Rechtbank Den Haag
ECLI:NL:RBDHA:2026:25845
2026-09-03
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
NL25.51271
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen
Inhoudsindicatie
Beroep tegen afwijzing asielaanvraag. Het beroep is gegrond. De rechtbank voorziet zelf in de zaak en bepaalt dat eiser internationale bescherming geniet op grond van de vluchtelingenstatus. De rechtbank draagt de minister daarom op aan eiser een verblijfsvergunning asiel te verlenen.
Citeert (9)
- ECLI:EU:C:2026:447
- ECLI:EU:C:2026:448
- ECLI:NL:RVS:2015:2667 Raad van State 10-08-2015
- ECLI:NL:RBDHA:2026:3078 Rechtbank Den Haag 12-02-2026
- ECLI:NL:RBDHA:2026:7198 Rechtbank Den Haag 27-02-2026
- ECLI:NL:RBDHA:2026:22002 Rechtbank Den Haag 24-07-2026
- ECLI:NL:RVS:2015:2667 Raad van State 10-08-2015
- ECLI:NL:RVS:2024:2359 Raad van State 12-06-2024
- ECLI:NL:RVS:2022:1623 Raad van State 08-06-2022
Geciteerd door (0)
- geen
Volledige tekst
Volledige tekst (23.250 tekens)
RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Zwolle
Bestuursrecht
zaaknummer: NL25.51271
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[eiser], V-nummer: [v-nummer], eiser
(gemachtigde: mr. R. Balkenende),
en
de minister van Asiel en Migratie
(gemachtigde: mr. I. Kamphuis).
Samenvatting
1. Deze uitspraak gaat over de afwijzing van de asielaanvraag van eiser als bedoeld in artikel 28 van de Vw 2000. Eiser is het hier niet mee eens. Hij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de afwijzing van de asielaanvraag.
1.1.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat de afwijzing van de asielaanvraag niet in stand kan blijven. Het beroep van eiser wordt daarom gegrond verklaard. De rechtbank voorziet zelf in de zaak en bepaalt dat eiser internationale bescherming geniet op grond van de vluchtelingenstatus. De rechtbank draagt de minister daarom op aan eiser een verblijfsvergunning asiel te verlenen. Hieronder legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Procesverloop
2. Eiser heeft een aanvraag om verlening van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd ingediend. Hij stelt van Pakistaanse nationaliteit te zijn en te zijn geboren op [geboortedatum] 1971.
2.1.
De minister heeft met het bestreden besluit van 15 oktober 2025 deze aanvraag in de algemene procedure afgewezen als ongegrond.
2.2.
Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.
2.3.
De rechtbank heeft het beroep op 20 augustus 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser, S. Parvez als tolk en de gemachtigde van de minister.
Beoordeling door de rechtbank
Het asielrelaas
3. Eiser legt aan zijn asielaanvraag het volgende ten grondslag. Hij maakt al van kinds af aan deel uit van de Ahmadiyya-geloofsgemeenschap. Als kind kon eiser in Pakistan deelnemen aan verscheidene religieuze activiteiten. Naarmate hij ouder werd, groeide zijn interesse in de religie, maar namen de beperkingen toe. Eiser ervaarde in Pakistan geen geloofsvrijheid meer en is meermaals bedreigd en gediscrimineerd vanwege zijn geloof. De laatste keer werd eiser bedreigd door een imam. Deze bedreiging was voor eiser aanleiding om te vluchten. Bij terugkeer vreest eiser om gedood te worden of de gevangenis in te moeten vanwege het belijden van zijn geloof.
Het bestreden besluit
4. Het asielrelaas van eiser bevat volgens de minister de volgende asielmotieven:
identiteit, nationaliteit en herkomst;
incident met de imam in 2022 vanwege het behoren tot de Ahmadiyya-geloofsgemeenschap.
De minister stelt zich op het standpunt dat de identiteit, nationaliteit en herkomst van eiser geloofwaardig zijn. Ook is geloofwaardig dat eiser tot de Ahmadiyya-geloofsgemeenschap behoort. De minister vindt echter het incident met de imam niet geloofwaardig, omdat eisers verklaringen op dit punt geen samenhangend en aannemelijk geheel vormen. Hoewel Ahmadi’s in Pakistan zijn aangemerkt als risicoprofiel, voldoet eiser volgens de minister niet aan het individualiseringsvereiste. Hij heeft namelijk niet aannemelijk gemaakt dat het voor hem van bijzonder belang is om zijn geloof te belijden op een manier die hem zou blootstellen aan vervolging. Volgens de minister heeft eiser geen gegronde vrees voor vervolging. De minister concludeert daarom dat de asielaanvraag wordt afgewezen als ongegrond.
Toetsingskader
5. De rechtbank overweegt dat uit de rechtspraak van het Hof van Justitie van de Europese Unie (Hof) volgt dat de rechter in eerste aanleg bij wie beroep is ingesteld tegen een besluit tot afwijzing van een verzoek om internationale bescherming de bevoegdheid heeft om een eigen, uitputtende en geactualiseerde beoordeling te verrichten van de bij hem aan de orde gestelde feiten.
5.1.
Indien de rechtbank van oordeel is dat zij beschikt over alle daartoe noodzakelijke feitelijke en juridische gegevens, dan heeft de rechtbank de bevoegdheid om na afloop van een volledig en ex nunc onderzoek een bindende uitspraak te doen over de vraag of de vreemdeling voldoet aan de voorwaarden voor internationale bescherming. Deze bevoegdheid kan niet worden beperkt. Dit betekent dat de rechtbank de bevoegdheid heeft om een bindende uitspraak te doen over de geloofwaardigheid van het ter staving van het verzoek om internationale bescherming overgelegde relaas, over de aannemelijkheid van de vrees voor vervolging of het reële risico op ernstige schade bij terugkeer naar het land van herkomst alsmede over de gegrondheid van het verzoek, rekening houdend met alle elementen die in de beroepsprocedure naar voren zijn gebracht.
5.2.
Om voor vergunningverlening in aanmerking te komen moet sprake zijn van een gegronde vrees voor vervolging of een reëel risico op ernstige schade. In het arrest Ebilum heeft het Hof uiteengezet hoe deze gegronde vrees getoetst moet worden. De beoordeling of de vrees voor vervolging van een verzoeker gegrond is moet op individuele basis worden verricht. In het kader van die beoordeling moet worden vastgesteld of de gebleken omstandigheden een dusdanige bedreiging vormen dat de betrokkene, gezien zijn individuele situatie, goede gronden heeft om te vrezen daadwerkelijk te zullen worden vervolgd. Deze vaststelling moet berusten op een concrete beoordeling van de feiten en omstandigheden overeenkomstig de regels van met name artikel 4, leden 3 tot en met 5, van de Kwalificatierichtlijn. Artikel 4, derde lid, somt alle elementen op waarmee rekening moet worden gehouden. Artikel 4, vierde lid, Kwalificatierichtlijn preciseert dat de omstandigheid dat een vreemdeling in het verleden reeds is blootgesteld aan vervolging of dat hij rechtstreeks is bedreigd met zulke vervolging een duidelijke aanwijzing is dat de vrees van de vreemdeling voor vervolging gegrond is, tenzij er goede redenen zijn om aan te nemen dat die vervolging zich niet opnieuw zal voordoen. De beoordeling of sprake is van een gegronde vrees voor vervolging heeft een subjectieve en objectieve kant. Bij de beoordeling kan niet louter worden uitgegaan van het subjectieve standpunt van de persoon die om internationale bescherming verzoekt, maar moet een individuele, concrete en objectieve beoordeling worden verricht van de persoonlijke situatie van de verzoeker, de feiten en de omstandigheden betreffende het verzoek en de situatie in het land van herkomst. De vrees voor vervolging moet als bewezen worden beschouwd wanneer er een redelijke mate van waarschijnlijkheid bestaat dat het door verzoeker aangevoerde risico van vervolging zich zal voordoen bij terugkeer naar het land van herkomst.
5.3.
De rechtbank dient zelf een volledig en ex nunc onderzoek te doen. De rechtbank neemt hierbij de verklaringen van eiser en hetgeen hij in beroep heeft gesteld als uitgangspunt. Dit betekent dat de rechtbank in dit geval niet in zal gaan op alle tegenwerpingen van de minister.
5.4.
Op 12 juni 2026 is het Asiel- en migratiepact ingegaan. Met dit pact zijn diverse richtlijnen omgezet naar verordeningen. Onder meer de Kwalificatierichtlijn is ingetrokken en vervangen door de Kwalificatieverordening. De Kwalificatieverordening kent geen overgangsrecht. Omdat de rechtbank een volledig en ex nunc onderzoek dient te verrichten, zal de rechtbank uitgaan van het recht zoals dat gold ten tijde van het sluiten van het onderzoek op 20 augustus 2026. Dit betekent dat de rechtbank onder meer zal toetsen aan de Kwalificatieverordening.
Gegronde vrees voor vervolging
6. Eiser voert – samengevat – aan dat de minister heeft miskend dat hij een gegronde vrees voor vervolging heeft wegens zijn geloofsovertuiging. Eiser stelt dat hij voldoende duidelijk heeft verklaard over zijn geloofsovertuiging en over hoe hij zijn geloof graag zou belijden en meent dat dit op een manier is die hem blootstelt aan vervolging. Volgens eiser volgt uit landeninformatie dat de situatie voor Ahamdiyya’s in Pakistan erg verslechterd is sinds de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) van 10 augustus 2015. Sinds het Pakistaanse hooggerechtshof in augustus 2024 in de zaak Mubarak Sani een Ahmadi heeft veroordeeld voor het belijden van het geloof in de privésfeer, is ook de mogelijkheid voor eiser om zijn geloof in Pakistan binnenshuis te belijden aan banden gelegd. Eiser verwijst ook naar uitspraken van deze rechtbank, zittingsplaats Haarlem van 12 februari 2026, zittingsplaats Amsterdam van 27 februari 2026 en zittingsplaats Rotterdam van 24 juli 2026.
6.1.
De minister heeft zich op het standpunt gesteld dat eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij bij terugkeer naar Pakistan een gegronde vrees voor vervolging heeft vanwege zijn geloofsuitoefening. De minister stelt dat eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat het voor eiser van bijzonder persoonlijk belang is om zijn geloof te belijden op een manier die hem zou blootstellen aan vervolging. Uit zijn verklaringen blijkt namelijk dat hij de mogelijkheid had om thuis te bidden en naar geheime bijeenkomsten te gaan. Volgens de minister conformeerde eiser zich hiermee al jarenlang aan de beperkte belijdenis van zijn religie. Dat eiser niet eerder is vertrokken, is ook een aanwijzing dat het voor hem niet van wezenlijk belang was om zijn geloof verdergaand te uiten. Eiser heeft met zijn verklaringen ook onvoldoende persoonlijk kunnen maken waarom het voor hem van wezenlijk belang is om zich te blijven uiten zoals hij dat nu in Nederland doet.
6.2.
Uit vaste rechtspraak van de Afdeling over dit onderwerp volgt dat de minister moet onderzoeken en beoordelen of, en zo ja, op welke wijze een vreemdeling na terugkeer naar zijn land van herkomst uiting wil geven aan zijn geloof en of hij daardoor een risico op vervolging loopt. Hierbij is van belang dat de minister van de vreemdeling niet mag verlangen dat hij zich, om vervolging te voorkomen, terughoudend zal opstellen bij de uitoefening van zijn geloof. Uit de enkele omstandigheid dat de vreemdeling voor zijn vertrek uit Pakistan geen belemmeringen heeft ondervonden bij zijn geloofsactiviteiten, kan de minister niet zonder meer afleiden dat de vreemdeling ook bij terugkeer niet te vrezen heeft voor vervolging. Daarbij is relevant of uit de verklaringen van de vreemdeling kan worden afgeleid dat hij zich in het verleden wegens de blasfemiewetgeving juist heeft onthouden van bepaalde religieuze handelingen en zich dus terughoudend heeft opgesteld.
6.3.
De rechtbank overweegt als volgt. In het nader gehoor heeft eiser verklaard dat het, voorafgaand aan zijn vertrek in oktober 2022, voor hem mogelijk was om thuis te bidden en naar geheime bijeenkomsten van de Ahmadiyya-gemeenschap te gaan. Eiser vervulde hier in 2016 en 2017 ook een leidersrol voor de mannen in de leeftijdsgroep van 40 tot 55 jaar. Ter onderbouwing heet hij een kopie overgelegd van een document waaruit dit blijkt. Eiser heeft verder verklaard dat het steeds lastiger werd om zijn geloof te belijden en dat in Pakistan steeds meer beperkingen gelden voor Ahmadi’s. Zo had hij vroeger een Koran in huis en gebruikte hij de islamitische begroeting, maar de laatste jaren voor zijn vertrek deed eiser dat niet meer, omdat dat niet meer kon. In Nederland heeft eiser zich aangesloten bij de Ahmadiyya Moslim Gemeenschap, bidt hij en gaat hij naar de moskee in [woonplaats]. Verder neemt hij deel aan bijeenkomsten van de Ahmadiyya-gemeenschap en deelt hij pamfletten uit om zo het geloof te verspreiden. Dit heeft hij onderbouwd met foto’s en een kopie van zijn lidmaatschapspas van de Ahmadiyya Moslim Gemeenschap. Eiser heeft verder verklaard dat hij zich nutteloos voelde in Pakistan, omdat hij het geloof niet kon verspreiden, terwijl hij van huis uit heeft meegekregen dat hij de boodschap van de beloofde messias moet verspreiden. De ergste gevolgen zijn voor de volgende generatie, omdat de generatie van eisers kinderen de religieuze opvoeding niet heeft gekregen. Eiser heeft verder verklaard dat hij zich vereerd voelt dat hij de taak die hij van zijn messias heeft gekregen in Nederland mag vervullen. In beroep heeft eiser ter nadere toelichting een uitgebreide verklaring overgelegd over zijn religieuze gebruiken, hoe hij zijn geloof in Nederland uit en waarom hij Ahmadi blijft ondanks de risico’s die hieraan verbonden zijn.
6.4.
Uit eisers verklaringen blijkt duidelijk dat zijn religieuze vrijheid in Pakistan beperkt was. Dat erkent de minister ook als zodanig. Uit de omstandigheid dat eiser in Pakistan enige geloofsactiviteiten – zoals het binnenshuis bidden of het bezoeken van geheime bijeenkomsten – heeft kunnen verrichten, heeft de minister niet zonder meer kunnen concluderen dat hij deze activiteiten bij terugkeer naar Pakistan weer zonder problemen zal kunnen verrichten. Daarbij is van belang dat uit eisers verklaringen kan worden afgeleid dat hij zich in Pakistan al terughoudend opstelde, omdat hij de laatste tien tot vijftien jaar al steeds minder openlijk zijn geloof beleed. Daar komt bij dat eisers verklaringen over zijn geloofsactiviteiten in Nederland en het belang dat hij daaraan hecht naar het oordeel van de rechtbank een duidelijke indicatie zijn dat voor eiser van belang is zijn geloof op een meer openlijke manier te uiten dan hij in Pakistan deed. Eiser heeft immers ook verklaard dat hij zou terugkeren als de wetgeving in Pakistan het toelaat om zijn religie te mogen belijden, maar dat dat in de huidige situatie voor hem onmogelijk is. De minister heeft bij zijn beoordeling ook onvoldoende kenbaar betrokken dat uit de landeninformatie, zoals het Algemeen ambtsbericht Pakistan van 23 juli 2024 en het Country of Origin Report – Pakistan: Country Focus van 20 mei 2026 van het EUAA, volgt dat de situatie van Ahmadi’s in Pakistan sinds eisers vertrek in oktober 2022 verder is verslechterd, dat het geweld tegen deze minderheidsgroep is toegenomen en dat de mogelijkheden om hun geloof te uiten verder beperkt zijn, ook binnenshuis.
6.5.
De rechtbank is daarom van oordeel dat de minister onvoldoende heeft gemotiveerd dat eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat het voor hem van bijzonder persoonlijk belang is om zijn geloof te belijden op een manier die hem zou blootstellen aan vervolging. Het beroep is daarom gegrond en de rechtbank zal het bestreden besluit vernietigen.
6.6.
Op grond van artikel 8:41a van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) moet de bestuursrechter een geschil zoveel mogelijk definitief beslechten. In lijn met de eerder genoemde arresten Quotal en Ebilum heeft de rechtbank de bevoegdheid om een bindende uitspraak te doen over onder andere de gegrondheid van een verzoek om internationale bescherming. In artikel 8:72, derde lid, van de Awb is aan de bestuursrechter de bevoegdheid verleend om, in voorkomend geval, zelf in de zaak te voorzien door zijn uitspraak in de plaats te laten treden van het vernietigde besluit of het vernietigde gedeelte daarvan. Uit de rechtspraak van de Afdeling kan worden afgeleid dat de bestuursrechter de overtuiging moeten hebben dat de uitkomst van het geschil, in het geval het bestuursorgaan opnieuw in de zaak zou voorzien, geen andere zou zijn dan die waarin hij zelf voorziet en de toets aan het recht kan doorstaan.
6.7.
De rechtbank stelt vast dat geloofwaardig is dat eiser Ahmadi is en dat Ahmadi’s in Pakistan een risicoprofiel vormen. Dat betekent dat een individuele beoordeling moet worden gemaakt van de manier waarop eiser zijn geloof wil belijden en of dit een risico op vervolging oplevert. Uit de arresten Quotal en Ebilum volgt, zoals eerder overwogen, dat de vrees voor vervolging als bewezen moet worden beschouwd wanneer er een redelijke mate van waarschijnlijkheid bestaat dat het door verzoeker aangevoerde risico van vervolging zich zal voordoen bij terugkeer naar het land van herkomst.
6.8.
Naar het oordeel van de rechtbank heeft eiser aannemelijk gemaakt dat het voor hem van bijzonder persoonlijk belang is om zijn geloof te belijden op een manier die hem zou blootstellen aan vervolging. Daarbij acht de rechtbank van belang dat uit eisers verklaringen blijkt dat hij zich in Pakistan eerder al terughoudend opstelde, terwijl hij voor de verslechterde situatie zijn geloof in Pakistan meer openlijk uitte. Ook de wijze waarop hij in Nederland zijn geloof uit, is een indicatie dat het voor eiser van belang is om zijn geloof op een meer openlijke wijze te uiten dan hij in Pakistan kon doen. Verder is van belang dat van eiser niet verwacht mag worden dat hij zich terughoudend zal opstellen bij de uitoefening van zijn geloof om vervolging te voorkomen. Deze omstandigheden, mede bezien in het licht van de landeninformatie waaruit een beeld volgt dat de situatie voor Ahmadi’s is verslechterd, juist ook ná het vertrek van eiser, en de mogelijkheden om zijn geloof binnenshuis en met geheime bijeenkomsten te belijden (verder) zijn beperkt, leiden de rechtbank tot het oordeel dat een redelijke mate van waarschijnlijkheid bestaat dat het door eiser aangevoerde risico voor vervolging zich zal voordoen. Dat betekent, gelet op het toetsingskader zoals geschetst in rechtsoverweging 5.2, dat eiser moet worden gekwalificeerd als vluchteling op grond van de Kwalificatieverordening en dat hij daarmee in aanmerking komt voor internationale bescherming op grond van de vluchtelingenstatus.
Conclusie en gevolgen
7. De minister heeft de asielaanvraag van eiser ten onrechte afgewezen als ongegrond. Het beroep is gegrond omdat het bestreden besluit onvoldoende is gemotiveerd. De minister heeft immers onvoldoende gemotiveerd dat eiser geen gegronde vrees voor vervolging op grond van zijn geloofsovertuiging heeft. De rechtbank vernietigt daarom het bestreden besluit.
7.1.
De rechtbank neemt met toepassing van artikel 8:72, derde lid, aanhef en onder b, van de Awb nu zelf een beslissing en bepaalt dat aan eiser internationale bescherming moet worden verleend als vluchteling. Naar het oordeel van de rechtbank is immers voldaan aan de voorwaarden uit de Kwalificatieverordening voor het toekennen van vluchtelingrechtelijke bescherming. Uit de Kwalificatieverordening volgt dan dat een status moet worden verleend.
7.2.
De minister wordt verder opgedragen om binnen een periode van 90 dagen na heden aan eiser een verblijfsvergunning en verblijfstitel overeenkomstig zijn vluchtelingenstatus te verstrekken, tenzij er zich feitelijke of juridische gegevens aandienen die objectief een nieuwe geactualiseerde beoordeling vereisen.
7.3.
Omdat het beroep gegrond is krijgt eiser een vergoeding van zijn proceskosten.
De minister moet deze vergoeding betalen. Deze vergoeding bedraagt € 1.868,- omdat de gemachtigde van eiser een beroepschrift heeft ingediend en aan de zitting heeft deelgenomen. Verder zijn er geen kosten gemaakt die vergoed kunnen worden.
Beslissing
De rechtbank:
- verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt het bestreden besluit van 15 oktober 2025;
- bepaalt dat eiser internationale bescherming op grond van de vluchtelingenstatus geniet;
- bepaalt dat deze uitspraak in zoverre in de plaats treedt van het vernietigde besluit;
- draagt de minister op om binnen een periode van 90 dagen na heden aan eiser een verblijfsvergunning en verblijfstitel overeenkomstig de vluchtelingenstatus te verstrekken;
- veroordeelt de minister tot betaling van € 1.868,- aan proceskosten aan eiser.
Deze uitspraak is gedaan door mr. I.M. Brandwacht - Kampman, rechter, in aanwezigheid van mr. E. Diele, griffier.
Uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
Vreemdelingenwet 2000.
De rechtbank merkt voor de volledigheid op dat Ahmadiyya de naam is van de geloofsgemeenschap en dat leden van deze gemeenschap Ahmadi’s worden genoemd.
Arresten van 4 juni 2026, Quotal, C-198/25, ECLI:EU:C:2026:447, en Ebilum, C-440/25, ECLI:EU:C:2026:448.
Richtlijn 2011/95/EU van het Europees Parlement en de Raad van 13 december 2011 inzake normen voor de erkenning van onderdanen van derde landen of staatlozen als personen die internationale bescherming genieten, voor een uniforme status voor vluchtelingen of voor personen die in aanmerking komen voor subsidiaire bescherming en voor de inhoud van de verleende bescherming.
Verordening (EU) 2024/1347 van het Europese Parlement en de Raad van 14 mei 2024 inzake normen voor de erkenning van onderdanen van derde landen of staatlozen als personen die internationale bescherming genieten, voor een uniforme status voor vluchtelingen of voor personen die voor subsidiaire bescherming in aanmerking komen, en voor de inhoud van de verleende bescherming, tot wijziging van Richtlijn 2003/109/EG van de Raad en tot intrekking van Richtlijn 2011/95 van het Europees Parlement en de Raad.
Artikel 41 van Verordening (EU) 2024/1347.
ECLI:NL:RVS:2015:2667.
ECLI:NL:RBDHA:2026:3078.
ECLI:NL:RBDHA:2026:7198.
ECLI:NL:RBDHA:2026:22002.
Zie bijvoorbeeld de uitspraken van 10 augustus 2015, ECLI:NL:RVS:2015:2667, en van 12 juni 2024, ECLI:NL:RVS:2024:2359.
Zie hoofdstuk 3, paragraaf 3.1.11 op p. 67-69.
Zie met name hoofdstuk 6, paragraaf 6.1.2, algemeen en onder e, op p. 133, 134 en 138-141.
Zie de uitspraak van 8 juni 2022, ECLI:NL:RVS:2022:1623.
Artikel 3, aanhef en onder 5.
Zittingsplaats Zwolle
Bestuursrecht
zaaknummer: NL25.51271
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[eiser], V-nummer: [v-nummer], eiser
(gemachtigde: mr. R. Balkenende),
en
de minister van Asiel en Migratie
(gemachtigde: mr. I. Kamphuis).
Samenvatting
1. Deze uitspraak gaat over de afwijzing van de asielaanvraag van eiser als bedoeld in artikel 28 van de Vw 2000. Eiser is het hier niet mee eens. Hij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de afwijzing van de asielaanvraag.
1.1.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat de afwijzing van de asielaanvraag niet in stand kan blijven. Het beroep van eiser wordt daarom gegrond verklaard. De rechtbank voorziet zelf in de zaak en bepaalt dat eiser internationale bescherming geniet op grond van de vluchtelingenstatus. De rechtbank draagt de minister daarom op aan eiser een verblijfsvergunning asiel te verlenen. Hieronder legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Procesverloop
2. Eiser heeft een aanvraag om verlening van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd ingediend. Hij stelt van Pakistaanse nationaliteit te zijn en te zijn geboren op [geboortedatum] 1971.
2.1.
De minister heeft met het bestreden besluit van 15 oktober 2025 deze aanvraag in de algemene procedure afgewezen als ongegrond.
2.2.
Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.
2.3.
De rechtbank heeft het beroep op 20 augustus 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser, S. Parvez als tolk en de gemachtigde van de minister.
Beoordeling door de rechtbank
Het asielrelaas
3. Eiser legt aan zijn asielaanvraag het volgende ten grondslag. Hij maakt al van kinds af aan deel uit van de Ahmadiyya-geloofsgemeenschap. Als kind kon eiser in Pakistan deelnemen aan verscheidene religieuze activiteiten. Naarmate hij ouder werd, groeide zijn interesse in de religie, maar namen de beperkingen toe. Eiser ervaarde in Pakistan geen geloofsvrijheid meer en is meermaals bedreigd en gediscrimineerd vanwege zijn geloof. De laatste keer werd eiser bedreigd door een imam. Deze bedreiging was voor eiser aanleiding om te vluchten. Bij terugkeer vreest eiser om gedood te worden of de gevangenis in te moeten vanwege het belijden van zijn geloof.
Het bestreden besluit
4. Het asielrelaas van eiser bevat volgens de minister de volgende asielmotieven:
identiteit, nationaliteit en herkomst;
incident met de imam in 2022 vanwege het behoren tot de Ahmadiyya-geloofsgemeenschap.
De minister stelt zich op het standpunt dat de identiteit, nationaliteit en herkomst van eiser geloofwaardig zijn. Ook is geloofwaardig dat eiser tot de Ahmadiyya-geloofsgemeenschap behoort. De minister vindt echter het incident met de imam niet geloofwaardig, omdat eisers verklaringen op dit punt geen samenhangend en aannemelijk geheel vormen. Hoewel Ahmadi’s in Pakistan zijn aangemerkt als risicoprofiel, voldoet eiser volgens de minister niet aan het individualiseringsvereiste. Hij heeft namelijk niet aannemelijk gemaakt dat het voor hem van bijzonder belang is om zijn geloof te belijden op een manier die hem zou blootstellen aan vervolging. Volgens de minister heeft eiser geen gegronde vrees voor vervolging. De minister concludeert daarom dat de asielaanvraag wordt afgewezen als ongegrond.
Toetsingskader
5. De rechtbank overweegt dat uit de rechtspraak van het Hof van Justitie van de Europese Unie (Hof) volgt dat de rechter in eerste aanleg bij wie beroep is ingesteld tegen een besluit tot afwijzing van een verzoek om internationale bescherming de bevoegdheid heeft om een eigen, uitputtende en geactualiseerde beoordeling te verrichten van de bij hem aan de orde gestelde feiten.
5.1.
Indien de rechtbank van oordeel is dat zij beschikt over alle daartoe noodzakelijke feitelijke en juridische gegevens, dan heeft de rechtbank de bevoegdheid om na afloop van een volledig en ex nunc onderzoek een bindende uitspraak te doen over de vraag of de vreemdeling voldoet aan de voorwaarden voor internationale bescherming. Deze bevoegdheid kan niet worden beperkt. Dit betekent dat de rechtbank de bevoegdheid heeft om een bindende uitspraak te doen over de geloofwaardigheid van het ter staving van het verzoek om internationale bescherming overgelegde relaas, over de aannemelijkheid van de vrees voor vervolging of het reële risico op ernstige schade bij terugkeer naar het land van herkomst alsmede over de gegrondheid van het verzoek, rekening houdend met alle elementen die in de beroepsprocedure naar voren zijn gebracht.
5.2.
Om voor vergunningverlening in aanmerking te komen moet sprake zijn van een gegronde vrees voor vervolging of een reëel risico op ernstige schade. In het arrest Ebilum heeft het Hof uiteengezet hoe deze gegronde vrees getoetst moet worden. De beoordeling of de vrees voor vervolging van een verzoeker gegrond is moet op individuele basis worden verricht. In het kader van die beoordeling moet worden vastgesteld of de gebleken omstandigheden een dusdanige bedreiging vormen dat de betrokkene, gezien zijn individuele situatie, goede gronden heeft om te vrezen daadwerkelijk te zullen worden vervolgd. Deze vaststelling moet berusten op een concrete beoordeling van de feiten en omstandigheden overeenkomstig de regels van met name artikel 4, leden 3 tot en met 5, van de Kwalificatierichtlijn. Artikel 4, derde lid, somt alle elementen op waarmee rekening moet worden gehouden. Artikel 4, vierde lid, Kwalificatierichtlijn preciseert dat de omstandigheid dat een vreemdeling in het verleden reeds is blootgesteld aan vervolging of dat hij rechtstreeks is bedreigd met zulke vervolging een duidelijke aanwijzing is dat de vrees van de vreemdeling voor vervolging gegrond is, tenzij er goede redenen zijn om aan te nemen dat die vervolging zich niet opnieuw zal voordoen. De beoordeling of sprake is van een gegronde vrees voor vervolging heeft een subjectieve en objectieve kant. Bij de beoordeling kan niet louter worden uitgegaan van het subjectieve standpunt van de persoon die om internationale bescherming verzoekt, maar moet een individuele, concrete en objectieve beoordeling worden verricht van de persoonlijke situatie van de verzoeker, de feiten en de omstandigheden betreffende het verzoek en de situatie in het land van herkomst. De vrees voor vervolging moet als bewezen worden beschouwd wanneer er een redelijke mate van waarschijnlijkheid bestaat dat het door verzoeker aangevoerde risico van vervolging zich zal voordoen bij terugkeer naar het land van herkomst.
5.3.
De rechtbank dient zelf een volledig en ex nunc onderzoek te doen. De rechtbank neemt hierbij de verklaringen van eiser en hetgeen hij in beroep heeft gesteld als uitgangspunt. Dit betekent dat de rechtbank in dit geval niet in zal gaan op alle tegenwerpingen van de minister.
5.4.
Op 12 juni 2026 is het Asiel- en migratiepact ingegaan. Met dit pact zijn diverse richtlijnen omgezet naar verordeningen. Onder meer de Kwalificatierichtlijn is ingetrokken en vervangen door de Kwalificatieverordening. De Kwalificatieverordening kent geen overgangsrecht. Omdat de rechtbank een volledig en ex nunc onderzoek dient te verrichten, zal de rechtbank uitgaan van het recht zoals dat gold ten tijde van het sluiten van het onderzoek op 20 augustus 2026. Dit betekent dat de rechtbank onder meer zal toetsen aan de Kwalificatieverordening.
Gegronde vrees voor vervolging
6. Eiser voert – samengevat – aan dat de minister heeft miskend dat hij een gegronde vrees voor vervolging heeft wegens zijn geloofsovertuiging. Eiser stelt dat hij voldoende duidelijk heeft verklaard over zijn geloofsovertuiging en over hoe hij zijn geloof graag zou belijden en meent dat dit op een manier is die hem blootstelt aan vervolging. Volgens eiser volgt uit landeninformatie dat de situatie voor Ahamdiyya’s in Pakistan erg verslechterd is sinds de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) van 10 augustus 2015. Sinds het Pakistaanse hooggerechtshof in augustus 2024 in de zaak Mubarak Sani een Ahmadi heeft veroordeeld voor het belijden van het geloof in de privésfeer, is ook de mogelijkheid voor eiser om zijn geloof in Pakistan binnenshuis te belijden aan banden gelegd. Eiser verwijst ook naar uitspraken van deze rechtbank, zittingsplaats Haarlem van 12 februari 2026, zittingsplaats Amsterdam van 27 februari 2026 en zittingsplaats Rotterdam van 24 juli 2026.
6.1.
De minister heeft zich op het standpunt gesteld dat eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij bij terugkeer naar Pakistan een gegronde vrees voor vervolging heeft vanwege zijn geloofsuitoefening. De minister stelt dat eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat het voor eiser van bijzonder persoonlijk belang is om zijn geloof te belijden op een manier die hem zou blootstellen aan vervolging. Uit zijn verklaringen blijkt namelijk dat hij de mogelijkheid had om thuis te bidden en naar geheime bijeenkomsten te gaan. Volgens de minister conformeerde eiser zich hiermee al jarenlang aan de beperkte belijdenis van zijn religie. Dat eiser niet eerder is vertrokken, is ook een aanwijzing dat het voor hem niet van wezenlijk belang was om zijn geloof verdergaand te uiten. Eiser heeft met zijn verklaringen ook onvoldoende persoonlijk kunnen maken waarom het voor hem van wezenlijk belang is om zich te blijven uiten zoals hij dat nu in Nederland doet.
6.2.
Uit vaste rechtspraak van de Afdeling over dit onderwerp volgt dat de minister moet onderzoeken en beoordelen of, en zo ja, op welke wijze een vreemdeling na terugkeer naar zijn land van herkomst uiting wil geven aan zijn geloof en of hij daardoor een risico op vervolging loopt. Hierbij is van belang dat de minister van de vreemdeling niet mag verlangen dat hij zich, om vervolging te voorkomen, terughoudend zal opstellen bij de uitoefening van zijn geloof. Uit de enkele omstandigheid dat de vreemdeling voor zijn vertrek uit Pakistan geen belemmeringen heeft ondervonden bij zijn geloofsactiviteiten, kan de minister niet zonder meer afleiden dat de vreemdeling ook bij terugkeer niet te vrezen heeft voor vervolging. Daarbij is relevant of uit de verklaringen van de vreemdeling kan worden afgeleid dat hij zich in het verleden wegens de blasfemiewetgeving juist heeft onthouden van bepaalde religieuze handelingen en zich dus terughoudend heeft opgesteld.
6.3.
De rechtbank overweegt als volgt. In het nader gehoor heeft eiser verklaard dat het, voorafgaand aan zijn vertrek in oktober 2022, voor hem mogelijk was om thuis te bidden en naar geheime bijeenkomsten van de Ahmadiyya-gemeenschap te gaan. Eiser vervulde hier in 2016 en 2017 ook een leidersrol voor de mannen in de leeftijdsgroep van 40 tot 55 jaar. Ter onderbouwing heet hij een kopie overgelegd van een document waaruit dit blijkt. Eiser heeft verder verklaard dat het steeds lastiger werd om zijn geloof te belijden en dat in Pakistan steeds meer beperkingen gelden voor Ahmadi’s. Zo had hij vroeger een Koran in huis en gebruikte hij de islamitische begroeting, maar de laatste jaren voor zijn vertrek deed eiser dat niet meer, omdat dat niet meer kon. In Nederland heeft eiser zich aangesloten bij de Ahmadiyya Moslim Gemeenschap, bidt hij en gaat hij naar de moskee in [woonplaats]. Verder neemt hij deel aan bijeenkomsten van de Ahmadiyya-gemeenschap en deelt hij pamfletten uit om zo het geloof te verspreiden. Dit heeft hij onderbouwd met foto’s en een kopie van zijn lidmaatschapspas van de Ahmadiyya Moslim Gemeenschap. Eiser heeft verder verklaard dat hij zich nutteloos voelde in Pakistan, omdat hij het geloof niet kon verspreiden, terwijl hij van huis uit heeft meegekregen dat hij de boodschap van de beloofde messias moet verspreiden. De ergste gevolgen zijn voor de volgende generatie, omdat de generatie van eisers kinderen de religieuze opvoeding niet heeft gekregen. Eiser heeft verder verklaard dat hij zich vereerd voelt dat hij de taak die hij van zijn messias heeft gekregen in Nederland mag vervullen. In beroep heeft eiser ter nadere toelichting een uitgebreide verklaring overgelegd over zijn religieuze gebruiken, hoe hij zijn geloof in Nederland uit en waarom hij Ahmadi blijft ondanks de risico’s die hieraan verbonden zijn.
6.4.
Uit eisers verklaringen blijkt duidelijk dat zijn religieuze vrijheid in Pakistan beperkt was. Dat erkent de minister ook als zodanig. Uit de omstandigheid dat eiser in Pakistan enige geloofsactiviteiten – zoals het binnenshuis bidden of het bezoeken van geheime bijeenkomsten – heeft kunnen verrichten, heeft de minister niet zonder meer kunnen concluderen dat hij deze activiteiten bij terugkeer naar Pakistan weer zonder problemen zal kunnen verrichten. Daarbij is van belang dat uit eisers verklaringen kan worden afgeleid dat hij zich in Pakistan al terughoudend opstelde, omdat hij de laatste tien tot vijftien jaar al steeds minder openlijk zijn geloof beleed. Daar komt bij dat eisers verklaringen over zijn geloofsactiviteiten in Nederland en het belang dat hij daaraan hecht naar het oordeel van de rechtbank een duidelijke indicatie zijn dat voor eiser van belang is zijn geloof op een meer openlijke manier te uiten dan hij in Pakistan deed. Eiser heeft immers ook verklaard dat hij zou terugkeren als de wetgeving in Pakistan het toelaat om zijn religie te mogen belijden, maar dat dat in de huidige situatie voor hem onmogelijk is. De minister heeft bij zijn beoordeling ook onvoldoende kenbaar betrokken dat uit de landeninformatie, zoals het Algemeen ambtsbericht Pakistan van 23 juli 2024 en het Country of Origin Report – Pakistan: Country Focus van 20 mei 2026 van het EUAA, volgt dat de situatie van Ahmadi’s in Pakistan sinds eisers vertrek in oktober 2022 verder is verslechterd, dat het geweld tegen deze minderheidsgroep is toegenomen en dat de mogelijkheden om hun geloof te uiten verder beperkt zijn, ook binnenshuis.
6.5.
De rechtbank is daarom van oordeel dat de minister onvoldoende heeft gemotiveerd dat eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat het voor hem van bijzonder persoonlijk belang is om zijn geloof te belijden op een manier die hem zou blootstellen aan vervolging. Het beroep is daarom gegrond en de rechtbank zal het bestreden besluit vernietigen.
6.6.
Op grond van artikel 8:41a van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) moet de bestuursrechter een geschil zoveel mogelijk definitief beslechten. In lijn met de eerder genoemde arresten Quotal en Ebilum heeft de rechtbank de bevoegdheid om een bindende uitspraak te doen over onder andere de gegrondheid van een verzoek om internationale bescherming. In artikel 8:72, derde lid, van de Awb is aan de bestuursrechter de bevoegdheid verleend om, in voorkomend geval, zelf in de zaak te voorzien door zijn uitspraak in de plaats te laten treden van het vernietigde besluit of het vernietigde gedeelte daarvan. Uit de rechtspraak van de Afdeling kan worden afgeleid dat de bestuursrechter de overtuiging moeten hebben dat de uitkomst van het geschil, in het geval het bestuursorgaan opnieuw in de zaak zou voorzien, geen andere zou zijn dan die waarin hij zelf voorziet en de toets aan het recht kan doorstaan.
6.7.
De rechtbank stelt vast dat geloofwaardig is dat eiser Ahmadi is en dat Ahmadi’s in Pakistan een risicoprofiel vormen. Dat betekent dat een individuele beoordeling moet worden gemaakt van de manier waarop eiser zijn geloof wil belijden en of dit een risico op vervolging oplevert. Uit de arresten Quotal en Ebilum volgt, zoals eerder overwogen, dat de vrees voor vervolging als bewezen moet worden beschouwd wanneer er een redelijke mate van waarschijnlijkheid bestaat dat het door verzoeker aangevoerde risico van vervolging zich zal voordoen bij terugkeer naar het land van herkomst.
6.8.
Naar het oordeel van de rechtbank heeft eiser aannemelijk gemaakt dat het voor hem van bijzonder persoonlijk belang is om zijn geloof te belijden op een manier die hem zou blootstellen aan vervolging. Daarbij acht de rechtbank van belang dat uit eisers verklaringen blijkt dat hij zich in Pakistan eerder al terughoudend opstelde, terwijl hij voor de verslechterde situatie zijn geloof in Pakistan meer openlijk uitte. Ook de wijze waarop hij in Nederland zijn geloof uit, is een indicatie dat het voor eiser van belang is om zijn geloof op een meer openlijke wijze te uiten dan hij in Pakistan kon doen. Verder is van belang dat van eiser niet verwacht mag worden dat hij zich terughoudend zal opstellen bij de uitoefening van zijn geloof om vervolging te voorkomen. Deze omstandigheden, mede bezien in het licht van de landeninformatie waaruit een beeld volgt dat de situatie voor Ahmadi’s is verslechterd, juist ook ná het vertrek van eiser, en de mogelijkheden om zijn geloof binnenshuis en met geheime bijeenkomsten te belijden (verder) zijn beperkt, leiden de rechtbank tot het oordeel dat een redelijke mate van waarschijnlijkheid bestaat dat het door eiser aangevoerde risico voor vervolging zich zal voordoen. Dat betekent, gelet op het toetsingskader zoals geschetst in rechtsoverweging 5.2, dat eiser moet worden gekwalificeerd als vluchteling op grond van de Kwalificatieverordening en dat hij daarmee in aanmerking komt voor internationale bescherming op grond van de vluchtelingenstatus.
Conclusie en gevolgen
7. De minister heeft de asielaanvraag van eiser ten onrechte afgewezen als ongegrond. Het beroep is gegrond omdat het bestreden besluit onvoldoende is gemotiveerd. De minister heeft immers onvoldoende gemotiveerd dat eiser geen gegronde vrees voor vervolging op grond van zijn geloofsovertuiging heeft. De rechtbank vernietigt daarom het bestreden besluit.
7.1.
De rechtbank neemt met toepassing van artikel 8:72, derde lid, aanhef en onder b, van de Awb nu zelf een beslissing en bepaalt dat aan eiser internationale bescherming moet worden verleend als vluchteling. Naar het oordeel van de rechtbank is immers voldaan aan de voorwaarden uit de Kwalificatieverordening voor het toekennen van vluchtelingrechtelijke bescherming. Uit de Kwalificatieverordening volgt dan dat een status moet worden verleend.
7.2.
De minister wordt verder opgedragen om binnen een periode van 90 dagen na heden aan eiser een verblijfsvergunning en verblijfstitel overeenkomstig zijn vluchtelingenstatus te verstrekken, tenzij er zich feitelijke of juridische gegevens aandienen die objectief een nieuwe geactualiseerde beoordeling vereisen.
7.3.
Omdat het beroep gegrond is krijgt eiser een vergoeding van zijn proceskosten.
De minister moet deze vergoeding betalen. Deze vergoeding bedraagt € 1.868,- omdat de gemachtigde van eiser een beroepschrift heeft ingediend en aan de zitting heeft deelgenomen. Verder zijn er geen kosten gemaakt die vergoed kunnen worden.
Beslissing
De rechtbank:
- verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt het bestreden besluit van 15 oktober 2025;
- bepaalt dat eiser internationale bescherming op grond van de vluchtelingenstatus geniet;
- bepaalt dat deze uitspraak in zoverre in de plaats treedt van het vernietigde besluit;
- draagt de minister op om binnen een periode van 90 dagen na heden aan eiser een verblijfsvergunning en verblijfstitel overeenkomstig de vluchtelingenstatus te verstrekken;
- veroordeelt de minister tot betaling van € 1.868,- aan proceskosten aan eiser.
Deze uitspraak is gedaan door mr. I.M. Brandwacht - Kampman, rechter, in aanwezigheid van mr. E. Diele, griffier.
Uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
Vreemdelingenwet 2000.
De rechtbank merkt voor de volledigheid op dat Ahmadiyya de naam is van de geloofsgemeenschap en dat leden van deze gemeenschap Ahmadi’s worden genoemd.
Arresten van 4 juni 2026, Quotal, C-198/25, ECLI:EU:C:2026:447, en Ebilum, C-440/25, ECLI:EU:C:2026:448.
Richtlijn 2011/95/EU van het Europees Parlement en de Raad van 13 december 2011 inzake normen voor de erkenning van onderdanen van derde landen of staatlozen als personen die internationale bescherming genieten, voor een uniforme status voor vluchtelingen of voor personen die in aanmerking komen voor subsidiaire bescherming en voor de inhoud van de verleende bescherming.
Verordening (EU) 2024/1347 van het Europese Parlement en de Raad van 14 mei 2024 inzake normen voor de erkenning van onderdanen van derde landen of staatlozen als personen die internationale bescherming genieten, voor een uniforme status voor vluchtelingen of voor personen die voor subsidiaire bescherming in aanmerking komen, en voor de inhoud van de verleende bescherming, tot wijziging van Richtlijn 2003/109/EG van de Raad en tot intrekking van Richtlijn 2011/95 van het Europees Parlement en de Raad.
Artikel 41 van Verordening (EU) 2024/1347.
ECLI:NL:RVS:2015:2667.
ECLI:NL:RBDHA:2026:3078.
ECLI:NL:RBDHA:2026:7198.
ECLI:NL:RBDHA:2026:22002.
Zie bijvoorbeeld de uitspraken van 10 augustus 2015, ECLI:NL:RVS:2015:2667, en van 12 juni 2024, ECLI:NL:RVS:2024:2359.
Zie hoofdstuk 3, paragraaf 3.1.11 op p. 67-69.
Zie met name hoofdstuk 6, paragraaf 6.1.2, algemeen en onder e, op p. 133, 134 en 138-141.
Zie de uitspraak van 8 juni 2022, ECLI:NL:RVS:2022:1623.
Artikel 3, aanhef en onder 5.