Neuralex RechtspraakNeuralex Rechtspraak
Inloggen staging

Rechtbank Den Haag

ECLI:NL:RBDHA:2026:26327

2026-09-11 Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht NL26.50508
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen

Gegevens

Instantie
Rechtbank Den Haag
Uitspraakdatum
2026-09-11
Publicatiedatum
2026-09-10
Rechtsgebied
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Procedure
Eerste aanleg - enkelvoudig
Zaaknummer
NL26.50508
Type
Uitspraak
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Inhoudsindicatie

Grensdetentie, artikel 6 derde lid, lichter middel, artikel 13 vijfde lid |Opvangrichtlijn, beroep ongegrond

Citeert (6)

Geciteerd door (0)

  • geen

Volledige tekst

Volledige tekst (7.993 tekens)
RECHTBANK DEN HAAG


Zittingsplaats Arnhem



Bestuursrecht



zaaknummer: NL26.50508


uitspraak van de enkelvoudige kamer van 11 september 2026 in de zaak tussen

[eiseres] , v-nummer: [x] , eiseres
(gemachtigde: mr. F. Khodajoo-Aziz Maleki),


en


de ambtenaar belast met grensbewaking
(gemachtigde: mr. R.F.N. Zandbelt).




Procesverloop


Bij besluit van 30 augustus 2026 (het bestreden besluit) is aan eiseres met toepassing van artikel 6, derde lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000) een vrijheidsontnemende maatregel opgelegd.



De ambtenaar heeft de rechtbank op grond van artikel 94, eerste lid, van de Vw 2000 van het besluit tot oplegging van de vrijheidsontnemende maatregel in kennis gesteld. Deze kennisgeving wordt gelijkgesteld met een door eiseres ingesteld beroep. Dit beroep moet tevens worden aangemerkt als een verzoek om toekenning van schadevergoeding.



De rechtbank heeft het beroep op 8 september 2026 op zitting behandeld. Eiseres is verschenen, bijgestaan door haar gemachtigde. De ambtenaar heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.




Overwegingen

1. Indien de rechtbank bij de beoordeling van het beroep van oordeel is dat de toepassing of tenuitvoerlegging van de maatregel in strijd is met de Vw 2000 dan wel bij afweging van alle daarbij betrokken belangen niet gerechtvaardigd is, verklaart zij op grond van artikel 94, zesde lid, van de Vw 2000 het beroep gegrond.

2. Op grond van artikel 5.5, tweede lid, van het Vreemdelingenbesluit 2000 (Vb 2000) wordt een vrijheidsontnemende maatregel op grond van artikel 6, derde lid, van de Vw 2000 opgelegd in het kader van het grensbewakingsbelang. Deze wordt niet opgelegd of voortgezet indien sprake is van bijzondere individuele omstandigheden die vrijheidsontneming onevenredig bezwarend maken.




Had de ambtenaar moeten volstaan met een lichter middel?


3. Eiseres betoogt dat de ambtenaar in de maatregel tot grensdetentie onvoldoende heeft gemotiveerd waarom geen lichter middel is toegepast. Aan eiseres is in het gehoor wel gevraagd of er bijzondere omstandigheden zijn waardoor afgezien moet worden van het opleggen van de grensdetentie, maar dit blijkt niet uit de maatregel zelf. Op de zitting heeft eiseres verder verklaard dat de grensdetentie haar zwaar valt omdat ze last heeft van claustrofobie.


3.1.
De rechtbank stelt vast dat eiseres aan de grens een verzoek om internationale bescherming heeft ingediend terwijl zij niet aan de toegangsvoorwaarden voldeed. Hiermee voldoet eiseres aan de voorwaarden voor toepassing van de vrijheidsontnemende maatregel op grond van artikel 6, derde lid, van de Vw 2000. Uit de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) van 2 september 2026 volgt dat de ambtenaar in het grensbewakingsbelang voldoende noodzaak mag zien om een vrijheidsontnemende maatregel op te leggen, en dat de beoordeling van de ambtenaar of met een lichter middel had moeten worden volstaan, niet verder strekt dan de beoordeling of de grensdetentie onevenredig bezwarend is. De rechtbank is van oordeel dat de ambtenaar met de vragen die hij in het gehoor aan eiseres heeft gesteld, voldoende heeft onderzocht of de grensdetentie voor eiseres onevenredig bezwarend is. Zo heeft hij geïnformeerd naar de medische omstandigheden van eiseres, gevraagd of eiseres familieleden in Nederland of in de Europese Unie heeft die hier rechtmatig verblijven en eiseres in de gelegenheid gesteld andere omstandigheden aan te voeren. Eiseres heeft in het gehoor geen bijzondere omstandigheden naar voren gebracht. De rechtbank is daarom van oordeel dat de ambtenaar in de maatregel, onder verwijzing naar het grensbewakingsbelang, voldoende heeft gemotiveerd dat er geen aanleiding is om een lichter middel toe te passen.



3.2.
Ook op de zitting is niet gebleken van bovengenoemde bijzondere omstandigheden. Hoewel de rechtbank zich kan voorstellen dat de grensdetentie eiseres zwaar valt vanwege haar claustrofobie, maakt dat niet zonder meer dat de minister een lichter middel had moeten opleggen of dat de grensdetentie om deze reden niet langer kan worden voortgezet. De rechtbank wijst er in dat kader op dat in het Justitieel Complex Schiphol (JCS) een medische dienst aanwezig is, waar eiseres om hulp kan vragen. Op de zitting is gebleken dat eiseres deze hulp nog niet heeft gezocht. De rechtbank raadt haar aan om dat alsnog te doen.



Voldoet het JCS aan de voorwaarden van artikel 13, vijfde lid, van de Opvangrichtlijn?


4. Eiseres betoogt verder dat vrouwen in een bewaringsaccommodatie een aparte afdeling moeten hebben. Hoewel eiseres een eigen cel heeft, moet zij de gemeenschappelijke ruimtes delen met mannen.




4.1.
De rechtbank begrijpt het standpunt van eiseres zo dat zij betoogt dat het JCS niet voldoet aan de voorwaarde van artikel 13, vijfde lid, van de Opvangrichtlijn, en daarom niet gezien kan worden als een gespecialiseerde bewaringsaccommodatie.



4.2.
Deze beroepsgrond slaagt niet. Uit artikel 13, vijfde lid, van de Opvangrichtlijn volgt dat vrouwelijke verzoekers in bewaring afgescheiden van mannelijke verzoekers moeten worden gehuisvest, maar dat daarvan kan worden afgeweken voor het gebruik van gemeenschappelijke ruimten voor recreatieve of sociale activiteiten. De situatie zoals door eiseres beschreven voldoet aan de eisen die volgen uit dit artikel. Eiseres heeft namelijk een eigen cel en hoeft alleen de gezamenlijke ruimtes met mannen te delen. Dit maakt dus niet dat het JCS niet als een gespecialiseerde bewaringsaccommodatie kan worden gezien. De rechtbank verwijst in dat kader ook naar de uitspraken van de Afdeling van 29 januari 2025 en 26 februari 2025.



Leidt ambtshalve toetsing tot een ander oordeel?

5. Los van de door eiser aangevoerde gronden, ziet de rechtbank in de door de ambtenaar en eiser verstrekte gegevens verder geen grond om te komen tot het oordeel dat de toepassing of tenuitvoerlegging van de maatregel tot grensdetentie op enig moment onrechtmatig is geweest.





Conclusie en gevolgen
6. Het beroep is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.



Beslissing


De rechtbank:



verklaart het beroep ongegrond;


wijst het verzoek om schadevergoeding af.




Deze uitspraak is gedaan door mr. A.S. Gaastra, rechter, in aanwezigheid van mr. V. Bouman, griffier.



De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:






Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking.




ABRvS 3 juni 2026, ECLI:NL:RVS:2016:1451 en 1452.


ABRvS 2 september 2026, ECLI:NL:RVS:2026:5077.


Richtlijn (EU) 2024/1346 van het Europees Parlement en de Raad van 14 mei 2024 tot vaststelling van normen voor de opvang van verzoekers om internationale bescherming (herschikking).


ABRvS, ECLI:NL:RVS:2025:301, onder 2 en ABRvS 26 februari 2025, ECLI:NL:RVS:2025:789, onder 3.8.1. In deze uitspraken wordt nog verwezen naar artikel 11, vijfde lid, van de vorige versie van de Opvangrichtlijn (Richtlijn 2013/13).


Vergelijk HvJ EU 4 september 2025, ECLI:EU:C:2025:647 (Adrar) en HvJEU 8 november 2022, ECLI:EU:C:2022:858 (C, B en X).