Neuralex RechtspraakNeuralex Rechtspraak
Inloggen staging

Rechtbank Den Haag

ECLI:NL:RBDHA:2026:25984

2026-08-26 Civiel recht C/09/694287
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen

Gegevens

Instantie
Rechtbank Den Haag
Uitspraakdatum
2026-08-26
Publicatiedatum
2026-09-07
Rechtsgebied
Civiel recht
Procedure
Eerste aanleg - enkelvoudig
Zaaknummer
C/09/694287
Type
Uitspraak
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Inhoudsindicatie

Bedragen zijn uit de vof gehaald onder de noemer van een lening aan c.q. investering in een derde. Anders dan eiseressen stellen, oordeelt de rechtbank dat geen sprake is van onrechtmatige onttrekkingen.

Citeert (0)

  • geen

Geciteerd door (0)

  • geen

Wetsverwijzingen

Volledige tekst

Volledige tekst (51.856 tekens)
RECHTBANK Den Haag


Team handel



Zaaknummer: C/09/694287 / HA ZA 25-988




Vonnis van 26 augustus 2026




in de zaak van





1
[eiseres 1] B.V., te [vestigingsplaats],2. [eiseres 2] B.V., te [vestigingsplaats],

eiseressen,
advocaat: mr. S. El Hadouchi,



De zaak is ter zitting namens eiseressen mede toegelicht door mr. L.A.C. van Lierop.



tegen





1
[gedaagde 1] B.V., te [vestigingsplaats],2. [gedaagde 2], te [woonplaats],

gedaagden,
advocaat: mr. J.T. Verheij.



Partijen zullen hierna afzonderlijk worden aangeduid als [eiseres 1], [eiseres 2], [gedaagde 1] en [gedaagde 2]. Eiseressen zullen gezamenlijk in meervoud worden aangeduid als [eiseressen] en gedaagden zullen gezamenlijk in meervoud worden aangeduid als [gedaagden]






1De procedure


1.1.
Het procesdossier bestaat uit de volgende stukken:
- de dagvaarding van 23 oktober 2025, met producties 1 tot en met 22;
- de conclusie van antwoord, tevens houdende eis in voorwaardelijke reconventie, met producties 1 tot en met 32;
- de conclusie van antwoord in voorwaardelijke reconventie, met productie 23;
- de akte van [gedaagden] met productie 33;
- de akte van [eiseressen] met productie 24.



1.2.
Op 18 juni 2026 heeft de mondelinge behandeling van de zaak plaatsgevonden. Partijen hebben hun standpunten nader toegelicht en hebben daarbij gebruik gemaakt van spreekaantekeningen, die zij aan de rechtbank hebben overhandigd. De griffier heeft aantekening gemaakt van wat partijen tijdens de zitting hebben gezegd.



1.3.
Ten slotte is een datum voor vonnis bepaald.







2De feiten


2.1.

[vennoot 1], [vennoot 2], [gedaagde 2] en [vennoot 3] waren via hun respectievelijke holdings vennoten van [bedrijfsnaam 1] V.O.F. (hierna te noemen: de vof).



2.2.
De vof heeft een geldleningsovereenkomst gesloten met [bedrijfsnaam 2] AS (hierna: [bedrijfsnaam 2]). [bedrijfsnaam 2] is een vennootschap naar Turks recht die zich bezighoudt met de ontwikkeling van een vastgoedproject in Turkije, te weten: een resort bestaande uit 170 appartementen. [gedaagde 2] is aandeelhouder en bestuurder van [bedrijfsnaam 2].



2.3.
De geldleningsovereenkomst tussen de vof en [bedrijfsnaam 2] (hierna: de geldleningsovereenkomst) is gedateerd op 5 november 2018. De geldleningsovereenkomst is ondertekend door enerzijds [gedaagde 2] als bestuurder van [bedrijfsnaam 2] en anderzijds door [eiseres 1], [eiseres 2], [gedaagde 1] en [bedrijfsnaam 3], vennoten van de vof, als schuldeisers. In de geldleningsovereenkomst staat, voor zover hier relevant, het volgende:


”(…)

 De geldlening is bedoeld voor de financiering van het vastgoed project [bedrijfsnaam 2] AS in Turkije en uitsluitend hiervoor wordt gebruikt;
(…)



Artikel 1. Hoofdsom





Schuldeisers verstrekken aan Schuldenaar ter leen een bedrag groot € 5.000.000,-- (zegge: "vijfmiljoen Euro"), welk bedrag Schuldenaar naar behoefte zal opnemen.


Schuldeisers stellen de hoofdsom op 29 augustus 2016 aan Schuldenaar ter beschikking.




(…)




Artikel 3. Looptijd en (vervroegde) aflossing



1. De geldlening loopt tot de verkoop van het project.
(…)



Artikel 4. Zekerheden



1. Schuldenaar verplicht zich voorts op eerste verzoek van de Schuldeisers (aanvullende) zekerheid te verstrekken in een door de Schuldeisers te bepalen vorm.
(…)



Artikel 7. Bewijs



1. Een door de Schuldeisers getekend uittreksel uit zijn administratie strekt tot volledig bewijs van zijn vordering op Schuldenaar, behoudens tegenbewijs. Schuldenaar kan zijn in deze akte bedongen verplichtingen nimmer opschorten, ook niet door betwisting van het verschuldigde.”



2.4.
Op 5 november 2018 is ook een besprekingsverslag opgesteld, ondertekend door [eiseres 1], [eiseres 2], [gedaagde 1] en [bedrijfsnaam 3]. In het besprekingsverslag staat, voor zover relevant, het volgende:


”Per 31 oktober 2018 is volgens bijgevoegd overzicht een totaal bedrag van EURO 9.686.336
geïnvesteerd in het project.



Via de gezamenlijke vennootschap onder firma [bedrijfsnaam 1] is een bedrag van EURO 6.417.121 geïnvesteerd. Per heden is een bedrag van EURO 1.859.652 afgeboekt als oninbaar. De oninbaarheid komt door valutaverliezen op de Turkse Lira en verliezen naar aanleiding van de bouw en exploitatie van het project. De verliezen zullen door VOF [bedrijfsnaam 1] teruggenomen worden als baten indien het project gunstigere resultaten laat zien.



Over het niet afgeboekte deel van lening wordt 4% rente door [bedrijfsnaam 1] VOF in rekening gebracht aan het project. Ultimo 2017 heeft [bedrijfsnaam 1] VOF EURO 3.999.204 te vorderen op het project exclusief de afboeking van EURO 1 859,652 en inclusief de rente over het niet afgeboekte bedrag volgens de vastgestelde jaarrekening.



In 2018 heeft [bedrijfsnaam 1] VOF een extra bedrag gestort van EURO 746.000 aan lening voor het project.




[bedrijfsnaam 1] VOF had de bevoegdheid volgens een financieringsovereenkomst om EURO 5 miljoen te verstrekken aan het project. Er wordt afgesproken dit bedrag te verhogen om het project draaiende te houden en aantrekkelijk te maken voor de verkoop. Er wordt afgesproken dat [bedrijfsnaam 1] VOF maximaal EURO 8 miljoen mag verstrekken aan het project.



Daarnaast is EURO 3.793.215 verstrekt door de eigenaren persoonlijk aan het project. Dit is verstrekt via persoonlijke leningen en door opnamen via de persoonlijke vennootschappen.
(…)



Personen spreken uit dat het project [projectnaam] een gezamenlijk project is en dat eventuele baten, na aflossing van alle schulden volgens het overzicht en schulden nog aan te gaan in de toekomst, in gelijke delen toekomen aan de vier eigenaren.”




2.5.
Bij de geldleningsovereenkomst is daarnaast een “Overzicht deelneming [bedrijfsnaam 2] A.S.” gevoegd, eveneens ondertekend op 5 november 20218 door [eiseres 1], [eiseres 2], [gedaagde 1] en [bedrijfsnaam 3]. Dit overzicht ziet er als volgt uit:



[afbeelding verwijderd i.v.m. privacygevoelige informatie]





2.6.

[vennoot 1] (hierna: [vennoot 1]) is op 18 januari 2019 overleden.



2.7.
Het dossier bevat een document in de Turkse taal, gedateerd op 31 december 2019, ondertekend door [gedaagde 2] en [vennoot 2] (hierna: [vennoot 2]). Partijen zijn het erover eens dat dit document is genaamd: “aandelenoverdrachtsovereenkomst” en dat hierin staat dat [gedaagde 2] aan [vennoot 2] in totaal 10.687 aandelen in een niet genoemde vennootschap, met een nominale waarde van TL 1.000 overdraagt.



2.8.
In een handgeschreven notitie van 14 mei 2021, ondertekend door [gedaagde 2] en [vennoot 2], staat het volgende:









2.9.
In een e-mail van 28 januari 2022 schreef [gedaagde 2] aan [naam 1], de zoon van [vennoot 1] en [vennoot 2] (hierna: [naam 1]), het volgende:


“Met betrekking tot het project in Turkije zijn wij genoodzaakt een bedrag van 23.500 euro over te maken. Dit in verband met salarissen van mensen en ook twee tal achterstallige crediteuren. Anders gaan die tot openbare verkoop goederen. Uiterlijk maandag moet het geld daar zijn.”




[naam 1] antwoordde dat hier kritisch naar gekeken moet worden en stelt een aantal vragen waarop [gedaagde 2] vervolgens heeft gereageerd.




2.10.

Op 15 november 2022 heeft een vergadering plaatsgevonden tussen de vennoten van de vof. Blijkens de notulen van die vergadering waren daarbij aanwezig: [gedaagde 2] namens de vennoten [gedaagde 1] en [bedrijfsnaam 3], en [naam 1] en [vennoot 2] namens de vennoten [eiseres 1] en [eiseres 2]. Ook waren diverse adviseurs van de vennoten aanwezig. Een van de agendapunten was de “Stand van zaken lening [bedrijfsnaam 2] A.S.” Daarbij is aan de orde gekomen dat er ook andere schuldeisers zijn voor een bedrag van ongeveer 1,2 miljoen, dat de vof een concurrente schuldeiser is en dat maar de vraag is of de vof zou kunnen worden voldaan in geval van faillissement van [bedrijfsnaam 2]. Verder is besproken dat [gedaagde 2] in totaal ongeveer € 150.000 aan [bedrijfsnaam 2] heeft betaald en maandelijks ongeveer
€ 15.000 betaalt, maar dat dat geen duurzame situatie is. Op de vraag van [naam 1] wie de aandeelhouder is, antwoordde [gedaagde 2]: “[naam 2] en ik”. [gedaagde 2] gaf aan bereid te zijn zekerheid te stellen en om “alles over te dragen aan de vof”. Afgesproken werd dat van de kant van [gedaagde 2] een overzicht zou worden verstuurd van alle lopende rechtszaken, openstaande rekeningen en de jaarrekeningen van 2019, 2020 en 2021.




2.11.
Vanwege onenigheid tussen de vennoten van de vof over, kort gezegd, de aard van overboekingen vanuit de vof, hebben [eiseressen] een onderzoek laten uitvoeren door [adviesbureau]. Daarbij zijn onder meer de volgende onderzoeksvragen gesteld:

- “Welke mutaties, waaronder begrepen het uitboeken van bedragen, rentebetalingen en het afschrijven/afboeken van bedragen als oninbare vorderingen, blijken uit de interne administratie van [bedrijfsnaam 1] V.O.F. ten aanzien van de post lening [bedrijfsnaam 2] A.S.?


- “Welke documentatie, in de meest brede zin van het woord, is in de administratie van [bedrijfsnaam 1] V.O.F. aangetroffen ten aanzien van de lening [bedrijfsnaam 2] A.S.?”


- “In hoeverre is de geldlening [bedrijfsnaam 2] A.S. commercieel en fiscaal conform de van toepassing zijnde wet- en regelgeving verwerkt in de jaarrekeningen van [bedrijfsnaam 1] V.O.F.?”


[adviesbureau] heeft haar bevindingen neergelegd in een rapport van 7 maart 2022.



2.12.
In de procedure met zaaknummer C/09/623539 tussen [gedaagde 1] en [bedrijfsnaam 3] enerzijds en [eiseres 1] en [eiseres 2] anderzijds heeft deze rechtbank in een tussenvonnis van 12 april 2023 bepaald dat zij gronden ziet voor ontbinding van de vof en heeft zij partijen de gelegenheid gegeven om – op wens van partijen – tot een minnelijke oplossing te komen. Daar zijn partijen toen niet uitgekomen.



2.13.

In een kort geding tussen dezelfde partijen hebben [eiseres 2] en [eiseres 1] vervolgens de voorzieningenrechter in deze rechtbank verzocht om ordemaatregelen te nemen die vooral bestaan uit een verbod voor [gedaagde 1] en [bedrijfsnaam 3] om zonder instemming van [eiseres 2] en [eiseres 1] namens de vof bepaalde
(rechts)handelingen te verrichten. De voorzieningenrechter heeft het gevorderde verbod (gedeeltelijk) toegewezen. Deze uitspraak is in hoger beroep bekrachtigd.




2.14.
Bij tussenvonnis van 3 januari 2024 heeft deze rechtbank in de procedure met zaaknummer C/09/623539 tussen [gedaagde 1] en [bedrijfsnaam 3] enerzijds en [eiseres 1] en [eiseres 2] anderzijds geoordeeld dat [gedaagde 1] en [bedrijfsnaam 3] de vof toegedeeld krijgen. Daarna zijn partijen weer in overleg getreden. In 2.18 van dit vonnis is over de lening aan [bedrijfsnaam 2] het volgende overwogen en beslist:


“Voor de berekening van de bedrijfswaarde van de onderneming dient de lening gesteld te worden op nihil. Bij de verdeling zal de lening aan [gedaagden] worden toegedeeld onder de
verplichting om aan [eiseressen] de helft te betalen van wat [bedrijfsnaam 2] eventueel toch nog
terugbetaalt van de bedragen die ten laste van [bedrijfsnaam 1] aan haar ter beschikking zijn gesteld,
onder aftrek van de helft van de onderhouds- en beheerkosten die [gedaagde 2] aantoonbaar uit
eigen middelen en privé (niet namens [bedrijfsnaam 1]) heeft voldaan om het vastgoedproject in
verkoopbare staat te houden. Het door de voorzieningenrechter bij vonnis van 6 mei 2022
aan [gedaagde 2] c.s opgelegde verbod op het doen van betalingen namens [bedrijfsnaam 1] in de vorm van
een lening, schenking ofanderszins aan [bedrijfsnaam 2], (zoals bekrachtigd door het gerechtshof
Den Haag bij arrest van 6 juni 2023) blijft van kracht tot de verdeling heeft plaatsgevonden.
Dit oordeel staat geheel los van de vraag en behelst geen beslissing over wie van partijen het
gelijk aan haar zijde heeft in het geschil rond [bedrijfsnaam 2] zoals dat hiervoor is geschetst. Het
staat [eiseressen] vrij om over die kwestie een afzonderlijke procedure aanhangig te maken.
Hetzelfde geldt uiteraard voor [gedaagden]”




2.15.
Ter beëindiging van de vof is op 31 mei 2024 een vaststellingsovereenkomst gesloten (hierna: de VSO) tussen [gedaagde 1], [bedrijfsnaam 3], [eiseres 1] en [eiseres 2]. In verband met het bepaalde in onder meer artikel 8.5 van de VSO (zie hierna) heeft [gedaagde 2] in persoon meegetekend.



2.16.
In de VSO zijn partijen, voor zover hier relevant, het volgende overeengekomen:


”D. Partijen wensen hun geschil in onderleg overleg, zonder tussenkomst van de rechter, voor eens en altijd te beëindigen, de Procedure te staken en door middel van onderhavige overeenkomst hun rechtsverhouding ter zake de beëindiging van de Procedure en de samenwerking in de vennootschap onder firma [bedrijfsnaam 1] vast te stellen;



E. Alle aanspraken, vorderingen en claims van [eiseressen] dan wel van [eiseres 1] dan wel van [eiseres 2] en/of hun individuele bestuurders op [gedaagden] en/of hun individuele bestuurder(s) in verband met het project [bedrijfsnaam 2] in de ruimste zin des woords en in ieder geval omvattende de daaraan gerelateerde geldleningen en/of onttrekkingen zijn uitgezonderd van deze regeling en de daarin opgenomen finale kwijting, zoals nader uitgewerkt in deze Overeenkomst;



F. Alle aanspraken, vorderingen en claims van [gedaagden] dan wel van [gedaagde 1] dan wel van [bedrijfsnaam 3] en/of hun individuele bestuurder(s) op [eiseressen] en/of hun individuele bestuurders in verband met het project [bedrijfsnaam 2] in de ruimste zin des woords en in ieder geval omvattende de daaraan gerelateerde geldleningen en/of onttrekkingen zijn uitgezonderd van deze regeling en de daarin opgenomen finale kwijting, zoals nader uitgewerkt in deze Overeenkomst;



G. Onderhavige overeenkomst geldt als een vaststellingsovereenkomst in de zin van artikel 7:900 BW.



(…)






8
[bedrijfsnaam 2]



8.1
Partijen onderkennen dat in de Vergoeding geen vergoeding, schadeloosstelling of compensatie is opgenomen voor de in de jaarrekening 2022 van de vennootschap onder firma [bedrijfsnaam 1] voor een (door [eiseressen] bestreden) boekwaarde per 31-12-2022 van EUR 7.160.750 (zegge: zeven miljoen honderdzestigduizend zevenhonderdvijftig euro) opgenomen vordering op de vennootschap naar Turks recht [bedrijfsnaam 2] A.S.



8.2
Deze Overeenkomst en de daarin opgenomen finale kwijting heeft onder meer gelet op het bepaalde in Artikel 8.1 uitdrukkelijk geen betrekking op alle aanspraken, vorderingen en claims van [eiseressen] dan wel [eiseres 1] dan wel [eiseres 2] en/of hun individuele bestuurders op [gedaagden] en/of hun individuele bestuurder(s) in verband met enig bedrag dat direct of indirect via de vennootschap onder firma [bedrijfsnaam 1], haar individuele vennoten en/of hun bestuurders is aangewend ten behoeve van de Turkse vennootschappen [bedrijfsnaam 4] A.S., [bedrijfsnaam 5] A.S. en/of enige andere Turkse vennootschap en/of anderszins ten behoeve of onder de noemer van het Vastgoed project onder welke titel dan ook, waarbij het volgens het rapport deskundigenonderzoek van [adviesbureau] d.d. 7 maart 2022 per 31-12-2021 gaat om een bedrag van EUR 10.164.106, welk bedrag daarna verder is opgelopen (de ‘Vorderingen [bedrijfsnaam 2] [eiseressen]’) en voor welke vordering [gedaagde 1] B.V., de heer [gedaagde 2], [bedrijfsnaam 3] B.V. en mevrouw [vennoot 3] bij brief van mr. J. de Koning Gans d.d. 27 februari 2023 (met als onderwerp: “Aansprakelijkheidsstelling inzake [bedrijfsnaam 2] A.S.”) aansprakelijk zijn gesteld. Onder deze bepaling zijn mede begrepen alle bedragen die op enig moment in de boekhouding van de vennootschap onder firma [bedrijfsnaam 1] zijn verwerkt in de in Artikel 8.1 bedoelde balanspost, evenals de daarop toegepaste afschrijvingen, ongeacht waarvoor deze bedragen in werkelijkheid zijn aangewend.



8.3

[eiseressen] handhaven de aansprakelijkstelling zoals gedaan bij de in artikel 8.2 bedoelde brief van 27 februari 2023.



8.4
Deze Overeenkomst en de daarin opgenomen finale kwijting heeft uitdrukkelijk geen betrekking op alle aanspraken, vorderingen en claims van [gedaagden] dan wel [gedaagde 1] dan wel [bedrijfsnaam 3] en/of hun individuele bestuurder(s) op [eiseressen] en/of hun individuele bestuurders in verband met enig bedrag dat direct of indirect via de vennootschap onder firma [bedrijfsnaam 1], haar individuele vennoten en/of hun bestuurders is aangewend ten behoeve van de Turkse vennootschappen [bedrijfsnaam 2] A.S., [bedrijfsnaam 5] A.S. en/of enige andere Turkse vennootschap en/of anderszins ten behoeve van het Vastgoedproject onder welke titel dan ook (tezamen met de Vorderingen [bedrijfsnaam 2] [eiseressen] de ‘Vorderingen [bedrijfsnaam 2]').



8.5

[gedaagden] alsmede hun individuele bestuurders verplichten zich aan [eiseressen] te betalen 50% van ieder bedrag dat zij direct of indirect van de Turkse vennootschappen [bedrijfsnaam 2] AS en [bedrijfsnaam 5] A.S. of anderszins in verband met het Vastgoedproject ontvangen, al dan niet ten titel van terugbetaling, ten gevolge van enig bedrag dat direct of indirect via de vennootschap onder firma [bedrijfsnaam 1], haar individuele vennoten en/of hun bestuurders is aangewend ten behoeve van de Turkse vennootschappen [bedrijfsnaam 2] AS, [bedrijfsnaam 5] A.S. en/of enige andere Turkse vennootschap en/of anderszins ten behoeve of onder de noemer van het Vastgoedproject, onder aftrek van de helft van de onderhouds- en beheerkosten die [gedaagden] en/of hun bestuurders aantoonbaar uit eigen middelen en privé (niet namens de vennootschap onder firma [bedrijfsnaam 1]) hebben voldaan om het Vastgoedproject in verkoopbare staat te houden.



8.6
Het door de voorzieningenrechter bij vonnis van 6 mei 2022 aan [gedaagden] opgelegde verbod om zonder uitdrukkelijke instemming van [eiseressen] direct of indirect enig bedrag namens de vennootschap onder firma [bedrijfsnaam 1] te (doen) betalen aan of in verband met [bedrijfsnaam 2] A.S., in de vorm van een lening, schenking of anderszins (zoals bekrachtigd door het gerechtshof Den Haag bij arrest van 6 juni 2023) blijft van kracht tot de volledige Vergoeding aan [eiseressen] is betaald.


(…)”




2.17.

[eiseressen] hebben, na verlof van de voorzieningenrechter, op 2 oktober 2025 conservatoir (derden)beslag gelegd op diverse vermogensbestanddelen van [gedaagde 2].






3Het geschil



In conventie




3.1.

[eiseressen] vorderen - samengevat - dat de rechtbank bij uitvoerbaar bij voorraad verklaard vonnis:



primair


- [gedaagden] hoofdelijk veroordeelt tot betaling aan [eiseres 2] van
€ 2.541.026,50, te vermeerderen met de wettelijke rente gerekend vanaf 27 februari 2023;
- [gedaagden] hoofdelijk veroordeelt tot betaling aan [eiseres 1] van

€ 2.541.026,50, te vermeerderen met de wettelijke rente gerekend vanaf 27 februari 2023;

subsidiair





[gedaagde 2] veroordeelt tot betaling aan [eiseres 2] van € 2.541.026,50, te vermeerderen met de wettelijke rente gerekend vanaf 27 februari 2023;



[gedaagde 2] veroordeelt tot betaling aan [eiseres 1] van € 2.541.026,50, te vermeerderen met de wettelijke rente gerekend vanaf 27 februari 2023;



meer subsidiair



verklaart voor recht dat bij de eerdere verdeling van de vof, zoals neergelegd in de VSO, goederen ter waarde van € 10.164.106 zijn overgeslagen, te weten de door [gedaagde 1] gepleegde onttrekkingen ten laste van het vennootschapsvermogen;


bepaalt dat, en bij wijze van, de nadere verdeling van voornoemde overgeslagen



goederen ex artikel 3:178 jo. artikel 3:179 lid 2 BW het bedrag van € 5.082.053
(zijnde 50% van de gepleegde onttrekkingen) ten laste van [gedaagde 1] komt
en ieder bij helfte aan [eiseres 1] en [eiseres 2] wordt toegedeeld;




[gedaagde 1] veroordeelt tot betaling aan [eiseres 1] van € 2.541.026,50, te vermeerderen met de wettelijke rente gerekend vanaf 27 februari 2023;



[gedaagde 1] veroordeelt tot betaling aan [eiseres 2] van € 2.541.026,50, te vermeerderen met de wettelijke rente gerekend vanaf 27 februari 2023;



in alle gevallen




[gedaagden] hoofdelijk veroordeelt tot vergoeding van de beslagkosten;



[gedaagden] hoofdelijk veroordeelt tot betaling van de buitengerechtelijke incassokosten;



[gedaagden] hoofdelijk veroordeelt in de kosten van dit geding, te vermeerderen met de wettelijke rente.





3.2.

[gedaagden] concluderen tot niet-ontvankelijkheid van [eiseressen] dan wel tot afwijzing van de vorderingen van [eiseressen], met uitvoerbaar bij voorraad te verklaren veroordeling van [eiseressen] in de kosten van de procedure in conventie, te vermeerderen met de wettelijke rente.



In reconventie





3.3.

[gedaagden] vorderen in reconventie [eiseressen], onder verbeurte van een dwangsom, te bevelen de conservatoire beslagen die zij ten laste van [gedaagde 2] hebben gelegd op te heffen, dan wel voor de rechtbank om deze op te heffen, onder de voorwaarde dat [eiseressen] niet-ontvankelijk worden verklaard dan wel hun vorderingen worden afgewezen. Dit met uitvoerbaar bij voorraad te verklaren veroordeling van [eiseressen] in de kosten van de procedure in reconventie, te vermeerderen met de wettelijke rente.



3.4.

[eiseressen] concluderen, voor het geval de door [gedaagden] gestelde voorwaarde zou worden vervuld, tot afwijzing van deze reconventionele vordering en voeren verweer tegen de gevorderde dwangsom en uitvoerbaar bij voorraadverklaring. Dit alles met uitvoerbaar bij voorraad te verklaren veroordeling van [gedaagden] in de kosten van de procedure in reconventie, te vermeerderen met de wettelijke rente.



3.5.
Op de stellingen van partijen in zowel conventie als (voorwaardelijke) reconventie wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.






4De beoordeling in conventie en reconventie



Nederlands recht van toepassing




4.1.
De rechtbank begrijpt de grondslagen van de primair ingestelde vorderingen van [eiseressen] zo, dat zij [gedaagde 1] aansprakelijk stellen voor onrechtmatig handelen in haar hoedanigheid als vennoot van een Nederlandse vennootschap onder firma jegens de andere vennoten en secundair stellen zij haar bestuurder [gedaagde 2] aansprakelijk. Subsidiair wordt een beroep gedaan op ongerechtvaardigde verrijking van [gedaagde 2] en wordt van hem nakoming van de VSO gevorderd. Meer subsidiair beroepen [eiseressen] zich ten aanzien van [gedaagde 1] op bepalingen uit Boek 3 BW over de verdeling van een gemeenschap. Bij hun stellingen betrekken [eiseressen] het gegeven dat [gedaagde 2] ook aandeelhouder en bestuurder is van [bedrijfsnaam 2], een Turkse vennootschap. [gedaagde 2] wordt echter niet in die hoedanigheden aangesproken. De rechtbank volgt [gedaagden] dan ook niet in hun standpunt dat het Turkse recht op het onderhavige geschil van toepassing zou zijn. Naar het oordeel van de rechtbank is het Nederlands recht van toepassing bij de beoordeling van de (grondslagen van de) vorderingen van [eiseressen] (zie o.a. artikel 10:119 sub e BW).



Geen onrechtmatig handelen [gedaagden]





Standpunten van partijen





4.2.
Aan hun primaire vorderingen leggen [eiseressen], zo begrijpt de rechtbank, het volgende ten grondslag. [gedaagde 1] heeft bedragen van in totaal € 10.164.106 aan de vof onttrokken. Volgens [eiseressen] hebben [gedaagden] zich een deel van die gelden toegeëigend. Gebleken is dat gelden vanuit de vof niet naar [bedrijfsnaam 2] zijn overgemaakt, maar naar [gedaagden] dan wel derden. [gedaagde 1] heeft er daarnaast voor gezorgd dat de vof bedragen heeft uitgeleend aan [bedrijfsnaam 2], zonder daarvoor zekerheden te bedingen. Ook is het maximumbedrag dat de vennoten over de geldlening aan [bedrijfsnaam 2] hadden afgesproken, overschreden. Verder heeft [gedaagde 1] eraan meegewerkt dat de schuld van [bedrijfsnaam 2] aan de vof niet op juiste wijze in de administratie van [bedrijfsnaam 2] terecht is gekomen. Uit de jaarstukken van [bedrijfsnaam 2] kunnen [eiseressen] niet afleiden dat de vof € 10.164.106 in [bedrijfsnaam 2] heeft geïnvesteerd. Bovendien is een deel van de gelden die door [bedrijfsnaam 2] van de vof zijn ontvangen, in haar jaarstukken verwerkt als aandelenemissie aan [gedaagde 2] dan wel als schuld aan [gedaagde 2]. Tot slot heeft [gedaagde 1] [eiseressen] structureel niet goed geïnformeerd over de geldstromen aan [bedrijfsnaam 2]. Dit alles is aan te merken als onrechtmatig handelen van [gedaagde 1] waardoor de vof en haar vennoten zijn benadeeld. Van dit handelen van [gedaagde 1] kan [gedaagde 2] als bestuurder een persoonlijk ernstig verwijt worden gemaakt. Hij heeft immers doelbewust meegewerkt aan en geprofiteerd van het handelen van [gedaagde 1].



4.3.

[gedaagden] betwisten de stellingen van [eiseressen] Daarbij voeren [gedaagden] – kortgezegd – aan dat geen bedragen (op onrechtmatige wijze) zijn onttrokken aan de vof. [gedaagden] hebben de investeringen in [bedrijfsnaam 2] met de gelden van de vof telkens op een wijze gedaan die rekening hield met de belangen van de vof. Het ging om een gezamenlijk vastgoedproject waarvan [eiseressen] op de hoogte waren. Zij hebben ingestemd met een totale lening die het initieel afgesproken bedrag overschreed en zij hebben tot de vennotenvergadering van 15 november 2022 nooit zekerheden verlangd. De vennoten hebben naar hun aandeel recht op eventuele terugbetalingen en opbrengsten uit de investeringen. [gedaagden] hebben zichzelf geen gelden toegeëigend of voor andere doeleinden gebruikt dan als investering in [bedrijfsnaam 2], zoals de gezamenlijke vennoten hadden afgesproken. Verder wijzen [gedaagden] erop dat niet de administratie van [bedrijfsnaam 2] leidend is voor wat betreft de omvang van de schuld van [bedrijfsnaam 2] aan de (vennoten van de) vof, maar de administratie van de vof.



Beoordeling





4.4.
Partijen zijn het erover eens dat een bedrag van € 10.164.106 uit de vof is gehaald onder de noemer van een lening aan c.q. investering in [bedrijfsnaam 2]. Dit wordt ook ondersteund door het rapport van 7 maart 2022 van [adviesbureau] (zie r.o. 2.9), waarin haar onderzoeksresultaten ten aanzien van het boekenonderzoek van de vof zijn weergegeven.



4.5.
Partijen twisten over de vraag of een bedrag hoger dan € 8 miljoen als lening/ investering uit de vof mocht worden gehaald. Anders dan [eiseressen], beantwoordt de rechtbank deze vraag bevestigend. Daarbij betrekt de rechtbank het volgende. Weliswaar heeft de vof aanvankelijk een investering in [bedrijfsnaam 2] ter hoogte van € 8 miljoen willen doen. Dit bedrag staat immers vermeld in het besprekingsverslag van dezelfde datum als de leningsovereenkomst (zie r.o. 2.4). Uit het besprekingsverslag en het “Overzicht deelneming [bedrijfsnaam 2]” en uit de gang van zaken na het opstellen van die stukken leidt de rechtbank echter af dat de vennoten ermee akkoord zijn gegaan dat een hoger bedrag in [bedrijfsnaam 2] zou worden geïnvesteerd c.q. aan haar zou worden geleend.



4.6.
Bij de geldleningsovereenkomst hebben de vennoten van de vof ook het stuk “Overzicht deelneming [bedrijfsnaam 2]” ondertekend (zie r.o. 2.5). Daaruit blijkt dat de vof, althans de gezamenlijke vennoten, al op 5 november 2018, direct dan wel indirect, meer dan € 8 miljoen in [bedrijfsnaam 2] hadden geïnvesteerd, namelijk in totaal € 9.686.336. Dit wordt ook met zoveel woorden vastgesteld in het eerder genoemde besprekingsverslag. Daarbij komt dat [gedaagde 2] en [vennoot 2] op 14 mei 2021 een handgeschreven stuk met de titel “Project Turkije [bedrijfsnaam 2]” hebben ondertekend (zie r.o. 2.8). In die notitie staat bij ”saldo r/c” en de datum 31 december 2019 een bedrag van € 8.386.250 en bij de datum 31 december 2020, een bedrag van € 8.969.538. De rechtbank maakt hieruit op dat de vof op 31 december 2020 een bedrag van bijna 9 miljoen euro tegoed had van [bedrijfsnaam 2]. [eiseres 2] was hiervan, gelet op de naam en handtekening van haar bestuurder-aandeelhouder op de notitie, op de hoogte. Verder heeft [gedaagde 2] in een e-mail aan [naam 1] van 28 januari 2022 (zie r.o. 2.9) geschreven dat het noodzakelijk was om een bedrag van € 23.500 vanuit de vof over te maken ten behoeve van [bedrijfsnaam 2]. Vervolgens hebben [gedaagde 2] en [naam 1] verder gecorrespondeerd over de (financiële) gang van zaken bij [bedrijfsnaam 2]. Ook zijn de investeringen van de vof in [bedrijfsnaam 2] tijdens de vennotenvergadering van 15 november 2022 besproken, zo blijkt uit de notulen van die vergadering (zie r.o. 2.10). Tegen deze achtergrond stelt de rechtbank vast dat de vennoten redelijkerwijs ervan op de hoogte waren of konden zijn dat de investeringen van de vof in [bedrijfsnaam 2] het eerder afgesproken maximum bedrag van € 8 miljoen overstegen.



4.7.
Dit voorgaande betekent nog niet dat geen sprake is van onrechtmatige onttrekkingen aan de vof. Voor de verdere beoordeling daarvan is van belang of de gelden die vanuit de vof zijn overgemaakt naar [bedrijfsnaam 2] voor andere doeleinden zijn gebruikt dan waarvoor deze waren bedoeld en/of door [gedaagden] zijn toegeëigend, zoals [eiseressen] stellen. De rechtbank is van oordeel dat daar geen sprake van is. Daartoe overweegt zij het volgende.



4.8.

[gedaagden] hebben toegelicht dat de geldstromen van de vof naar [bedrijfsnaam 2] soms indirect verliepen. [gedaagde 2] fungeerde daarbij – naar eigen zeggen – als ”vooruitgeschoven post”, zodat de vof buiten beeld bleef. [gedaagden] hebben aangegeven dat zij dat in het belang van de vof en haar vennoten hebben gedaan. Wat er (boekhoudkundig en/of fiscaal) ook zij van deze vooruitgeschoven-post-constructie, uit deze handelwijze van [gedaagden] volgt niet dat de vof haar vordering op [bedrijfsnaam 2] (civielrechtelijk) heeft verloren en/of dat [eiseressen] hun aanspraak op terugbetaling van de lening zijn kwijtgeraakt. [gedaagden] pretenderen immers niet dat bedragen die vanuit de vof via de rekening van [gedaagde 2] of van derden naar [bedrijfsnaam 2] zijn overgemaakt aan hen zouden toekomen. [gedaagden] hebben de vordering van de vof op [bedrijfsnaam 2] uit hoofde van de geldleningsovereenkomst niet betwist en hebben desgevraagd ook verklaard dat [bedrijfsnaam 2] de vordering van de vof ter hoogte van de aan [bedrijfsnaam 2] geleende c.q. in [bedrijfsnaam 2] geïnvesteerde bedragen erkent. Daarbij acht de rechtbank ook van belang dat [gedaagden] zich in de VSO hebben verplicht om de helft van de gelden die zij direct dan wel indirect uit hoofde van de investeringen in [bedrijfsnaam 2] zullen ontvangen, aan [eiseressen] te betalen. (Zie daarover ook r.o. 4.15 en verder.)



4.9.
Voor zover de omvang van de vordering van de vof op [bedrijfsnaam 2] niet duidelijk zou blijken uit de administratie van [bedrijfsnaam 2], is in artikel 7 van de geldleningsovereenkomst tussen de vof en [bedrijfsnaam 2] overeengekomen dat de administratie van de vof leidend is. Uit de administratie van de vof blijkt dat de vof in totaal een bedrag van € 10.164.106 aan [bedrijfsnaam 2] heeft verstrekt; het bedrag waarvan ook [eiseressen] in deze procedure uitgaan.



4.10.
Anders dan [eiseressen] betogen, leidt het feit dat een deel van de investeringen van de vof is gebruikt voor een aandelenemissie aan [gedaagde 2] niet tot een ander oordeel. [gedaagden] hebben toegelicht dat een deel van de lening aan [bedrijfsnaam 2] is omgezet in aandelen die zijn uitgegeven aan [gedaagde 2], omdat de Turkse bank een voor [bedrijfsnaam 2] noodzakelijke lening niet wilde verstrekken zolang het eigen vermogen van [bedrijfsnaam 2] niet gunstiger zou worden. Ook hier geldt dat, wat er boekhoudkundig of fiscaal zij van deze constructie, hiermee niet vaststaat dat [gedaagde 2] of [gedaagden] daardoor zijn bevoordeeld. [gedaagden] pretenderen immers niet voor 100% eigenaar van deze aandelen te zijn. [gedaagden] voeren aan dat 50% van die aandelen aan [vennoot 2] zijn overgedragen. Dat standpunt wordt ondersteund door het document genaamd “aandelenoverdrachtsovereenkomst” (zie r.o. 2.8). Hoewel deze aandelen nooit aan [vennoot 2] zijn geleverd, erkennen [gedaagden] hiermee naar het oordeel van de rechtbank dat [eiseressen] daarop wel aanspraak hebben. Bovendien hebben [gedaagden] zich in artikel 8.5 van de VSO verplicht om bij eventuele verkoop van de aandelen, dan wel bij een eventuele ontvangst van dividend, aan [eiseressen] de helft daarvan te betalen (zie ook r.o. 4.15 e.v.). Onder deze omstandigheden kan niet worden geoordeeld dat de aandelenemissie ertoe heeft geleid dat de investeringen van de vof in [bedrijfsnaam 2] aan het verhaal van de vof zijn onttrokken en/of door [gedaagden] zijn toegeëigend.



4.11.
Ook leidt het feit dat [bedrijfsnaam 2] geen adequate zekerheden heeft gesteld niet tot een andere conclusie ten aanzien van het gestelde onrechtmatig handelen van [gedaagden] In artikel 4 van de geldleningsovereenkomst staat immers dat [bedrijfsnaam 2] zich verplicht om op eerste verzoek van de vof (aanvullende) zekerheid te verstrekken in een door de vof te bepalen vorm. Niet gesteld of gebleken is dat een dergelijk verzoek door de vof aan [bedrijfsnaam 2] is gedaan voorafgaand aan de vennotenvergadering van 15 november 2022 en/of dat hieraan door [bedrijfsnaam 2] geen gevolg is gegeven. Nog los van de vraag of het niet voldoen aan deze verplichting door [bedrijfsnaam 2] zou leiden tot onrechtmatig handelen van [gedaagden], leest de rechtbank in de notulen van de vennotenvergadering van 15 november 2022 eerder dat [gedaagde 2] welwillend stond tegenover het stellen van zekerheid voor de vordering van de vof (zie r.o. 2.10).



4.12.
Omdat uit het voorgaande reeds volgt dat en waarom de vorderingen tegen [gedaagden] uit hoofde van artikel 6:162 BW moeten worden afgewezen, hoeft de rechtbank niet in te gaan op de overige stellingen van partijen met betrekking tot de primaire grondslag van de vorderingen van [eiseressen]



Geen ongerechtvaardigde verrijking [gedaagde 2]





4.13.
De subsidiair ingestelde vorderingen tegen [gedaagde 2], tot betaling van ongeveer 2,5 miljoen euro aan zowel [eiseres 2] als [eiseres 1], zijn (onder meer) gebaseerd op ongerechtvaardigde verrijking. De feitelijke grondslag van die vorderingen en het verweer daartegen komt overeen met die ten aanzien van de primair ingestelde vorderingen (zie r.o. 4.1). In het verlengde van voorgaande overwegingen en beslissingen over de primair ingestelde vorderingen komt de rechtbank tot de conclusie dat op [gedaagde 2] ook geen schadevergoedingsverplichting rust uit hoofde van ongerechtvaardigde verrijking.



4.14.

Op grond van artikel 6:212 lid 1 BW is hij die ongerechtvaardigd verrijkt is ten koste van een ander verplicht, voor zover dit redelijk is, diens schade te vergoeden tot het bedrag van zijn verrijking. Weliswaar is vooralsnog sprake van een verarming aan de zijde van [eiseressen] omdat er geen vooruitzichten zijn op het ontvangen van (alle) gelden die aan [bedrijfsnaam 2] zijn uitgeleend, c.q. in [bedrijfsnaam 2] zijn geïnvesteerd. Niet is echter gebleken dat sprake is van een (ongerechtvaardigde) verrijking aan de zijde van [gedaagde 2]. [gedaagde 2] erkent immers de vordering van de vof op [bedrijfsnaam 2] uit hoofde van de geldlening c.q. de investeringen, waartoe de (voormalige) vennoten ieder voor hun deel gerechtigd zijn. Dat betalingen van de vof aan [bedrijfsnaam 2] feitelijk deels via het vermogen van [gedaagde 2] in privé zijn gelopen (door overboeking via zijn bankrekening en de emissie van aandelen in [bedrijfsnaam 2]) doet niet aan die erkenning af. [gedaagde 2] heeft immers geen eigendomspretentie met betrekking tot de betreffende bedragen en aandelen voor het deel dat [eiseressen] toekomt. Daarmee is van (ongerechtvaardigde) verrijking van [gedaagde 2] geen sprake.

Vordering tot nakoming vaststellingsovereenkomst slaagt niet





4.15.
Subsidiair stellen [eiseressen] tevens dat [gedaagde 2] de gevorderde bedragen verschuldigd is op grond van artikel 8.5 van de VSO. Zij vorderen in dit verband nakoming van die bepaling. [gedaagden] betwisten dat [eiseressen] een aanspraak hebben op [gedaagde 2] op grond van artikel 8.5 van de VSO. Partijen verschillen van mening over de uitleg van die bepaling. De rechtbank overweegt daarover als volgt.



4.16.
Bij tussenvonnis van 3 januari 2024 heeft deze rechtbank in een bodemprocedure met zaaknummer C/09/623539 geoordeeld dat [gedaagde 1] en [bedrijfsnaam 3] de lening van de vof aan [bedrijfsnaam 2] toegedeeld krijgen. Vervolgens hebben partijen afspraken gemaakt in de VSO. In artikel 8.5 van de VSO staat - kort gezegd - dat [gedaagde 2] verplicht is om 50% van ieder bedrag dat hij ontvangt in (direct of indirect) verband met de investeringen van de vof in het vastgoedproject van [bedrijfsnaam 2], te betalen aan [eiseressen], onder aftrek van de helft van de onderhouds- en beheerkosten die [gedaagde 2] aantoonbaar uit eigen middelen heeft voldaan (zie r.o. 2.16).



4.17.
Artikel 8.5 van de VSO is ruim geformuleerd en heeft betrekking op alle bedragen die [gedaagde 2] ontvangt in direct of indirect verband met het vastgoedproject van [bedrijfsnaam 2]. Het kan dus gaan om aflossingen op de lening van de vof aan [bedrijfsnaam 2] die via [gedaagde 2] lopen, dividenduitkeringen op de aandelen die [gedaagde 2] houdt in [bedrijfsnaam 2], of andere bedragen die [gedaagde 2] ontvangt in verband met de lening aan c.q. investering in [bedrijfsnaam 2]. Verder geldt dat artikel 8.5 van de VSO is opgesteld in het kader van de ontbinding van de vof en de verdeling van diens vermogensbestanddelen, waaronder de lening aan [bedrijfsnaam 2]. Die lening is in voornoemd tussenvonnis per de peildatum (1 januari 2023) gewaardeerd op nihil en toegedeeld aan [gedaagde 1] en [bedrijfsnaam 3]. Verder is hierover in r.o. 2.18 van het tussenvonnis geoordeeld (onderstreping toegevoegd, zie ook r.o. 2.14 hiervoor):


”Bij deze stand van zaken komt de rechtbank tot het volgende oordeel. Voor de
berekening van de bedrijfswaarde van de onderneming dient de lening gesteld te worden op
nihil. Bij de verdeling zal de lening aan [gedaagden] worden toegedeeld onder de

verplichting om aan [eiseressen] de helft te betalen van wat [bedrijfsnaam 2] eventueel toch nog


terugbetaalt van de bedragen die ten laste van [bedrijfsnaam 1] aan haar ter beschikking zijn gesteld,
onder aftrek van de helft van de onderhouds- en beheerkosten die [gedaagde 2] aantoonbaar uit
eigen middelen en privé (niet namens [bedrijfsnaam 1]) heeft voldaan om het vastgoedproject in
verkoopbare staat te houden”




4.18.
In het licht van de onderstreepte passage uit het tussenvonnis legt de rechtbank artikel 8.5 van de VSO zo uit, dat de hierin opgenomen verplichting van (onder andere) [gedaagde 2] bestaat in het geval de (op nihil gewaardeerde) lening aan c.q. investering in [bedrijfsnaam 2] ná de peildatum die bij de verdeling van de vof is gehanteerd (toch nog) enige opbrengsten zou hebben. Voor die situatie is in de VSO vastgelegd hoe die eventuele opbrengsten zouden moeten worden verdeeld.



4.19.
In deze procedure is niet gebleken dat [gedaagde 2] bedragen zoals bedoeld in artikel 8.5 van de VSO heeft ontvangen. [eiseressen] hebben dus (vooralsnog) geen vordering uit hoofde van artikel 8.5 van de VSO op [gedaagde 2]. De subsidiair tegen [gedaagde 2] ingestelde vordering zal dus worden afgewezen.



Geen nadere verdeling





4.20.
Meer subsidiair vorderen [eiseressen] van [gedaagde 1] de nadere verdeling van de vof op grond van de artikelen 3:178 BW en 3:179 lid 2 BW. Zij stellen daarbij dat de bedragen die de vof in [bedrijfsnaam 2] heeft geïnvesteerd, althans die volgens hen aan de vof zijn onttrokken, nog verdeeld moeten worden. Volgens [gedaagden] is van overgeslagen goederen zoals bedoeld in de artikelen 3:178 BW en 3:179 lid 2 BW geen sprake.



4.21.
Zoals hiervoor al is overwogen, heeft de rechtbank in het tussenvonnis van 3 januari 2024 in de zaak over de verdeling van de vof geoordeeld dat de lening aan [bedrijfsnaam 2] wordt toegedeeld aan [gedaagde 1] en [bedrijfsnaam 3]. In het tussenvonnis is in het midden gelaten of sprake is van onrechtmatige (privé) onttrekkingen aan de vof door [gedaagden], zoals [eiseressen] - net zoals in de onderhavige procedure – stellen (zie r.o. 2.14). De lening aan c.q. de investeringen in [bedrijfsnaam 2] als zodanig is/zijn echter wel verdeeld. Van overgeslagen goederen zoals bedoeld in artikel 3:178 jo. artikel 3:179 lid 2 BW is dan ook geen sprake. De meer subsidiair ingestelde vordering zal daarom worden afgewezen.



Nevenvorderingen





4.22.
Uit de voorgaande afwijzende beslissingen over de hoofvorderingen van [eiseressen] vloeit voort dat ook de door hen ingestelde nevenvorderingen tot vergoeding van buitengerechtelijke kosten en beslagkosten zullen worden afgewezen.



Voorwaardelijke eis in reconventie





4.23.
In reconventie hebben [gedaagden] de opheffing van de door [eiseressen] gelegde conservatoire beslagen ten laste van [gedaagden] gevorderd, onder de voorwaarde dat [eiseressen] niet-ontvankelijk worden verklaard, dan wel hun vorderingen worden afgewezen. Nu dat laatste aan de orde is, komt de rechtbank toe aan beoordeling van de vorderingen in reconventie.



4.24.
Nu de vorderingen van [eiseressen] zullen worden afgewezen, geldt op grond van artikel 704 lid 2 Rv dat door hen gelegde beslagen van rechtswege vervallen wanneer deze afwijzing in kracht van gewijsde gaat. Een vonnis gaat in kracht van gewijsde wanneer het niet meer met een gewoon rechtsmiddel kan worden aangetast. Dit brengt met zich mee dat als hoger beroep tegen dit vonnis wordt ingesteld, de beslagen zullen blijven liggen. De rechtbank zal daarom moeten beoordelen of de beslagen in dat geval (toch) moeten worden opgeheven. Het komt dan aan op een belangenafweging. Naar het oordeel van de rechtbank hebben [gedaagden] onvoldoende onderbouwd welk belang hebben bij hun vordering tot opheffing van de beslagen op korte termijn, dat zwaarder weegt dan het belang van [eiseressen] bij het handhaven van de conservatoire beslagen. De vorderingen in reconventie zullen daarom worden afgewezen. Als bedoeld zwaarderwegend belang bij opheffing wel bestaat, dan staat het [gedaagden] vanzelfsprekend vrij om een opheffingskortgeding te starten.



Proceskosten





In conventie





4.25.

[eiseressen] zijn in conventie het ongelijk gesteld en moeten daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van [gedaagden] in conventie worden begroot op:











- griffierecht


€


6.861,00










- salaris advocaat


€


9.262,00





(2 punten × tarief VIII € 4.631,00)




- nakosten


€


189,00





(plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing)




Totaal


€


16.312,00














In (voorwaardelijke) reconventie





4.26.

[gedaagden] zijn in reconventie het ongelijk gesteld en moeten daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. Vanwege het beperkte partijdebat dat heeft plaatsvonden over de reconventionele vorderingen zal de rechtbank de proceskosten van [eiseressen] in reconventie begroten op een punt van het liquidatietarief voor vorderingen van onbepaalde waarde, vermeerderd met de nakosten:











- salaris advocaat


€


653,00





(1 punt × € 653,00)




- nakosten


€


189,00





(plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing)




Totaal


€


842,00














Wettelijke rente en hoofdelijkheid





4.27.
De gevorderde wettelijke rente over de proceskosten wordt toegewezen zoals vermeld in de beslissing.



4.28.
De veroordelingen worden hoofdelijk uitgesproken. Dat betekent dat iedere veroordeelde kan worden gedwongen het hele bedrag te betalen. Als de één (een deel) betaalt, hoeft de ander dat (deel van het) bedrag niet meer te betalen.






5De beslissing


De rechtbank




In conventie




5.1.
wijst de vorderingen van [eiseressen] af,



5.2.
veroordeelt [eiseressen] hoofdelijk tot betaling van de proceskosten van [gedaagden] van € 16.312,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met € 98,00 plus de kosten van betekening als [eiseressen] niet tijdig aan de veroordelingen voldoen en het vonnis daarna wordt betekend,



5.3.
veroordeelt [eiseressen] hoofdelijk tot betaling van de wettelijke rente zoals bedoeld in artikel 6:119 BW over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn betaald,



5.4.
verklaart dit vonnis voor wat betreft r.o. 5.2 en 5.3 uitvoerbaar bij voorraad,



In (voorwaardelijke) reconventie





5.5.
wijst de vorderingen van [gedaagden] af,



5.6.
veroordeelt [gedaagden] hoofdelijk tot betaling van de proceskosten van [eiseressen] van € 842,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met € 98,00 plus de kosten van betekening als [eiseressen] niet tijdig aan de veroordelingen voldoen en het vonnis daarna wordt betekend,



5.7.
veroordeelt [gedaagden] hoofdelijk tot betaling van de wettelijke rente zoals bedoeld in artikel 6:119 BW over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn betaald,



5.8.
verklaart dit vonnis voor wat betreft r.o. 5.6 en 5.7 uitvoerbaar bij voorraad,



Dit vonnis is gewezen door mr. L. Kelkensberg en in het openbaar uitgesproken op 26 augustus 2026.




Burgerlijk Wetboek


Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering