De beroepsgrond slaagt niet. De rechtbank ziet niet in dat de fit-to-fly verklaringen van eiser die zijn gedaan op [datum] 2026 en [datum] 2026, maken dat de maatregel van vreemdelingenbewaring onrechtmatig zou zijn. Hierbij betrekt de rechtbank dat in het kader van de inmiddels door eiser gedane artikel 64 van de Vw 2000-aanvraag wordt gekeken of uitzetting achterwege moet blijven, zolang het gelet op de gezondheidstoestand van eiser niet verantwoord is om te reizen. Naar aanleiding hiervan wordt opnieuw gekeken of eiser fit-to-fly is. De eerdere fit-to-fly keuringen hebben door deze aanvraag dan ook hun waarde verloren.
Medische situatie
8. Eiser betoogt dat de medische zorg voor hem in het detentiecentrum ontoereikend is. Het geplande onderzoek op [datum] 2026, bij zijn cardioloog in het Radboud UMC, maakt aannemelijk dat eisers diagnostiek nog niet is afgerond. De fit-to-fly keuring, kan deze afspraak niet vervangen, nu dit enkel een momentopname is met betrekking tot de vraag of eiser zou kunnen vliegen. Door de vreemdelingenbewaring dreigt het behandeltraject bij het Radboud UMC te worden onderbroken. Niet is aangetoond dat de geplande onderzoeken (tijdig) zullen plaatsvinden. Daarbij betrekt eiser dat de medische zorg in het detentiecentrum onvoldoende specialistisch is. Het enkele feit dat bij eerdere controles geen acute afwijkingen zijn vastgesteld, maakt volgens eiser niet dat de aan hem geboden zorg toereikend is.
8.1.
Deze beroepsgrond slaagt niet. Voor zover eiser stelt dat vreemdelingenbewaring voor hem vanwege zijn medische gesteldheid onevenredig bezwarend is, volgt de rechtbank hem hierin niet. Eiser heeft niet aannemelijk gemaakt dat hij detentieongeschikt is en heeft evenmin aannemelijk gemaakt dat de in het detentiecentrum beschikbare begeleiding en medische zorg in zijn geval niet toereikend zijn of dat zijn gesteldheid in vreemdelingenbewaring door gebrek aan medische zorg zal verslechteren. Daarbij betrekt de rechtbank dat de medische zorg die beschikbaar is in het detentiecentrum gelijkwaardig is aan de medische zorg in de vrije maatschappij. Weliswaar zijn de afspraken van eiser bij de cardioloog in het Radboud UMC geannuleerd toen eiser in bewaring was gesteld, maar de minister heeft op zitting – onbetwist – verklaard dat inmiddels een nieuwe afspraak is gepland voor eiser bij de cardioloog in het EMC. Nadat eiser in het detentiecentrum is geplaatst is de medische zorg voor hem overgenomen door medische dienst aldaar. Uit het medisch dossier blijkt ook dat eiser geregeld wordt gezien door een arts of verpleegkundige en dat er voor eiser specialistische onderzoeken worden gepland. Hieruit trekt de rechtbank de conclusie dat aan eiser wel degelijk voldoende (specialistische) zorg wordt geboden.
Zorg in Tunesië
9. Eiser betoogt dat het algemene standpunt van de minister dat in Tunesië medicatie en cardiologen beschikbaar zijn, niet maakt dat eiser daadwerkelijk toegang zal hebben tot deze zorg. Niet is gespecificeerd welke arts of kliniek eiser gaat behandelen, of een medische overdracht is geregeld, op welke termijn hij wordt gezien en of de noodzakelijke onderzoeken beschikbaar zijn. De aan eiser verstrekte reismedicatie en het bedrag van 500 euro garanderen geen structurele cardiologische zorg.
9.1.
Deze beroepsgrond slaagt niet. De rechtbank is van oordeel dat op dit moment niet aannemelijk is dat het beginsel van non-refoulement zich tegen de uitzetting van eiser verzet. De rechtbank is van oordeel dat de minister terecht uitgaat van behandelmogelijkheden voor eiser in Tunesië. Eiser heeft niet onderbouwd dat zijn aandoening dusdanig is dat dit voor hem niet mogelijk is en er geen toereikende medische zorg in Tunesië voorhanden is. Eiser heeft bovendien een artikel 64 van de Vw 2000-aanvraag gedaan. De minister werkt weliswaar aan eisers uitzetting, maar momenteel is er geen vlucht gepland in afwachting van een beslissing op het verzoek om uitstel van vertrek. De rechtbank neemt aan dat voorafgaand aan eisers feitelijke uitzetting, voldoende duidelijkheid zal bestaan over de uitkomst van de artikel 64 van de Vw 2000-aanvraag. Indien en zodra eiser over nadere informatie beschikt waaruit zou blijken dat er voor hem geen behandelmogelijkheden in het land van herkomst zijn, kan eiser een vervolgberoep tegen de maatregel van vreemdelingenbewaring instellen. Op dit moment is er geen reden om aan te nemen dat het beginsel van non-refoulement zich tegen verwijdering verzet.
Belangenafweging
10. Over wat eiser in het kader van de belangenafweging aanvoert, oordeelt de rechtbank dat er (nadere) feiten of omstandigheden zijn gesteld noch gebleken die, gelet op de duur van deze vreemdelingenbewaring, voor de minister aanleiding hadden moeten zijn om de vreemdelingenbewaring op te heffen.
Ambtshalve toetsing
11. Los van de door eiser aangevoerde gronden, ziet de rechtbank in de door de minister en eiser verstrekte gegevens verder geen grond om te komen tot het oordeel dat het voortduren van de maatregel op enig moment onrechtmatig is geweest.
Conclusie en gevolgen
12. Het beroep tegen het voortduren van de maatregel van vreemdelingenbewaring is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen. Eiser krijgt geen vergoeding van zijn proceskosten.
Beslissing
De rechtbank: - verklaart het beroep ongegrond; - wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. J.M.C. Schuurman-Kleijberg, rechter, in aanwezigheid van S. Voolstra, griffier.
Uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.
Dit volgt uit artikel 96, derde lid, van de Vw 2000.
Rb Den Haag (zp Arnhem) 6 juli 2026, NL26.34712 (niet gepubliceerd).
Aanvraag om uitstel van vertrek, vanwege medische redenen.
Dit blijkt uit artikel A3/7.2.2 van de Vreemdelingencirculaire 2000.
Rb Den Haag (zp Arnhem) 6 juli 2026, NL26.34712 (niet gepubliceerd).
UMC = Universitair Medisch Centrum.
EMC = Erasmus Medisch Centrum.
Rb Den Haag (zp Arnhem) 6 juli 2026, NL26.34712 (niet gepubliceerd).
Vergelijk HvJEU 4 september 2025, ECLI:EU:C:2025:647 (Adrar), ABRvS 12 februari 2026, ECLI:NL:RVS:2026:329 en HvJEU 8 november 2022, ECLI:EU:C:2022:858 (C, B en X).
Zittingsplaats Arnhem
Bestuursrecht
zaaknummer: NL26.39628
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 31 juli 2026 in de zaak tussen
[eiser], v-nummer: [nummer], eiser
(gemachtigde: mr. E. Derksen),
en
de minister van Asiel en Migratie,
(gemachtigde: mr. A.N. Sap).
Procesverloop
1. Met het besluit van 22 juni 2026 heeft de minister aan eiser de maatregel van vreemdelingenbewaring op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000) opgelegd. Bij uitspraak van 6 juli 2026 heeft de rechtbank het beroep van eiser tegen dat besluit ongegrond verklaard.
1.1.
Eiser heeft tegen het voortduren van de maatregel beroep ingesteld. Eiser heeft ook verzocht om schadevergoeding.
1.2.
De minister heeft een voortgangsrapportage overgelegd. Eiser heeft hierop gereageerd.
1.3.
De rechtbank heeft het beroep op 28 juli 2026 op zitting behandeld. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. De minister heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.
Beoordeling door de rechtbank
Toetsingskader
2. Indien de rechtbank van oordeel is dat de toepassing of tenuitvoerlegging van de maatregel van vreemdelingenbewaring in strijd is met de Vw 2000 dan wel bij afweging van alle daarbij betrokken belangen in redelijkheid niet gerechtvaardigd is, verklaart zij het beroep gegrond en beveelt zij de opheffing van de maatregel of een wijziging van de wijze van tenuitvoerlegging daarvan.
3. Uit de uitspraak van 6 juli 2026 volgt dat de maatregel van vreemdelingenbewaring tot het moment van sluiten van dat onderzoek, rechtmatig was. Daarom beoordeelt de rechtbank nu alleen of de maatregel van vreemdelingenbewaring sinds het moment van sluiten van dat onderzoek, op 30 juni 2026, rechtmatig is.
Rechtmatig verblijf
4. Eiser betoogt dat hij niet langer in vreemdelingenbewaring kan worden gehouden op grond van artikel 59, eerste lid onder a, van de Vw 2000. Doordat eiser een zogenaamde artikel 64 van de Vw 2000-aanvraag heeft ingediend, zijn de rechtsgevolgen van het terugkeerbesluit naar zijn mening opgeschort en kan niet langer aan de maatregel ten grondslag worden gelegd dat eiser moet vertrekken
4.1.
Deze beroepsgrond slaagt niet. Het indienen van een artikel 64 van de Vw 2000-aanvraag maakt niet dat het voortduren van de maatregel van vreemdelingenbewaring op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw 2000 onrechtmatig is. Het indienen van een dergelijke aanvraag levert immers geen rechtmatig verblijf op. Dat dit wel zo zou zijn is door eiser niet onderbouwd. De rechtbank wijst er verder op dat pas nadat een positieve beslissing is genomen op een artikel 64 van de Vw 2000-aanvraag op grond van artikel 8, aanhef en onder j, van de Vw 2000, (wel) uitdrukkelijk sprake is van rechtmatig verblijf, maar hiervan is nu (nog) geen sprake.
Zicht op uitzetting en voortvarend handelen
5. Eiser betoogt dat er geen concreet zicht is op uitzetting. Eiser stelt dat de geplande vlucht van eiser op [datum] 2026 is geannuleerd door de luchtvaartmaatschappij. Het is onbekend of en wanneer een nieuwe vlucht is gepland. De minister is verplicht dit inzichtelijk te maken, omdat anders de maatregel van vreemdelingenbewaring enkel voortduurt op het voornemen om op enig moment een nieuwe vlucht te plannen. Nu de minister nog geen nieuwe vlucht heeft gepland, handelt hij onvoldoende voortvarend. Verder betoogt eiser dat hij een artikel 64 van de Vw 2000-aanvraag heeft gedaan, wat maakt dat zicht op uitzetting binnen een redelijke termijn niet bestaat.
5.1.
De beroepsgrond slaagt niet. Zoals eerder is geoordeeld, ontbreekt zicht op uitzetting niet. De rechtbank is ook in deze zaak niet gebleken van omstandigheden om daar in het geval van eiser nu anders over te oordelen. De geplande vlucht van eiser op [datum] 2026 is geannuleerd door de luchtvaartmaatschappij. Vervolgens heeft de minister op [datum] 2026 een nieuwe vlucht gepland voor [datum] 2026. Deze vlucht is geannuleerd op [datum] 2026 omdat eiser een artikel 64 van de Vw 2000-aanvraag indiende. De minister heeft op zitting toegelicht dat wanneer een verzoek om uitstel van vertrek wordt ingediend terwijl een vreemdeling in vreemdelingenbewaring verblijft, deze met spoed wordt behandeld. Eiser moest in dit kader een toestemmingsverklaring tekenen. Toen dit achterwege bleef heeft de minister op [datum] 2026 een herstel verzuim aan eiser gestuurd. Inmiddels is de verklaring ontvangen en zijn op [datum] 2026 de artsen van het Radboud UMC en het EMC aangeschreven. Dit is naar het oordeel van de rechtbank voldoende voortvarend. De omstandigheid dat eiser heeft verzocht om uitstel van vertrek en dat dit nog moet worden beoordeeld, betreft slechts een tijdelijk beletstel voor de uitzetting. Dit tijdelijke beletsel gaat niet zo ver dat dit nu al leidt tot het oordeel dat het voortduren van de maatregel van vreemdelingenbewaring onrechtmatig is.
Lichter middel
6. Eiser betoogt dat de minister had moeten volstaan met een lichter middel. Eiser beschikt over een verblijfadres in Nijmegen en wordt begeleid door stichting GAST. Eiser is bereid daar te verblijven, zich te melden, bereikbaar te blijven, mee te werken aan medische onderzoeken en mee te werken aan een toekomstige uitzetting. De minister heeft niet gemotiveerd waarom dit onvoldoende zou zijn. Dat eiser eerder heeft verklaard niet te willen meewerken aan zijn uitzetting moet achterwege worden gelaten nu deze verklaringen zijn gedaan uit angst en van een daadwerkelijke onttrekkingsdrang niet is gebleken. Na het annuleren van de vlucht had de minister opnieuw moeten beoordelen of met een lichter middel kon worden volstaan.
6.1.
Deze beroepsgrond slaagt niet. De rechtbank heeft eerder geen aanleiding gezien om te oordelen dat de minister had moeten volstaan met een lichter middel dan de inbewaringstelling van eiser. Hier ziet de rechtbank ook nu geen aanleiding voor. Eiser heeft met zijn stelling dat hij een verblijfsadres heeft in Nijmegen, van welk adres hij overigens geen gegevens heeft verstrekt noch over de vraag of hij daar feitelijk zou kunnen verblijven, dat hij wil meewerken aan een meldplicht, dat hij wil meewerken aan zijn uitzetting en dat zijn eerdere verklaringen die blijk geven van verzet tegen zijn uitzetting achterwege moeten worden gelaten, namelijk niet aannemelijk gemaakt dat er zich in de te toetsen periode gewijzigde omstandigheden hebben voorgedaan waardoor het risico op onttrekking is afgenomen of waardoor de maatregel onevenredig bezwarend is geworden. Deze nieuwe goede voornemens van eiser, waaraan de rechtbank in het licht van alle overige gegevens in het dossier en de verklaring van eiser op de zitting, waaruit volgt dat hij in Nederland wil blijven, twijfelt, wegen niet op tegen de omstandigheid dat eiser eerder met onbekende bestemming is vertrokken, hij eerder zonder succes asielaanvragen heeft ingediend en in illegaliteit verbleef. De rechtbank ziet niet in waarom de minister na het annuleren van de vlucht opnieuw had moeten beoordelen of met een lichter middel kon worden volstaan, nu dit de omstandigheid dat er in eisers geval wel degelijk een onttrekkingsrisico bestaat niet anders maakt.
Fit-to-fly
7. Eiser betoogt dat de fit-to-fly beoordelingen niet zorgvuldig hebben plaatsgevonden. Hierbij is volgens eiser van belang dat zijn medische beoordeling binnen één dag ingrijpend is gewijzigd. Op [datum] 2026 werd beoordeling door eisers cardioloog noodzakelijk geacht. Vervolgens is eiser op [datum] 2026 alsnog fit-to-fly verklaard, omdat eiser geen afspraak zou hebben op [datum] 2026, met zijn cardioloog. De uitnodigingen voor de geplande onderzoeken in het Radboud UMC op [datum] 2026 bevestigen echter dat sprake is van concrete vervolgdiagnostiek. Niet is inzichtelijk gemaakt welke informatie bij de beoordeling van eisers fit-to-fly verklaring is betrokken. Gelet hierop moeten de fit-to-fly rapporten worden overgelegd.
7.1.
De beroepsgrond slaagt niet. De rechtbank ziet niet in dat de fit-to-fly verklaringen van eiser die zijn gedaan op [datum] 2026 en [datum] 2026, maken dat de maatregel van vreemdelingenbewaring onrechtmatig zou zijn. Hierbij betrekt de rechtbank dat in het kader van de inmiddels door eiser gedane artikel 64 van de Vw 2000-aanvraag wordt gekeken of uitzetting achterwege moet blijven, zolang het gelet op de gezondheidstoestand van eiser niet verantwoord is om te reizen. Naar aanleiding hiervan wordt opnieuw gekeken of eiser fit-to-fly is. De eerdere fit-to-fly keuringen hebben door deze aanvraag dan ook hun waarde verloren.
Medische situatie
8. Eiser betoogt dat de medische zorg voor hem in het detentiecentrum ontoereikend is. Het geplande onderzoek op [datum] 2026, bij zijn cardioloog in het Radboud UMC, maakt aannemelijk dat eisers diagnostiek nog niet is afgerond. De fit-to-fly keuring, kan deze afspraak niet vervangen, nu dit enkel een momentopname is met betrekking tot de vraag of eiser zou kunnen vliegen. Door de vreemdelingenbewaring dreigt het behandeltraject bij het Radboud UMC te worden onderbroken. Niet is aangetoond dat de geplande onderzoeken (tijdig) zullen plaatsvinden. Daarbij betrekt eiser dat de medische zorg in het detentiecentrum onvoldoende specialistisch is. Het enkele feit dat bij eerdere controles geen acute afwijkingen zijn vastgesteld, maakt volgens eiser niet dat de aan hem geboden zorg toereikend is.
8.1.
Deze beroepsgrond slaagt niet. Voor zover eiser stelt dat vreemdelingenbewaring voor hem vanwege zijn medische gesteldheid onevenredig bezwarend is, volgt de rechtbank hem hierin niet. Eiser heeft niet aannemelijk gemaakt dat hij detentieongeschikt is en heeft evenmin aannemelijk gemaakt dat de in het detentiecentrum beschikbare begeleiding en medische zorg in zijn geval niet toereikend zijn of dat zijn gesteldheid in vreemdelingenbewaring door gebrek aan medische zorg zal verslechteren. Daarbij betrekt de rechtbank dat de medische zorg die beschikbaar is in het detentiecentrum gelijkwaardig is aan de medische zorg in de vrije maatschappij. Weliswaar zijn de afspraken van eiser bij de cardioloog in het Radboud UMC geannuleerd toen eiser in bewaring was gesteld, maar de minister heeft op zitting – onbetwist – verklaard dat inmiddels een nieuwe afspraak is gepland voor eiser bij de cardioloog in het EMC. Nadat eiser in het detentiecentrum is geplaatst is de medische zorg voor hem overgenomen door medische dienst aldaar. Uit het medisch dossier blijkt ook dat eiser geregeld wordt gezien door een arts of verpleegkundige en dat er voor eiser specialistische onderzoeken worden gepland. Hieruit trekt de rechtbank de conclusie dat aan eiser wel degelijk voldoende (specialistische) zorg wordt geboden.
Zorg in Tunesië
9. Eiser betoogt dat het algemene standpunt van de minister dat in Tunesië medicatie en cardiologen beschikbaar zijn, niet maakt dat eiser daadwerkelijk toegang zal hebben tot deze zorg. Niet is gespecificeerd welke arts of kliniek eiser gaat behandelen, of een medische overdracht is geregeld, op welke termijn hij wordt gezien en of de noodzakelijke onderzoeken beschikbaar zijn. De aan eiser verstrekte reismedicatie en het bedrag van 500 euro garanderen geen structurele cardiologische zorg.
9.1.
Deze beroepsgrond slaagt niet. De rechtbank is van oordeel dat op dit moment niet aannemelijk is dat het beginsel van non-refoulement zich tegen de uitzetting van eiser verzet. De rechtbank is van oordeel dat de minister terecht uitgaat van behandelmogelijkheden voor eiser in Tunesië. Eiser heeft niet onderbouwd dat zijn aandoening dusdanig is dat dit voor hem niet mogelijk is en er geen toereikende medische zorg in Tunesië voorhanden is. Eiser heeft bovendien een artikel 64 van de Vw 2000-aanvraag gedaan. De minister werkt weliswaar aan eisers uitzetting, maar momenteel is er geen vlucht gepland in afwachting van een beslissing op het verzoek om uitstel van vertrek. De rechtbank neemt aan dat voorafgaand aan eisers feitelijke uitzetting, voldoende duidelijkheid zal bestaan over de uitkomst van de artikel 64 van de Vw 2000-aanvraag. Indien en zodra eiser over nadere informatie beschikt waaruit zou blijken dat er voor hem geen behandelmogelijkheden in het land van herkomst zijn, kan eiser een vervolgberoep tegen de maatregel van vreemdelingenbewaring instellen. Op dit moment is er geen reden om aan te nemen dat het beginsel van non-refoulement zich tegen verwijdering verzet.
Belangenafweging
10. Over wat eiser in het kader van de belangenafweging aanvoert, oordeelt de rechtbank dat er (nadere) feiten of omstandigheden zijn gesteld noch gebleken die, gelet op de duur van deze vreemdelingenbewaring, voor de minister aanleiding hadden moeten zijn om de vreemdelingenbewaring op te heffen.
Ambtshalve toetsing
11. Los van de door eiser aangevoerde gronden, ziet de rechtbank in de door de minister en eiser verstrekte gegevens verder geen grond om te komen tot het oordeel dat het voortduren van de maatregel op enig moment onrechtmatig is geweest.
Conclusie en gevolgen
12. Het beroep tegen het voortduren van de maatregel van vreemdelingenbewaring is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen. Eiser krijgt geen vergoeding van zijn proceskosten.
Beslissing
De rechtbank: - verklaart het beroep ongegrond; - wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. J.M.C. Schuurman-Kleijberg, rechter, in aanwezigheid van S. Voolstra, griffier.
Uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.
Dit volgt uit artikel 96, derde lid, van de Vw 2000.
Rb Den Haag (zp Arnhem) 6 juli 2026, NL26.34712 (niet gepubliceerd).
Aanvraag om uitstel van vertrek, vanwege medische redenen.
Dit blijkt uit artikel A3/7.2.2 van de Vreemdelingencirculaire 2000.
Rb Den Haag (zp Arnhem) 6 juli 2026, NL26.34712 (niet gepubliceerd).
UMC = Universitair Medisch Centrum.
EMC = Erasmus Medisch Centrum.
Rb Den Haag (zp Arnhem) 6 juli 2026, NL26.34712 (niet gepubliceerd).
Vergelijk HvJEU 4 september 2025, ECLI:EU:C:2025:647 (Adrar), ABRvS 12 februari 2026, ECLI:NL:RVS:2026:329 en HvJEU 8 november 2022, ECLI:EU:C:2022:858 (C, B en X).