Neuralex RechtspraakNeuralex Rechtspraak
Inloggen staging

Rechtbank Den Haag

ECLI:NL:RBDHA:2026:26329

2026-08-11 Civiel recht; Personen- en familierecht C/09/691729 / FA RK 25-7035
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen

Gegevens

Instantie
Rechtbank Den Haag
Uitspraakdatum
2026-08-11
Publicatiedatum
2026-09-11
Rechtsgebied
Civiel recht; Personen- en familierecht
Procedure
Eerste aanleg - meervoudig
Zaaknummer
C/09/691729 / FA RK 25-7035
Type
Uitspraak
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Inhoudsindicatie

Echtscheiding met nevenvoorzieningen: hoofdverblijfplaats, zorgregeling, verdeling huwelijks gemeenschap. Buitenlandse erfenissen van de vrouw vallen wel in de algehele gemeenschap van goederen.

Citeert (2)

Geciteerd door (0)

  • geen

Wetsverwijzingen

Volledige tekst

Volledige tekst (38.197 tekens)
Rechtbank DEN HAAG


Enkelvoudige Kamer


Rekestnummer: FA RK 25-7035 (echtscheiding) en FA RK 26-1483 (verdeling)
Zaaknummer: C/09/691729 (echtscheiding) en C/09/699583 (verdeling)
Datum beschikking: 11 augustus 2026


Echtscheiding met nevenvoorzieningen



Beschikking op het op 18 september 2025 ingekomen verzoek van:




[de vrouw],

de vrouw,
wonende op een bij de rechtbank bekend adres,
advocaat: mr. M. Groenleer in ’s-Gravenhage.



Als belanghebbende wordt aangemerkt:





[de man],

de man,
wonende op een bij de rechtbank bekend adres,
advocaat: mr. J.D. Bakker in ’s-Gravenhage.




Procedure
De rechtbank heeft kennisgenomen van de stukken, waaronder:


het verzoekschrift;


het verweerschrift tevens zelfstandige verzoeken van de man;


het verweerschrift tegen de zelfstandige verzoeken tevens houdende aanvullend verzoeken;


het verweer tegen de aanvullende verzoeken van de vrouw, tevens aanvullende zelfstandige verzoeken van de man;


het bericht met bijlagen van 30 juni 2026 van de vrouw.




De minderjarigen [minderjarige 1] en [minderjarige 2] hebben in een gesprek met de kinderrechter hun mening kenbaar gemaakt.



Op 14 juli 2026 is de zaak op de zitting van deze rechtbank behandeld. Hierbij zijn verschenen:



de vrouw bijgestaan door haar advocaat en tolk L.S. Greveraars-Volkova (Engels);


de man bijgestaan door zijn advocaat;



[naam] namens de Raad voor de Kinderbescherming.




Door de advocaat van de vrouw zijn pleitnotities voorgedragen en overgelegd.




Feiten


Partijen zijn met elkaar gehuwd op [datum] 2012 in [plaats 1], Verenigd Koninkrijk.


Zij zijn de ouders van de minderjarige kinderen:



[minderjarige 1], geboren op [geboortedatum 1] 2013 in [geboorteplaats],



[minderjarige 2], geboren op [geboortedatum 2] 2016 in [geboorteplaats].


De ouders oefenen het gezamenlijk gezag uit over de kinderen.


De vrouw stelt dat zij de Engelse nationaliteit heeft, de man, de vrouw en de kinderen hebben in ieder geval de Nederlandse nationaliteit.





Verzoek en verweer
Het verzoek van de vrouw, zoals dat na aanvulling luidt, strekt tot echtscheiding, met nevenvoorzieningen tot:


vaststelling van de hoofdverblijfplaats van de kinderen bij de vrouw;


vaststelling van de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken over de kinderen, in die zin dat zij:


in de ene week de hele week en in de andere week van maandag tot woensdag naar school bij de vrouw zijn, en vervolgens van woensdag uit school tot en met maandagochtend naar school bij de man zijn, alsmede tijdens de helft van de vakanties;


bepaling dat de school fees van [minderjarige 1] voor de helft voor rekening van beide partijen komt, en te bepalen dat de verblijfsgerelateerde kosten van de kinderen voor rekening komen van de partij bij wie de kinderen verblijven en de verblijfsoverstijgende kosten voor de helft voor rekening komen van beide partijen;


vaststelling van de verdeling van de huwelijksgemeenschap, conform het voorstel van de vrouw van randnummer 24 t/m 76 van het aanvullend verzoekschrift;


een en ander voor zover mogelijk met uitvoerbaarverklaring bij voorraad.


De man voert – onder referte ten aanzien van de echtscheiding – verweer, dat hierna – voor zover nodig – zal worden besproken.



Bovendien heeft de man, na wijziging, zelfstandig verzocht om de echtscheiding uit te spreken, met nevenvoorzieningen tot:



vaststelling van de hoofdverblijfplaats van [minderjarige 1] bij de vrouw en vaststelling van de hoofdverblijfplaats van [minderjarige 2] bij de man;


vaststelling van de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken over de kinderen, in die zin dat de kinderen de ene week van vrijdag uit school (17:00 uur) bij de man zijn, en in de andere week van vrijdag uit school (17:00 uur) bij de vrouw zijn, alsmede dat partijen tijdens de vakanties en feestdagen uitvoering geven aan afspraken zoals neergelegd in het verweerschrift;


bepaling dat ieder van partijen de helft van de zorgoverschrijdende kosten voor zijn of haar rekening zal nemen;


vaststelling van de verdeling van de huwelijksgemeenschap, conform het voorstel van de man;


een en ander voor zover mogelijk met uitvoerbaarverklaring bij voorraad en kosten rechtens.


De vrouw voert verweer, dat hierna – voor zover nodig – zal worden besproken.




Beoordeling


Echtscheiding


Rechtsmacht en toepasselijk recht

Nu beide echtgenoten hun gewone verblijfplaats in Nederland hebben, komt de Nederlandse rechter met betrekking tot het verzoek tot echtscheiding rechtsmacht toe. De rechtbank zal krachtens artikel 10:56 eerste lid van het Burgerlijk Wetboek (BW) Nederlands recht op het verzoek tot echtscheiding toepassen.

Ontvankelijkheid – ontbreken ouderschapsplan

Op grond van artikel 815 lid 2 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) dient een verzoekschrift tot echtscheiding een ouderschapsplan te bevatten ten aanzien van de minderjarige kinderen van partijen. Nu het ouderschapsplan in de wet is geformuleerd als een processuele eis bij een verzoek tot echtscheiding heeft de rechtbank de bevoegdheid een echtgenoot in het verzoek tot echtscheiding niet-ontvankelijk te verklaren, tenzij er redenen zijn om aan te nemen dat het ouderschapsplan redelijkerwijs niet kan worden overgelegd (artikel 815 lid 6 Rv).



De vrouw stelt dat partijen hebben geprobeerd tot afspraken te komen. Zij hebben bovendien een SCHIP-traject en mediation doorlopen. Het is hen echter niet gelukt om tot een ondertekend ouderschapsplan te komen. De man bevestigt dat partijen inderdaad verschillende pogingen hebben gedaan om tot overeenstemming te komen maar dat dit niet is gelukt.



Gelet op de meerdere pogingen van partijen om overeenstemming te bereiken ten aanzien van de kinderen, zal de rechtbank voorbij gaan aan het vereiste van artikel 815 lid 2 Rv en partijen ontvangen in hun verzoeken tot echtscheiding.




Inhoudelijke beoordeling

De vrouw heeft gesteld dat het huwelijk duurzaam is ontwricht. De man heeft dit erkend en bovendien zelfstandig verzocht de echtscheiding uit te speken, zodat het verzoek tot echtscheiding als op de wet gegrond kan worden toegewezen.




Hoofdverblijfplaats


Rechtsmacht en toepasselijk recht

Omdat de gewone verblijfplaats van de kinderen in Nederland is, heeft de Nederlandse rechter op grond van artikel 7 van de Brussel II-ter verordening rechtsmacht om te beslissen op de verzoeken tot vaststelling van de hoofdverblijfplaats.




Inhoudelijke beoordeling

De vrouw verzoekt de hoofdverblijfplaats van de kinderen bij haar te bepalen. Zij voert aan dat zij altijd de hoofdverzorger is geweest van de kinderen. Dat de man sinds hij is gestopt met werken meer tijd doorbrengt met de kinderen, maakt dat niet anders. De vrouw stelt dat zij altijd het grootste gedeelte van de zorg alsmede de administratieve verantwoordelijkheden heeft gedragen en dat nog steeds doet. Zij vindt het van belang dat de kinderen op haar adres worden ingeschreven zodat deze rol ook na de scheiding gewaarborgd blijft.



De man voert verweer en betwist de stellingen van de vrouw. Sinds de beëindiging van de dienstbetrekking van de man in 2023 hebben partijen een gelijk aandeel in de zorg voor de kinderen. De man vindt het dan ook niet redelijk om de hoofdverblijfplaats van beide kinderen bij de vrouw te bepalen. Hij stelt daarom voor om de hoofdverblijfplaats van [minderjarige 1] bij de vrouw en de hoofdverblijfplaats van [minderjarige 2] bij de man te bepalen.



De rechtbank zal de hoofdverblijfplaats van de kinderen bij de vrouw bepalen en overweegt daartoe als volgt. Het zwaartepunt van de zorg voor de kinderen heeft tijdens het huwelijk bij de vrouw gelegen. Hoewel vaststaat dat de man in de afgelopen jaren (sinds het einde van zijn dienstverband in 2023) meer zorgtaken op zich heeft genomen, maakt niet dat het zwaartepunt van de zorg is gewijzigd. Bovendien heeft de man op de zitting toegelicht dat er met name financiële motieven aan zijn verzoek ten grondslag liggen en dat hij bang is (geweest) dat de vrouw naar Engeland zou verhuizen als de kinderen bij haar worden ingeschreven. De rechtbank ziet geen aanleiding om te bepalen dat de kinderen ieder op een ander adres moeten worden ingeschreven. Aangezien partijen gelet op hun vermogen geen recht hebben toeslagen – daargelaten de kinderbijslag –, zijn er op dit moment geen financiële voordelen verbonden aan inschrijving op verschillende adressen. Daarnaast hebben partijen gezamenlijk het gezag over de kinderen waardoor de vrouw bij een eventuele wens tot verhuizing met de kinderen naar Engeland eerst toestemming moet krijgen van de man als gezaghebbende ouder. De inschrijving op het adres van de vrouw in de BRP is wat dat betreft niet van belang. Voor de kinderen is het van belang dat belangrijke post die over hen gaat op hetzelfde adres wordt ontvangen. De rechtbank gaat dus voorbij aan de bezwaren van de man en zal het verzoek van de vrouw toewijzen.




Verdeling van de zorg- en opvoedingstaken


Rechtsmacht en toepasselijk recht

Omdat de gewone verblijfplaats van de kinderen in Nederland is, heeft de Nederlandse rechter op grond van artikel 7 van de Brussel II-ter verordening rechtsmacht om te beslissen op de verzoeken tot vaststelling van een verdeling van de zorg- en opvoedingstaken (zorgregeling).




Inhoudelijke beoordeling

De vrouw verzoekt een zorgregeling waarbij de kinderen om de week van woensdagmiddag uit school tot maandag naar school bij de man zijn. Volgens de vrouw zorgt deze zorgregeling voor zoveel mogelijk continuïteit ten opzichte van de huidige situatie. Na de geboorte van [minderjarige 1] is de vrouw immers gestopt met werken en heeft zij volledig de zorg voor de kinderen gedragen. Hoewel de man de afgelopen jaren zijn zorgtaken heeft uitgebreid, stelt de vrouw dat er geen sprake was van een gelijk aandeel in de zorg voor de kinderen. Bovendien maakt de vrouw zich zorgen over de beschikbaarheid van de man als hij in de avonden en weekenden weg is vanwege zijn muziekoptredens.



De man voert verweer tegen de door de vrouw verzochte zorgregeling. Hij wil graag een week-op-week-af regeling met als wisselmoment vrijdag uit school. Sinds de man is gestopt met werken dragen beide partijen de zorg voor de kinderen. De man vindt het belangrijk om dit voort te zetten na de echtscheiding. Volgens hem is er juist sprake van het doorbreken van de continuïteit als hij de kinderen minder kan zien dan nu het geval is. Op de zitting heeft de man verder toegelicht dat hij zijn muziekoptredens flexibel kan indelen, en dit zal afstemmen op de momenten wanneer de kinderen niet bij hem zijn.



De rechtbank overweegt dat beide partijen sinds 2023 niet meer werken en zij beiden een aanzienlijk aandeel hebben in de zorg voor de kinderen. In de door de vrouw aangevoerde argumenten ziet de rechtbank geen aanleiding om te bepalen dat de kinderen aanzienlijk minder tijd met hun vader kunnen zijn. Bovendien brengt het voorstel van de vrouw met zich dat de kinderen maar liefst tien dagen achtereen niet bij hun vader zijn. Dat acht de rechtbank niet in hun belang. De rechtbank neemt daarbij in aanmerking het gegeven dat beide ouders die nu nog samen met de kinderen onder één dak wonen het ouderschap na de echtscheiding en na het feitelijk uiteengaan moeten reorganiseren. Bovendien hebben de kinderen in het kindgesprek aangegeven graag bij beide ouders te willen zijn. De door de man voorgestelde week-op week-af regeling brengt voor beide ouders en de kinderen veranderingen mee. Hoewel dat voor de ouders maar vooral ook voor de kinderen een beroep doet op hun aanpassingsvermogen, ziet de rechtbank daarin geen aanleiding om een andere regeling vast te leggen dan door de man is verzocht. De rechtbank vertrouwt erop dat de man zijn bezigheden als muzikant afstemt op de aanwezigheid van de kinderen. De rechtbank zal daarom het verzoek van de man toewijzen, en bepalen dat de kinderen volgens een week-op-week-af regeling bij partijen zijn met als wisselmoment vrijdag uit school.




Vakanties en feestdagen

Op de zitting hebben partijen concrete afspraken gemaakt over de verdeling van de vakanties en feestdagen. De verdeling van de zomervakantie zal gelden vanaf 2027 omdat ouders voor de komende vakantie al een verdeling hebben gemaakt. Ten aanzien van de vakanties in mei en juni hebben partijen afgesproken dat de reguliere zorgregeling doorloopt. [minderjarige 1] zit op een internationale school. Zijn schoolvakanties lopen niet geheel synchroon met de vakanties van [minderjarige 2] die naar een Nederlandse basisschool gaat. Het komt daardoor voor dat het ene kind vrij is terwijl het andere kind naar school gaat. Ouders hebben afgesproken dat in dat geval één van de ouders – in onderling overleg – iets onderneemt met het kind dat vrij is en dat de andere ouder dan de zorg heeft voor het schoolgaande kind. De rechtbank zal de door partijen afgesproken verdeling van de vakanties en feestdagen vastleggen in het dictum.



Het verzoek van de vrouw over de doorlopende toestemming voor het reizen naar Europa voor beide partijen zal de rechtbank afwijzen, nu de vrouw haar verzoek onvoldoende heeft onderbouwd en gespecificeerd. Bovendien is niet gebleken dat in het verleden één van de partijen niet zijn of haar toestemming heeft geven voor vakanties of familiebezoek in het buitenland of dat de verwachting is dat een ouder op onredelijke gronden zijn of haar toestemming zal weigeren.




Kinderalimentatie

Partijen zijn het erover eens dat ieder de verblijfskosten voor zijn of haar rekening neemt wanneer zij de zorg over de kinderen hebben en dat de verblijfsoverstijgende kosten (inclusief alle school fees) bij helfte worden gedeeld.



Op de zitting hebben partijen verder praktische afspraken gemaakt. Zo heeft de man de kinderbijslag aangevraagd die wordt gestort op de gezamenlijke bankrekening met rekeningnummer [rekeningnummer 1]. Partijen hebben afgesproken dat de kleding voor de kinderen hiervan wordt betaald. Daarnaast zullen zij ervoor zorgen dat de eerste nota voor de school fees van [minderjarige 1] voor het komende schooljaar voor 1 augustus 2026 wordt betaald. De rechtbank zal deze overeenstemming opnemen in het dictum.




Verdeling van de huwelijksgemeenschap


Rechtsmacht en toepasselijk recht

Omdat de Nederlandse rechter rechtsmacht heeft met betrekking tot het verzoek tot echtscheiding, heeft zij tevens rechtsmacht ten aanzien van het verzochte met betrekking tot het huwelijksvermogensstelsel van partijen (artikel 5 eerste lid Verordening huwelijksvermogensstelsels).



De rechtbank gaat bij bepaling van het toepasselijk recht uit van het volgende. Voor de bepaling welk verdrag dan wel verordening van toepassing is, dient te worden gekeken naar de huwelijksdatum. Nu het huwelijk is gesloten na 1 september 1992 en vóór 29 januari 2019 – namelijk op [datum] 2012 – is het Haags Huwelijksvermogensverdrag van 14 maart 1978, Trb. 1988, 130 (HVV 1978) van toepassing op het huwelijksvermogensregime van partijen.



Omdat partijen geen rechtskeuze hebben uitgebracht vóór (artikel 3 HVV 1978) of
tijdens (artikel 6 HVV 1978) het huwelijk, moet het toepasselijk recht worden bepaald aan de hand van artikel 4 HVV 1978. De vraag is allereerst of zij hun eerste huwelijkdomicilie op het grondgebied van dezelfde staat hebben gevestigd. Hoewel partijen zijn gehuwd in het Verenigd Koninkrijk, zijn zij het erover eens dat zij in Nederland hun eerste huwelijksdomicilie hadden. Het huwelijksvermogensregime wordt daarmee beheerst door het Nederlandse recht.




Inhoudelijke beoordeling

Gesteld noch gebleken is dat de echtgenoten huwelijkse voorwaarden hebben gemaakt. Partijen zijn gehuwd op [datum] 2012 waardoor moet worden aangenomen dat tussen hen een wettelijke algehele gemeenschap van goederen bestaat. Hierbij geldt als uitgangspunt dat de ontbonden huwelijksgemeenschap bij helfte wordt verdeeld, nu het huwelijk is gesloten voor 1 januari 2018 (artikel 1:100 BW).




Peildatum

Voor het vaststellen van de omvang van de ontbonden huwelijksgoederengemeenschap geldt de datum van indiening van het verzoekschrift bij de rechtbank, te weten 18 september 2025. Als peildatum voor de waardering van de te verdelen goederen geldt in beginsel de datum van verdeling, tenzij de man en de vrouw anders overeenkomen of op basis van de redelijkheid en billijkheid daarvan moet worden afgeweken.



De vrouw heeft zich op het standpunt gesteld dat voor het saldo van de bankrekening [rekeningnummer 2] aansluiting moet worden gezocht bij de peildatum van de feitelijke verdeling. De school fees van [minderjarige 1] zijn ook na de peildatum van deze bankrekening betaald. Als aansluiting wordt gezocht bij de datum van indiening van het verzoekschrift heeft dat tot gevolg dat de vrouw sinds september 2025 alle school fees voor [minderjarige 1] zou hebben betaald. De man heeft geen verweer gevoerd ten aanzien van de afwijking van de peildatum van voornoemde bankrekening. De rechtbank zal bepalen dat ten aanzien van deze bankrekening als peildatum de datum van de feitelijke verdeling moet worden gehanteerd.




Omvang

Partijen hebben gesteld dat de volgende vermogensbestanddelen in de ontbonden huwelijksgoederengemeenschap vallen:



de echtelijke woning aan de [adres] in [plaats 2];


de inboedel;


de saldi op de bank- en spaarrekeningen;


e auto’s van het merk Citroën C1 en Volkswagen;


het restant van de erfenis van de vrouw: de aandelen en het saldo op de bankrekening [rekeningnummer 2].





Ad. a – de echtelijke woning aan de [adres] in [plaats 2]

De vrouw stelt zich op het standpunt dat de woning moet worden verkocht. De man heeft tot op heden niet aangetoond dat hij in staat is om de woning over te nemen terwijl hij hier genoeg tijd voor heeft gehad. Door partijen is gezamenlijk opdracht gegeven om de woning te laten taxeren. Uit het taxatierapport –overgelegd als productie 39 – blijkt dat de marktwaarde van de woning op 19 juni 2026 € 1.175.000,- bedraagt. De vrouw vindt dat de woning voor deze waarde verkocht moet worden. De man voert verweer. Hoewel hij geschrokken is van de hoogte van de recente taxatie, wil hij drie maanden de tijd krijgen om te onderzoeken of hij de financiering rond kan krijgen. De man geeft aan dat hij mogelijk bij familie een lening kan afsluiten.



De rechtbank overweegt als volgt. Niet in geschil is dat voor de waarde van de woning moet worden uitgegaan van de recente taxatie, namelijk € 1.175.000,- en dat de hypothecaire geldlening begin 2026 € 61.196,- bedroeg. De man verzoekt hem de gelegenheid te geven te onderzoeken of hij de woning kan overnemen en de vrouw kan uitkopen en doen ontslaan uit de hoofdelijke aansprakelijkheid. De rechtbank neemt in overweging dat de man geen baan heeft en, voor zover de man daar inzage in heeft gegeven, onvoldoende vermogen heeft om het aandeel van de vrouw in de woning zonder het aangaan van een substantiële lening, over te nemen. Verder blijkt nergens uit dat de man in staat is om, op welke manier dan ook, de financiering voor de woning rond te krijgen. Hij stelt weliswaar dat hij mogelijk bij familieleden een lening kan afsluiten maar iedere onderbouwing zoals bijvoorbeeld een verklaring van een familielid waaruit blijkt dat hij het benodigde bedrag kan lenen, ontbreekt. Ook tijdens de zitting heeft de man nagelaten hier desgevraagd enige helderheid in te verschaffen. Gelet hierop is er nog geen begin van aannemelijkheid dat de man binnen afzienbare tijd in staat moet worden geacht de woning over te nemen. De rechtbank zal daarom de man geen termijn meer geven om te onderzoeken of hij de woning kan overnemen en zal bepalen dat de woning moet worden verkocht. Op de zitting hebben partijen afgesproken dat mocht de woning verkocht worden, dit zal worden gedaan door [makelaarskantoor] in [plaats 2]. Deze makelaar zal partijen adviseren over de vraag- en laatprijs van de woning en partijen zullen de kosten voor de makelaar bij helfte delen. De rechtbank zal het bovenstaande opnemen in het dictum conform een ‘spoorboekje’.




Ad. b – de inboedel

De vrouw verzoekt te bepalen dat ieder de inboedelgoederen behoudt die hij of zij van familie heeft geërfd of gekregen, zonder nadere verrekening van de waarde. De man heeft daarmee ingestemd, zodat de rechtbank dienovereenkomstig zal beslissen.




Ad. c – de saldi op de bank- en spaarrekeningen

Namens de vrouw is op de zitting aangevoerd dat uit de aangifte inkomstenbelasting 2023 blijkt dat de man naast zijn ABN AMRO rekeningen, ook nog twee bankrekeningen heeft bij de Rabobank en twee bankrekeningen bij Robeco. De man heeft op de zitting erkend dat deze bankrekeningen bestaan dan wel bestonden op de peildatum. De rechtbank zal daarom bepalen dat de saldi op deze bankrekeningen ook verdeeld moet worden. Nu tussen partijen nog onduidelijkheid bestaat over de saldi op de bank- en spaarrekeningen op de peildatum, zal de rechtbank bepalen dat zij over en weer inzage in de saldi moeten geven ten aanzien van de hierna genoemde bank- en spaarrekeningen.



De rechtbank zal bepalen dat de saldi op de volgende bank- en spaarrekeningen bij helfte moeten worden verdeeld op de peildatum, te weten 18 september 2025:




[rekeningnummer 3] t.n.v. de vrouw,



[rekeningnummer 4] t.n.v. de vrouw,



[rekeningnummer 5] t.n.v. de vrouw,





[rekeningnummer 6] t.n.v. de man,



[rekeningnummer 7] t.n.v. de man,



[rekeningnummer 8] t.n.v. de man,



[rekeningnummer 9] t.n.v. de man,


Robeco [rekeningnummer 10] t.n.v. de man,


- Robeco [rekeningnummer 11] t.n.v. de man.


Ten aanzien van de rekening [rekeningnummer 1] ten name van de man en/of de vrouw, zijn partijen overeengekomen dat deze wordt aangehouden omdat daar de kinderbijslag op binnenkomt (zie de afspraken over de kosten van de kinderen). De rechtbank zal daarom bepalen dat deze onverdeeld blijft.



De rechtbank zal in deze beschikking onder de kop ‘restant erfenis van de vrouw’ ingaan op het saldo van de bankrekening [rekeningnummer 2] t.n.v. de vrouw.



Tussen partijen is niet in geschil dat de saldi op de bank- en spaarrekeningen van de kinderen buiten de verdeling van de huwelijksgemeenschap worden gelaten. De rechtbank zal daarover dan ook geen beslissing hoeven nemen.




Ad. d – de auto’s van het merk Citroën C1 en Volkswagen

De vrouw rijdt in de Volkswagen en de man rijdt in de Citroën C1. Tussen partijen is niet in geschil dat de Citroën C1 geen waarde vertegenwoordigt en dat de waarde van de Volkswagen € 15.200,- bedraagt. De rechtbank zal daarom aan de vrouw de Volkswagen toedelen voor een waarde van € 15.200,- onder verrekening van de helft van de waarde met de man, en de Citroën C1 toedelen aan de man zonder nadere verrekening.




Ad. e – het restant van de erfenis van de vrouw: de aandelen en het saldo op de bankrekening [rekeningnummer 2]

De vrouw stelt dat het gelet op de maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is dat de nalatenschappen van haar ouders tot de gemeenschap behoren. Op grond van het Engelse recht vallen erfenissen namelijk niet in de gemeenschap. De vrouw verwijst hierbij naar de uitspraak van de Hoge Raad (ECLI:NL:HR:2017:276). Volgens de vrouw moet de vraag worden beantwoord of buitenlandse erflaters, in dit geval haar ouders, er bedacht op konden zijn dat mogelijk het Nederlandse huwelijksvermogensrecht van toepassing is en wat daar de gevolgen van zijn. In dat licht stelt de vrouw dat haar ouders nooit in Nederland hebben gewoond of gewerkt, en dat hun gehele vermogen altijd in het Verenigd Koninkrijk heeft gelegen. Zij waren niet op de hoogte van de mogelijke gevolgen van het Nederlandse huwelijksvermogensrecht. Bovendien was het de bedoeling van de ouders van de vrouw dat alleen hun kinderen de erfenis zouden verkrijgen. In het Engelse recht bestaat er geen uitsluitingsclausule en in de testamenten zijn alleen de vrouw en haar zus genoemd, en niet hun beide echtgenoten.



De man voert verweer en betwist de stellingen van de vrouw. Volgens de man valt het restant van de erfenis die de vrouw heeft ontvangen in de huwelijksgemeenschap en is er geen reden om daarvan af te wijken. Volgens de man was het de wens van de ouders van de vrouw dat hun erfenissen ten goede kwamen aan het gezin. Daarnaast waren de ouders van de vrouw – volgens de man – wel degelijk bekend met de mogelijke vermogensrechtelijke gevolgen voor hun erfenis in het geval hun dochter zou scheiden. De man stelt dat het niet van belang is dat het Engelse recht geen uitsluitingsclausule kent. Als de vrouw niet had gewild dat de erfenissen van haar ouders in de gemeenschap zouden vallen, had het op haar weg gelegen om huwelijkse voorwaarden te sluiten met de man. Nu hiervan geen sprake is, is de man van mening dat de erfenissen van de ouders van de vrouw in de huwelijksgemeenschap vallen en dat de redelijkheid en billijkheid daar niet aan in de weg staan. Gelet op dat laatste heeft de man nog aangevoerd dat partijen na de geboorte van de kinderen de afspraak hebben gemaakt dat de vrouw zou stoppen met werken, mede gelet op de financiële ruimte die zij hadden dankzij de erfenissen. Als hij geen recht had gehad op het geld uit de nalatenschappen, had hij destijds en ook recenter toen hijzelf is gestopt met werken, andere keuzes gemaakt.



De rechtbank overweegt als volgt. Omdat partijen geen huwelijkse voorwaarden hebben opgesteld is er sprake van een algehele gemeenschap van goederen. Artikel 1:94 (oud) lid 2 BW bepaalt dat de huwelijksgemeenschap alle goederen van de echtgenoten omvat die voor of tijdens het bestaan van de gemeenschap zijn verkregen, met uitzondering van goederen waarvan bij uiterste wilsbeschikking van de erflater of bij de gift is bepaald dat deze buiten de gemeenschap vallen (de uitsluitingsclausule). Vaststaat dat er van een uitsluitingsclausule geen sprake is. Het uitgangspunt is dan ook dat de erfenissen in de gemeenschap van goederen zijn gevallen.



De Hoge Raad heeft op 17 februari 2017 (ECLI:NL:HR:2017:276) geoordeeld dat bij de beantwoording van de vraag of en in hoeverre een erfenis krachtens buitenlands recht zonder uitsluitingsclausule – in afwijking van het uitgangspunt – toch niet in de Nederlandse gemeenschap van goederen valt, moet worden onderzocht of sprake is van feiten en omstandigheden die maken dat het naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar zou zijn dat de verkrijgingen tot de huwelijksgemeenschap van partijen behoren. Het is in dat verband van belang of de buitenlandse erflater bedacht kon zijn geweest op de toepasselijkheid van het Nederlands huwelijksvermogensrecht en de gevolgen daarvan en of redelijkerwijs moet worden aangenomen dat hij niet heeft gewenst dat die zaken door het huwelijk zouden komen te vallen in een gemeenschap van goederen waarin de verkrijger is gehuwd of gaat huwen. Bovendien kan van belang zijn of de echtgenoot die voor het huwelijk krachtens erfrecht naar buitenlands recht goederen heeft verkregen, redelijkerwijs in staat is geweest om door het opmaken van huwelijkse voorwaarden te zorgen dat die goederen overeenkomstig de (veronderstelde) wil van de erflater niet door boedelmenging in een huwelijksgemeenschap vallen. Op de echtgenoot die zich op de beperkende werking van redelijkheid en billijkheid beroept, rust de stelplicht en bewijslast van de daartoe redengevende feiten en omstandigheden. De enkele omstandigheid dat het op de erfrechtelijke verkrijging of de schenking toepasselijke buitenlandse recht niet een algehele gemeenschap van goederen als huwelijksvermogensregime kent of tot uitgangspunt neemt, volstaat in dat verband niet.



De rechtbank overweegt dat de erfenis van de grootmoeder van de vrouw dateert van voor de huwelijksdatum van partijen in 2012. Het privévermogen van de vrouw – waaronder deze erfenis – is door het sluiten van het huwelijk in de algehele gemeenschap van goederen gevallen. Als de vrouw dat niet had gewild, had zij huwelijkse voorwaarden kunnen laten opstellen. De vrouw woonde sinds 2007 in Nederland en voor zover zij zich niet over de vermogensrechtelijke gevolgen van het huwelijk heeft laten informeren, komt dat voor haar rekening en risico.



Tijdens het huwelijk van partijen zijn in 2014 en 2022 de erfenissen van de ouders van de vrouw in de gemeenschap gevallen. Het testament van de vader van de vrouw is op 19 juli 2016 opgesteld. Het ligt op de weg van de vrouw om te onderbouwen dat in dit geval de redelijkheid en billijkheid zich er tegen verzetten dat de erfenissen in de huwelijksgemeenschap vallen. Dat heeft zij gelet op de gemotiveerde betwisting door de man, onvoldoende gedaan. De enkele verklaring van een vriendin van haar vader en haar zus over de vermeende intenties van haar vader, zijn daarvoor onvoldoende. Het staat vast dat partijen voorafgaand aan en na de huwelijkssluiting in Nederland woonden en de man de Nederlandse nationaliteit heeft. Onder deze omstandigheden hadden de vrouw en haar ouders bedacht kunnen zijn op de toepasselijkheid van het Nederlandse huwelijksvermogensrecht en de gevolgen daarvan. De vrouw heeft, als zij dat toendertijd al wenste, de mogelijkheid gehad haar ouders te wijzen op de noodzaak van een uitsluitingsclausule, als zij wilden dat de erfenissen niet in de huwelijksgemeenschap zouden vallen. Dat het Engelse recht geen uitsluitingsclausules kent, doet daar niet aan af.



Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat het beroep van de vrouw op de redelijkheid en billijkheid in dit geval niet slaagt, en dat het restant van de erfenis van de vrouw in de algehele gemeenschap van goederen valt. De vrouw dient de helft van de waarde daarvan aan de man te voldoen. De rechtbank overweegt dat het restant van de erfenis van de vrouw bestaat uit een aandelenportefeuille van € 579.665,- op 25 juni 2026 en het saldo op de bankrekening [rekeningnummer 2] van GBP 73.700. Voor 1 augustus 2026 zal van deze rekening het eerste deel van de school fees van [minderjarige 1] voor het nieuwe schooljaar worden betaald. Partijen zijn overeengekomen dat de school fees bij helfte worden gedeeld. Gelet op de afspraak tussen partijen geldt voor de peildatum van het saldo van de bankrekening [rekeningnummer 2], de datum van de feitelijke verdeling die de rechtbank zal stellen op vandaag.





Beslissing
De rechtbank:


*
spreekt de echtscheiding uit tussen partijen, gehuwd op [datum] 2012 in [plaats 1], Verenigd Koninkrijk;



*
bepaalt dat de minderjarigen:




[minderjarige 1], geboren op [geboortedatum 1] 2013 in [geboorteplaats],



[minderjarige 2], geboren op [geboortedatum 2] 2016 in [geboorteplaats],


de hoofdverblijfplaats zullen hebben bij de vrouw;


*
bepaalt dat [minderjarige 1] en [minderjarige 2] volgens een week-op-week-af regeling bij partijen zijn, met als wisselmoment vrijdag uit school;



*
bepaalt de volgende verdeling van de vakanties en feestdagen:



herfstvakantie: in de even jaren bij de man, in de oneven jaren bij de vrouw;


kerstvakantie: in de even jaren de eerste week bij de vrouw en de tweede week bij de man, in de oneven jaren andersom;


voorjaarsvakantie: in de even jaren bij de vrouw, in de oneven jaren bij de man;


vanaf zomervakantie 2027: volgens een schema van 2-2-1-1, waarbij in de oneven jaren de vrouw en in de even jaren de man de eerste twee weken heeft;


- mei en juni vakantie: de reguliere zorgregeling loopt door;


Vaderdag: bij de man;


Moederdag: bij de vrouw:


alle overige feestdagen: in onderling overleg bij helfte;






*
bepaalt dat iedere partij de in de eigen zorgtijd met de kinderen te maken verblijfskosten van de kinderen betaalt, de kinderbijslag wordt gestort op de gezamenlijke rekening en aangewend voor kleding van de kinderen en dat de verblijfsoverstijgende kosten (inclusief de school fees) bij helfte worden gedeeld;



*
bepaalt ten aanzien van de wijze van verdeling van de algehele gemeenschap van goederen het volgende:

- met betrekking tot de woning, gelegen aan de [adres] in [plaats 2] en de daaraan gekoppelde hypothecaire geldlening:
de woning wordt verkocht en geleverd aan een derde op de volgende wijze en onder de volgende voorwaarden:


de woning zal worden verkocht door [makelaarskantoor] in [plaats 2]. Partijen dienen binnen één week na de datum van deze beschikking een gezamenlijke opdracht te verstrekken aan de makelaar tot verkoop van de woning aan een derde. Deze makelaar zal – als partijen het niet eens zijn – partijen bindend adviseren over de vast te stellen vraag- en laatprijs van de woning;


de over- dan wel onderwaarde wordt tussen partijen bij helfte gedeeld dan wel gedragen. De over- dan wel onderwaarde bestaat uit de verkoopopbrengst van de woning, minus de aan de woning gekoppelde hypothecaire geldlening ten tijde van de overdracht en minus de kosten van de verkoop en de overdracht, waaronder de kosten van de makelaar;


partijen verlenen over en weer op eerste verzoek van de ander hun medewerking aan de notariële overdracht van de woning;




met betrekking tot de inboedel: iedere partij behoudt de inboedelgoederen die hij of zij van familie heeft geërfd of gekregen, zonder nadere verrekening;


met betrekking tot de gezamenlijke bankrekening [rekeningnummer 1] dat deze onverdeeld blijft en het saldo wordt aangewend voor de kosten van de kinderen;


met betrekking tot de saldi van alle hierna genoemde bank- en spaarrekeningen van partijen, dat partijen over en weer binnen vier weken na de datum van deze beschikking inzage moeten geven in de saldi per peildatum 18 september 2025, onder overlegging van de betreffende dagafschriften;


aan de vrouw komen toe:


- de saldi op de bank- en spaarrekeningen [rekeningnummer 3], [rekeningnummer 4] en [rekeningnummer 5], waarbij de vrouw de helft van de saldi op 18 september 2025 aan de man moet voldoen;


het saldo op de bankrekening [rekeningnummer 2], waarbij de vrouw de helft van het saldo per heden aan de man moet voldoen;


de Volkswagen voor een waarde van € 15.200,- waarbij de vrouw de helft van de waarde aan de man moet voldoen;


de aandelenportefeuille (uit de erfenissen van de grootmoeder en ouders van de vrouw) onder de verplichting aan de man de helft van de waarde te vergoeden, waarbij deze waarde wordt vastgesteld op de datum van de feitelijke verdeling;


aan de man komen toe:


- de saldi op de bank- en spaarrekeningen [rekeningnummer 6], [rekeningnummer 7], [rekeningnummer 8], [rekeningnummer 9], Robeco [rekeningnummer 10] en Robeco [rekeningnummer 11], waarbij de man de helft van de saldi op 18 september 2025 aan de vrouw moet voldoen;
- de Citroën C1 zonder nadere verrekening;


*
verklaart deze beschikking – met uitzondering van het uitspreken van de echtscheiding –uitvoerbaar bij voorraad.



*
wijst af het meer of anders verzochte.










Deze beschikking is gegeven door mrs. E.D.A. Geleijns, A.M. Brakel en A.P. de Klerk, (kinder)rechters, bijgestaan door mr. A.I. Knops als griffier, en uitgesproken op de openbare zitting van 11 augustus 2026.