Neuralex RechtspraakNeuralex Rechtspraak
Inloggen staging

Rechtbank Den Haag

ECLI:NL:RBDHA:2026:26210

2026-09-09 Civiel recht; Ondernemingsrecht C/09/694881 / HA ZA 25-1034
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen

Gegevens

Instantie
Rechtbank Den Haag
Uitspraakdatum
2026-09-09
Publicatiedatum
2026-09-10
Rechtsgebied
Civiel recht; Ondernemingsrecht
Procedure
Eerste aanleg - enkelvoudig
Zaaknummer
C/09/694881 / HA ZA 25-1034
Type
Uitspraak
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Inhoudsindicatie

Zorgfraude door zorgaanbieder. Terugvordering ten onrechte gedeclareerde bedragen. Bestuurdersaansprakelijkheid. Katvanger.

Citeert (4)

Geciteerd door (0)

  • geen

Wetsverwijzingen

Volledige tekst

Volledige tekst (20.824 tekens)
RECHTBANK Den Haag


Team handel



Zaaknummer: C/09/694881 / HA ZA 25-1034




Vonnis van 9 september 2026




in de zaak van





1ZILVEREN KRUIS ZORGVERZEKERINGEN N.V.te Leiden,2. DE FRIESLAND ZORGVERZEKERAAR N.V.te Leeuwarden,

eiseressen,
advocaat: mr. E. Kallenberg te Den Haag,



tegen





1
[gedaagde 1] zonder bekende woon-en/of verblijfplaats,

niet verschenen,2. [gedaagde 2] te [woonplaats 1],
niet verschenen,3. [gedaagde 3] te [woonplaats 2],
advocaat: mr. R. Teitler te Amsterdam,
gedaagden.



Eiseressen zullen hierna afzonderlijk Zilveren Kruis en De Friesland en gezamenlijk Zilveren Kruis c.s. worden genoemd. Gedaagden zullen hierna afzonderlijk [gedaagde 1], [gedaagde 2] en [gedaagde 3] en gezamenlijk [gedaagden] worden genoemd.





1Waar gaat deze zaak over?


Twee zorgverzekeraars hebben declaraties betaald die door of namens een zorgaanbieder zijn ingediend. De zorgverzekeraars hebben een fraudeonderzoek naar de zorgaanbieder uitgevoerd en dat is afgesloten met een fraudevermoeden. De zorgverzekeraars vorderen schadevergoeding van de (voormalig) bestuurders van de zorgaanbieder.





2De procedure


2.1.
Het procesdossier bestaat uit:
- de dagvaarding van 9 september 2025 met producties 1 tot en met 17;
- de conclusie van antwoord van [gedaagde 3];
- het tussenvonnis van 8 april 2026, waarin de mondelinge behandeling is bepaald;
- de akte van Zilveren Kruis c.s. met productie 18.



2.2.
Op 17 juli 2026 heeft de mondelinge behandeling van de zaak plaatsgevonden.








3De feiten


3.1.
Zilveren Kruis c.s. zijn zorgverzekeraars in de zin van de Zorgverzekeringswet en maken deel uit van een concern.



3.2.
Thuiszorg Diamond B.V. is op 23 november 2017 opgericht (hierna: Thuiszorg Diamond). Thuiszorg Diamond exploiteerde een onderneming die zich bezig hield met wijkverpleging.



3.3.

[gedaagde 1] was vanaf 1 september 2018 bestuurder van Thuiszorg Diamond. [gedaagde 2] is van 23 november 2017 tot 31 juli 2018 en van 6 september 2018 tot 12 februari 2019 bestuurder geweest. [gedaagde 3] is van 1 augustus 2018 tot 6 september 2018 bestuurder geweest.



3.4.
Zilveren Kruis c.s. en Thuiszorg Diamond zijn voor het jaar 2018 een betaalovereenkomst overeengekomen. In de betaalovereenkomst is onder meer bepaald dat:


het Thuiszorg Diamond is toegestaan onder de zorgverzekering gedekte zorg rechtstreeks bij Zilveren Kruis c.s. te declareren (artikel 1);


dat nota’s, ingediend voor niet verzekerden en/of onrechtmatige zorgverlening niet voor vergoeding in aanmerking komen en dat daarop verrichte betalingen door Zilveren kruis kunnen worden teruggevorderd (artikel 2);


zorg met inachtneming van de geldende wet- en regelgeving dient te worden geleverd en verzekerde zorg dient te zijn in de zin van de polisvoorwaarden (artikel 3);


Zilveren Kruis c.s. bevoegd is tot het verrichten van formele en materiële controle en fraudeonderzoek (artikel 4).





3.5.
In 2019 is Zilveren Kruis naar aanleiding van fraudemeldingen een fraudeonderzoek gestart voor de periode 1 januari 2018 tot en met 31 december 2018.



3.6.
Zilveren Kruis heeft Thuiszorg Diamond bij brief van 7 november 2019 verzocht om herindicaties, zorgleefplannen, diploma’s, zorgrapportages en urenregistraties te verstrekken. Zilveren Kruis heeft dit verzoek meermaals herhaald, maar Thuiszorg Diamond heeft daaraan niet voldaan.



3.7.
Thuiszorg Diamond is per 6 april 2023 uitgeschreven uit het handelsregister van de Kamer van Koophandel.



3.8.
Bij brief van 25 juli 2024 heeft Zilveren Kruis de bevindingen uit het fraudeonderzoek aan Thuiszorg Diamond kenbaar gemaakt. In die brief staat dat Thuiszorg Diamond in 2018 zorg bij Zilveren Kruis c.s. heeft gedeclareerd die niet is geleverd. Verder staat in de brief dat Zilveren Kruis een bedrag van € 2.050.711,23 aan zorgkosten onverschuldigd heeft betaald en dat zij dit bedrag van Thuiszorg Diamond en/of [gedaagde 1] (terug)vordert. Thuiszorg Diamond en/of [gedaagde 1] hebben niet betaald.



3.9.

Zilveren Kruis c.s. hebben van de Nederlandse Arbeidsinspectie een proces-verbaal schadebeperkende maatregel zorgfraude gedateerd op 15 juli 2026 ontvangen. Uit dit proces-verbaal volgt onder meer dat [gedaagde 3] in de periode van 3 januari 2018 tot 30 juni 2020 betalingen voor een totaalbedrag van € 593.191,45 heeft ontvangen van aan [gedaagde 1] gelieerde vennootschappen.

4. Het geschil





4.1.
Zilveren Kruis c.s. vorderen - samengevat -:



[gedaagde 1] en [gedaagde 2] hoofdelijk te veroordelen tot betaling van € 1.279.739,85, vermeerderd met de wettelijke rente;



[gedaagde 3] te veroordelen tot betaling van € 631.109,29, vermeerderd met de wettelijke rente;



[gedaagden] te veroordelen in de onderzoekskosten ter hoogte van € 1.327,50;



[gedaagden] te veroordelen in de proceskosten.





4.2.
Zilveren Kruis c.s. leggen daaraan het volgende ten grondslag. Thuiszorg Diamond heeft onrechtmatig gehandeld door zorg in rekening te brengen waarvan zij wist of behoorde te weten dat zij geen aanspraak had op betaling van de betreffende declaraties (artikel 6:162 BW). [gedaagden] hebben hun taak zodanig onzorgvuldig vervuld dat hen een persoonlijk ernstig verwijt kan worden gemaakt. [gedaagden] zijn hoofdelijk aansprakelijk voor de door Zilveren Kruis c.s. geleden schade. Daarnaast zijn [gedaagden] gehouden om de kosten van het fraudeonderzoek te voldoen.



4.3.

[gedaagde 3] voert verweer. [gedaagde 3] concludeert tot afwijzing van de vorderingen van Zilveren Kruis c.s., met veroordeling van Zilveren Kruis c.s. in de proceskosten.



4.4.

[gedaagde 3] betwist dat hij als (voormalig) bestuurder aansprakelijk is. [gedaagde 3] voert daartoe aan dat hij slechts kort als bestuurder van Thuiszorg Diamond ingeschreven is geweest. Hij is niet als bestuurder actief geweest en had geen toegang tot de administratie, de bankrekening en het declaratiesysteem van Thuiszorg Diamond. De geconstateerde fraude is niet aan hem te wijten. Subsidiair verzoekt [gedaagde 3] om matiging van het bedrag waarvoor hij aansprakelijk is op grond van artikel 6:109 BW.



4.5.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.





5De beoordeling



Ten aanzien van [gedaagde 1] en [gedaagde 2]




5.1.

[gedaagde 1] en [gedaagde 2] zijn, hoewel behoorlijk opgeroepen, niet in het geding verschenen. Tegen [gedaagde 1] en [gedaagde 2] is verstek verleend. De tegen [gedaagde 1] en [gedaagde 2] ingestelde vorderingen komen de rechtbank niet onrechtmatig of ongegrond voor, zodat deze worden toegewezen als vermeld in de beslissing.



Ten aanzien van [gedaagde 3]





5.2.
Zilveren Kruis c.s. vorderen van [gedaagde 3] een bedrag van € 631.109,29 uit hoofde van bestuurdersaansprakelijkheid. Bij de beoordeling van deze vordering stelt de rechtbank het volgende voorop.



5.3.
Wanneer een vennootschap tekortschiet in de nakoming van een verbintenis of een onrechtmatige daad pleegt, geldt als uitgangspunt dat alleen de vennootschap aansprakelijk is voor de daaruit voortvloeiende schade. Onder bijzondere omstandigheden is echter ook ruimte voor aansprakelijkheid van een bestuurder van de vennootschap. Voor het aannemen van zodanige aansprakelijkheid is vereist dat de bestuurder van de vennootschap persoonlijk een ernstig verwijt kan worden gemaakt. Voor het aannemen van aansprakelijkheid van een bestuurder naast de vennootschap gelden dus hogere eisen dan in het algemeen het geval is (ECLI:NL:HR:2014:2627, RCI Financial Services).



5.4.
Van ernstige persoonlijke verwijtbaarheid van de bestuurder van een vennootschap kan in de eerste plaats sprake zijn als deze namens de vennootschap een verbintenis is aangegaan terwijl hij wist, althans behoorde te weten, dat de vennootschap de daaruit voortvloeiende verplichtingen niet zou kunnen nakomen en evenmin verhaal zou bieden voor de daardoor door de schuldeiser te lijden schade (ECLI:NL:HR:1989:AB9521, Beklamel). Van ernstige persoonlijke verwijtbaarheid van een bestuurder kan ook sprake zijn indien die bestuurder willens en wetens heeft bewerkstelligd of toegelaten dat de vennootschap haar wettelijke of contractuele verplichtingen niet nakomt met schade voor zijn wederpartij als voorzienbaar gevolg (ECLI:NL:HR:2006:AZ0758, Ontvanger/Roelofsen). Er kunnen zich ook andere omstandigheden voordoen op grond waarvan een ernstig persoonlijk verwijt kan worden aangenomen.



Onrechtmatig handelen vennootschap





5.5.

[gedaagde 3] heeft de constateringen van Zilveren Kruis c.s. uit het fraudeonderzoek niet betwist. [gedaagde 3] heeft evenmin betwist dat Thuiszorg Diamond onrechtmatig jegens Zilveren Kruis c.s. heeft gehandeld, nu zij in strijd met haar wettelijke verplichtingen zorg heeft gedeclareerd die zij niet heeft verleend. De onrechtmatige daad van Thuiszorg Diamond jegens Zilveren Kruis c.s. staat daarmee vast.



Ernstig persoonlijk verwijt





5.6.
Zilveren Kruis c.s. stellen dat het handelen en nalaten van [gedaagde 3] als bestuurder zodanig onzorgvuldig is dat hem een ernstig verwijt kan worden gemaakt van het onrechtmatig handelen van Thuiszorg Diamond. Zij voeren daartoe onder meer aan dat van een bestuurder van een zorginstelling mag worden verwacht dat hij zodanig inzicht heeft in de bedrijfsvoering, de administratie en de declaraties dat grootschalig onjuist declareren niet mogelijk is.



5.7.

[gedaagde 3] heeft betwist dat hij aansprakelijk kan worden gehouden voor het door Zilveren Kruis c.s. gevorderde bedrag van € 631.109,29. Hij voert daartoe aan dat hem geen verwijt van de geconstateerde fraude valt te maken, omdat hij zich slechts heeft laten gebruiken als katvanger en niet zelf daadwerkelijk betrokken is geweest bij de fraude.



5.8.
De rechtbank volgt [gedaagde 3] niet in zijn verweer. [gedaagde 3] miskent met zijn stellingen namelijk zijn taak als bestuurder. [gedaagde 3] heeft tijdens de zitting verklaard dat hij zich tijdelijk als bestuurder van Thuiszorg Diamond heeft laten inschrijven, omdat [gedaagde 1] hem daarvoor een vergoeding van € 5.000 per maand had beloofd en hij die vergoeding in verband met schuldenproblematiek goed kon gebruiken. De rechtbank leidt daaruit af dat de beslissing van [gedaagde 3] om zich als bestuurder in te laten schrijven is ingegeven door financiële beweegredenen, terwijl uit niets blijkt dat [gedaagde 3] het voornemen had om daadwerkelijk bestuurstaken op zich te nemen. [gedaagde 3] had geen toegang tot de administratie en/of het declaratiesysteem, geen beschikkingsmacht over de bankrekeningen en geen betrokkenheid bij de dagelijkse bedrijfsvoering. [gedaagde 3] heeft het bestuur willens en wetens geheel overgelaten aan anderen, zonder dat is gebleken van een voornemen om daarop enige controle of toezicht uit te oefenen. Daaruit kan worden afgeleid dat [gedaagde 3] zich heeft laten gebruiken als katvanger, zoals ook door hemzelf wordt erkend. Niet valt in te zien dat hij daarvoor niet verantwoordelijk zou kunnen worden gehouden. Door het aanvaarden van een functie als bezoldigd statutair bestuurder heeft [gedaagde 3] immers een eigen verantwoordelijkheid op zich genomen om zijn taak als bestuurder behoorlijk te vervullen. Nu [gedaagde 3] op geen enkele wijze rekenschap heeft gegeven van de verantwoordelijkheden die bij een positie als bestuurder van een vennootschap horen, heeft hij het toegelaten dat Diamond Zorg heeft gehandeld in strijd met haar wettelijke en contractuele verplichtingen en is hij naast Diamond Zorg aansprakelijk voor de daaruit ontstane schade.



5.9.
De stelling van [gedaagde 3] dat de fraude ook buiten hem om had kunnen plaatsvinden, maakt het voorgaande niet anders. Hoewel niet ondenkbaar is dat [gedaagde 3] tijdens zijn bestuursperiode geen actieve betrokkenheid heeft gehad bij de fraude, doet dat niet af aan wat van [gedaagde 3] als statutair bestuurder had mogen worden verwacht. Bovendien volgt uit het proces-verbaal schadebeperkende maatregel zorgfraude dat [gedaagde 3] in de periode van 3 januari 2018 tot 30 juni 2020 wel substantiële betalingen van aan [gedaagde 1] gelieerde vennootschappen heeft ontvangen. Voor zover moet worden aangenomen dat voornoemde betalingen, zoals [gedaagde 3] ter zitting heeft verklaard, zien op contante opnames op verzoek van [gedaagde 1] die hij vervolgens weer aan [gedaagde 1] heeft afgestaan, leidt dit er op zijn minst toe dat [gedaagde 3] rekening had moeten houden met de mogelijkheid dat er malversaties plaatsvonden in de vennootschappen waarvan [gedaagde 1] bestuurder was.



5.10.
Het voorgaande maakt dat [gedaagde 3] als bestuurder van Thuiszorg Diamond onrechtmatig heeft gehandeld jegens Zilveren Kruis c.s. en dat [gedaagde 3] daarvan persoonlijk een ernstig verwijt kan worden gemaakt. [gedaagde 3] is daarom gehouden om de schade te vergoeden die Zilveren Kruis c.s. door dit onrechtmatig handelen hebben geleden. Zilveren Kruis c.s. hebben de vordering op [gedaagde 3] – onweersproken – gesteld op het totaalbedrag aan declaraties dat in de periode dat hij bestuurder was aan niet-verleende zorg door Thuiszorg Diamond is ingediend, namelijk € 631.109,29. De rechtbank zal [gedaagde 3] veroordelen tot betaling van dit bedrag.



Geen aanleiding voor matiging





5.11.

[gedaagde 3] heeft een beroep gedaan op matiging van het bedrag van de aansprakelijkheid op grond van artikel 6:109 BW. Daarin is bepaald dat de rechter een wettelijke verplichting tot schadevergoeding kan matigen als toekenning van volledige schadevergoeding in de gegeven omstandigheden, waaronder de aard van de aansprakelijkheid, de tussen partijen bestaande rechtsverhouding en hun beider draagkracht, tot kennelijk onaanvaardbare gevolgen zou leiden. De in artikel 6:109 BW neergelegde maatstaf noopt de rechter ertoe met terughoudendheid gebruik te maken van zijn bevoegdheid om te matigen (ECLI:NL:HR:1999:ZC2913).



5.12.

[gedaagde 3] legt aan zijn beroep op matiging ten grondslag dat zijn inschrijving als bestuurder een naïeve fout is geweest, dat hij zich na een maand zelf weer heeft laten uitschrijven als bestuurder, dat hij geen voordeel heeft genoten van zijn bestuurderschap en dat er inmiddels een lange periode is verstreken sinds de gebeurtenissen die hem worden aangerekend hebben plaatsgevonden. Daarnaast voert hij aan dat hij financieel niet in staat is om aan de veroordeling te voldoen. Naar het oordeel van de rechtbank leveren deze omstandigheden geen grond op om tot matiging over te gaan. De passieve houding van [gedaagde 3], waarbij hij het bestuur geheel over heeft gelaten aan anderen, levert juist een persoonlijk ernstig verwijt op. [gedaagde 3] heeft zich weliswaar snel laten uitschrijven, omdat hij er geen goed gevoel bij had, maar hij heeft vervolgens ook nergens aan de bel getrokken en heeft ook na zijn uitschrijving nog meegewerkt aan het opnemen en verstrekken van grote contante geldbedragen van [gedaagde 1]. Dat alles betreffen contra-indicaties voor matiging. Matiging van de door [gedaagde 3] aan Zilveren Kruis c.s. te vergoeden schade, is onder deze omstandigheden niet op zijn plaats en het beroep daarop zal dan ook worden verworpen.



Onderzoekskosten





5.13.

[gedaagde 3] is daarnaast gehouden om aan Zilveren Kruis c.s. de kosten van het fraudeonderzoek te vergoeden, nu deze kosten eveneens zijn te beschouwen als door zijn onrechtmatig handelen veroorzaakte schade. Nu deze kosten ook door [gedaagde 1] en [gedaagde 2] verschuldigd zijn, zal de rechtbank [gedaagden] hoofdelijk tot betaling daarvan veroordelen.



Wettelijke rente





5.14.
Zilveren Kruis c.s. vorderen ook betaling van wettelijke rente over de schade, met ingang van 21 februari 2019. Deze wordt als onweersproken toegewezen zoals vermeld in de beslissing.



Proceskosten





5.15.


[gedaagden] zijn in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. Omdat [gedaagde 1] en [gedaagde 2] niet in de procedure zijn verschenen worden [gedaagden] hoofdelijk veroordeeld tot betaling van € 11.681 (griffierecht van € 6.861 + € 4.631
(1 punt × tarief VIII à € 4.631) + nakosten van € 189,00 (plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing)). [gedaagde 1] en [gedaagde 2] worden daarnaast ieder afzonderlijk veroordeeld tot betaling van € 135,27, respectievelijk € 120,78 (kosten dagvaarding). [gedaagde 3] wordt voorts afzonderlijk veroordeeld tot betaling van € 4.751,78 (kosten dagvaarding van € 120,78 +
€ 4.631 (1 punt × tarief VIII à € 4.631)).



5.16.
De gevorderde wettelijke rente over de proceskosten wordt toegewezen zoals vermeld in de beslissing.


















6De beslissing


De rechtbank



6.1.
veroordeelt [gedaagde 1] en [gedaagde 2] hoofdelijk om aan de verzekeraars te betalen een bedrag van € 1.279.739,85, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over het toegewezen bedrag, met ingang van 21 februari 2019, tot de dag van volledige betaling;



6.2.

veroordeelt [gedaagde 3] om aan Zilveren Kruis c.s. te betalen een bedrag van
€ 631.109,29 te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over het toegewezen bedrag, met ingang van 21 februari 2019, tot de dag van volledige betaling;




6.3.
veroordeelt [gedaagden] hoofdelijk om aan Zilveren Kruis c.s. te betalen een bedrag van € 1.327,50 aan onderzoekskosten, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over het toegewezen bedrag, met ingang van 25 juli 2024, tot de dag van volledige betaling;



6.4.
veroordeelt [gedaagden] hoofdelijk in de proceskosten van € 11.681, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met € 98,00 plus de kosten van betekening als [gedaagden] niet tijdig aan de veroordelingen voldoen en het vonnis daarna wordt betekend;



6.5.
veroordeelt [gedaagde 1] in de proceskosten van € 135,27, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe;



6.6.
veroordeelt [gedaagde 2] in de proceskosten van € 120,78, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe;



6.7.
veroordeelt [gedaagde 3] in de proceskosten van € 4.751,78, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe;



6.8.
veroordeelt [gedaagden] in de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn voldaan;



6.9.
verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad.


Dit vonnis is gewezen door mr. M.A. Schueler en in het openbaar uitgesproken op 9 september 2026.





3219