Neuralex RechtspraakNeuralex Rechtspraak
Inloggen staging

Rechtbank Den Haag

ECLI:NL:RBDHA:2026:26314

2026-05-27 Bestuursrecht; Ambtenarenrecht SGR 26/3063
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen

Gegevens

Instantie
Rechtbank Den Haag
Uitspraakdatum
2026-05-27
Publicatiedatum
2026-09-10
Rechtsgebied
Bestuursrecht; Ambtenarenrecht
Procedure
Eerste aanleg - enkelvoudig
Zaaknummer
SGR 26/3063
Type
Uitspraak
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Inhoudsindicatie

Voorlopige voorziening procedure. De voorzieningenrechter ziet aanleiding om kort te sluiten met de beroepsprocedure. Verweerder heeft verzoeker ontslagen wegens wangedrag. De voorzieningenrechter is van oordeel dat verweerder dit besluit mocht nemen. Beroep ongegrond en het verzoek om voorlopige voorziening wordt afgewezen.

Citeert (7)

Geciteerd door (0)

  • geen

Volledige tekst

Volledige tekst (23.447 tekens)
RECHTBANK DEN HAAG


Bestuursrecht


zaaknummers: SGR 26/3063 en SGR 26/3064


uitspraak van de voorzieningenrechter van 27 mei 2026 in de zaken tussen



[verzoeker], uit [woonplaats], eiser en verzoeker (hierna: verzoeker)
(gemachtigde: mr. R.J. Sterk),


en




de staatssecretaris van Defensie, verweerder
(gemachtigde: mr. H.J.M.R. van den Ende – de Boer).




Samenvatting


1. Deze uitspraak gaat over het besluit van 13 maart 2026 (het bestreden besluit) op het bezwaar van verzoeker waarmee verweerder het ontslagbesluit van 5 september 2024 in stand heeft gelaten. Verzoeker heeft daar beroep tegen ingediend en om een voorlopige voorziening verzocht.



1.1.
Verweerder heeft op het verzoek gereageerd met een verweerschrift.



1.2.
De voorzieningenrechter heeft het verzoek op 15 mei 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: verzoeker, zijn gemachtigde en de gemachtigde van verweerder, vergezeld door luitenant-kolonel [naam].





Beoordeling door de rechtbank

2. Na afloop van de zitting is de voorzieningenrechter tot de conclusie gekomen dat nader onderzoek niet kan bijdragen aan de beoordeling van de zaak. De voorzieningenrechter doet daarom op grond van artikel 8:86 van de Algemene wet bestuursrecht niet alleen uitspraak op het verzoek om een voorlopige voorziening, maar ook op het beroep.



Waar gaat deze zaak over?



3. Verzoeker is sinds [datum] 2009 werkzaam bij Defensie. Verzoeker, sergeant, is sinds 1 juli 2024 aangesteld bij de [legerplaats] als [functienaam]. De commandant van de [legerplaats] is door de Koninklijke Marechaussee geïnformeerd over het feit dat verzoeker op 5 juli 2024 is aangehouden en dat hij verdacht wordt van een strafbaar feit. Verzoeker is aangehouden voor het rijden onder invloed van alcohol. Er is een adem- en een speekseltest afgenomen bij verzoeker, waarbij hij positief is getest op cocaïne. De bloedtest heeft hij tot twee keer toe geweigerd. Gelet op deze feiten heeft verweerder verzoeker met het primaire besluit van 5 september 2024 met ingang van 1 oktober 2024 ontslagen wegens wangedrag.


3.1.
Verzoeker heeft bezwaar gemaakt tegen het primaire besluit en tevens een voorlopige voorziening gevraagd. In de uitspraak van 1 oktober 2024 heeft de voorzieningenrechter overwogen dat verweerder de overtuiging heeft kunnen verkrijgen dat verzoeker zich heeft ingelaten met harddrugs en hem daarom conform het zero tolerance beleid in beginsel ontslag heeft kunnen verlenen vanwege wangedrag, maar dat er in bezwaar nog aanvullend onderzoek nodig is voordat kan worden geconcludeerd dat verweerder ook van deze bevoegdheid gebruik mocht maken. Het incident van 5 juli 2024 hangt namelijk sterk samen met de alcoholproblematiek waar verzoeker al jaren mee worstelt. In de afgelopen jaren zijn er meerdere incidenten gerelateerd aan alcoholgebruik geweest waar verweerder van op de hoogte was. Verzoeker heeft al meerdere keren om hulp gevraagd voor zijn verslaving bij zowel het bedrijfsmaatschappelijk werk (BMW), de Militaire Geestelijke Gezondheidszorg (MGGZ) als extern, echter zonder (blijvend) resultaat. Hoewel verzoeker grotendeels zelf verantwoordelijk is voor zijn behandeltraject, ligt er naar het oordeel van de voorzieningenrechter ook een zekere mate van verantwoordelijkheid bij verweerder om adequaat te reageren op een hulpvraag. Zeker als mogelijk ook aan het werk gerelateerde spanning/werkdruk een rol speelt. Gebleken is echter dat verweerder voorafgaand aan het nemen van het ontslagbesluit niet heeft gekeken naar het medisch dossier van verzoeker. Daardoor bestaat er geen inzicht in de wijze waarop is omgegaan met de herhaalde hulpvraag van verzoeker. Naast dat de voorzieningenrechter hierdoor niet kan beoordelen of het ontslag gelet op alle relevante omstandigheden een evenredige maatregel is, kan ook niet worden vastgesteld of het aan verzoeker verweten gedrag hem gelet op zijn alcoholproblematiek (al dan niet verminderd) kan worden toegerekend. Gelet op het voorgaande is de voorzieningenrechter gekomen tot een toewijzing van het verzoek en heeft hij de werking van het ontslagbesluit opgeschort tot zes weken na de bekendmaking van de beslissing op bezwaar.



3.2.
Met het bestreden besluit van 13 maart 2026 heeft verweerder het ontslagbesluit in stand gelaten. Over de toerekenbaarheid heeft verweerder advies gevraagd aan de afdeling psychiatrische advisering van het Bedrijf voor Bijzondere Medische Beoordelingen (BMB). In het op 19 maart 2025 uitgebrachte advies concludeert het BMB dat het wangedrag verminderd aan verzoeker kan worden toegerekend. Er was ten tijde van het wangedrag sprake van een verslaving aan cocaïne en alcohol, waardoor het gebruik ervan als onvrijwillig wordt gezien. Deze onvrijwilligheid betekent volgens het advies echter niet dat de betrokkene geen keuzevrijheid meer had tijdens het plichtsverzuim. Hieruit kan volgens verweerder dan ook niet worden afgeleid dat verzoeker niet meer in staat zou zijn geweest om zijn wil ten aanzien van het al dan niet plegen van het wangedrag te bepalen. Om de vraag te kunnen beantwoorden of adequaat is gereageerd op het alcoholprobleem van verzoeker, heeft verweerder informatie opgevraagd over de door Defensie aan hem verleende zorg. Uit de stukken afkomstig van de huisarts en BMW komt naar voren dat eerder weliswaar is gesproken over een aantal problemen waar verzoeker mee worstelt, waarbij ook zijn drankgebruik weleens ter sprake kwam, maar dat verzoeker pas ná het incident van 5 juli 2024 duidelijk heeft aangegeven dat in dit verband moet worden gesproken van een probleem. Hetzelfde geldt voor wat betreft de door verzoeker gestelde werkstress. Verder blijkt uit navraag dat ook bij de (voormalige) leidinggevenden van verzoeker geen vermoeden bestond van een structureel alcoholprobleem bij verzoeker. Door zijn drankgebruik kwam verzoeker weliswaar incidenteel in de problemen, waar hij ook steeds op aangesproken werd, echter had dit geenszins invloed op de kwaliteit van het door hem afgeleverde werk. Verzoeker is daarom ook nooit naar de MGGZ doorgestuurd. Nu vanuit verzoeker vóór het incident van 5 juli 2024 geen duidelijke hulpvraag lag, kan het verweerder ook niet worden verweten dat hem niet de gepaste zorg is geboden. Voor wat betreft alle overige onderdelen blijft verweerder bij wat in het primaire besluit is gesteld.



Wat vindt verzoeker?



4. Dat verweerder zijn zorgplicht niet heeft geschonden, volgt verzoeker niet. Het feit dat voorheen incidenten gerelateerd aan zijn alcoholgebruik plaatsvonden waar hij steeds op aangesproken werd en naar aanleiding waarvan afspraken met hem werden gemaakt, bevestigt het beeld dat al vóór het incident van 5 juli 2024 sprake was van een structureel (alcohol)probleem. Verzoeker heeft hierover ook bij verschillende leidinggevenden aan de bel getrokken. Dat hij klaarblijkelijk wel goed bleef functioneren, staat hier geheel los van en mag voor verweerder geen reden zijn om zich aan de op hem rustende zorgplicht te onttrekken. Daarbij geldt dat op Defensie een zwaardere zorgplicht rust dan op andere werkgevers omdat werk en privé meer met elkaar zijn verweven en, ondanks de strenge gedragscode die geldt, sprake is van een bedrijfscultuur waarbij veel alcohol genuttigd wordt. Verder klopt het niet dat verzoeker, zoals verweerder in het bestreden besluit heeft gesteld, naar aanleiding van het incident dat plaatsvond in de Verenigde Staten is doorgestuurd naar BMW. Als dit wel was gebeurd, dan zou hij daarna zijn gemonitord door het sociaal/medisch team (SMT) en had er adequate hulp kunnen worden verleend. Voorts geldt dat verzoeker voorafgaand aan het incident van 5 juli 2024 bij de huisarts had verzocht om een doorverwijzing naar de MGGZ, echter werd hij in plaats daarvan doorgestuurd naar de praktijkondersteuner. Hier werd de oorzaak van zijn problemen niet aangepakt. Verder betoogt verzoeker dat het bestreden besluit in strijd is met het zorgvuldigheidsbeginsel. Verweerder heeft ten onrechte nagelaten om bij het aanvullende onderzoek drie leidinggevenden te horen die wél op de hoogte waren van zijn alcoholprobleem. Ook is verzoeker niet in de gelegenheid gesteld om op de verklaringen te reageren van leidinggevenden die wél zijn gehoord. Tot slot doet verzoeker een beroep op het gelijkheidsbeginsel. Hem is bekend dat een collega bij Defensie ook is betrapt op cocaïne, maar in tegenstelling tot verzoeker niet is ontslagen wegens wangedrag. Dit terwijl sprake is van vergelijkbare feiten en omstandigheden.



Wat is het oordeel van de voorzieningenrechter?





Was verweerder bevoegd om over te gaan tot ontslag?


5. Op grond van artikel 39, tweede lid, aanhef en onder l, van het AMAR kan aan een militair ontslag worden verleend wegens wangedrag in de dienst, dan wel buiten de dienst, voor zover dat gedrag schadelijk is of kan zijn voor zijn dienstinvulling of niet in overeenstemming is met het aanzien van zijn ambt.



5.1.
In het ambtenarentuchtrecht gelden niet de zeer strikte bewijsregels die in het strafrecht van toepassing zijn. Wel is noodzakelijk dat op basis van de beschikbare, deugdelijk vastgestelde gegevens de overtuiging is verkregen dat de betrokkene de hem verweten gedragingen heeft begaan. Bovendien moet het wangedrag aan hem toe te rekenen zijn en moet de opgelegde straf evenredig zijn aan de ernst van het gestelde wangedrag.



5.2.
Verweerder voert een zero tolerance beleid met betrekking tot (hard)drugs. Dat zeer stringente beleid is neergelegd in de Aanwijzing A/925 van 28 maart 2007, waarmee het beleid zoals eerder verwoord in de brief van de staatssecretaris van 16 april 1997 is neergelegd om harmonisering van de uitvoeringspraktijk ten goede te komen. In dat beleid staat dat het gebruik of aanwezig hebben van drugs, om welke reden dan ook, door militairen niet wordt getolereerd. Als hoofdregel geldt dan ook dat de militair die zich op enigerlei wijze inlaat met harddrugs, voor ontslag wordt voorgedragen.



5.3.
In het verzoekschrift stelt verzoeker dat hij de aan hem ten laste gelegde feiten, te weten het besturen van een voertuig onder invloed van alcohol, het gebruik van cocaïne en het weigeren van een bloedtest, niet ontkent. De voorzieningenrechter sluit daarom aan bij het eerdere oordeel van de voorzieningenrechter hangende de bezwaarprocedure, dat verweerder conform zijn beleid in beginsel ontslag heeft kunnen verlenen aan verzoeker.



Mocht verweerder van zijn bevoegdheid gebruik maken?


6. Verder is de voorzieningenrechter van oordeel dat verweerder in dit geval ook van zijn bevoegdheid tot het verlenen van ontslag gebruik mocht maken. De voorzieningenrechter legt hierna uit hoe zij tot dit oordeel komt.



Cocaïnegebruik


7. Op de zitting heeft verweerder aangegeven dat het aan verzoeker opgelegde ontslag wegens wangedrag met name is gelegen in zijn cocaïnegebruik. Volgens verweerder speelt de zorgplicht op dit onderdeel geen rol omdat verzoeker zijn cocaïneverslaving nimmer kenbaar heeft gemaakt en hiervoor ook niet om hulp heeft gevraagd. Verzoeker stelt daar tegenover dat zijn cocaïnegebruik niet los kan worden gezien van zijn alcoholverslaving. Als verweerder had voldaan aan zijn zorgplicht omtrent het alcoholgebruik van verzoeker, dan was hij niet zo ver afgegleden dat hij cocaïne zou gaan gebruiken.



7.1.
De voorzieningenrechter vat het betoog van verzoeker zo op dat hij vindt dat zijn cocaïnegebruik vanwege zijn alcoholverslaving niet toerekenbaar was. De vraag of wangedrag is aan te merken als toerekenbaar wangedrag is naar vaste rechtspraak een vraag naar de juridische kwalificatie van het betrokken feitencomplex. Ook wanneer een ter zake deskundige de toerekenbaarheid heeft onderzocht, ontslaat dit de rechter niet van zelfstandige oordeelsvorming. Van belang is of de ambtenaar de ontoelaatbaarheid van de verweten gedragingen heeft kunnen inzien en overeenkomstig dat inzicht heeft kunnen handelen. Het ligt op de weg van de ambtenaar om aannemelijk te maken dat het plichtsverzuim hem niet kan worden toegerekend.



7.2.
In het op 19 maart 2025 uitgebrachte adviesverslag van BMB wordt beschreven dat verzoeker ten tijde van het ten laste gelegde wangedrag onder meer lijdende was aan een stoornis in het gebruik van cocaïne (matig tot ernstig) en een stoornis in alcoholgebruik (ernstig). Verslaving wordt beschouwd als een hersenziekte, waardoor het gebruik van cocaïne en alcohol als onvrijwillig moet worden gezien. Deze onvrijwilligheid betekent echter niet dat verzoeker geen keuzevrijheid meer had tijdens het plichtsverzuim. Men kan stellen dat er toen sprake was van ‘verzwakte wilskracht’, waardoor hij niet volledig inzicht had in de draagwijdte van zijn handelen. Ten aanzien van verweten wangedrag moet verzoeker daarom als verminderd toerekeningsvatbaar worden beschouwd.



7.3.
De voorzieningenrechter overweegt dat op grond van het adviesverslag niet kan worden gesteld dat verzoeker de ontoelaatbaarheid van zijn alcohol- en cocaïnegebruik in zijn geheel niet meer heeft kunnen inzien en niet meer overeenkomstig dat inzicht heeft kunnen handelen. Door verzoeker zelf zijn evenmin aanknopingspunten aangedragen die in de richting van deze conclusie wijzen. Bij afwezigheid hiervan gaat de voorzieningenrechter er vanuit dat verzoeker voor wat betreft zijn cocaïnegebruik in ieder geval voor een gedeelte zelf verantwoordelijkheid draagt en hij dit niet zonder meer kan afwentelen op zijn alcoholverslaving – nog daargelaten de vraag of Defensie voor wat betreft dit laatste enig verwijt kan worden gemaakt (waarover verderop in de uitspraak meer). Voorts kan uit het door verweerder overlegde medische dossier van verzoeker niet worden afgeleid dat hij op enig moment een hulpvraag bij Defensie heeft neergelegd vanwege zijn cocaïnegebruik. Dit wordt door verzoeker ook niet betwist. Dat betekent dat verweerder op dit onderdeel niet in strijd heeft gehandeld met de op hem rustende zorgplicht.



7.4.
Vanwege het zero-tolerance beleid op het gebied van harddrugs, dat door de hoogste bestuursrechter niet onredelijk wordt geacht, heeft verweerder verzoeker alleen al vanwege zijn cocaïnegebruik kunnen ontslaan vanwege wangedrag. Verweerder heeft in dat kader groot gewicht kunnen toekennen aan de omstandigheid dat verzoeker met zijn handelwijze het vertrouwen dat verweerder in hem als integere en betrouwbare militair moet kunnen stellen in ernstige mate heeft geschaad. Harddrugs kunnen alleen in het criminele circuit worden verkregen en het gebruik ervan houdt dit in stand. Verder is het gebruik en bezit van (hard)drugs door een militair vanuit het oogpunt van veiligheid ontoelaatbaar en heeft eveneens negatieve effecten op de geloofwaardigheid en integriteit van de krijgsmacht als geheel. Ook ondergraaft drugsgebruik het uitgangspunt dat militairen onderling op elkaar moeten kunnen vertrouwen. Met een minder vergaande maatregel dan ontslag heeft verweerder daarom niet hoeven volstaan.



7.5.
Over het beroep van verzoeker op het gelijkheidsbeginsel overweegt de voorzieningenrechter als volgt. Het gelijkheidsbeginsel verlangt volgens vaste jurisprudentie dat vergelijkbare situaties niet verschillend en verschillende situaties niet gelijk worden behandeld, tenzij een dergelijke behandeling objectief gerechtvaardigd is. Van gelijke gevallen is naar het oordeel van de voorzieningenrechter in dit geval echter geen sprake. Verweerder heeft er terecht op gewezen dat de omstandigheden in deze zaak op enkele relevante punten verschillen van de omstandigheden in de zaak waarnaar verzoeker heeft verwezen. Naast een verschil in de toerekenbaarheid betreft dit onder meer het feit dat de militair in de andere zaak, anders dan verzoeker, voorafgaand aan het verweten wangedrag een hulpvraag bij Defensie had neergelegd voor zijn cocaïnegebruik. En waar de militair in de andere zaak ‘slechts’ cocaïnegebruik werd verweten, heeft verweerder in deze zaak in totaal drie gedragingen aan het ontslag ten grondslag gelegd.



Zorgplicht Defensie ten aanzien van de alcoholverslaving van verzoeker

8. Hoewel uit het voorgaande volgt dat verweerder verzoeker alleen al vanwege zijn cocaïnegebruik wegens wangedrag heeft mogen ontslaan, ziet de voorzieningenrechter gelet op de opdracht die de voorzieningenrechter in zijn uitspraak hangende de bezwaarprocedure aan verweerder heeft gegeven, het onderzoek dat verweerder naar aanleiding daarvan heeft verricht en het besprokene op de zitting aanleiding om in te gaan op de vraag of Defensie zijn zorgplicht jegens verzoeker is nagekomen voor wat betreft zijn alcoholverslaving.




8.1.
Uit het door verweerder verstrekte overzicht van de geboden zorg vanuit het gezondheidscentrum volgt dat verzoeker in eerste instantie op 21 maart 2022 is gezien en beoordeeld door een militaire huisarts, waarna hij is doorverwezen naar de praktijkondersteuner GGZ (POH-GGZ). Daar heeft verzoeker in de periode van 23 mei 2022 tot 27 februari 2023 12 afspraken gehad. Blijkens de inhoud van de verslagen van deze afspraken gingen deze hoofdzakelijk over de problemen die verzoeker ervoer in relatie tot zijn gezin. Slechts zijdelings werd er gesproken over zijn alcoholgebruik, maar niet als een op zichzelf staand probleem. Ook in de verslagen van de gesprekken die verzoeker had met BMW komt dit niet als zodanig naar voren. Bovendien staat in het verslag van de laatste afspraak met de POH-GGZ van 27 februari 2023 beschreven dat het iets beter gaat met verzoeker en dat de gevoerde gesprekken hem meer inzicht hebben gegeven. Pas tijdens de afspraak op 15 juli 2024, dus na het incident van 5 juli 2024, verandert dit beeld en maakt verzoeker melding van het feit dat hij zijn alcoholgebruik als een probleem ervaart. Voor de stelling van verzoeker op zitting dat de gespreksverslagen dienen als geheugensteuntjes en zijn alcoholverslaving om die reden onbenoemd laten, ziet de voorzieningenrechter geen enkel aanknopingspunt. Voorts erkennen de (voormalige) leidinggevenden van verzoeker in hun overlegde verklaringen weliswaar dat hij in het verleden betrokken is geweest bij meerdere incidenten waarbij overmatig alcoholgebruik aan de orde was, echter bestond bij geen van allen een vermoeden dat hij kampte met een alcoholverslaving. Zijn stelling op de zitting dat verzoeker met medeweten van onder meer zijn commandant en BMW een verslavingscoach heeft ingeschakeld, heeft verzoeker niet met nadere stukken kunnen onderbouwen. Tegen deze achtergrond vindt de voorzieningenrechter het voorstelbaar dat destijds geen aanleiding werd gezien om verzoeker en zijn alcoholgebruik te bespreken in het SMT, laat staan om hem door te verwijzen naar de MGGZ. Met zijn stelling dat bij Defensie sprake is van een bedrijfscultuur waarbij veel alcohol wordt geschonken – wat daar verder ook van zij – gaat verzoeker eraan voorbij dat hij hierin zelf ook een verantwoordelijkheid heeft en dat hij, ondanks zijn ‘verzwakte wilskracht’, volgens het hiervoor besproken advies nog wel keuzevrijheid had om zich hieraan te onttrekken. Gelet op dit alles is de voorzieningenrechter van oordeel dat verweerder met het aanvullende onderzoek hangende de bezwaarprocedure alsnog voldoende heeft gemotiveerd dat hij de op hem rustende zorgplicht jegens verzoeker niet heeft geschonden.



8.2.
Dat het bestreden besluit in strijd is met het zorgvuldigheidsbeginsel, zoals verzoeker heeft betoogd, volgt de voorzieningenrechter niet. Met het horen van in totaal zeven (voormalige) leidinggevenden van verzoeker, die bovendien allen nagenoeg gelijkluidende verklaringen hebben afgelegd, kan ervanuit worden gegaan dat een representatief beeld is verkregen van het gedrag van verzoeker gedurende een langere periode. Als verzoeker zich desondanks op het standpunt stelt dat er drie (voormalige) leidinggevenden zijn die in zijn voordeel kunnen verklaren, dan had het op zijn weg gelegen om hen te vragen een getuigenverklaring op te stellen. Voor zover verzoeker heeft betoogd dat hij ten onrechte niet in de gelegenheid is gesteld om op de verklaringen van de (voormalige) leidinggevenden die wél zijn gehoord te reageren, overweegt de voorzieningenrechter dat verzoeker dat in deze procedure voldoende heeft kunnen doen. Verzoeker is hierdoor dus niet in zijn belangen geschaad.





Conclusie en gevolgen


9. Gelet op het voorgaande is het beroep ongegrond. Dat betekent dat verzoeker geen gelijk krijgt. Omdat met deze uitspraak op het beroep wordt beslist, is er geen aanleiding om een voorlopige voorziening te treffen. Het verzoek daartoe wordt daarom afgewezen. Voor een proceskostenveroordeling of een vergoeding van het griffierecht bestaat geen aanleiding.







Beslissing


De voorzieningenrechter:


- verklaart het beroep ongegrond;
- wijst het verzoek om een voorlopige voorziening af.



Deze uitspraak is gedaan door mr. C.W. Griffioen, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. R.J.P. Lindhout, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 27 mei 2026.










griffier


voorzieningenrechter








Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:





Rechtsmiddel


Tegen deze uitspraak kan voor zover daarbij is beslist op het beroep binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep.
Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening.




Op grond van artikel 39, tweede lid en onder l, van het Algemeen militair ambtenarenreglement (AMAR).


ECLI:NL:RBDHA:2024:16040.


Zoals neergelegd in de Aanwijzing A/925 van 28 maart 2007.


Zie onder meer de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep (Raad) van 15 september 2011, ECLI:NL:CRVB:2011:BT1997 en de uitspraak van de Raad van 3 december 2020, ECLI:NL:CRVB:2020:3053.


Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Raad van 19 januari 2006, ECLI:NL:CRVB:2006:AV0497.


Vergelijk de uitspraak van de Raad van 20 november 2014, ECLI:NL:CRVB:2014:3895.


Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Raad van 20 april 2023, ECLI:NL:CRVB:2023:736.


Zie onder meer de uitspraak van het College van beroep voor het bedrijfsleven van 13 september 2012, ECLI:NL:CBB:2012:BY0430.