Neuralex RechtspraakNeuralex Rechtspraak
Inloggen staging

Rechtbank Den Haag

ECLI:NL:RBDHA:2026:26014

2026-09-03 Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht NL26.44533
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen

Gegevens

Instantie
Rechtbank Den Haag
Uitspraakdatum
2026-09-03
Publicatiedatum
2026-09-08
Rechtsgebied
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Procedure
Eerste aanleg - enkelvoudig
Zaaknummer
NL26.44533
Type
Uitspraak
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Inhoudsindicatie

Vierde BNT, gegrond, twee weken, tweestatussenstelsel.

Citeert (4)

Geciteerd door (0)

  • geen

Volledige tekst

Volledige tekst (11.043 tekens)
RECHTBANK DEN HAAG


Zittingsplaats Amsterdam



Bestuursrecht



Zaaknummer: NL26.44533



V-nummer: [v-nummer]

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[belanghebbende], belanghebbende
(gemachtigde: mr. K. Ross),


en


de minister van Asiel en Migratie, verweerder.



Procesverloop


Belanghebbende heeft wederom beroep ingesteld wegens het niet tijdig beslissen op haar nareisaanvraag van 17 juni 2024.



Verweerder heeft de mogelijkheid van verweer gehad.



De rechtbank doet uitspraak zonder een zitting te houden.




Overwegingen

1. De rechtbank stelt belanghebbende vrij van de verplichting om griffierecht te betalen.

2. Als een bestuursorgaan niet op tijd beslist op een aanvraag of bezwaarschrift, kan de betrokkene daartegen in beroep gaan. Voordat hij beroep kan instellen, moet de betrokkene per brief aan het bestuursorgaan laten weten dat binnen twee weken alsnog beslist moet worden op zijn aanvraag of bezwaar (de zogenoemde ingebrekestelling). Als er na die twee weken nog steeds geen besluit is, dan kan de betrokkene beroep instellen.

3. Belanghebbende heeft op 17 juni 2024 een aanvraag ingediend voor een machtiging tot voorlopig verblijf. Belanghebbende heeft eerder ook al beroep ingesteld tegen het niet tijdig nemen van een besluit op haar aanvraag. Deze rechtbank en zittingsplaats heeft op 17 april 2025 uitspraak gedaan op dat beroep. De rechtbank heeft het beroep gegrond verklaard en bepaald dat verweerder binnen veertien dagen een besluit moest nemen op de aanvraag, op straffe van een dwangsom van € 100,- per dag met een maximum van € 7.500,-.

4. Belanghebbende heeft vervolgens weer beroep ingesteld tegen het niet tijdig nemen van een besluit op haar aanvraag. Deze rechtbank en zittingsplaats heeft op 26 januari 2026 uitspraak gedaan op dit beroep. De rechtbank heeft het beroep gegrond verklaard en bepaald dat verweerder uiterlijk binnen veertien dagen alsnog een besluit de aanvraag van belanghebbende kenbaar moet maken, op straffe van een dwangsom van € 100,- per dag met een maximum van € 15.000,-.

5. Belanghebbende heeft daarna nogmaals beroep ingesteld tegen het niet tijdig nemen van een besluit op haar aanvraag. Deze rechtbank en zittingsplaats heeft op
8 juni 2026 uitspraak gedaan op dit beroep. De rechtbank heeft het beroep gegrond verklaard en bepaald dat verweerder zo snel mogelijk, maar uiterlijk op 9 juli 2026 een besluit bekend te maken, op straffe van een dwangsom van € 250,- per dag met een maximum van € 37.500,-. Deze dwangsom loopt vol op 6 december 2026.

6. Omdat verweerder ook na deze opdracht van de rechtbank niet alsnog heeft beslist op de aanvraag, heeft belanghebbende op 5 augustus 2026 opnieuw beroep ingesteld tegen wegens het niet tijdig beslissen op haar aanvraag. De rechtbank overweegt dat bij een beroep tegen het niet tijdig nemen van een besluit procesbelang in beginsel blijft bestaan zolang er nog geen besluit is, ook als een eerder opgelegde dwangsom nog niet volledig is verbeurd. De rechtbank volgt verweerder daarom niet in zijn standpunt dat het beroep niet-ontvankelijk is, omdat de rechterlijke dwangsom nog loopt.

7. De rechtbank stelt vast dat verweerder nog steeds geen gevolg heeft gegeven aan de opdrachten van de rechtbank.

8. Belanghebbende heeft verweerder voorafgaand aan het indienen van het beroepschrift niet opnieuw in gebreke gesteld wegens het niet tijdig nemen van een besluit. De rechtbank verbindt hier echter geen consequenties aan, omdat van belanghebbende redelijkerwijs niet gevergd kan worden dat zij verweerder opnieuw in gebreke stelt. De rechtbank sluit hiermee aan bij de uitspraak van de Afdeling van 8 maart 2019. Het beroep is dus gegrond.



Welke beslistermijn moet aan verweerder worden opgelegd?



9. Als het beroep gegrond is en er nog geen besluit is bekendgemaakt, draagt de rechtbank het bestuursorgaan op om binnen twee weken na de dag waarop de uitspraak wordt verzonden alsnog een besluit bekend te maken. Alleen in bijzondere gevallen kan de rechtbank een andere termijn bepalen.
10. Verweerder verzoekt de rechtbank om een termijn op te leggen van twintig weken na de richtinggevende uitspraak van de hoogste bestuursrechter over het tweestatusstelsel. De wetgever heeft ervoor gekozen om de nareisvoorwaarden aan te scherpen. Verweerder vindt het belangrijk dat voor de ongeveer 19.000 nareisaanvragen die daardoor worden geraakt snel duidelijk wordt hoe rechtbanken deze nieuwe wet beoordelen. Het nemen van een besluit in de zaak van belanghebbende wordt uitgesteld tot de rechtspraak een richtinggevende uitspraak heeft gedaan. Hiermee wordt het risico op vele juridische vervolgprocedures en mogelijk meerdere hersteloperaties beperkt. Uit de uitvoeringstoets op het wetsvoorstel “Wet invoering twee statusstelsel” bleek dat de keten dit niet aankan. Op deze manier wordt dat voorkomen. Aanvragers kunnen op de website van de IND lezen in welke gevallen de beslissing wordt uitgesteld. In overleg met gemachtigden van betreffende aanvragers is in enkele zaken direct tot de beroepsfase overgegaan. De eerste zittingen zijn gepland. Zodra de hoogste bestuursrechter een richtinggevende uitspraak heeft gedaan en de gevolgen daarvan duidelijk zijn, pakt de IND de zaken op waarin tijdelijk geen besluiten zijn genomen.

11. De rechtbank ziet in de door verweerder naar voren gebracht omstandigheden geen aanleiding om een langere beslistermijn op te leggen dan de standaardtermijn van twee weken. De door verweerder aangevoerde omstandigheden zijn algemeen van aard en gelden in feite voor elke zaak. Niet is gebleken dat verweerder tot uitstel van de beslissing is overgegaan na een zorgvuldige beoordeling van de feiten en omstandigheden in de zaak van belanghebbende. Verweerder heeft niet kenbaar beoordeeld of het verantwoord is om deze zaak nog langer te laten liggen. Dat mag wel van een redelijk handelend bestuursorgaan worden verwacht. Daar komt bij dat de door verweerder gevraagde termijn onvoldoende bepaalbaar is. Het is immers niet duidelijk wanneer de richtinggevende uitspraak kan worden verwacht. De rechtbank betreft hierbij ook dat verweerder zich niet heeft gehouden aan drie rechterlijke opdrachten om te beslissen en dat belanghebbende op 17 juni 2024 haar aanvraag heeft ingediend. Dit betekent dat belanghebbende al ruim 26 maanden wacht op een beslissing op haar aanvraag. De rechtbank draagt verweerder daarom op om zo snel mogelijk om de aanvraag van belanghebbende te beslissen, maar uiterlijk, op de dag dat de laatst opgelegde dwangsom is volgelopen, dus uiterlijk op 6 december 2026. Met deze additionele dwangsom, aansluitend aan de nog lopende rechterlijke dwangsom, voorkomt de rechtbank stapeling van dwangsommen en houdt de rechtbank rekening met de eerder opgelegde dwangsom, overeenkomstig de rechtspraak van de Afdeling.



Wat is de hoogte van de rechterlijke dwangsom?



12. De rechtbank bepaalt met toepassing van artikel 8:55d, tweede lid, van de Awb dat verweerder een dwangsom van € 500,- verschuldigd is voor elke dag waarmee de hiervoor genoemde termijn wordt overschreden, met een maximum van € 50.000,-. De rechtbank neemt hierbij in aanmerking dat dit het vierde beroep niet tijdig is en de maximale beslistermijn ruimschoots is overschreden. Naar het oordeel van de rechtbank kan verweerder ervoor kiezen om een aanvraag met voorrang te behandelen. Zoals hiervoor overwogen mag van verweerder worden verwacht dat hij in elk geval nagaat of het nog wel verantwoord is om deze aanvraag nog langer te laten liggen. Verweerder heeft dit niet kenbaar beoordeeld.

13. Het niet beslissen op de aanvraag ondanks drie rechterlijke uitspraken en zonder een op het concrete geval toegespitste motivering kwalificeert de rechtbank als weigerachtigheid van de kant van het bestuursorgaan. De rechtbank acht een sterke prikkel nodig om verweerder te bewegen te beslissen op de aanvraag. Dit is in overeenstemming met het landelijke beleid, gepubliceerd op www.rechtspraak.nl. De rechtbank sluit zich daarom niet aan bij de aanbeveling van het Landelijk Overleg Vakinhoud Bestuursrecht van 21 mei 2026.

14. De rechtbank veroordeelt verweerder in de proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 467,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift met een waarde per punt van € 934,- en een wegingsfactor 0,5). De zaak is van licht gewicht als het alleen gaat over de vraag of de beslistermijn is overschreden. Verweerder moet ook het betaalde griffierecht vergoeden.



Beslissing
De rechtbank:

- verklaart het beroep gegrond;
- draagt verweerder op om zo snel mogelijk, maar uiterlijk op 6 december 2026 een besluit op de aanvraag bekend te maken met inachtneming van deze uitspraak;
- bepaalt dat verweerder aan belanghebbende een dwangsom van € 500,- verbeurt voor elke dag waarmee hij de hiervoor genoemde termijn overschrijdt, met een maximum van € 50.000,-; en,
- veroordeelt verweerder in de proceskosten van belanghebbende tot een bedrag van € 467,-


Deze uitspraak is gedaan door mr. C.A.R. Bleijendaal, rechter, in aanwezigheid van
mr. E.P.W. Kwakman, griffier.



De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:




Informatie over verzet

Als partijen het niet eens zijn met deze uitspraak, kunnen zij een verzetschrift sturen naar de rechtbank waarin zij uitleggen waarom zij het niet eens zijn met deze uitspraak. Het verzetschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Als partijen graag een zitting willen om het verzetschrift toe te lichten, moeten zij dit in het verzetschrift vermelden.



De rechtbank doet uitspraak zonder zitting op grond van artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).


Dit staat (onder andere) in artikel 6:12 van de Awb.


NL25.1591.


NL25.39883.


NL26.7400.


Dit volgt uit de uitspraken van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad (Afdeling) van State van 15 juni 2022 (ECLI:NL:RVS:2022:1684) en 27 november 2024 (ECLI:NL:RVS:2024:4865).


ECLI:NL:RVS:2019:673.


Artikel 8:55d, eerste en derde lid, van de Awb.


Uitspraak van de Afdeling van 27 november 2024, ECLI:NL:RVS:2024:4865.


https://www.rechtspraak.nl/voor-advocaten-en-juristen/reglementen-procedures-en-formulieren/bestuursrecht/aanbeveling-rechterlijke-dwangsom-bij-beroep-niet-tijdig-beslissen-in-vreemdelingenzaken.