Neuralex RechtspraakNeuralex Rechtspraak
Inloggen staging

Rechtbank Den Haag

ECLI:NL:RBDHA:2026:26241

2026-09-04 Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht NL26.47558
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen

Gegevens

Instantie
Rechtbank Den Haag
Uitspraakdatum
2026-09-04
Publicatiedatum
2026-09-10
Rechtsgebied
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Procedure
Eerste aanleg - enkelvoudig
Zaaknummer
NL26.47558
Type
Uitspraak
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Inhoudsindicatie

Bewaring; ongegrond.

Citeert (8)

Geciteerd door (0)

  • geen

Volledige tekst

Volledige tekst (15.157 tekens)
RECHTBANK DEN HAAG


Zittingsplaats Arnhem



Bestuursrecht



zaaknummer: NL26.47558


uitspraak van de enkelvoudige kamer van 1 september 2026 in de zaak tussen

[eiser] , v-nummer: [X] , eiser
(gemachtigde: mr. S.J. Koolen),


en


de ambtenaar belast met de grensbewaking, de ambtenaar
(gemachtigde: mr. A.N. Sap).




Procesverloop


Bij besluit van 18 augustus 2026 (het bestreden besluit) is aan eiser met toepassing van artikel 6, derde lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000) een vrijheidsontnemende maatregel van grensdetentie opgelegd.



De ambtenaar heeft de rechtbank op grond van artikel 94, eerste lid, van de Vw 2000 van het besluit tot oplegging van de vrijheidsontnemende maatregel in kennis gesteld. Deze kennisgeving wordt gelijkgesteld met een door eiser ingesteld beroep. Dit beroep moet tevens worden aangemerkt als een verzoek om toekenning van schadevergoeding.



De rechtbank heeft het beroep op 25 augustus 2026 op zitting behandeld. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. De ambtenaar heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.




Overwegingen

1. Indien de rechtbank bij de beoordeling van het beroep van oordeel is dat de toepassing of tenuitvoerlegging van de maatregel in strijd is met de Vw 2000 dan wel bij afweging van alle daarbij betrokken belangen niet gerechtvaardigd is, verklaart zij op grond van artikel 94, zesde lid, van de Vw 2000 het beroep gegrond.

2. Op grond van artikel 5.5, tweede lid, van het Vreemdelingenbesluit 2000 (Vb 2000) wordt een vrijheidsontnemende maatregel op grond van artikel 6, derde lid, van de Vw 2000 opgelegd in het kader van het grensbewakingsbelang. Deze wordt niet opgelegd of voortgezet indien sprake is van bijzondere individuele omstandigheden die vrijheidsontneming onevenredig bezwarend maken.





Is de maatregel onrechtmatig, omdat eiser voldoet aan de toegangsvoorwaarden ?


3. Eiser betoogt dat uit de stukken onvoldoende blijkt dat eiser niet voldoet aan de toegangsvoorwaarden, aangezien hij in het bezit was van een geldig visum. Voor toepassing van de grensdetentie is vereist dat eiser niet aan de toegangsvoorwaarden van de Schengengrenscode voldoet.


3.1.
De beroepsgrond slaagt niet. Voorafgaand aan het opleggen van de maatregel is eiser gehoord. Daarbij heeft eiser verklaard dat hij in Nederland asiel wilde aanvragen, omdat hij gevaar loopt in Sudan, vanwege zijn religie en politieke overtuiging. Eiser verklaarde gekozen te hebben voor Nederland, omdat zijn kinderen in Nederland wonen. Uit de verklaring blijkt dat eiser zijn visum met een ander doel heeft aangevraagd dan waarvoor hij het daadwerkelijk heeft gebruikt, namelijk het aanvragen van lang verblijf in plaats van een kort verblijf. De minister stelt terecht dat eiser hiermee niet voldoet aan de voorwaarden voor toelating tot Nederland. De enkele omstandigheid dat het Schengenvisum van eiser geldig zou zijn geweest, brengt niet met zich mee dat eiser feitelijk toegang tot het grondgebied moet worden verleend of dat van de grensprocedure moet worden afgezien.



Heeft eiser ten onrechte in de lounge moeten verblijven?

4. Eiser betoogt dat hij enige tijd in de lounge van Schiphol heeft moeten verblijven, terwijl niet duidelijk is gemotiveerd dat en waarom dit een geschikte locatie is voor screening.




4.1.
Uit de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 20 december 2018 volgt dat een verblijf in de internationale lounge gedurende maximaal 24 uur in beginsel aanvaardbaar is. Uit de stukken volgt dat eiser op 17 augustus 2026 om 20:45 uur op grond van artikel 4.6 van het Vb 2000 een aanwijzing heeft gekregen om zich gedurende één nacht op te houden in de internationale lounge. Uit de stukken volgt verder dat eisers vlucht op 17 augustus 2026 om 20:45 uur op Schiphol is geland en dat hij op 18 augustus om 14:00 uur is overgebracht naar het aanmeldcentrum Schiphol. De rechtbank acht het, gelet op deze tijdstippen aannemelijk dat eisers verblijf in de lounge op Schiphol minder dan 24 uur heeft geduurd. Mede gelet op de duur van het verblijf ziet de rechtbank daarin onvoldoende aanleiding voor het oordeel dat de internationale lounge op Schiphol in dit geval niet als een toereikende en geschikte screeningslocatie kon worden aangemerkt.



Moet de maatregel worden opgeheven omdat in strijd met de Screeningsverordening is gehandeld?

5. Eiser betoogt dat de ambtenaar verplicht is om bij de screening een voorlopige medische controle te verrichten en voorlopig te beoordelen of eiser kwetsbaar is. Nu een dergelijke medische beoordeling niet heeft plaatsgevonden is de maatregel onrechtmatig volgens eiser. Hij wijst in dat verband op een uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Roermond, van 10 augustus 2026. Uit de Procedureverordening en de Opvangrichtlijn blijkt dat de screening een belangrijke eerste stap is in de beoordeling van de vraag of de grensprocedure kan worden toegepast en of de opvang, dan wel bewaring gepast/evenredig is.




5.1.
De beroepsgrond slaagt niet. De maatregel van eiser is gebaseerd op artikel 6, derde lid, van de Vw 2000. Uit deze bepaling volgt dat in het kader van het nemen van een beslissing over de toegang tot Nederland en/of het uitvoeren van de screening als bedoeld in de Screeningverordening een vrijheidsontnemende maatregel kan worden opgelegd aan de vreemdeling die aan de buitengrens van Nederland een asielwens uit. Uit de maatregel volgt dat deze zowel in het kader van het nemen van een beslissing op de asielaanvraag als het screenen van eiser is opgelegd. Aangezien eiser niet voldeed aan de voorwaarden voor toegang tot Nederland, hij aan de buitengrens een asielwens heeft geuit en de minister op de daarna geformaliseerde asielaanvraag nog niet heeft beslist, wordt voldaan aan de voorwaarden voor oplegging van de maatregel. De stelling van eiser dat de KMar tijdens de screening geen voorlopige beoordeling van de kwetsbaarheid heeft uitgevoerd en geen voorlopige medische controle door gekwalificeerd medisch personeel heeft laten uitvoeren en de maatregel om die reden niet had mogen worden opgelegd, kan niet leiden tot het daarmee beoogde resultaat. Het volledig hebben uitgevoerd van een screening is immers – zoals ook hierboven overwogen – geen voorwaarde voor het opleggen van de maatregel van grensdetentie en bovendien kan eiser het resultaat van de screening aan de orde stellen in een eventueel beroep tegen de beslissing op zijn asielaanvraag. De rechtbank ziet in de door eiser aangehaalde rechtspraak geen reden om tot een ander oordeel te komen.



Had de ambtenaar moeten volstaan met het toepassen van een lichter middel?
6. Eiser betoogt dat het opleggen van de maatregel in strijd is met het Unierecht. De minister gaat er ten onrechte vanuit dat het grensbewakingsbelang enkel kan worden gewaarborgd met vrijheidsontneming en een lichter middel niet mogelijk is, omdat het leidt tot opheffing en het prijsgeven van dat belang. Artikel 6, derde lid, van de Vw 2000 is een “kan” bepaling. Dit betekent dat het opleggen van de maatregel een mogelijkheid is, maar niet het uitgangspunt. Eiser verwijst hiervoor naar verschillende stukken en voorbeelden vanuit de praktijk, waaruit kort gezegd blijkt dat er voor de grensprocedure alternatieven denkbaar zijn, dat deze alternatieven worden toegepast en dat de minister de afweging of er in eisers geval een lichter middel had moeten worden toegepast dan ook had moeten maken.
Eiser heeft in dit verband onder meer verwezen paragraaf 1.1.3 van het EUAA handboek, de Procedureverordening de Screeningsverordening, de Terugkeergrensprocedureverordening en de Procedurerichtlijn. Verder haalt eiser aan dat er in Denemarken en Italië bij grensdetentiezaken gebruik wordt gemaakt van een alternatief voor inbewaringstelling, een voorbeeld hiervan is het in beslag nemen van de reisdocumenten of het betalen van een waarborgsom. Ook wijst eiser op een prejudiciële vraag gesteld door de Tribunale di Catania over dit onderwerp. Daarnaast verwijst eiser naar rechtspraak van het Hof van Justitie waaruit samengevat volgt dat vrijheidsontneming niet de regel mag zijn. Tot slot stelt eiser nog dat het onjuist is dat voor bewaring op grond van artikel 8, derde lid, sub c, van de Opvangrichtlijn geen minder dwingende maatregelen kunnen worden toegepast. Al deze verwijzingen tezamen maken duidelijk dat de grensprocedure ook zonder bewaring mogelijk is volgens het Hof, de praktijk en het Unierecht.




6.2.

De beroepsgrond slaagt niet. Zoals eiser terecht opmerkt verplicht het Unierecht niet tot grensdetentie. Zo volgt uit overweging 69 van de considerans van de Procedureverordening dat de grensprocedure voor de behandeling van een verzoek om internationale bescherming kan worden toegepast zonder een beroep te doen op bewaring. Het Unierecht laat daarbij echter de mogelijkheid van bewaring bij een grensprocedure nadrukkelijk open, mits wordt voldaan aan de voorwaarden in de Opvangrichtlijn. Op grond van artikel 10, vierde lid, aanhef en onder d, van de Opvangrichtlijn mag een verzoeker in bewaring worden gehouden om in het kader van een grensprocedure een beslissing te nemen over het recht van de verzoeker om het grondgebied te betreden.
Het uitgangspunt dat grensbewakingsbelang in beginsel steeds het opleggen van een vrijheidsontnemende maatregel vereist, blijft binnen de door het Unierecht geboden ruimte. De rechtbank stelt vast dat de ambtenaar bij zijn beslissing om deze vrijheidsontnemende maatregel op te leggen aan het grensbewakingsbelang een groot en doorslaggevend gewicht heeft toegekend. Dat mocht de ambtenaar volgens de rechtbank ook doen. Het opleggen van een lichter middel heeft immers tot gevolg dat eiser feitelijk (onderstreping door de rechtbank) toegang tot Nederland verkrijgt, omdat toepassing van een lichter middel aan de buitengrens niet mogelijk is. Het grensbewakingsbelang kan daarom in beginsel enkel worden veiliggesteld met het opleggen van een vrijheidsontnemende maatregel. Daarbij neemt de rechtbank in aanmerking dat de ambtenaar wel in elke zaak dient te onderzoeken of er bijzondere redenen zijn die maken dat het opleggen van grensdetentie achterwege moet worden gelaten, in weerwil van het grensbewakingsbelang. Het betoog van eiser dat de maatregel in strijd is met het Unierecht, volgt de rechtbank gezien het voorgaande niet.




6.3.
De ambtenaar heeft in het gehoor voorafgaand aan de oplegging van de maatregel vragen gesteld aan eiser of er bijzondere omstandigheden zijn die maken dat zijn vrijheid niet kan worden ontnomen. Eiser heeft de vraag of hij lijdt aan een ernstige ziekte of lichamelijke aandoening waarvoor direct medische hulp noodzakelijk is met “nee” beantwoord. Eiser heeft als antwoord gegeven op de vraag of hij last heeft van andere ziektes, lichamelijke aandoeningen of beperkingen dat hij last heeft van een hoge bloedruk, waarvoor hij medicatie gebruikt. Eiser heeft in hetzelfde gehoor verklaard dat hij nog genoeg medicatie heeft voor drie maanden. Daarnaast heeft eiser aangegeven dat er geen andere spoedeisende omstandigheden zijn die aanleiding geven om zijn asielprocedure in vrijheid te doorlopen. Aan het eind van het gehoor zijn de eigen bevindingen van de verbalisant genoteerd en heeft hij aangegeven dat er geen onmiddellijk identificeerbare lichamelijke of geestelijke handicap en geen zichtbare of merkbare psychische of fysieke trauma’s zijn waargenomen of aangevoerd. Naar het oordeel van de rechtbank biedt de huidige informatie onvoldoende aanknopingspunten voor het oordeel dat eiser detentieongeschikt zou zijn. Nu niet is gebleken dat eiser detentieongeschikt is of zich anderszins bijzondere omstandigheden voordoen – zoals blijkt uit het gehoor van 18 augustus 2026 – heeft de ambtenaar niet hoeven volstaan met toepassing van een lichter middel.



Leidt ambtshalve toetsing tot een ander oordeel?

7. Los van de door eisers aangevoerde gronden, ziet de rechtbank in de door de ambtenaar en eisers verstrekte gegevens verder geen grond om te komen tot het oordeel dat de toepassing of tenuitvoerlegging van de vrijheidsontnemende maatregelen op enig moment onrechtmatig is geweest.






Beslissing


De rechtbank:

- verklaart het beroep ongegrond;
- wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. G.W.B. Heijmans, rechter, in aanwezigheid van S. Voolstra, griffier.


De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:






Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking.




Artikel 43 lid 2 van de Procedureverordening (2024/1348) en artikel 1 van de Screeningsverordening (2024/1356).


Pagina 2, van het gehoor van 18 augustus 2026.


Zie ABRvS, 3 juni 2016, ECLI:NL:RVS:2016:1451 en ABRvS, 26 maart 2026, ECLI:NL:RVS:2026:1656.


ECLI:NL:RVS:2018:4201.


Dit blijkt uit het proces-verbaal van bevindingen bij aanvraag asiel.


Op grond van artikel 12 van de Screeningsverordening, 2024/1356.


Rb. Den Haag (zp Roermond) 10 augustus 2026, ECLI:NL:2026:22391


Artikel 53, tweede lid van de Procedureverordening en artikel 10 van de Opvangrichtlijn.


Zie ook Rb. Den Haag (zp Roermond) 7 augustus 2026, ECLI:NL:RBDHA:2026:22618, r.o. 12.


EUAA Practical Guide on the Asylum Border Procedure, maart 2026, Paragraaf 1.1.3 en Handbook on European law relating to asylum, borders and immigration Edition 2026.


Onder 69, van de preambule en artikel 54, van de procedureverordening.


Artikel 9 van de Opvangrichtlijn, in samenhang gelezen met onder 11, van de preambule van de Screeningsverordening.


Artikel 8 van de Procedurerichtlijn.


European Parliamentary Research Service), Ex‐Post Evaluation Unit, PE 654.201 – November
2020, Asylum procedures at the border European Implementation Assessment en Financial guarantee to avoid detention in a fast‐track procedure at the border The Decree‐Law 20/2023.


In de zaak C‐104/24 (geschrapt).


ECLI:EU:C:2020:367; ECLI:EU:C:2020:1029.


Pagina 4,5 en 6 van het gehoor van 18 augustus 2026.


Vergelijk HvJEU 4 september 2025, ECLI:EU:C:2025:647 (Adrar) en HvJEU 8 november 2022, ECLI:EU:C:2022:858 (C, B en X).