Rechtbank Den Haag
ECLI:NL:RBDHA:2026:22618
2026-08-07
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
NL26.42117
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen
Inhoudsindicatie
Grensdetentie op grond van artikel 6, derde lid, van de Vw. Het beroep is ongegrond. De verwijzing naar de uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Amsterdam, slaagt niet. In het kader van de screening heeft een kwetsbaarheidsbeoordeling plaatsgevonden. Er heeft ook een individuele lichter middel beoordeling plaatsgevonden. De minister mocht in dit geval, gelet op de antwoorden van eiser, aan het grensbewakingsbelang een groot en doorslaggevend gewicht toekennen.
Citeert (7)
- ECLI:NL:RBDHA:2026:19756 Rechtbank Den Haag 17-07-2026
- ECLI:NL:RVS:2024:315 Raad van State 29-01-2024
- ECLI:NL:RVS:2025:5795 Raad van State 28-11-2025
- ECLI:NL:RVS:2025:2925 Raad van State 01-07-2025
- ECLI:NL:RVS:2025:5224 Raad van State 30-10-2025
- ECLI:NL:RVS:2025:1409 Raad van State 02-04-2025
- ECLI:NL:RVS:2024:1228 Raad van State 26-03-2024
Geciteerd door (1)
- ECLI:NL:RBDHA:2026:26241 Rechtbank Den Haag 04-09-2026
Volledige tekst
Volledige tekst (16.798 tekens)
RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Roermond
Bestuursrecht
zaaknummer: NL26.42117
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[eiser] , V-nummer: [V-nummer] , eiser
(gemachtigde: mr. L.M. Weber),
en
de minister van Asiel en Migratie,
(gemachtigde: mr. L. Hartog).
Procesverloop
Bij het besluit van 25 juli 2026 (het bestreden besluit) is aan eiser met toepassing van artikel 6, derde lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) een vrijheidsontnemende maatregel opgelegd.
De minister heeft de rechtbank op grond van artikel 94, eerste lid, van de Vw van dit besluit in kennis gesteld. Deze kennisgeving wordt gelijkgesteld met een door eiser ingesteld beroep. Dit beroep moet tevens worden aangemerkt als een verzoek om toekenning van schadevergoeding.
De rechtbank heeft het beroep op 30 juli 2026 op zitting behandeld. Eiser en zijn gemachtigde zijn, met bericht van verhindering, niet verschenen. Van eiser is ook een afstandsverklaring ontvangen. Eiser heeft wel schriftelijk beroepsgronden ingediend. De minister heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.
Overwegingen
1. Eiser is geboren op [geboortedag] 1990 en heeft de Keniaanse nationaliteit. Hij is op 24 juli 2026 met een geldig paspoort geland op Schiphol en heeft aan de buitengrens zijn asielverzoek kenbaar gemaakt om 19:40 uur. Eiser heeft op diezelfde dag om 20:40 uur de aanwijzing gekregen om zich tot 25 juli 2026 07:00 uur op te houden in de internationale lounge op de luchthaven. Op 25 juli 2026 heeft eiser zijn asielverzoek ingediend en om 20:16 uur op diezelfde dag is besloten om een besluit omtrent de toegangsweigering uit te stellen en zijn asielaanvraag in de grensprocedure wordt behandeld. Tegelijkertijd is aan eiser met het bestreden besluit de vrijheidsontnemende maatregel (de grensdetentie) opgelegd op grond van artikel 6, derde lid, van de Vw waarover dit beroep gaat.
2. De minister kan de vreemdeling die aan de grens te kennen heeft gegeven een asielaanvraag te willen indienen en die niet voldoet aan de toegangsvoorwaarden, zolang er nog geen definitieve beslissing is genomen, verplichten zich op te houden in een ruimte of plaats die kan worden beveiligd tegen ongeoorloofd vertrek, in het kader van een procedure om een beslissing te nemen over de toegang of in het kader van de toepassing van de screeningsprocedure. Deze maatregel wordt opgelegd in het kader van het grensbewakingsbelang en wordt niet opgelegd of voortgezet indien sprake is van bijzondere individuele omstandigheden die vrijheidsontneming onevenredig bezwarend maken. De strekking van de grensdetentie is dat eiser moet verblijven in het Aanmeldcentrum Schiphol.
3. Indien de rechtbank bij de beoordeling van het beroep van oordeel is dat de toepassing van de maatregel in strijd is met de Vw dan wel bij afweging van alle daarbij betrokken belangen niet gerechtvaardigd is, verklaart zij op grond van artikel 94, zesde lid, van de Vw het beroep gegrond en beveelt zij de opheffing van de maatregel.
Bevoegdheid tot het opleggen van de maatregel
4. Eiser voert (samengevat) aan dat de maatregel van grensdetentie onrechtmatig is opgelegd. De minister trekt in de eerste plaats een grotere verantwoordelijkheid naar zich toe wat betreft het bewaken van de buitengrens dan het Unierecht voorschrijft. Ten tweede legt de minister ten onrechte een automatische koppeling tussen het grensbewakingsbelang en grensdetentie. Ook sluit de minister (hierdoor) ten onrechte categorisch de mogelijkheid uit van een lichter middel. Tot slot betrekt de minister ten onrechte standaard ook niet alle mogelijke relevante feiten en omstandigheden bij zijn oordeel of het evenredig is om grensdetentie op te leggen. Eiser verwijst ter onderbouwing van dit standpunt naar de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Amsterdam, van 17 juli 2026. Uit artikel 45, eerste lid, van de Procedureverordening volgt volgens eiser dat niet in alle gevallen een verplichting bestaat om tot de grensprocedure over te gaan en daarmee de toegang van de vreemdeling uit te stellen en tot grensdetentie te besluiten. Een dwingende verplichting bestaat wel wanneer een vreemdeling onder artikel 42, eerste lid, aanhef en onder j, van de Procedureverordening valt. Daarvan is sprake wanneer voor het land van herkomst een EU-jaargemiddeld inwilligingspercentage van 20% of lager geldt. In de maatregel heeft de minister niet gemotiveerd dat dit voor Kenia geldt. Als duidelijk wordt dat die dwingende verplichting er wel is, dan heeft volgens eiser alsnog te gelden dat niet is gemotiveerd waarom in zijn geval niet met een lichter middel dan vrijheidsontneming kon worden volstaan.
5. De minister heeft toegelicht dat hoger beroep is ingesteld tegen de uitspraak waarnaar eiser heeft verwezen. In de onderhavige procedure heeft de minister het hoger beroepschrift in die zaak ingebracht. Daarin is (kort gezegd) naar voren gebracht dat het grensbewakingsbelang niet effectief kan worden uitgevoerd zonder grensdetentie. Het belang van grensbewaking kan in beginsel slechts worden veiliggesteld door het opleggen van een vrijheidsontnemende maatregel. De minister benadrukt echter dat het opleggen van een maatregel van grensdetentie steeds is gebaseerd op een individuele beoordeling, waarbij wordt bezien of dat proportioneel is. Grensdetentie is geen automatisme. Er kunnen zich bijzondere, individuele omstandigheden voordoen op grond waarvan de minister van vrijheidsontneming afziet. De minister heeft verder opgemerkt dat het niet aan de bewaringsrechter is om te oordelen over de vraag of het asielverzoek in de grensprocedure kan worden behandeld.
6. De rechtbank stelt voorop dat eiser (als asielzoeker die niet onder de werkingssfeer van de Asiel- en migratiebeheerverordening valt) in bewaring is gesteld op grond van artikel 6, derde lid, van de Vw. Mede gelet op artikel 5.5 en 5.6 van het Vb geldt bij deze grondslag niet als voorwaarde dat sprake moet zijn van een onderduikrisico. De maatregel kan worden opgelegd in het kader van het grensbewakingsbelang.
7. De rechtbank overweegt vervolgens dat (niet in geschil is dat) eiser aan de buitengrens een verzoek om internationale bescherming heeft ingediend terwijl hij niet aan de toegangsvoorwaarden voldeed. Daarmee is voldaan aan de voorwaarden voor toepassing van de vrijheidsontnemende maatregel op grond van artikel 6, derde lid van de Vw.
8. Daarbij overweegt de rechtbank allereerst ook dat de minister voorafgaand aan het opleggen van deze maatregel geen beoordeling hoefde te maken of eisers asielaanvraag zich leent voor behandeling in de grensprocedure en dat de bewaringsrechter zich in beginsel niet inhoudelijk kan uitlaten over de vraag of een asielverzoek in de grensprocedure kan worden behandeld. De Afdeling heeft daarover namelijk al meermalen overwogen dat de minister de gelegenheid moet krijgen om onderzoek daarnaar te doen en een redelijke termijn daarvoor moet krijgen. De rechtbank ziet in de beroepsgronden van eiser en zijn situatie geen reden voor een ander oordeel daarover in zijn geval.
9. Daarnaast is hierbij van belang dat de Afdeling vóór de inwerkingtreding van de Procedureverordening en de herschikte Opvangrichtlijn heeft geoordeeld dat grensdetentie geoorloofd is als de minister in de grensprocedure beslist of een verzoeker het grondgebied van Nederland mag betreden en dat een vrijheidsontnemende maatregel op grond van artikel 6, derde lid, van de Vw (de grensdetentie) daarmee dus wordt opgelegd ter bescherming van het grensbewakingsbelang. Dit is erkend als een zwaarwegend belang, omdat bij een lichter middel dan grensdetentie eiser feitelijk toegang tot Nederland krijgt.
10. De rechtbank onderschrijft daarbij echter wel het algemene uitgangspunt dat het opleggen van de maatregel van grensdetentie geen automatisme moet zijn, maar juist het resultaat van de toepassing van een bevoegdheid. Dat betekent dat de minister ook moet kunnen besluiten om de maatregel van grensdetentie achterwege te laten. De minister dient steeds te beoordelen of met een lichter middel kan of moet worden volstaan, ook al geeft hij dan het grensbewakingsbelang prijs. Dat onderschrijft de minister ook. In de maatregel van eiser is ook een beoordeling van een lichter middel opgenomen. De rechtbank deelt dan ook eisers standpunt niet dat geen sprake zou zijn geweest van een individuele beoordeling. De vaststelling dat de grensdetentie nodig is om het grensbewakingsbelang te dienen en dat dit belang ook zwaar weegt, betekent dan ook niet dat automatisch de vrijheidsontnemende maatregel van grensdetentie is opgelegd of dat er een automatische koppeling is tussen het grensbewakingsbelang en het opleggen van grensdetentie. De verwijzing van eiser naar de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Amsterdam, slaagt in zijn geval dan ook niet. De afweging over het lichter middel in het geval van eiser bespreekt de rechtbank hierna.
De kwetsbaarheidsbeoordeling en een lichter middel
11. Hierover stelt eiser dat hij tijdens het gehoor voorafgaand aan zijn asielaanvraag heeft verklaard dat zijn broer (die politiek actief was), is vermoord en dat hij zelf vreest voor zijn leven vanwege deze familierelatie. Dit is een trauma-gerelateerd relaas. Desondanks heeft de screening voorafgaand aan de oplegging van de vrijheidsontnemende maatregel zich beperkt tot vier algemene en uitsluitend somatisch gerelateerde vragen. De vragen knopen niet aan bij het relaas van eiser, terwijl eiser aan de aanvallen op hemzelf ook zelf zichtbare littekens aan zijn nek heeft overgehouden. De screening voldoet hiermee niet aan de eisen uit de Screeningsverordening en hiermee is ook geen sprake van een vroegtijdige, individuele identificatie van kwetsbaarheid zoals de herschikte Opvangrichtlijn vereist. Een toereikende beoordeling vereist volgens eiser dat wordt ingegaan op de concrete, individuele omstandigheden die de vreemdeling zelf naar voren heeft gebracht. Dit is hier niet gebeurd: in de maatregel is immers niet het relaas over de moord op zijn broer betrokken bij de vraag of sprake is van bijzondere opvangbehoeften die aan de oplegging van de maatregel in de weg staan of geen aanleiding gaf tot een nadere kwetsbaarheidsbeoordeling. Tot slot voert eiser aan dat er geen kenbare belangenafweging is gemaakt ten aanzien van het bezit van een geldig reisdocument. Eiser beschikt over een geldig paspoort waarin enkel de machtiging tot voorlopig verblijf ontbreekt. Identiteitsvaststelling kan dus geen zelfstandige reden voor de bewaring vormen. De minister had dienen te motiveren waarom dit niet meebrengt dat met een lichter middel kon worden volstaan.
12. De rechtbank stelt vast dat in eisers geval de screening heeft plaatsgevonden, dat daarbij ook zijn kwetsbaarheid is betrokken en dat de voorlopige conclusie is dat eiser geen bijzondere behoeften heeft. De juistheid van die voorlopige conclusie kan worden betwist in de asielprocedure en kan niet worden beoordeeld in dit beroep over de vrijheidsontnemende maatregel van grensdetentie. Bij de maatregel speelt (daarnaast) alleen de vraag of eiser om medische of psychische redenen (zodanig kwetsbaar is dat hem) niet de vrijheid kan worden ontnomen of dat er nog andere redenen zijn waarom deze maatregel voor eiser onevenredig (bezwarend) is en dus met een lichter middel had moeten worden volstaan.
13. De rechtbank stelt vervolgens vast dat uit het proces-verbaal van gehoor van 25 juli 2026 (in verband met de mogelijke vrijheidsontnemende maatregel) blijkt dat eiser is gevraagd naar (persoonlijke) feiten en omstandigheden in het kader van een lichter middel. Daarbij is ook gevraagd naar de gezondheid van eiser. Uit zijn antwoorden blijkt dat er geen gezondheidsproblemen zijn. De verbalisant heeft daarbij overigens ook zelf aandacht gehad voor mogelijke kwetsbaarheden. Verder is aan eiser gevraagd of er andere redenen zijn om hem alsnog toegang te verlenen tot Nederland en hem in de gelegenheid te stellen zijn asielaanvraag in vrijheid te doorlopen. Daar heeft hij ‘nee’ op geantwoord. De minister heeft eisers antwoorden betrokken bij het opleggen van de maatregel. Daarbij is ook overwogen dat eiser geen bezwaar heeft tegen de vrijheidsontnemende maatregel (in afwachting van de behandeling van zijn asielaanvraag) en er voldoende medische voorzieningen beschikbaar zijn. De minister kon zich daarom op het standpunt stellen dat er geen feiten en omstandigheden zijn aangevoerd die aanleiding zijn voor de conclusie dat de maatregel voor eiser onevenredig bezwarend is. Dat eiser (op de inleidende vraag daarover) ook heeft verklaard over zijn asielrelaas (de dood van zijn broer en de vrees voor zijn eigen leven in verband met zijn politieke problemen) maakt dat niet anders. Op grond van alleen die verklaring is namelijk nog geen sprake van zodanige trauma’s dat eiser moet worden aangemerkt als kwetsbaar en hij daarom niet in grensdetentie kan worden gesteld. Dat dit wel zo is, is bovendien niet onderbouwd en eiser heeft deze omstandigheden zelf ook niet (meer) naar voren gebracht als reden waarom hij niet in grensdetentie zou kunnen verblijven. De rechtbank overweegt verder dat eiser weliswaar een geldig paspoort heeft, maar dat daarbij het benodigde visum dan wel ‘machtiging tot voorlopig verblijf’ ontbreekt. Eiser voldoet hiermee niet aan de voorwaarden voor toegang. Dat was bekend toen werd afgewogen of de maatregel kon en moest worden opgelegd, en daar juist ook de aanleiding voor. Dat zijn identiteit bekend was, doet daar niet aan af. Dat dit dan ook nog expliciet genoemd dan wel betrokken had moet worden bij de beoordeling of volstaan kon worden met een lichter middel dan wel dat deze omstandigheid tot een lichter middel had moeten leiden, deelt de rechtbank niet. Daarvoor zijn in eisers situatie geen aanknopingspunten aanwezig en eiser heeft zelf ook niet toegelicht of concreet gemaakt waarom dit relevant zou zijn voor de vraag of – in het licht van het grensbewakingsbelang – een lichter middel dan grensdetentie moet worden toegepast. Voor de volledigheid merkt de rechtbank hierbij nog op dat (eiser zelf overigens ook niet betwist dat) een mogelijk onderduikrisico geen vereiste is voor deze maatregel van grensdetentie.
De ambtshalve toets
14. Naast de door eiser aangevoerde gronden ziet de rechtbank (ambtshalve) geen reden voor het oordeel dat deze maatregel van grensdetentie onrechtmatig is opgelegd of voortduurt.
Conclusie en gevolgen
15. Het beroep is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen.
16. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Beslissing
De rechtbank:
- verklaart het beroep ongegrond;
- wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. P.H. Broier, rechter, in aanwezigheid van mr. L.G.G.M. van Buggenum, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op: 7 augustus 2026
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking.
Een aanwijzingsbesluit op grond van artikel 4.6 van het Vreemdelingenbesluit 2000 (Vb).
Dit volgt uit artikel 6, derde lid, van de Vw.
Dit volgt uit artikel 5.5, tweede lid, van het Vb.
Te vinden op www.rechtspraak.nl onder ECLI:NL:RBDHA:2026:19756.
Zie bijvoorbeeld de uitspraken van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) van 29 januari 2024 (ECLI:NL:RVS:2024:315, r.o. 4) en van 28 november 2025 (ECLI:NL:RVS:2025:5795, r.o. 5.1.)
Zie bijvoorbeeld de uitspraak van 1 juli 2025 (ECLI:NL:RVS:2025:2925, r.o. 3.1).
Zie ook de uitspraak van de Afdeling van 30 oktober 2025 (ECLI:NL:RVS:2025:5224, r.o. 4).
Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling van 2 april 2025 (ECLI:NL:RVS:2025:1409).
Zie het ‘proces-verbaal van bevindingen screeningsverordening’ van 25 juli 2026 en het daarbij ingevulde formulier.
Zie bijvoorbeeld ook de uitspraak van de Afdeling van 26 maart 2024 (ECLI:NL:RVS:2024:1228, r.o. 3.1).
Zittingsplaats Roermond
Bestuursrecht
zaaknummer: NL26.42117
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[eiser] , V-nummer: [V-nummer] , eiser
(gemachtigde: mr. L.M. Weber),
en
de minister van Asiel en Migratie,
(gemachtigde: mr. L. Hartog).
Procesverloop
Bij het besluit van 25 juli 2026 (het bestreden besluit) is aan eiser met toepassing van artikel 6, derde lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) een vrijheidsontnemende maatregel opgelegd.
De minister heeft de rechtbank op grond van artikel 94, eerste lid, van de Vw van dit besluit in kennis gesteld. Deze kennisgeving wordt gelijkgesteld met een door eiser ingesteld beroep. Dit beroep moet tevens worden aangemerkt als een verzoek om toekenning van schadevergoeding.
De rechtbank heeft het beroep op 30 juli 2026 op zitting behandeld. Eiser en zijn gemachtigde zijn, met bericht van verhindering, niet verschenen. Van eiser is ook een afstandsverklaring ontvangen. Eiser heeft wel schriftelijk beroepsgronden ingediend. De minister heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.
Overwegingen
1. Eiser is geboren op [geboortedag] 1990 en heeft de Keniaanse nationaliteit. Hij is op 24 juli 2026 met een geldig paspoort geland op Schiphol en heeft aan de buitengrens zijn asielverzoek kenbaar gemaakt om 19:40 uur. Eiser heeft op diezelfde dag om 20:40 uur de aanwijzing gekregen om zich tot 25 juli 2026 07:00 uur op te houden in de internationale lounge op de luchthaven. Op 25 juli 2026 heeft eiser zijn asielverzoek ingediend en om 20:16 uur op diezelfde dag is besloten om een besluit omtrent de toegangsweigering uit te stellen en zijn asielaanvraag in de grensprocedure wordt behandeld. Tegelijkertijd is aan eiser met het bestreden besluit de vrijheidsontnemende maatregel (de grensdetentie) opgelegd op grond van artikel 6, derde lid, van de Vw waarover dit beroep gaat.
2. De minister kan de vreemdeling die aan de grens te kennen heeft gegeven een asielaanvraag te willen indienen en die niet voldoet aan de toegangsvoorwaarden, zolang er nog geen definitieve beslissing is genomen, verplichten zich op te houden in een ruimte of plaats die kan worden beveiligd tegen ongeoorloofd vertrek, in het kader van een procedure om een beslissing te nemen over de toegang of in het kader van de toepassing van de screeningsprocedure. Deze maatregel wordt opgelegd in het kader van het grensbewakingsbelang en wordt niet opgelegd of voortgezet indien sprake is van bijzondere individuele omstandigheden die vrijheidsontneming onevenredig bezwarend maken. De strekking van de grensdetentie is dat eiser moet verblijven in het Aanmeldcentrum Schiphol.
3. Indien de rechtbank bij de beoordeling van het beroep van oordeel is dat de toepassing van de maatregel in strijd is met de Vw dan wel bij afweging van alle daarbij betrokken belangen niet gerechtvaardigd is, verklaart zij op grond van artikel 94, zesde lid, van de Vw het beroep gegrond en beveelt zij de opheffing van de maatregel.
Bevoegdheid tot het opleggen van de maatregel
4. Eiser voert (samengevat) aan dat de maatregel van grensdetentie onrechtmatig is opgelegd. De minister trekt in de eerste plaats een grotere verantwoordelijkheid naar zich toe wat betreft het bewaken van de buitengrens dan het Unierecht voorschrijft. Ten tweede legt de minister ten onrechte een automatische koppeling tussen het grensbewakingsbelang en grensdetentie. Ook sluit de minister (hierdoor) ten onrechte categorisch de mogelijkheid uit van een lichter middel. Tot slot betrekt de minister ten onrechte standaard ook niet alle mogelijke relevante feiten en omstandigheden bij zijn oordeel of het evenredig is om grensdetentie op te leggen. Eiser verwijst ter onderbouwing van dit standpunt naar de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Amsterdam, van 17 juli 2026. Uit artikel 45, eerste lid, van de Procedureverordening volgt volgens eiser dat niet in alle gevallen een verplichting bestaat om tot de grensprocedure over te gaan en daarmee de toegang van de vreemdeling uit te stellen en tot grensdetentie te besluiten. Een dwingende verplichting bestaat wel wanneer een vreemdeling onder artikel 42, eerste lid, aanhef en onder j, van de Procedureverordening valt. Daarvan is sprake wanneer voor het land van herkomst een EU-jaargemiddeld inwilligingspercentage van 20% of lager geldt. In de maatregel heeft de minister niet gemotiveerd dat dit voor Kenia geldt. Als duidelijk wordt dat die dwingende verplichting er wel is, dan heeft volgens eiser alsnog te gelden dat niet is gemotiveerd waarom in zijn geval niet met een lichter middel dan vrijheidsontneming kon worden volstaan.
5. De minister heeft toegelicht dat hoger beroep is ingesteld tegen de uitspraak waarnaar eiser heeft verwezen. In de onderhavige procedure heeft de minister het hoger beroepschrift in die zaak ingebracht. Daarin is (kort gezegd) naar voren gebracht dat het grensbewakingsbelang niet effectief kan worden uitgevoerd zonder grensdetentie. Het belang van grensbewaking kan in beginsel slechts worden veiliggesteld door het opleggen van een vrijheidsontnemende maatregel. De minister benadrukt echter dat het opleggen van een maatregel van grensdetentie steeds is gebaseerd op een individuele beoordeling, waarbij wordt bezien of dat proportioneel is. Grensdetentie is geen automatisme. Er kunnen zich bijzondere, individuele omstandigheden voordoen op grond waarvan de minister van vrijheidsontneming afziet. De minister heeft verder opgemerkt dat het niet aan de bewaringsrechter is om te oordelen over de vraag of het asielverzoek in de grensprocedure kan worden behandeld.
6. De rechtbank stelt voorop dat eiser (als asielzoeker die niet onder de werkingssfeer van de Asiel- en migratiebeheerverordening valt) in bewaring is gesteld op grond van artikel 6, derde lid, van de Vw. Mede gelet op artikel 5.5 en 5.6 van het Vb geldt bij deze grondslag niet als voorwaarde dat sprake moet zijn van een onderduikrisico. De maatregel kan worden opgelegd in het kader van het grensbewakingsbelang.
7. De rechtbank overweegt vervolgens dat (niet in geschil is dat) eiser aan de buitengrens een verzoek om internationale bescherming heeft ingediend terwijl hij niet aan de toegangsvoorwaarden voldeed. Daarmee is voldaan aan de voorwaarden voor toepassing van de vrijheidsontnemende maatregel op grond van artikel 6, derde lid van de Vw.
8. Daarbij overweegt de rechtbank allereerst ook dat de minister voorafgaand aan het opleggen van deze maatregel geen beoordeling hoefde te maken of eisers asielaanvraag zich leent voor behandeling in de grensprocedure en dat de bewaringsrechter zich in beginsel niet inhoudelijk kan uitlaten over de vraag of een asielverzoek in de grensprocedure kan worden behandeld. De Afdeling heeft daarover namelijk al meermalen overwogen dat de minister de gelegenheid moet krijgen om onderzoek daarnaar te doen en een redelijke termijn daarvoor moet krijgen. De rechtbank ziet in de beroepsgronden van eiser en zijn situatie geen reden voor een ander oordeel daarover in zijn geval.
9. Daarnaast is hierbij van belang dat de Afdeling vóór de inwerkingtreding van de Procedureverordening en de herschikte Opvangrichtlijn heeft geoordeeld dat grensdetentie geoorloofd is als de minister in de grensprocedure beslist of een verzoeker het grondgebied van Nederland mag betreden en dat een vrijheidsontnemende maatregel op grond van artikel 6, derde lid, van de Vw (de grensdetentie) daarmee dus wordt opgelegd ter bescherming van het grensbewakingsbelang. Dit is erkend als een zwaarwegend belang, omdat bij een lichter middel dan grensdetentie eiser feitelijk toegang tot Nederland krijgt.
10. De rechtbank onderschrijft daarbij echter wel het algemene uitgangspunt dat het opleggen van de maatregel van grensdetentie geen automatisme moet zijn, maar juist het resultaat van de toepassing van een bevoegdheid. Dat betekent dat de minister ook moet kunnen besluiten om de maatregel van grensdetentie achterwege te laten. De minister dient steeds te beoordelen of met een lichter middel kan of moet worden volstaan, ook al geeft hij dan het grensbewakingsbelang prijs. Dat onderschrijft de minister ook. In de maatregel van eiser is ook een beoordeling van een lichter middel opgenomen. De rechtbank deelt dan ook eisers standpunt niet dat geen sprake zou zijn geweest van een individuele beoordeling. De vaststelling dat de grensdetentie nodig is om het grensbewakingsbelang te dienen en dat dit belang ook zwaar weegt, betekent dan ook niet dat automatisch de vrijheidsontnemende maatregel van grensdetentie is opgelegd of dat er een automatische koppeling is tussen het grensbewakingsbelang en het opleggen van grensdetentie. De verwijzing van eiser naar de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Amsterdam, slaagt in zijn geval dan ook niet. De afweging over het lichter middel in het geval van eiser bespreekt de rechtbank hierna.
De kwetsbaarheidsbeoordeling en een lichter middel
11. Hierover stelt eiser dat hij tijdens het gehoor voorafgaand aan zijn asielaanvraag heeft verklaard dat zijn broer (die politiek actief was), is vermoord en dat hij zelf vreest voor zijn leven vanwege deze familierelatie. Dit is een trauma-gerelateerd relaas. Desondanks heeft de screening voorafgaand aan de oplegging van de vrijheidsontnemende maatregel zich beperkt tot vier algemene en uitsluitend somatisch gerelateerde vragen. De vragen knopen niet aan bij het relaas van eiser, terwijl eiser aan de aanvallen op hemzelf ook zelf zichtbare littekens aan zijn nek heeft overgehouden. De screening voldoet hiermee niet aan de eisen uit de Screeningsverordening en hiermee is ook geen sprake van een vroegtijdige, individuele identificatie van kwetsbaarheid zoals de herschikte Opvangrichtlijn vereist. Een toereikende beoordeling vereist volgens eiser dat wordt ingegaan op de concrete, individuele omstandigheden die de vreemdeling zelf naar voren heeft gebracht. Dit is hier niet gebeurd: in de maatregel is immers niet het relaas over de moord op zijn broer betrokken bij de vraag of sprake is van bijzondere opvangbehoeften die aan de oplegging van de maatregel in de weg staan of geen aanleiding gaf tot een nadere kwetsbaarheidsbeoordeling. Tot slot voert eiser aan dat er geen kenbare belangenafweging is gemaakt ten aanzien van het bezit van een geldig reisdocument. Eiser beschikt over een geldig paspoort waarin enkel de machtiging tot voorlopig verblijf ontbreekt. Identiteitsvaststelling kan dus geen zelfstandige reden voor de bewaring vormen. De minister had dienen te motiveren waarom dit niet meebrengt dat met een lichter middel kon worden volstaan.
12. De rechtbank stelt vast dat in eisers geval de screening heeft plaatsgevonden, dat daarbij ook zijn kwetsbaarheid is betrokken en dat de voorlopige conclusie is dat eiser geen bijzondere behoeften heeft. De juistheid van die voorlopige conclusie kan worden betwist in de asielprocedure en kan niet worden beoordeeld in dit beroep over de vrijheidsontnemende maatregel van grensdetentie. Bij de maatregel speelt (daarnaast) alleen de vraag of eiser om medische of psychische redenen (zodanig kwetsbaar is dat hem) niet de vrijheid kan worden ontnomen of dat er nog andere redenen zijn waarom deze maatregel voor eiser onevenredig (bezwarend) is en dus met een lichter middel had moeten worden volstaan.
13. De rechtbank stelt vervolgens vast dat uit het proces-verbaal van gehoor van 25 juli 2026 (in verband met de mogelijke vrijheidsontnemende maatregel) blijkt dat eiser is gevraagd naar (persoonlijke) feiten en omstandigheden in het kader van een lichter middel. Daarbij is ook gevraagd naar de gezondheid van eiser. Uit zijn antwoorden blijkt dat er geen gezondheidsproblemen zijn. De verbalisant heeft daarbij overigens ook zelf aandacht gehad voor mogelijke kwetsbaarheden. Verder is aan eiser gevraagd of er andere redenen zijn om hem alsnog toegang te verlenen tot Nederland en hem in de gelegenheid te stellen zijn asielaanvraag in vrijheid te doorlopen. Daar heeft hij ‘nee’ op geantwoord. De minister heeft eisers antwoorden betrokken bij het opleggen van de maatregel. Daarbij is ook overwogen dat eiser geen bezwaar heeft tegen de vrijheidsontnemende maatregel (in afwachting van de behandeling van zijn asielaanvraag) en er voldoende medische voorzieningen beschikbaar zijn. De minister kon zich daarom op het standpunt stellen dat er geen feiten en omstandigheden zijn aangevoerd die aanleiding zijn voor de conclusie dat de maatregel voor eiser onevenredig bezwarend is. Dat eiser (op de inleidende vraag daarover) ook heeft verklaard over zijn asielrelaas (de dood van zijn broer en de vrees voor zijn eigen leven in verband met zijn politieke problemen) maakt dat niet anders. Op grond van alleen die verklaring is namelijk nog geen sprake van zodanige trauma’s dat eiser moet worden aangemerkt als kwetsbaar en hij daarom niet in grensdetentie kan worden gesteld. Dat dit wel zo is, is bovendien niet onderbouwd en eiser heeft deze omstandigheden zelf ook niet (meer) naar voren gebracht als reden waarom hij niet in grensdetentie zou kunnen verblijven. De rechtbank overweegt verder dat eiser weliswaar een geldig paspoort heeft, maar dat daarbij het benodigde visum dan wel ‘machtiging tot voorlopig verblijf’ ontbreekt. Eiser voldoet hiermee niet aan de voorwaarden voor toegang. Dat was bekend toen werd afgewogen of de maatregel kon en moest worden opgelegd, en daar juist ook de aanleiding voor. Dat zijn identiteit bekend was, doet daar niet aan af. Dat dit dan ook nog expliciet genoemd dan wel betrokken had moet worden bij de beoordeling of volstaan kon worden met een lichter middel dan wel dat deze omstandigheid tot een lichter middel had moeten leiden, deelt de rechtbank niet. Daarvoor zijn in eisers situatie geen aanknopingspunten aanwezig en eiser heeft zelf ook niet toegelicht of concreet gemaakt waarom dit relevant zou zijn voor de vraag of – in het licht van het grensbewakingsbelang – een lichter middel dan grensdetentie moet worden toegepast. Voor de volledigheid merkt de rechtbank hierbij nog op dat (eiser zelf overigens ook niet betwist dat) een mogelijk onderduikrisico geen vereiste is voor deze maatregel van grensdetentie.
De ambtshalve toets
14. Naast de door eiser aangevoerde gronden ziet de rechtbank (ambtshalve) geen reden voor het oordeel dat deze maatregel van grensdetentie onrechtmatig is opgelegd of voortduurt.
Conclusie en gevolgen
15. Het beroep is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen.
16. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Beslissing
De rechtbank:
- verklaart het beroep ongegrond;
- wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. P.H. Broier, rechter, in aanwezigheid van mr. L.G.G.M. van Buggenum, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op: 7 augustus 2026
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking.
Een aanwijzingsbesluit op grond van artikel 4.6 van het Vreemdelingenbesluit 2000 (Vb).
Dit volgt uit artikel 6, derde lid, van de Vw.
Dit volgt uit artikel 5.5, tweede lid, van het Vb.
Te vinden op www.rechtspraak.nl onder ECLI:NL:RBDHA:2026:19756.
Zie bijvoorbeeld de uitspraken van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) van 29 januari 2024 (ECLI:NL:RVS:2024:315, r.o. 4) en van 28 november 2025 (ECLI:NL:RVS:2025:5795, r.o. 5.1.)
Zie bijvoorbeeld de uitspraak van 1 juli 2025 (ECLI:NL:RVS:2025:2925, r.o. 3.1).
Zie ook de uitspraak van de Afdeling van 30 oktober 2025 (ECLI:NL:RVS:2025:5224, r.o. 4).
Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling van 2 april 2025 (ECLI:NL:RVS:2025:1409).
Zie het ‘proces-verbaal van bevindingen screeningsverordening’ van 25 juli 2026 en het daarbij ingevulde formulier.
Zie bijvoorbeeld ook de uitspraak van de Afdeling van 26 maart 2024 (ECLI:NL:RVS:2024:1228, r.o. 3.1).