Rechtbank Den Haag
ECLI:NL:RBDHA:2026:25907
2026-07-23
Bestuursrecht; Belastingrecht
AWB - 26 _ 2935
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen
Inhoudsindicatie
artikel 30a Wet WOZ
Citeert (4)
- ECLI:NL:HR:2025:46 Hoge Raad 17-01-2025
- ECLI:NL:HR:2025:670 Hoge Raad 25-04-2025
- ECLI:NL:HR:2025:1382 Hoge Raad 26-09-2025
- ECLI:NL:PHR:2024:1118 Parket bij de Hoge Raad 25-10-2024
Geciteerd door (0)
- geen
Wetsverwijzingen
Volledige tekst
Volledige tekst (24.883 tekens)
Rechtbank DEN HAAG
Team belastingrecht
zaaknummer: SGR 26/2935
proces-verbaal van de mondelinge uitspraak van de enkelvoudige kamer van 23 juli 2026 in de zaak tussen
[eiseres] B.V., gevestigd te [vestigingsplaats] , eiseres(gemachtigde: [gemachtigde 1] ),
en
de heffingsambtenaar van de gemeente Pijnacker-Nootdorp, verweerder.
26/2935
De bestreden uitspraak op bezwaar
De uitspraak van verweerder van 25 februari 2026 op het bezwaar van eiseres tegen de beschikking waarbij de waarde van de onroerende zaak gelegen aan [adres] te [plaats] (de onroerende zaak) op 1 januari 2024 (de waardepeildatum) op de voet van artikel 22 van de Wet waardering onroerende zaken (Wet WOZ) voor het kalenderjaar 2025 is vastgesteld op € 2.973.000.
Zitting
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 9 juli 2026.
Namens eiseres is verschenen [gemachtigde 2] , kantoorgenoot van [gemachtigde 1] . Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door [naam 1] en [naam 2] .
Beslissing
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Overwegingen
Feiten en geschil
1. Verweerder heeft het bezwaar van eiseres gegrond verklaard, de WOZ-waarde verminderd tot € 2.849.000 en daarbij een proceskostenvergoeding toegekend met toepassing van artikel 30a, eerste lid, van de Wet WOZ.
2. In geschil is of verweerder bij het bepalen van de proceskostenvergoeding terecht de vermenigvuldigingsfactor van artikel 30a van de Wet WOZ heeft toegepast.
3. Gemachtigde stelt dat zijn kantoor, Previcus , vanaf 1 januari 2025 niet meer op no cure no pay-basis werkt en daarom dient te worden aangemerkt als een ‘bijzonder geval’ zoals bedoeld in het arrest van de Hoge Raad van 17 januari 2025, waardoor artikel 30a van de Wet WOZ buiten toepassing moet blijven. Gemachtigde wijst in dit kader op: een offerte met de met eiseres gemaakte prijsafspraak (de offerte), een beschrijving van het per 1 januari 2025 gewijzigde bedrijfsmodel (“Bijzonder geval: bedrijfsmodel Previcus en artikel 30a Wet WOZ”) (het bedrijfsmodel), een model-offerte en ongeveer 135 facturen van Previcus aan cliënten en bijbehorende betaalbewijzen.
4. In het bedrijfsmodel zijn de prijsafspraken over 2025 in het volgende overzicht opgenomen:
5. In de model-offerte staat onder meer (onderstreping door de rechtbank):
“De startfee wordt in rekening gebracht voor de administratieve handelingen voorafgaand aan de inhoudelijke behandeling, het verwerken van de aanslagbiljetten, het screenen van de objecten op de aanslagbiljetten en het verzenden van het initiële bezwaarschrift. De besparingsfee is op basis van no cure no pay. Bij een ongegronde procedure zal de besparingsfee niet rekening gebracht worden gebracht, ongeacht onze inspanningen.
Bij een gegronde procedure zal de gemeente onze vergoedingen aan u overmaken. Dit betreft de proceskostenvergoeding, (eventuele) dwangsom en immateriële schadevergoedingen. Deze vergoedingen zijn voor gemachtigde; u zal een factuur ontvangen met het verzoek deze vergoedingen aan ons over te maken. U maakt geen kosten: u zal een vergoeding ontvangen dat voor gemachtigde bestemd is.”
6. In de op 5 maart 2025 door eiseres ondertekende volmacht staat:
“De kosten van onze werkzaamheden komen neer op de vergoedingen die op grond van art 7:15, 8:75, 4:17 en 8:88 Awb aan u worden toegewezen. Indien van toepassing behoort een nader overgekomen bedrag ook tot deze kosten. [voetnoot: ****Zie onze algemene voorwaarden voor een nadere toelichting] “
7. In de op 25 februari 2026 door eiseres ondertekende volmacht staat onder meer:
“Deze volmacht houdt in hoofdzaak in:
(...)
- Het voeren van (gerechtelijke) procedures ter verkrijging van proceskostenvergoedingen, dwangsommen en (immateriële) schadevergoedingen, ook indien de WOZ-waarde of de hoogte van de belastingaanslag zelf niet langer in geschil is. Ten aanzien van dit punt wordt deze volmacht onherroepelijk verleend;
(...)
Ondergetekende verklaart kennis te hebben genomen van en akkoord te gaan met de algemene voorwaarden zoals vermeld op https://www. previcus .nl/algemene-voorwaarden-okt25/”
8. In de tot 1 oktober 2025 van toepassing zijnde algemene voorwaarden staat onder meer:
“Artikel 8 Declaratie
1. In onderling overleg kunnen door opdrachtnemer en opdrachtgever afspraken worden gemaakt over de hoogte van de vergoeding voor de desbetreffende opdracht. (...)
Artikel 9 No cure, no pay
1. Opdrachtgever en opdrachtnemer kunnen overeenkomen dat de opdracht, ongeacht de uitkomst ervan, op basis van ‘no cure, no pay’ wordt verricht. Indien een dergelijke afspraak wordt gemaakt, wordt dit bevestigd in de opdrachtbevestiging.
(...)
4. Wanneer het desbetreffende overheidsorgaan of rechtscollege een proceskostenvergoeding toewijst op grond van de artikelen 7:15 en/of 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht in samenhang met het Besluit proceskosten bestuursrecht en de Wet WOZ, komt deze toe aan opdrachtnemer.
(...)
6. Indien een opdracht door opdrachtnemer op basis van ‘no cure, no pay’ wordt uitgevoerd, worden door opdrachtgever zonder voorafgaande uitdrukkelijke instemming van opdrachtnemer, géén beslissingen genomen dan wel mededelingen gedaan betreffende ingestelde bezwaar-/beroepsprocedures bij een overheidsorgaan, die van invloed kunnen zijn op (de uitkomst van) de ingestelde procedures. Hieronder dient onder meer te worden verstaan het doen van uitlatingen of nemen van beslissingen inzake het treffen van schikkingen of het intrekken van ingestelde procedures.
7. Wanneer opdrachtgever handelt in strijd met lid 6, vervalt de ‘no cure, no pay’ afspraak en dienen alle door opdrachtnemer gemaakte kosten, waaronder tevens een vergoeding voor de werkzaamheden die zijn verricht tegen het op dat moment geldend uurtarief vermeerderd met in het kader van de opdracht betaalde verschotten en BTW, geheel door de opdrachtgever te worden vergoed.
8. Opdrachtnemer is te allen tijde gerechtigd om (gerechtelijke) procedures op te starten ten behoeve van het verkrijgen van een proceskostenvergoeding uit hoofde van de uit te voeren opdracht. Opdrachtgever verplicht zich ertoe hieraan medewerking te verlenen.
(...)”
9. In de vanaf 1 oktober 2025 van toepassing zijnde algemene voorwaarden staat onder meer (onderstreping door de rechtbank):
“12.1 Opdrachtgever en Previcus kunnen overeenkomen dat de opdracht wordt verricht tegen een vaste (start)fee en/of een besparingsfee of een uurtarief. Indien een dergelijke afspraak wordt gemaakt, wordt dit vastgelegd in de offerte of opdrachtbevestiging.
(...)
13.1
Naast de overeengekomen vergoedingen is Opdrachtgever een forfaitaire vergoeding verschuldigd die als proceskostenvergoeding op grond van de wet door de gemeente zal worden betaald. De hoogte van dit bedrag vloeit voort uit de artikelen 7:15 en/of 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht in samenhang met het Besluit proceskosten bestuursrecht en de Wet WOZ, en is gebaseerd op de verrichte proceshandelingen.
(...)
13.3
Previcus is gerechtigd om (gerechtelijke) procedures te voeren ter verkrijging van de proceskostenvergoeding. Opdrachtgever verplicht zich hieraan medewerking te verlenen.
13.4
Er worden door Opdrachtgever zonder voorafgaande schriftelijke instemming van Previcus geen beslissingen genomen of mededelingen gedaan die van invloed kunnen zijn op (de uitkomst van) de procedure. Hieronder wordt mede verstaan het treffen van schikkingen of het intrekken van ingestelde bezwaar- of beroepsprocedures. Wanneer Opdrachtgever handelt in strijd met het voorgaande dienen alle door Previcus gemaakte kosten, waaronder tevens begrepen een vergoeding voor de werkzaamheden die zijn verricht tegen het op dat moment geldende uurtarief vermeerderd met betaalde verschotten en BTW, geheel door Opdrachtgever te worden vergoed.
(...)
16.1
Previcus en de Opdrachtgever kunnen in onderling overleg afspraken maken over de hoogte van de vergoeding voor de opdracht.”
10. Verweerder heeft de stellingen van de gemachtigde gemotiveerd weersproken en concludeert tot ongegrondverklaring van het beroep.
Kader
11. Artikel 30a, eerste lid, van de Wet WOZ luidt:
“Het bedrag dat strekt tot vergoeding van de kosten, bedoeld in artikel 7:15, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht, onder toepassing van de nadere regels gesteld krachtens het vierde lid van dat artikel, wordt, voor zover die kosten betrekking hebben op door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand in het kader van het bezwaar tegen een besluit genomen op grond van het gestelde bij of krachtens deze wet of titel IV, hoofdstuk XV, paragraaf 2, van de Gemeentewet of tegen een daarmee verband houdend besluit, vermenigvuldigd met 0,125. De eerste zin vindt geen toepassing in geval van bijzondere omstandigheden in de zin van de nadere regels gesteld krachtens artikel 7:15, vierde lid, van de Algemene wet bestuursrecht.”
12. Genoemd artikel 30a is met de Wet herwaardering proceskostenvergoedingen WOZ en bpm (de Wet herwaardering) ingevoerd. In de bijbehorende memorie van toelichting staat onder ‘Inleiding’:
“[…] de Belastingdienst, de Vereniging van Nederlandse Gemeenten, gemeentelijke uitvoeringsorganisaties en de rechtspraak [hebben] signalen afgegeven over het toegenomen aantal bezwaar- en beroepsprocedures dat wordt gevoerd in het kader van de Wet [WOZ en bpm] en het toegenomen aandeel van professioneel rechtsbijstandsverleners die daarbij doorgaans optreden op basis van het principe van «no cure, no pay». Dat betekent dat de burger of het bedrijf niets betaalt als het bezwaar wordt afgewezen of hij in beroep niet in het gelijk wordt gesteld. Als het bezwaar of beroep wel (geheel of gedeeltelijk) gegrond wordt verklaard, draagt de belanghebbende de eventuele proceskostenvergoeding, vergoeding voor immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn en/of dwangsom bij niet tijdig beslissen af aan de «no cure no pay»-gemachtigde. Een belanghebbende loopt geen (financieel) risico, aangezien geen «instapbedrag» wordt overeengekomen of een percentage van de bespaarde belasting als vergoeding moet worden afgestaan. Bezwaar aantekenen wordt daardoor een spel zonder nieten. Hierdoor kunnen deze bedrijven laagdrempelige rechtshulp bieden. Op zichzelf is er daarom geen bezwaar tegen die wijze van bijstand. Het kan echter wel wringen als het doel van de procedure is om onder meer een proceskostenvergoeding en een vergoeding van immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn te verkrijgen en dat daarbij het belang van de belanghebbende niet per se leidend is. (...)”
13. Het doel van de Wet herwaardering is onder meer als volgt omschreven:
“Het doel van de voorgestelde maatregelen is om de financiële prikkel weg te nemen om namens een belanghebbende een bezwaarprocedure te starten of door te procederen met de overwegende reden om een proceskostenvergoeding of een vergoeding van immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn te verkrijgen. Het onderhavige voorstel strekt ertoe dat doel te bereiken door de overcompensatie weg te nemen die er op dit moment is bij het toekennen van vergoedingen van kosten van door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand in het kader van procedures tegen een WOZ-beschikking, bpm-aangifte of bpm-naheffingsaanslag en door de hoogte van de vergoeding van immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn meer in lijn te brengen met de veronderstelde spanning en frustratie die gepaard gaan met het wachten op een uitspraak in die procedures. Benadrukt wordt dat de proceskostenvergoeding niet is bedoeld als volledige schadevergoeding, maar sinds de invoering ervan is bedoeld als tegemoetkoming in de daadwerkelijke kosten [14] Dat bepaalde proceskosten voor eigen rekening blijven, behoort tot de normale risico’s van het maatschappelijk verkeer. Het kabinet hecht er daarnaast aan dat belanghebbenden zich bewust zijn van de procedures die in hun naam worden gevoerd en van de kosten en inspanningen die hiermee voor de maatschappij gepaard gaan.
(...)
Het was de verwachting dat de verschuldigdheid van griffierecht tot gevolg zou hebben dat belanghebbenden een meer zorgvuldige afweging zouden maken bij het instellen van (hoger) beroep of cassatie, met name wanneer er wordt geprocedeerd over zaken met een relatief gering belang.[43] Doordat «no cure no pay»-gemachtigden in de regel het griffierecht voor hun rekening nemen, nemen belanghebbenden de verschuldigdheid van griffierecht vermoedelijk niet mee in hun afweging om te procederen. Het opkomen tegen de WOZ-beschikking, bpm-aangifte of bpm-naheffingsaanslag door het inschakelen van een «no cure no pay»-bureau is voor belanghebbenden daarmee een loterij zonder nieten geworden. Voor «no cure no pay»-bureaus is de rechtsgang lucratief en de praktijk heeft om die reden een aanzuigende werking. Daarnaast wordt in sommige algemene voorwaarden van «no cure no pay»-bureaus opgenomen dat de belanghebbende de gemachtigde een vergoeding conform het Bpb moet betalen als hij besluit de procedure niet te willen voortzetten. Een belanghebbende kan door die voorwaarde de procedure dan niet beëindigen als het geschil wat hem betreft is opgelost, zonder daar zelf financieel nadeel van te ondervinden.
(...)
Voor wat betreft de WOZ en de bpm sluiten de huidige forfaitaire tarieven niet meer aan bij de oorspronkelijke bedoeling, namelijk een tegemoetkoming in de daadwerkelijk gemaakte proceskosten.[57] Het doel van dit wetsvoorstel is om de overcompensatie die er thans is bij zaken op het gebied van de WOZ en de bpm weg te nemen. Deze procedures verschillen wezenlijk wat betreft hun voorwerp, oorzaak en voornaamste kenmerken, onder meer in de grote hoeveelheid vergelijkbare zaken, de effecten op de proceshouding van gemachtigden, de gemiddelde tijdsinspanning die een bezwaar- of beroepsprocedure van een gemachtigde vergt, het gemiddeld genomen relatief geringe financiële belang en de veronderstelde spanning en frustratie die gepaard gaat met het wachten op een WOZ- of bpm-uitspraak.[58] Dat blijkt onder meer uit het in paragraaf 3.1.1 aangehaalde rapport van het COELO. Daaruit volgt dat (i) de vergoedingen op basis van het Bpb voor wat betreft de WOZ niet aansluiten bij de inspanning die een bedrijf moet leveren om bezwaar te maken tegen de WOZ-waarde namens belanghebbenden en (ii) de vergoedingsstructuur op basis van het Bpb perverse financiële prikkels bevat, en daardoor gedrag beloont dat niet strookt met het algemeen belang.
(...)
De kans op een gegrond bezwaar of beroep is in WOZ- en bpm-zaken relatief hoog door de onzekerheidsmarge die gepaard gaat met waardevaststelling. Die overcompensatie heeft ertoe geleid dat er een financiële prikkel is om (door) te procederen of om procedures te vertragen, als gevolg waarvan het rechtssysteem overbelast is geraakt.”
14. In zijn arrest van 17 januari 2025 heeft de Hoge Raad geoordeeld dat de wetgever met de beperkingen van proceskostenvergoedingen in procedures over de Wet WOZ en de bpm het oog heeft gehad op gevallen die zich daardoor kenmerken dat aan de belanghebbende rechtsbijstand wordt verleend door een beroepsmatig optredende gemachtigde, dan wel een kantoor, waarvan het bedrijfsmodel eruit bestaat dat (i) wordt opgetreden op basis van no cure no pay, (ii) daarbij zodanige afspraken met de cliënten worden gemaakt dat het bedrag van eventuele proceskostenvergoedingen aan de gemachtigde of aan het kantoor wordt afgedragen, en (iii) de procedures op een zodanige wijze worden gevoerd dat de daarin toegekende proceskostenvergoedingen de in redelijkheid gemaakte kosten ver overtreffen. Gevallen die kennelijk niet deze kenmerken hebben, moeten volgens de Hoge Raad worden aangemerkt als bijzondere gevallen in de zin van artikel 30a, eerste en tweede lid, van de Wet WOZ (en artikel 19a, eerste en tweede lid, van de Wet op de belasting van personenauto’s en motorrijwielen 1992). De stelplicht en de bewijslast met betrekking tot feiten die meebrengen dat het om zo’n bijzonder geval gaat, rusten op de belanghebbende.
15. De vraag of het bedrijfsmodel van een beroepsmatig optredende gemachtigde kennelijk niet de hiervoor bedoelde drie kenmerken heeft, moet worden beoordeeld naar de situatie op het moment waarop het desbetreffende rechtsmiddel is aangewend. Hierbij moet buiten redelijke twijfel komen vast te staan dat het bedrijfsmodel van de gemachtigde of het kantoor een of meer van de voornoemde drie kenmerken niet heeft.
16. In zijn arrest van 26 september 2025 heeft de Hoge Raad geoordeeld dat bij de beoordeling van de vraag of het bedrijfsmodel van een beroepsmatig optredende gemachtigde, dan wel een kantoor, eruit bestaat dat wordt opgetreden op basis van no cure no pay, het erop aankomt of die gemachtigde dan wel diens kantoor afspraken maakt met klanten op grond waarvan zij geen financieel risico lopen bij het verstrekken van de opdracht tot het verlenen van rechtsbijstand in een belastingprocedure. Verder heeft de Hoge Raad toen geoordeeld dat de verschuldigdheid van een instapvergoeding niet in alle gevallen eraan in de weg staat dat afspraken met een rechtsbijstandsverlener in het kader van de Wet herwaardering worden aangemerkt als afspraken op basis van no cure no pay. Onder het beroepsmatig verlenen van rechtsbijstand op basis van no cure no pay wordt volgens de Hoge Raad namelijk ook begrepen het beroepsmatig verlenen van rechtsbijstand op een grondslag die daarmee in wezen overeenkomt en daarmee dus op één lijn kan worden gesteld. Dan moet worden gedacht aan de betaling van een zodanig laag bedrag dat die betaling als een pro forma of symbolische bijdrage moet worden beschouwd.
Beoordeling
17. Het bezwaar in de onderhavige zaak is ingediend op 1 april 2025. De rechtbank zal daarom beoordelen of het bedrijfsmodel van Previcus op dat moment niet voldeed aan een of meer van de hiervoor genoemde drie kenmerken.
18. De rechtbank stelt vast dat de gemachtigde van eiseres in deze zaak niet heeft bestreden dat het bedrijfsmodel van Previcus de hiervoor als (ii) en (iii) vermelde kenmerken heeft. Uit de gedingstukken blijkt dat is voldaan aan kenmerk (ii). Wat betreft kenmerk (iii) heeft Previcus geen inzicht gegeven in het totale bedrag aan ontvangen proceskostenvergoedingen door Previcus , noch in de gemaakte kosten die kunnen worden toegerekend aan de procedures waarop die proceskostenvergoedingen betrekking hebben.
19. Eiseres bestrijdt dat wordt opgetreden op basis van no cure no pay (vereiste (i)) omdat een startfee en/of een besparingsfee in rekening wordt gebracht.
20. De rechtbank overweegt dat uit de volmachten, de model-offerte en de algemene voorwaarden volgt dat de gemachtigde voor eiseres optreedt op basis van no cure no pay, waarbij de proceskostenvergoeding en andere vergoedingen aan de gemachtigde of zijn kantoor worden afgedragen. De offerte doet hier niet aan af, omdat deze op procedures inzake het belastingjaar 2024 ziet en onduidelijk is met wie de overeenkomst is gesloten.
21. In de overige door eiseres overgelegde stukken ziet de rechtbank ook geen aanleiding om ervan uit te gaan dat geen sprake is van no cure no pay. Uit het onder 4 opgenomen overzicht volgt dat in elk geval lang niet in alle gevallen een startfee wordt overeengekomen, zodat dit niet als vast onderdeel van het bedrijfsmodel kan worden aangemerkt. Verder heeft de gemachtigde onvoldoende inzichtelijk gemaakt wat deze vergoeding inhoudt. Zo is niet duidelijk of de in de toelichting gepresenteerde staffel (met een bepaald bedrag per aantal aanslagbiljetten) daadwerkelijk wordt toegepast of dat veelal afwijkende afspraken worden gemaakt. Ook is de hoogte van de startfee per WOZ-object ongewis aangezien er meerdere WOZ-objecten op één aanslagbiljet kunnen staan en de startfee wordt bepaald aan de hand van het aantal aanslagbiljetten dat door een cliënt wordt aangeleverd. Daarmee is ook niet aannemelijk gemaakt dat de startfee niet dusdanig laag is dat die betaling als een symbolische bijdrage moet worden beschouwd.
22. De besparingsfee staat evenmin aan de toepassing van artikel 30a van de Wet WOZ in de weg. Gelet op de stukken is niet buiten redelijke twijfel komen vast te staan dat een besparingsfee daadwerkelijk in bijna alle gevallen in rekening wordt gebracht of dat veelal afwijkende afspraken worden gemaakt. De model-offerte en de algemene voorwaarden laten daartoe in elk geval alle ruimte. Afgezien daarvan strookt de strikte lezing van het arrest van de Hoge Raad van 26 september 2025 die eiseres voorstaat, niet met de duidelijke tekst van artikel 30a, het doel van de Wet herwaardering en met het feit dat de proceskostenvergoeding is bedoeld als tegemoetkoming in de daadwerkelijke kosten (artikel 8:75 van de Awb). Een belanghebbende loopt geen wezenlijk financieel risico met een besparingsfee. Een besparingsfee noopt een belanghebbende ook niet tot een risico- en kostenafweging. Bij een ongegrond bezwaar of beroep heeft hij geen kosten (dus: no cure no pay). Slechts het voordeel van een belanghebbende bij een inhoudelijk gewonnen procedure wordt minder groot, ten gunste van het verdienmodel van het kantoor.
23. Op grond van de laatste volzin van artikel 30a, eerste lid, van de Wet WOZ kan in geval van bijzondere omstandigheden maatwerk worden geleverd op basis van artikel 2, derde lid, van het Besluit proceskosten bestuursrecht. Dat zou in het onderhavige geval evenwel haaks staan op het doel van de Wet herwaardering. Te weten: beëindiging van structurele overcompensatie van proceskosten in WOZ- en bpm-zaken om de woekering van no cure no pay-verdienmodellen ten koste van de algemene middelen te stoppen (omdat die de rechtspraak verstopt en daardoor de rechtsbescherming van anderen schaadt zonder daartegenover voldoende bij te dragen aan de rechtsbescherming omdat het verdienmodel voorop staat). Ook in het onderhavige geval is nauwelijks werk gemaakt van het bezwaar- en beroepschrift en is de beroepsprocedure enkel gestart voor eigen gewin van Previcus .
24. Gelet op wat hiervoor is overwogen, is het beroep ongegrond verklaard.
25. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Deze uitspraak is gedaan door mr. K.G. Scholten, rechter, in aanwezigheid van mr. A.M.M. Schillings, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 23 juli 2026.
griffier rechter
Afschrift verzonden aan partijen op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de verzenddatum hoger beroep instellen bij het gerechtshof Den Haag (team belastingrecht).
Dat kan digitaal via www.rechtspraak.nl, daar klikt u op “Formulieren en inloggen”. Hoger beroep instellen kan ook door verzending van een brief aan het gerechtshof Den Haag (belastingkamer), Postbus 20302, 2500 EH Den Haag.
Bij het instellen van het hoger beroep dient het volgende in acht te worden genomen:
1 - bij het hogerberoepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd;
2 - het hogerberoepschrift is, indien het op papier wordt ingediend, ondertekend.
Verder vermeldt u ten minste het volgende:
a. de naam en het adres van de indiener;
b. de datum van verzending;
c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep is ingesteld;
d. de redenen waarom u het niet eens bent met de uitspraak (de gronden van het hoger beroep).
ECLI:NL:HR:2025:46.
Kamerstukken II 2023/24, 36 427, nr. 3, p. 2.
Kamerstukken II 2023/24, 36 427, nr. 3, p. 8, 15, 19 en 20.
Hoge Raad 25 april 2025, ECLI:NL:HR:2025:670.
ECLI:NL:HR:2025:1382.
Zie ook ECLI:NL:PHR:2024:1118.
Team belastingrecht
zaaknummer: SGR 26/2935
proces-verbaal van de mondelinge uitspraak van de enkelvoudige kamer van 23 juli 2026 in de zaak tussen
[eiseres] B.V., gevestigd te [vestigingsplaats] , eiseres(gemachtigde: [gemachtigde 1] ),
en
de heffingsambtenaar van de gemeente Pijnacker-Nootdorp, verweerder.
26/2935
De bestreden uitspraak op bezwaar
De uitspraak van verweerder van 25 februari 2026 op het bezwaar van eiseres tegen de beschikking waarbij de waarde van de onroerende zaak gelegen aan [adres] te [plaats] (de onroerende zaak) op 1 januari 2024 (de waardepeildatum) op de voet van artikel 22 van de Wet waardering onroerende zaken (Wet WOZ) voor het kalenderjaar 2025 is vastgesteld op € 2.973.000.
Zitting
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 9 juli 2026.
Namens eiseres is verschenen [gemachtigde 2] , kantoorgenoot van [gemachtigde 1] . Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door [naam 1] en [naam 2] .
Beslissing
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Overwegingen
Feiten en geschil
1. Verweerder heeft het bezwaar van eiseres gegrond verklaard, de WOZ-waarde verminderd tot € 2.849.000 en daarbij een proceskostenvergoeding toegekend met toepassing van artikel 30a, eerste lid, van de Wet WOZ.
2. In geschil is of verweerder bij het bepalen van de proceskostenvergoeding terecht de vermenigvuldigingsfactor van artikel 30a van de Wet WOZ heeft toegepast.
3. Gemachtigde stelt dat zijn kantoor, Previcus , vanaf 1 januari 2025 niet meer op no cure no pay-basis werkt en daarom dient te worden aangemerkt als een ‘bijzonder geval’ zoals bedoeld in het arrest van de Hoge Raad van 17 januari 2025, waardoor artikel 30a van de Wet WOZ buiten toepassing moet blijven. Gemachtigde wijst in dit kader op: een offerte met de met eiseres gemaakte prijsafspraak (de offerte), een beschrijving van het per 1 januari 2025 gewijzigde bedrijfsmodel (“Bijzonder geval: bedrijfsmodel Previcus en artikel 30a Wet WOZ”) (het bedrijfsmodel), een model-offerte en ongeveer 135 facturen van Previcus aan cliënten en bijbehorende betaalbewijzen.
4. In het bedrijfsmodel zijn de prijsafspraken over 2025 in het volgende overzicht opgenomen:
5. In de model-offerte staat onder meer (onderstreping door de rechtbank):
“De startfee wordt in rekening gebracht voor de administratieve handelingen voorafgaand aan de inhoudelijke behandeling, het verwerken van de aanslagbiljetten, het screenen van de objecten op de aanslagbiljetten en het verzenden van het initiële bezwaarschrift. De besparingsfee is op basis van no cure no pay. Bij een ongegronde procedure zal de besparingsfee niet rekening gebracht worden gebracht, ongeacht onze inspanningen.
Bij een gegronde procedure zal de gemeente onze vergoedingen aan u overmaken. Dit betreft de proceskostenvergoeding, (eventuele) dwangsom en immateriële schadevergoedingen. Deze vergoedingen zijn voor gemachtigde; u zal een factuur ontvangen met het verzoek deze vergoedingen aan ons over te maken. U maakt geen kosten: u zal een vergoeding ontvangen dat voor gemachtigde bestemd is.”
6. In de op 5 maart 2025 door eiseres ondertekende volmacht staat:
“De kosten van onze werkzaamheden komen neer op de vergoedingen die op grond van art 7:15, 8:75, 4:17 en 8:88 Awb aan u worden toegewezen. Indien van toepassing behoort een nader overgekomen bedrag ook tot deze kosten. [voetnoot: ****Zie onze algemene voorwaarden voor een nadere toelichting] “
7. In de op 25 februari 2026 door eiseres ondertekende volmacht staat onder meer:
“Deze volmacht houdt in hoofdzaak in:
(...)
- Het voeren van (gerechtelijke) procedures ter verkrijging van proceskostenvergoedingen, dwangsommen en (immateriële) schadevergoedingen, ook indien de WOZ-waarde of de hoogte van de belastingaanslag zelf niet langer in geschil is. Ten aanzien van dit punt wordt deze volmacht onherroepelijk verleend;
(...)
Ondergetekende verklaart kennis te hebben genomen van en akkoord te gaan met de algemene voorwaarden zoals vermeld op https://www. previcus .nl/algemene-voorwaarden-okt25/”
8. In de tot 1 oktober 2025 van toepassing zijnde algemene voorwaarden staat onder meer:
“Artikel 8 Declaratie
1. In onderling overleg kunnen door opdrachtnemer en opdrachtgever afspraken worden gemaakt over de hoogte van de vergoeding voor de desbetreffende opdracht. (...)
Artikel 9 No cure, no pay
1. Opdrachtgever en opdrachtnemer kunnen overeenkomen dat de opdracht, ongeacht de uitkomst ervan, op basis van ‘no cure, no pay’ wordt verricht. Indien een dergelijke afspraak wordt gemaakt, wordt dit bevestigd in de opdrachtbevestiging.
(...)
4. Wanneer het desbetreffende overheidsorgaan of rechtscollege een proceskostenvergoeding toewijst op grond van de artikelen 7:15 en/of 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht in samenhang met het Besluit proceskosten bestuursrecht en de Wet WOZ, komt deze toe aan opdrachtnemer.
(...)
6. Indien een opdracht door opdrachtnemer op basis van ‘no cure, no pay’ wordt uitgevoerd, worden door opdrachtgever zonder voorafgaande uitdrukkelijke instemming van opdrachtnemer, géén beslissingen genomen dan wel mededelingen gedaan betreffende ingestelde bezwaar-/beroepsprocedures bij een overheidsorgaan, die van invloed kunnen zijn op (de uitkomst van) de ingestelde procedures. Hieronder dient onder meer te worden verstaan het doen van uitlatingen of nemen van beslissingen inzake het treffen van schikkingen of het intrekken van ingestelde procedures.
7. Wanneer opdrachtgever handelt in strijd met lid 6, vervalt de ‘no cure, no pay’ afspraak en dienen alle door opdrachtnemer gemaakte kosten, waaronder tevens een vergoeding voor de werkzaamheden die zijn verricht tegen het op dat moment geldend uurtarief vermeerderd met in het kader van de opdracht betaalde verschotten en BTW, geheel door de opdrachtgever te worden vergoed.
8. Opdrachtnemer is te allen tijde gerechtigd om (gerechtelijke) procedures op te starten ten behoeve van het verkrijgen van een proceskostenvergoeding uit hoofde van de uit te voeren opdracht. Opdrachtgever verplicht zich ertoe hieraan medewerking te verlenen.
(...)”
9. In de vanaf 1 oktober 2025 van toepassing zijnde algemene voorwaarden staat onder meer (onderstreping door de rechtbank):
“12.1 Opdrachtgever en Previcus kunnen overeenkomen dat de opdracht wordt verricht tegen een vaste (start)fee en/of een besparingsfee of een uurtarief. Indien een dergelijke afspraak wordt gemaakt, wordt dit vastgelegd in de offerte of opdrachtbevestiging.
(...)
13.1
Naast de overeengekomen vergoedingen is Opdrachtgever een forfaitaire vergoeding verschuldigd die als proceskostenvergoeding op grond van de wet door de gemeente zal worden betaald. De hoogte van dit bedrag vloeit voort uit de artikelen 7:15 en/of 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht in samenhang met het Besluit proceskosten bestuursrecht en de Wet WOZ, en is gebaseerd op de verrichte proceshandelingen.
(...)
13.3
Previcus is gerechtigd om (gerechtelijke) procedures te voeren ter verkrijging van de proceskostenvergoeding. Opdrachtgever verplicht zich hieraan medewerking te verlenen.
13.4
Er worden door Opdrachtgever zonder voorafgaande schriftelijke instemming van Previcus geen beslissingen genomen of mededelingen gedaan die van invloed kunnen zijn op (de uitkomst van) de procedure. Hieronder wordt mede verstaan het treffen van schikkingen of het intrekken van ingestelde bezwaar- of beroepsprocedures. Wanneer Opdrachtgever handelt in strijd met het voorgaande dienen alle door Previcus gemaakte kosten, waaronder tevens begrepen een vergoeding voor de werkzaamheden die zijn verricht tegen het op dat moment geldende uurtarief vermeerderd met betaalde verschotten en BTW, geheel door Opdrachtgever te worden vergoed.
(...)
16.1
Previcus en de Opdrachtgever kunnen in onderling overleg afspraken maken over de hoogte van de vergoeding voor de opdracht.”
10. Verweerder heeft de stellingen van de gemachtigde gemotiveerd weersproken en concludeert tot ongegrondverklaring van het beroep.
Kader
11. Artikel 30a, eerste lid, van de Wet WOZ luidt:
“Het bedrag dat strekt tot vergoeding van de kosten, bedoeld in artikel 7:15, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht, onder toepassing van de nadere regels gesteld krachtens het vierde lid van dat artikel, wordt, voor zover die kosten betrekking hebben op door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand in het kader van het bezwaar tegen een besluit genomen op grond van het gestelde bij of krachtens deze wet of titel IV, hoofdstuk XV, paragraaf 2, van de Gemeentewet of tegen een daarmee verband houdend besluit, vermenigvuldigd met 0,125. De eerste zin vindt geen toepassing in geval van bijzondere omstandigheden in de zin van de nadere regels gesteld krachtens artikel 7:15, vierde lid, van de Algemene wet bestuursrecht.”
12. Genoemd artikel 30a is met de Wet herwaardering proceskostenvergoedingen WOZ en bpm (de Wet herwaardering) ingevoerd. In de bijbehorende memorie van toelichting staat onder ‘Inleiding’:
“[…] de Belastingdienst, de Vereniging van Nederlandse Gemeenten, gemeentelijke uitvoeringsorganisaties en de rechtspraak [hebben] signalen afgegeven over het toegenomen aantal bezwaar- en beroepsprocedures dat wordt gevoerd in het kader van de Wet [WOZ en bpm] en het toegenomen aandeel van professioneel rechtsbijstandsverleners die daarbij doorgaans optreden op basis van het principe van «no cure, no pay». Dat betekent dat de burger of het bedrijf niets betaalt als het bezwaar wordt afgewezen of hij in beroep niet in het gelijk wordt gesteld. Als het bezwaar of beroep wel (geheel of gedeeltelijk) gegrond wordt verklaard, draagt de belanghebbende de eventuele proceskostenvergoeding, vergoeding voor immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn en/of dwangsom bij niet tijdig beslissen af aan de «no cure no pay»-gemachtigde. Een belanghebbende loopt geen (financieel) risico, aangezien geen «instapbedrag» wordt overeengekomen of een percentage van de bespaarde belasting als vergoeding moet worden afgestaan. Bezwaar aantekenen wordt daardoor een spel zonder nieten. Hierdoor kunnen deze bedrijven laagdrempelige rechtshulp bieden. Op zichzelf is er daarom geen bezwaar tegen die wijze van bijstand. Het kan echter wel wringen als het doel van de procedure is om onder meer een proceskostenvergoeding en een vergoeding van immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn te verkrijgen en dat daarbij het belang van de belanghebbende niet per se leidend is. (...)”
13. Het doel van de Wet herwaardering is onder meer als volgt omschreven:
“Het doel van de voorgestelde maatregelen is om de financiële prikkel weg te nemen om namens een belanghebbende een bezwaarprocedure te starten of door te procederen met de overwegende reden om een proceskostenvergoeding of een vergoeding van immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn te verkrijgen. Het onderhavige voorstel strekt ertoe dat doel te bereiken door de overcompensatie weg te nemen die er op dit moment is bij het toekennen van vergoedingen van kosten van door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand in het kader van procedures tegen een WOZ-beschikking, bpm-aangifte of bpm-naheffingsaanslag en door de hoogte van de vergoeding van immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn meer in lijn te brengen met de veronderstelde spanning en frustratie die gepaard gaan met het wachten op een uitspraak in die procedures. Benadrukt wordt dat de proceskostenvergoeding niet is bedoeld als volledige schadevergoeding, maar sinds de invoering ervan is bedoeld als tegemoetkoming in de daadwerkelijke kosten [14] Dat bepaalde proceskosten voor eigen rekening blijven, behoort tot de normale risico’s van het maatschappelijk verkeer. Het kabinet hecht er daarnaast aan dat belanghebbenden zich bewust zijn van de procedures die in hun naam worden gevoerd en van de kosten en inspanningen die hiermee voor de maatschappij gepaard gaan.
(...)
Het was de verwachting dat de verschuldigdheid van griffierecht tot gevolg zou hebben dat belanghebbenden een meer zorgvuldige afweging zouden maken bij het instellen van (hoger) beroep of cassatie, met name wanneer er wordt geprocedeerd over zaken met een relatief gering belang.[43] Doordat «no cure no pay»-gemachtigden in de regel het griffierecht voor hun rekening nemen, nemen belanghebbenden de verschuldigdheid van griffierecht vermoedelijk niet mee in hun afweging om te procederen. Het opkomen tegen de WOZ-beschikking, bpm-aangifte of bpm-naheffingsaanslag door het inschakelen van een «no cure no pay»-bureau is voor belanghebbenden daarmee een loterij zonder nieten geworden. Voor «no cure no pay»-bureaus is de rechtsgang lucratief en de praktijk heeft om die reden een aanzuigende werking. Daarnaast wordt in sommige algemene voorwaarden van «no cure no pay»-bureaus opgenomen dat de belanghebbende de gemachtigde een vergoeding conform het Bpb moet betalen als hij besluit de procedure niet te willen voortzetten. Een belanghebbende kan door die voorwaarde de procedure dan niet beëindigen als het geschil wat hem betreft is opgelost, zonder daar zelf financieel nadeel van te ondervinden.
(...)
Voor wat betreft de WOZ en de bpm sluiten de huidige forfaitaire tarieven niet meer aan bij de oorspronkelijke bedoeling, namelijk een tegemoetkoming in de daadwerkelijk gemaakte proceskosten.[57] Het doel van dit wetsvoorstel is om de overcompensatie die er thans is bij zaken op het gebied van de WOZ en de bpm weg te nemen. Deze procedures verschillen wezenlijk wat betreft hun voorwerp, oorzaak en voornaamste kenmerken, onder meer in de grote hoeveelheid vergelijkbare zaken, de effecten op de proceshouding van gemachtigden, de gemiddelde tijdsinspanning die een bezwaar- of beroepsprocedure van een gemachtigde vergt, het gemiddeld genomen relatief geringe financiële belang en de veronderstelde spanning en frustratie die gepaard gaat met het wachten op een WOZ- of bpm-uitspraak.[58] Dat blijkt onder meer uit het in paragraaf 3.1.1 aangehaalde rapport van het COELO. Daaruit volgt dat (i) de vergoedingen op basis van het Bpb voor wat betreft de WOZ niet aansluiten bij de inspanning die een bedrijf moet leveren om bezwaar te maken tegen de WOZ-waarde namens belanghebbenden en (ii) de vergoedingsstructuur op basis van het Bpb perverse financiële prikkels bevat, en daardoor gedrag beloont dat niet strookt met het algemeen belang.
(...)
De kans op een gegrond bezwaar of beroep is in WOZ- en bpm-zaken relatief hoog door de onzekerheidsmarge die gepaard gaat met waardevaststelling. Die overcompensatie heeft ertoe geleid dat er een financiële prikkel is om (door) te procederen of om procedures te vertragen, als gevolg waarvan het rechtssysteem overbelast is geraakt.”
14. In zijn arrest van 17 januari 2025 heeft de Hoge Raad geoordeeld dat de wetgever met de beperkingen van proceskostenvergoedingen in procedures over de Wet WOZ en de bpm het oog heeft gehad op gevallen die zich daardoor kenmerken dat aan de belanghebbende rechtsbijstand wordt verleend door een beroepsmatig optredende gemachtigde, dan wel een kantoor, waarvan het bedrijfsmodel eruit bestaat dat (i) wordt opgetreden op basis van no cure no pay, (ii) daarbij zodanige afspraken met de cliënten worden gemaakt dat het bedrag van eventuele proceskostenvergoedingen aan de gemachtigde of aan het kantoor wordt afgedragen, en (iii) de procedures op een zodanige wijze worden gevoerd dat de daarin toegekende proceskostenvergoedingen de in redelijkheid gemaakte kosten ver overtreffen. Gevallen die kennelijk niet deze kenmerken hebben, moeten volgens de Hoge Raad worden aangemerkt als bijzondere gevallen in de zin van artikel 30a, eerste en tweede lid, van de Wet WOZ (en artikel 19a, eerste en tweede lid, van de Wet op de belasting van personenauto’s en motorrijwielen 1992). De stelplicht en de bewijslast met betrekking tot feiten die meebrengen dat het om zo’n bijzonder geval gaat, rusten op de belanghebbende.
15. De vraag of het bedrijfsmodel van een beroepsmatig optredende gemachtigde kennelijk niet de hiervoor bedoelde drie kenmerken heeft, moet worden beoordeeld naar de situatie op het moment waarop het desbetreffende rechtsmiddel is aangewend. Hierbij moet buiten redelijke twijfel komen vast te staan dat het bedrijfsmodel van de gemachtigde of het kantoor een of meer van de voornoemde drie kenmerken niet heeft.
16. In zijn arrest van 26 september 2025 heeft de Hoge Raad geoordeeld dat bij de beoordeling van de vraag of het bedrijfsmodel van een beroepsmatig optredende gemachtigde, dan wel een kantoor, eruit bestaat dat wordt opgetreden op basis van no cure no pay, het erop aankomt of die gemachtigde dan wel diens kantoor afspraken maakt met klanten op grond waarvan zij geen financieel risico lopen bij het verstrekken van de opdracht tot het verlenen van rechtsbijstand in een belastingprocedure. Verder heeft de Hoge Raad toen geoordeeld dat de verschuldigdheid van een instapvergoeding niet in alle gevallen eraan in de weg staat dat afspraken met een rechtsbijstandsverlener in het kader van de Wet herwaardering worden aangemerkt als afspraken op basis van no cure no pay. Onder het beroepsmatig verlenen van rechtsbijstand op basis van no cure no pay wordt volgens de Hoge Raad namelijk ook begrepen het beroepsmatig verlenen van rechtsbijstand op een grondslag die daarmee in wezen overeenkomt en daarmee dus op één lijn kan worden gesteld. Dan moet worden gedacht aan de betaling van een zodanig laag bedrag dat die betaling als een pro forma of symbolische bijdrage moet worden beschouwd.
Beoordeling
17. Het bezwaar in de onderhavige zaak is ingediend op 1 april 2025. De rechtbank zal daarom beoordelen of het bedrijfsmodel van Previcus op dat moment niet voldeed aan een of meer van de hiervoor genoemde drie kenmerken.
18. De rechtbank stelt vast dat de gemachtigde van eiseres in deze zaak niet heeft bestreden dat het bedrijfsmodel van Previcus de hiervoor als (ii) en (iii) vermelde kenmerken heeft. Uit de gedingstukken blijkt dat is voldaan aan kenmerk (ii). Wat betreft kenmerk (iii) heeft Previcus geen inzicht gegeven in het totale bedrag aan ontvangen proceskostenvergoedingen door Previcus , noch in de gemaakte kosten die kunnen worden toegerekend aan de procedures waarop die proceskostenvergoedingen betrekking hebben.
19. Eiseres bestrijdt dat wordt opgetreden op basis van no cure no pay (vereiste (i)) omdat een startfee en/of een besparingsfee in rekening wordt gebracht.
20. De rechtbank overweegt dat uit de volmachten, de model-offerte en de algemene voorwaarden volgt dat de gemachtigde voor eiseres optreedt op basis van no cure no pay, waarbij de proceskostenvergoeding en andere vergoedingen aan de gemachtigde of zijn kantoor worden afgedragen. De offerte doet hier niet aan af, omdat deze op procedures inzake het belastingjaar 2024 ziet en onduidelijk is met wie de overeenkomst is gesloten.
21. In de overige door eiseres overgelegde stukken ziet de rechtbank ook geen aanleiding om ervan uit te gaan dat geen sprake is van no cure no pay. Uit het onder 4 opgenomen overzicht volgt dat in elk geval lang niet in alle gevallen een startfee wordt overeengekomen, zodat dit niet als vast onderdeel van het bedrijfsmodel kan worden aangemerkt. Verder heeft de gemachtigde onvoldoende inzichtelijk gemaakt wat deze vergoeding inhoudt. Zo is niet duidelijk of de in de toelichting gepresenteerde staffel (met een bepaald bedrag per aantal aanslagbiljetten) daadwerkelijk wordt toegepast of dat veelal afwijkende afspraken worden gemaakt. Ook is de hoogte van de startfee per WOZ-object ongewis aangezien er meerdere WOZ-objecten op één aanslagbiljet kunnen staan en de startfee wordt bepaald aan de hand van het aantal aanslagbiljetten dat door een cliënt wordt aangeleverd. Daarmee is ook niet aannemelijk gemaakt dat de startfee niet dusdanig laag is dat die betaling als een symbolische bijdrage moet worden beschouwd.
22. De besparingsfee staat evenmin aan de toepassing van artikel 30a van de Wet WOZ in de weg. Gelet op de stukken is niet buiten redelijke twijfel komen vast te staan dat een besparingsfee daadwerkelijk in bijna alle gevallen in rekening wordt gebracht of dat veelal afwijkende afspraken worden gemaakt. De model-offerte en de algemene voorwaarden laten daartoe in elk geval alle ruimte. Afgezien daarvan strookt de strikte lezing van het arrest van de Hoge Raad van 26 september 2025 die eiseres voorstaat, niet met de duidelijke tekst van artikel 30a, het doel van de Wet herwaardering en met het feit dat de proceskostenvergoeding is bedoeld als tegemoetkoming in de daadwerkelijke kosten (artikel 8:75 van de Awb). Een belanghebbende loopt geen wezenlijk financieel risico met een besparingsfee. Een besparingsfee noopt een belanghebbende ook niet tot een risico- en kostenafweging. Bij een ongegrond bezwaar of beroep heeft hij geen kosten (dus: no cure no pay). Slechts het voordeel van een belanghebbende bij een inhoudelijk gewonnen procedure wordt minder groot, ten gunste van het verdienmodel van het kantoor.
23. Op grond van de laatste volzin van artikel 30a, eerste lid, van de Wet WOZ kan in geval van bijzondere omstandigheden maatwerk worden geleverd op basis van artikel 2, derde lid, van het Besluit proceskosten bestuursrecht. Dat zou in het onderhavige geval evenwel haaks staan op het doel van de Wet herwaardering. Te weten: beëindiging van structurele overcompensatie van proceskosten in WOZ- en bpm-zaken om de woekering van no cure no pay-verdienmodellen ten koste van de algemene middelen te stoppen (omdat die de rechtspraak verstopt en daardoor de rechtsbescherming van anderen schaadt zonder daartegenover voldoende bij te dragen aan de rechtsbescherming omdat het verdienmodel voorop staat). Ook in het onderhavige geval is nauwelijks werk gemaakt van het bezwaar- en beroepschrift en is de beroepsprocedure enkel gestart voor eigen gewin van Previcus .
24. Gelet op wat hiervoor is overwogen, is het beroep ongegrond verklaard.
25. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Deze uitspraak is gedaan door mr. K.G. Scholten, rechter, in aanwezigheid van mr. A.M.M. Schillings, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 23 juli 2026.
griffier rechter
Afschrift verzonden aan partijen op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de verzenddatum hoger beroep instellen bij het gerechtshof Den Haag (team belastingrecht).
Dat kan digitaal via www.rechtspraak.nl, daar klikt u op “Formulieren en inloggen”. Hoger beroep instellen kan ook door verzending van een brief aan het gerechtshof Den Haag (belastingkamer), Postbus 20302, 2500 EH Den Haag.
Bij het instellen van het hoger beroep dient het volgende in acht te worden genomen:
1 - bij het hogerberoepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd;
2 - het hogerberoepschrift is, indien het op papier wordt ingediend, ondertekend.
Verder vermeldt u ten minste het volgende:
a. de naam en het adres van de indiener;
b. de datum van verzending;
c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep is ingesteld;
d. de redenen waarom u het niet eens bent met de uitspraak (de gronden van het hoger beroep).
ECLI:NL:HR:2025:46.
Kamerstukken II 2023/24, 36 427, nr. 3, p. 2.
Kamerstukken II 2023/24, 36 427, nr. 3, p. 8, 15, 19 en 20.
Hoge Raad 25 april 2025, ECLI:NL:HR:2025:670.
ECLI:NL:HR:2025:1382.
Zie ook ECLI:NL:PHR:2024:1118.