Rechtbank Den Haag
ECLI:NL:RBDHA:2026:22002
2026-07-24
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
NL25.48580
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen
Inhoudsindicatie
AA, Pakistan, Ahmadi. Verweerder heeft niet deugdelijk gemotiveerd waarom er thans in Pakistan geen sprake is van groepsvervolging van Ahamdi’s. Ook heeft verweerder niet deugdelijk gemotiveerd dat eiser op individuele gronden in Pakistan geen gegronde vrees heeft voor vervolging.
Citeert (4)
- ECLI:NL:RVS:2015:2667 Raad van State 10-08-2015
- ECLI:NL:RVS:2015:2667 Raad van State 10-08-2015
- ECLI:NL:RVS:2015:2420 Raad van State 20-07-2015
- ECLI:NL:RVS:2024:5349 Raad van State 24-12-2024
Geciteerd door (2)
- ECLI:NL:RBDHA:2026:25845 Rechtbank Den Haag 03-09-2026
- ECLI:NL:RBDHA:2026:25885 Rechtbank Den Haag 28-08-2026
Volledige tekst
Volledige tekst (29.056 tekens)
RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Rotterdam
Bestuursrecht
zaaknummer: NL25.48580
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[eiser] , V-nummer: [nummer] , eiser
(gemachtigde: mr. T. Thissen),
en
de minister van Asiel en Migratie, verweerder
(gemachtigde: mr. N.E. Joseph).
Procesverloop
Bij besluit van 1 oktober 2025 (het bestreden besluit) heeft verweerder de aanvraag van eiser tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd (asielaanvraag) afgewezen als kennelijk ongegrond.
Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Hij heeft tevens de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen.
De rechtbank heeft het beroep, samen met het verzoek om een voorlopige voorziening (NL25.48581), op 18 maart 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser, [naam] als tolk en de gemachtigde van verweerder.
Overwegingen
Het asielrelaas
1.1.
Eiser heeft de Pakistaanse nationaliteit en is geboren op [geboortedag] 1964. Hij heeft op 16 december 2023 asiel aangevraagd.
1.2.
Eiser heeft aan zijn asielaanvraag – samengevat – het volgende ten grondslag gelegd. Eiser is een Ahmadi. Ahmadi’s hebben in Pakistan geen religieuze vrijheid (meer).
Eiser heeft tijdens het offerfeest in 2022 een dier geslacht. Er is vervolgens aangifte tegen hem gedaan door de religieus extremistische groep Tehreek-e-Labbaik Pakistan (TLP). Eiser is meegenomen naar het politiebureau en is na drie dagen vrijgelaten op een borgsom. Nadien heeft eiser aanhoudende last ervaren vanwege zijn Ahmadi-geloof. Zo kon eiser niet meer naar zijn winkel en ook niet meer naar het gebedshuis. In december 2023 heeft eiser Pakistan verlaten. Bij terugkeer naar Pakistan vreest eiser te worden vermoord door de TLP, de samenleving of de overheid vanwege zijn geloof.
Het bestreden besluit
2.1.
Het asielrelaas van eiser bevat volgens verweerder de volgende asielmotieven:
1. Identiteit, nationaliteit en herkomst;
2. Problemen vanwege Ahmadiya geloof.
2.2.
Verweerder heeft de identiteit, nationaliteit en herkomst van eiser geloofwaardig geacht. Ook acht verweerder geloofwaardig dat eiser Ahmadi is. De problemen vanwege zijn Ahmadi-geloof heeft verweerder echter ongeloofwaardig geacht, omdat in dit verband niet is voldaan aan de voorwaarden van artikel 31, zesde lid, aanhef en onder b, c en e, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw). Het geloofwaardig geachte asielmotief levert volgens verweerder geen asielgrond op als bedoeld in artikel 29, eerste lid, aanhef en onder a of b, van de Vw, omdat op grond daarvan niet aannemelijk is dat eiser een gegronde vrees voor vervolging heeft als bedoeld in het Verdrag betreffende de status van vluchtelingen (Vluchtelingenverdrag) of bij terugkeer naar Pakistan een reëel risico loopt op ernstige schade in de zin van artikel 3 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM). Hierom, en omdat eiser zijn paspoort heeft achtergehouden en verklaringen heeft afgelegd die kennelijk vals zijn, heeft verweerder de asielaanvraag van eiser afgewezen als kennelijk ongegrond op grond van artikel 31, eerste lid, in verbinding met artikel 30b, eerste lid, aanhef en onder c en e, van de Vw. Het bestreden besluit omvat ook een terugkeerbesluit zonder vertrektermijn.
Beroepsgronden
3. Eiser kan zich niet met het bestreden besluit verenigen en heeft daartegen – samengevat – het volgende aangevoerd. Verweerder heeft in het bestreden besluit miskend dat de situatie voor Ahmadi’s in Pakistan sinds de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) van 10 augustus 2015, ECLI:NL:RVS:2015:2667, ernstig is verslechterd. Eiser verwijst hiervoor (onder andere) naar de Algemene Ambtsberichten Pakistan van september 2022 en juli 2024, de thematische ambtsberichten over de positie van Ahmadi’s en christenen in Pakistan van april 2017 en december 2020, de (herziene) ‘Mubarak Sani’-uitspraak van het Pakistaans hooggerechtshof van augustus 2024 en het UK Home Office rapport ‘Country Policy and Information Note Pakistan: Ahmadi’s’ van maart 2025, en stelt op basis hiervan dat er in Pakistan thans sprake is van groepsvervolging van Ahmadi’s. Daarnaast heeft verweerder volgens eiser nagelaten om deugdelijk te onderzoeken hoe hij zijn geloof bij terugkeer naar Pakistan wil uiten en of eiser hierdoor een risico loopt op vervolging en/of ernstige schade.
Toetsing bestreden besluit
4. Eiser heeft in zijn zienswijzen uitvoerig betoogd dat de situatie van Ahmadi’s in Pakistan de afgelopen tien jaar verder is verslechterd en dat er daarom thans sprake is van groepsvervolging. Ter onderbouwing hiervan heeft eiser al in zijn zienswijzen verwezen naar de onder 3 vermelde landeninformatie. Een deel van deze door eiser aangehaalde landeninformatie dateert van na het Algemeen Ambtsbericht Pakistan van juli 2024, waarop het landenbeleid voor Pakistan (WBV 2024/27 van 18 december 2024; paragraaf C7/27.3.2 van de Vreemdelingencirculaire 2000), waarin Ahmadi’s zijn aangemerkt als risicoprofiel, is gebaseerd. Verweerder heeft ter zitting erkend dat in het bestreden besluit niet voldoende is ingegaan op de door eiser overgelegde landeninformatie die dateert van ná het Algemeen Ambtsbericht Pakistan van juli 2024. De rechtbank onderschrijft dit en overweegt dat dit tot gevolg heeft dat verweerder in het bestreden besluit niet deugdelijk heeft gemotiveerd dat er thans geen groepsvervolging van Ahmadi’s plaatsvindt in Pakistan. Ook is daardoor niet deugdelijk gemotiveerd dat eiser op individuele gronden geen risico loopt op vervolging of ernstige schade vanwege zijn geloofsuitoefening. Reeds gelet hierop kan het bestreden besluit naar het oordeel van de rechtbank niet in stand blijven.
Tussenconclusie
5. Het beroep is gezien het voorgaande gegrond. De rechtbank zal het bestreden besluit vernietigen wegens strijd met de artikelen 3:2 en 3:46 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).
Geschilbeslechting: rechtgevolgen in stand?
6. De rechtbank onderzoekt hierna de mogelijkheid van definitieve geschilbeslechting. In de eerste plaats onderzoekt zij of er aanleiding bestaat om, met toepassing van artikel 8:72, derde lid, aanhef en onder a, van de Awb, te bepalen dat de rechtsgevolgen van het bestreden besluit in stand blijven. Hierbij betrekt de rechtbank, van de zijde van verweerder, de overige overwegingen in het bestreden besluit en zijn toelichting ter zitting en, van de zijde van eiser, wat eiser in zijn beroepschriften en ter zitting heeft aangevoerd. De rechtbank gaat hierbij eerst in op het standpunt van eiser dat er in Pakistan thans sprake is van groepsvervolging van Ahmadi’s (overwegingen 7.1 tot en met 7.7). Daarna gaat de rechtbank in op eisers standpunt dat hij bij terugkeer naar Pakistan op individuele gronden te vrezen heeft voor vervolging en/of ernstige schade vanwege zijn geloofsuitoefening (overwegingen 8.1 tot en met 8.6).
Groepsvervolging
7.1.
De Afdeling heeft in de hiervoor genoemde uitspraak van 10 augustus 2015, ECLI:NL:RVS:2015:2667, r.o. 2.6, beoordeeld of er op dat moment – dus in 2015 – in Pakistan sprake was van groepsvervolging van Ahmadi’s. De Afdeling heeft er in die uitspraak op gewezen dat Ahmadi’s volgens de Pakistaanse grondwet niet als moslims worden beschouwd, dat de blasfemiewetgeving, vooral de zogenoemde anti-Ahmadi bepalingen, de religieuze vrijheid van Ahmadi’s verder inperkt, dat de Pakistaanse autoriteiten in de praktijk de vrijheid van godsdienst voor Ahmadi’s beperken door het hen moeilijk te maken om nieuwe gebedshuizen te bouwen en bijeen te komen in moskeeën en dat Ahmadi’s te maken krijgen met maatschappelijke intolerantie, ontvoeringen, gedwongen bekeringen en religieus gemotiveerd geweld, waartegen de autoriteiten vaak geen bescherming bieden. De Afdeling leidt hieruit, met verweerder, af dat de situatie in Pakistan voor Ahmadi's zorgwekkend is en dat Ahmadi's die zich publiekelijk als zodanig manifesteren zich aan grote risico’s blootstellen, maar overweegt ook dat Ahmadi’s in Pakistan hun geloof nog steeds wel, zij het binnen de in dit land geldende grenzen, kunnen belijden en uitoefen. Daarbij wijst de Afdeling erop dat Ahmadi’s gedrukte media hebben, eigen instelling en organisaties hebben en kunnen bijeenkomen in eigen gebedshuizen. Verder wijst de Afdeling erop dat weliswaar de blasfemiewetgeving wordt misbruikt en het aantal beschuldigingen van blasfemie tegen Ahmadi’s is toegenomen ten opzichte van het vorige ambtsbericht, maar dat het aantal beschuldigingen tegen Ahmadi's, afgezet tegen de omvang van de Ahmadi-gemeenschap in Pakistan, betrekkelijk gering is. Op grond hiervan komt de Afdeling tot de conclusie dat niet aannemelijk is gemaakt dat Ahmadi’s in Pakistan als groep worden vervolgd.
7.2.
De rechtbank leidt uit deze uitspraak af dat de Afdeling haar oordeel dat er destijds in Pakistan geen sprake was van groepsvervolging van Ahmadi’s gebaseerd heeft op twee ‘pijlers’, die in samenhang moeten worden bezien, te weten: 1) Ahmadi’s kunnen in Pakistan hun geloof in enige mate belijden en uitoefenen, en 2) het aantal Ahmadi’s dat slachtoffer is van de blasfemiewetgeving is relatief gering.
7.3.
Verweerder heeft zich in het bestreden besluit en op zitting op het standpunt gesteld dat ook thans geen sprake is van groepsvervolging van Ahmadi’s in Pakistan. Hiertoe heeft verweerder toegelicht dat weliswaar wordt ingezien dat de situatie voor Ahmadi’s in Pakistan na de uitspraak van de Afdeling is verslechterd, maar dat de hiervoor genoemde twee ‘pijlers’ nog voldoende overeind staan. Zo is het volgens verweerder voor Ahmadi’s nog steeds mogelijk om hun geloof te belijden, onder andere door naar gebedshuizen te gaan of door binnenshuis te bidden. Daarnaast blijkt volgens verweerder uit het Algemeen Ambtsbericht Pakistan van juli 2024 dat het aantal Ahmadi’s dat slachtoffer is van geweld of blasfemie nog steeds relatief laag is. Dit laatste acht verweerder van zwaarwegend belang voor de beoordeling of er sprake is van groepsvervolging.
7.4.
Eiser heeft gesteld dat de situatie voor Ahmadi’s na de Afdelingsuitspraak ernstig is verslechterd en dat het voor hen nagenoeg, zo niet volledig, onmogelijk is geworden om hun geloof te belijden en uit te oefenen. Ter onderbouwing hiervan heeft eiser in de eerste plaats verwezen naar het Thematisch Ambtsbericht over de positie van Ahmadi’s en christenen in Pakistan 2014-2016, van april 2017. Daarin staat dat de intolerantie en discriminatie jegens Ahmadi’s in de verslagperiode is toegenomen, dat er meer valse aanklachten zijn voor blasfemie (p. 34) en dat de provinciale regering van de Punjab Ahmadi-geschriften heeft verboden, wat inhoudt dat het verspreiden, publiceren en in bezit hebben illegaal werd (p. 47). Eiser heeft verder verwezen naar het Thematisch Ambtsbericht over de positie van Ahmadi’s en christenen in Pakistan 2017-2020, van december 2020. Daarin staat dat de vijandigheid jegens de Ahmadi-gemeenschap weer is toegenomen en steeds verder doordringt in het DNA van Pakistan, waaronder instellingen, rechtbanken, media en wetshandhavingsinstanties (p. 50) en dat de autoriteiten het Ahmadi’s verboden om conferenties en bijeenkomsten te houden (p. 81). Uit het Algemeen Ambtsbericht Pakistan van september 2022, waarnaar eiser ook heeft verwezen, volgt dat er zowel van overheidswege als in de publieke samenleving veel intolerantie tegenover Ahmadi’s bestaat en dat het voor Ahmadi’s vrijwel onmogelijk is om hun geloof vrij te belijden. Verder blijkt daaruit dat Ahmadi’s bij het aanvragen van documenten verklaringen moeten tekenen die volledig indruisen tegen hun Ahmadi-geloofsovertuiging (p. 68). Uit het Algemeen Ambtsbericht Pakistan van juli 2024, waarnaar eiser eveneens heeft verwezen, blijkt dat de situatie van Ahmadi’s de laatste twee jaar wederom is verslechterd. Ahmadi’s bleven doelwit voor (valse) blasfemie beschuldigingen en er waren meer gerichte moorden en aanvallen door menigten op Ahmadi’s de laatste jaren. Zo vonden er verschillende incidenten gericht tegen Ahmadi’s plaats, waaronder aanvallen op personen, graven, moskeeën en andere religieuze plaatsen (p. 67). Volgens vertrouwelijke bronnen liepen Ahmadi’s het meeste risico van alle minderheden om vervolgd te worden en zijn Ahmadi’s nergens in Pakistan veilig (p. 69). Tot slot heeft eiser verwezen naar het rapport van UK Home Office ‘Country Policy and Information Note Pakistan: Ahmadis’, van maart 2025. Daarin wordt onder meer ingegaan op de uitspraak van het Pakistaanse hooggerechtshof in de zaak van de Ahmadi Mubarak Sani. Daarover wordt geschreven dat die uitspraak, die onder druk van de Pakistaanse overheid en geestelijken tweemaal is herzien, in feite inhoudt dat de bepekte bescherming die Ahmadi’s werd geboden om hun geloof in privé uit te oefenen en te belijden is ingetrokken, en met zich brengt dat het Ahmadi-geloof nu effectief is gecriminaliseerd en dat Ahmadi’s hun geloof niet meer binnenshuis kunnen belijden (p. 40-41). Ook is in dat rapport vermeld dat er in de verslagperiode aanhoudende aanvallen plaatsvonden op gebedshuizen, soms met medeplichtigheid van de staat (p. 37) en dat het verboden is om Ahmadi-literatuur te drukken, publiceren en verspreiden en dat alle websites die Ahmadi’s als moslims afschilderen in Pakistan geblokkeerd zijn (p. 38).
7.5.
Uit de hiervoor vermelde, door eiser ingeroepen landeninformatie blijkt naar het oordeel van de rechtbank duidelijk dat de situatie van Ahmadi’s in Pakistan na de Afdelingsuitspraak van 10 augustus 2015 steeds verder en verder is verslechterd. Waar Ahmadi’s ten tijde van de Afdelingsuitspraak nog enige mogelijkheid hadden om hun geloof te uiten en te belijden, waarbij is gewezen op de eigen gedrukte media en instellingen en organisaties van Ahmadi’s en het kunnen bijeenkomen in eigen gebedshuizen, blijkt uit de hiervoor vermelde landeninformatie dat deze vrijheden inmiddels grotendeels zijn weggevallen. Zo is het niet meer toegestaan om Ahmadi-literatuur te drukken, publiceren en hebben en zijn bijeenkomsten van Ahmadi’s verboden. Verder vinden er steeds vaker aanvallen plaats op Ahmadi-gebedshuizen en andere religieuze plaatsen van Ahmadi’s. De nieuwste ontwikkeling is dat met de herziene uitspraak van het Pakistaanse hooggerechtshof in de zaak Mubarak Sani ook de mogelijkheid voor Ahmadi’s om hun geloof in de privésfeer, waaronder de eigen woning, te belijden en uit te oefenen aan banden is gelegd (hetgeen verweerder in het bestreden besluit, p. 2, ook heeft erkend). Gelet hierop, en nu verweerder niet heeft gewezen op concrete passages in de landeninformatie die wijzen op het tegendeel, volgt de rechtbank eiser in zijn standpunt dat het voor Ahmadi’s in Pakistan inmiddels nagenoeg, zo niet volledig, onmogelijk is geworden om hun godsdienst te uiten en te belijden. Dit betekent naar het oordeel van de rechtbank dat de eerste ‘pijler’ uit de Afdelingsuitspraak – te weten: Ahmadi’s kunnen in Pakistan hun geloof in enige mate belijden en uitoefenen – niet langer (voldoende) overeind staat. Het andersluidende standpunt van verweerder houdt dus geen stand.
7.6.
Voor zover verweerder stelt dat de tweede ‘pijler’ uit de Afdelingsuitspraak – te weten: het aantal Ahmadi’s dat slachtoffer is van de blasfemiewetgeving is relatief gering – op zichzelf voldoende is voor het oordeel dat er in Pakistan geen sprake is van groepsvervolging van Ahmadi’s, overweegt de rechtbank als volgt. Dit standpunt lijkt verweerder ook ten grondslag te hebben gelegd aan zijn landenbeleid, waarin hij voor Ahmadi’s een risicoprofiel heeft aangenomen en geen groepsvervolging (zie de nota Landenbeleid Pakistan van 18 september 2024, p. 4). Verweerder heeft echter niet gemotiveerd hoe dit standpunt zich verhoudt tot de Afdelingsuitspraak van 10 augustus 2015, waarin de twee pijlers tezamen tot het oordeel hebben geleid dat er geen sprake is van groepsvervolging van Ahmadi’s in Pakistan. Daarnaast is verweerder niet deugdelijk gemotiveerd ingegaan op het ter zitting door eiser ingenomen standpunt dat de omstandigheid dat uit gerapporteerde cijfers in het ambtsbericht blijkt dat het aantal Ahmadi-slachtoffers van (dodelijk) geweld en blasfemie relatief laag is (zie weer de nota Landenbeleid Pakistan, p. 4) op zichzelf niet doorslaggevend is voor de beoordeling of er groepsvervolging van Ahmadi’s plaatsvindt. Daarbij heeft eiser erop gewezen dat de Pakistaanse autoriteiten en samenleving thans zo repressief zijn ten opzichte van Ahmadi’s, waarvan de zaak van de Ahmadi Mubarak Sani – die uiteindelijk (in december 2025) is veroordeeld tot een levenslange gevangenisstraf wegens blasfemie – een voorbeeld is, dat Ahmadi’s hun geloof in de praktijk nauwelijks meer durven te uiten. Verder heeft eiser er in dit verband op gewezen dat veel incidenten tegen Ahmadi’s niet worden gemeld en daarom niet worden gerapporteerd. Dit standpunt vindt enige steun in het UK Home Office rapport van maart 2025, waarin staat dat het voor Ahmadi’s zeer moeilijk is om incidenten te melden bij de politie, die zich zelf ook schuldig maakt aan daden tegen de Ahmadi’s, dat de politie bang is om Ahmadi’s rechten toe te kennen en dat de politie daden tegen Ahmadi’s niet wil onderzoeken (p. 39). Daarnaast zijn Ahmadi’s bang om aangifte te doen omdat de politie hen zou kunnen aanklagen wegens blasfemie (p. 40).
7.7.
Gelet op het vorenstaande, in samenhang bezien, is de rechtbank van oordeel dat verweerder met zijn toelichtingen in het bestreden besluit en ter zitting niet deugdelijk heeft gemotiveerd waarom de door eiser ingebrachte landeninformatie die dateert van na het Algemeen Ambtsbericht Pakistan van juli 2024 er niet toe leidt dat wordt aangenomen dat er thans in Pakistan sprake is van groepsvervolging van Ahmadi’s. De hiertoe aangevoerde beroepsgrond slaagt in zoverre.
Persoonlijke vrees voor vervolging/ernstige schade
8.1.
Hierna toetst de rechtbank – volledigheidshalve en er veronderstellenderwijs van uitgaand dat er ten aanzien van Ahmadi’s ‘slechts’ sprake is van een risicoprofiel – het standpunt van verweerder dat eiser er niet in is geslaagd om aannemelijk dat hij op individuele gronden in Pakistan te vrezen heeft voor vervolging of een reëel risico op ernstige schade vanwege zijn geloofsuitoefening.
8.2.
Verweerder heeft zich in het bestreden besluit op het standpunt gesteld dat eiser bij terugkeer maar Pakistan geen gegronde vrees heeft voor vervolging en geen reëel risico loopt op ernstige schade vanwege zijn geloofsuitoefening. Verweerder heeft hiertoe gesteld dat eiser zijn geloof in Pakistan binnenshuis heeft kunnen uiten en dat hij ook gebedshuizen heeft kunnen bezoeken. Volgens verweerder kan eiser deze geloofsactiviteiten bij terugkeer naar Pakistan weer hervatten. Verder stelt verweerder dat eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat het voor hem persoonlijk belangrijk is om zijn geloof op een andere, meer actieve en openlijke manier te uiten dan hij voor zijn vertrek uit Pakistan heeft gedaan.
8.3.
Uit vaste Afdelingsrechtspraak over dit onderwerp, bijvoorbeeld de uitspraken van 20 juli 2025, ECLI:NL:RVS:2015:2420, en 24 december 2024, ECLI:NL:RVS:2024:5349, volgt dat verweerder moet onderzoeken en beoordelen of, en zo ja, op welke wijze een vreemdeling na terugkeer naar zijn land van herkomst uiting wil geven aan zijn geloof en of hij daardoor een risico op vervolging/ernstige schade loopt. Hierbij is van belang dat verweerder van de vreemdeling niet mag verlangen dat hij zich, om vervolging te voorkomen, terughoudend zal opstellen bij de uitoefening van zijn geloof.
Voorts volgt uit de hiervoor vermelde Afdelingsuitspraak van 10 augustus 2015, r.o. 2.8, dat uit de enkele omstandigheid dat de vreemdeling voor zijn vertrek uit Pakistan geen belemmeringen heeft ondervonden bij zijn geloofsactiviteiten, niet zonder meer kan worden afgeleid dat hij ook bij terugkeer niet te vrezen heeft voor vervolging, zeker niet als uit de verklaringen van de vreemdeling kan worden afgeleid dat hij zich in het verleden wegens de blasfemiewetgeving juist heeft onthouden van bepaalde religieuze handelingen en zich dus terughoudend heeft opgesteld.
8.4.
Ten aanzien van verweerders standpunt dat eiser de geloofsactiviteiten die hij voor zijn vertrek uit Pakistan heeft uitgeoefend – te weten: het binnenshuis bidden en het bezoeken van gebedshuizen – bij terugkeer naar Pakistan kan hervatten, overweegt de rechtbank als volgt. Uit de omstandigheid dat eiser destijds in Pakistan enige geloofsactiviteiten heeft kunnen verrichten, heeft verweerder naar het oordeel van de rechtbank niet zonder meer kunnen concluderen dat hij deze geloofsactiviteiten na terugkeer in Pakistan weer zonder problemen kan verrichten. Zoals uit overwegingen 7.4. en 7.5. blijkt, is de situatie van Ahmadi’s in Pakistan sinds eisers vertrek in december 2023 verder verslechterd en zijn de mogelijkheden voor Ahmadi’s om hun geloof te uiten, ook binnenshuis, verder beperkt. Verweerder diende daarom nader te motiveren waarom hij meent dat eiser, ondanks de verslechterde situatie in Pakistan, bij terugkeer naar Pakistan nog steeds probleemloos de geloofsactiviteiten kan verrichten die hij voorheen ook verrichtte. Een dergelijke motivering heeft verweerder in het bestreden besluit niet, en ter zitting niet voldoende, gegeven.
8.5.
Ten aanzien van verweerders standpunt dat eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat het voor hem persoonlijk belangrijk is om zijn geloof op een meer actieve en openlijke manier te uiten dan hij voor zijn vertrek uit Pakistan heeft gedaan, wordt het volgende overwogen. De rechtbank stelt voorop dat verweerder in het voornemen van 19 augustus 2025 (p. 3, onder 2.2.1) heeft aangenomen dat eiser veel waarde hecht aan zijn religie. Verder volgt uit eisers verklaringen dat hij zich in het verleden in Pakistan vanwege de blasfemiewetgeving en repressie heeft onthouden van meer openlijke religieuze handelingen en dat hij zich dus terughoudend heeft opgesteld. Zo heeft eiser verklaard dat hij als ongelovige wordt gezien en dat hij niet meer naar zijn gebedshuis kan (p. 4 nader gehoor) en dat hij het gebed niet mocht verkondigen en daarom stiekem gebeden verrichtte en ook stiekem meedeed aan de ramadan en het offerfeest (p. 11 nader gehoor). Uit de omstandigheid dat eiser voorafgaand aan zijn vertrek uit Pakistan zijn geloof slechts op beperkte en niet openlijke wijze uitte, heeft verweerder zonder nadere motivering, die ontbreekt, dan ook niet kunnen afleiden dat het voor eiser niet belangrijk is om zijn geloof op een meer openlijke manier te uiten. Verder staat niet ter discussie dat eiser hier in Nederland geloofsactiviteiten (heeft) verricht die hij in Pakistan niet kon verrichten. Zo gaat eiser in Nederland naar de moskee, noemt hij zich moslim, leeft hij religieuze rituelen na en gaat hij naar openbare bijeenkomsten, zoals de Jalsa Salana en de nationale Ijtema. Dit is naar het oordeel van de rechtbank een duidelijke indicatie dat het voor eiser juist wel van belang is om zijn geloof op een meer openlijke manier te uiten dan hij in Pakistan deed. Dit heeft verweerder niet onderkend. Verder is ook niet in geschil dat geloofsverspreiding (de Tabligh) een essentieel onderdeel van het Ahmadi-geloof vormt. Eiser heeft verklaard dat hij in Pakistan graag het geloof wil verspreiden, maar dat hij dat pas kan doen als er geen beperkingen meer gelden (p. 11 en 12 aanvullend gehoor). Verweerder heeft niet deugdelijk gemotiveerd waarom de Tabligh voor eiser, die van jongs af aan Ahmadi is, niet belangrijk zou zijn. De enkele omstandigheid dat hij dit in Pakistan niet heeft gedaan is, gezien zijn verklaringen dat hij zich daar voor zijn veiligheid terughoudend moest opstellen in zijn geloofsuiting, hiertoe onvoldoende. Gelet op het vorenstaande, in samenhang bezien, heeft verweerder zich in het bestreden besluit en ook ter zitting ondeugdelijk gemotiveerd op het standpunt gesteld dat het voor eiser persoonlijk niet van belang is om zijn geloof op meer actieve en openlijke manier te uiten dan hij voor zijn vertrek uit Pakistan heeft gedaan. In het verlengde daarvan heeft verweerder ten onrechte niet beoordeeld wat het voor gevolgen voor eiser zal hebben als hij zijn geloof in Pakistan op die manier zal uiten.
8.6.
Gelet op het vorenstaande, in samenhang bezien, is de rechtbank van oordeel dat verweerder met zijn toelichtingen in het bestreden besluit en ter zitting niet deugdelijk heeft gemotiveerd dat eiser op individuele gronden in Pakistan geen gegronde vrees heeft voor vervolging en geen reëel risico loopt op ernstige schade vanwege zijn geloofsuitoefening. De hiertoe aangevoerde beroepsgrond slaagt in zoverre.
Slotsom
9. Uit het voorgaande volgt dat verweerder met zijn ter zitting gegeven toelichting, in combinatie bezien met de overige overwegingen in het bestreden besluit, niet alsnog deugdelijk heeft gemotiveerd dat eiser bij terugkeer naar Pakistan geen gegronde vrees heeft voor vervolging en geen reëel risico loopt op ernstige schade vanwege zijn Ahmadi-geloof. Dit betekent dat verweerder het geconstateerde gebrek in het bestreden besluit niet heeft hersteld. Er bestaat dan ook geen mogelijkheid om de rechtsgevolgen van het bestreden besluit in stand te laten.
Eindconclusie en gevolgen
10. De rechtbank ziet ook geen mogelijkheid om zelf in de zaak te voorzien, omdat het (vooralsnog) aan verweerder is en blijft om te beoordelen of er zich een grond voor asielverlening voordoet. Ook ziet de rechtbank geen aanleiding voor het toepassen van een bestuurlijke lus, aangezien dit naar het zich laat aanzien geen doelmatige en efficiënte afdoeningswijze zal inhouden. De rechtbank zal verweerder daarom opdragen om, met inachtneming van deze uitspraak, een nieuw besluit te nemen op de asielaanvraag van eiser. De rechtbank geeft verweerder hiervoor een termijn van acht weken.
11. Omdat het beroep gegrond is, krijgt eiser een vergoeding van zijn proceskosten. Verweerder moet deze vergoeding betalen. Deze vergoeding stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 1.868,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting, met een waarde per punt van € 934,- en een wegingsfactor 1).
Beslissing
De rechtbank:
- verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt het bestreden besluit;
- draagt verweerder op binnen acht weken na de dag van bekendmaking van deze uitspraak een nieuw besluit te nemen op de aanvraag van eiser, met inachtneming van deze uitspraak;
- veroordeelt verweerder tot betaling van € 1.868,- aan proceskosten aan eiser.
Deze uitspraak is gedaan door mr. F.A. Groeneveld, rechter, in aanwezigheid van mr. A. Duijf, griffier.
Uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
De rechtbank gaat in deze uitspraak uit van de wet- en regelgeving zoals geldend tot 12 juni 2026.
Zittingsplaats Rotterdam
Bestuursrecht
zaaknummer: NL25.48580
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[eiser] , V-nummer: [nummer] , eiser
(gemachtigde: mr. T. Thissen),
en
de minister van Asiel en Migratie, verweerder
(gemachtigde: mr. N.E. Joseph).
Procesverloop
Bij besluit van 1 oktober 2025 (het bestreden besluit) heeft verweerder de aanvraag van eiser tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd (asielaanvraag) afgewezen als kennelijk ongegrond.
Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Hij heeft tevens de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen.
De rechtbank heeft het beroep, samen met het verzoek om een voorlopige voorziening (NL25.48581), op 18 maart 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser, [naam] als tolk en de gemachtigde van verweerder.
Overwegingen
Het asielrelaas
1.1.
Eiser heeft de Pakistaanse nationaliteit en is geboren op [geboortedag] 1964. Hij heeft op 16 december 2023 asiel aangevraagd.
1.2.
Eiser heeft aan zijn asielaanvraag – samengevat – het volgende ten grondslag gelegd. Eiser is een Ahmadi. Ahmadi’s hebben in Pakistan geen religieuze vrijheid (meer).
Eiser heeft tijdens het offerfeest in 2022 een dier geslacht. Er is vervolgens aangifte tegen hem gedaan door de religieus extremistische groep Tehreek-e-Labbaik Pakistan (TLP). Eiser is meegenomen naar het politiebureau en is na drie dagen vrijgelaten op een borgsom. Nadien heeft eiser aanhoudende last ervaren vanwege zijn Ahmadi-geloof. Zo kon eiser niet meer naar zijn winkel en ook niet meer naar het gebedshuis. In december 2023 heeft eiser Pakistan verlaten. Bij terugkeer naar Pakistan vreest eiser te worden vermoord door de TLP, de samenleving of de overheid vanwege zijn geloof.
Het bestreden besluit
2.1.
Het asielrelaas van eiser bevat volgens verweerder de volgende asielmotieven:
1. Identiteit, nationaliteit en herkomst;
2. Problemen vanwege Ahmadiya geloof.
2.2.
Verweerder heeft de identiteit, nationaliteit en herkomst van eiser geloofwaardig geacht. Ook acht verweerder geloofwaardig dat eiser Ahmadi is. De problemen vanwege zijn Ahmadi-geloof heeft verweerder echter ongeloofwaardig geacht, omdat in dit verband niet is voldaan aan de voorwaarden van artikel 31, zesde lid, aanhef en onder b, c en e, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw). Het geloofwaardig geachte asielmotief levert volgens verweerder geen asielgrond op als bedoeld in artikel 29, eerste lid, aanhef en onder a of b, van de Vw, omdat op grond daarvan niet aannemelijk is dat eiser een gegronde vrees voor vervolging heeft als bedoeld in het Verdrag betreffende de status van vluchtelingen (Vluchtelingenverdrag) of bij terugkeer naar Pakistan een reëel risico loopt op ernstige schade in de zin van artikel 3 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM). Hierom, en omdat eiser zijn paspoort heeft achtergehouden en verklaringen heeft afgelegd die kennelijk vals zijn, heeft verweerder de asielaanvraag van eiser afgewezen als kennelijk ongegrond op grond van artikel 31, eerste lid, in verbinding met artikel 30b, eerste lid, aanhef en onder c en e, van de Vw. Het bestreden besluit omvat ook een terugkeerbesluit zonder vertrektermijn.
Beroepsgronden
3. Eiser kan zich niet met het bestreden besluit verenigen en heeft daartegen – samengevat – het volgende aangevoerd. Verweerder heeft in het bestreden besluit miskend dat de situatie voor Ahmadi’s in Pakistan sinds de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) van 10 augustus 2015, ECLI:NL:RVS:2015:2667, ernstig is verslechterd. Eiser verwijst hiervoor (onder andere) naar de Algemene Ambtsberichten Pakistan van september 2022 en juli 2024, de thematische ambtsberichten over de positie van Ahmadi’s en christenen in Pakistan van april 2017 en december 2020, de (herziene) ‘Mubarak Sani’-uitspraak van het Pakistaans hooggerechtshof van augustus 2024 en het UK Home Office rapport ‘Country Policy and Information Note Pakistan: Ahmadi’s’ van maart 2025, en stelt op basis hiervan dat er in Pakistan thans sprake is van groepsvervolging van Ahmadi’s. Daarnaast heeft verweerder volgens eiser nagelaten om deugdelijk te onderzoeken hoe hij zijn geloof bij terugkeer naar Pakistan wil uiten en of eiser hierdoor een risico loopt op vervolging en/of ernstige schade.
Toetsing bestreden besluit
4. Eiser heeft in zijn zienswijzen uitvoerig betoogd dat de situatie van Ahmadi’s in Pakistan de afgelopen tien jaar verder is verslechterd en dat er daarom thans sprake is van groepsvervolging. Ter onderbouwing hiervan heeft eiser al in zijn zienswijzen verwezen naar de onder 3 vermelde landeninformatie. Een deel van deze door eiser aangehaalde landeninformatie dateert van na het Algemeen Ambtsbericht Pakistan van juli 2024, waarop het landenbeleid voor Pakistan (WBV 2024/27 van 18 december 2024; paragraaf C7/27.3.2 van de Vreemdelingencirculaire 2000), waarin Ahmadi’s zijn aangemerkt als risicoprofiel, is gebaseerd. Verweerder heeft ter zitting erkend dat in het bestreden besluit niet voldoende is ingegaan op de door eiser overgelegde landeninformatie die dateert van ná het Algemeen Ambtsbericht Pakistan van juli 2024. De rechtbank onderschrijft dit en overweegt dat dit tot gevolg heeft dat verweerder in het bestreden besluit niet deugdelijk heeft gemotiveerd dat er thans geen groepsvervolging van Ahmadi’s plaatsvindt in Pakistan. Ook is daardoor niet deugdelijk gemotiveerd dat eiser op individuele gronden geen risico loopt op vervolging of ernstige schade vanwege zijn geloofsuitoefening. Reeds gelet hierop kan het bestreden besluit naar het oordeel van de rechtbank niet in stand blijven.
Tussenconclusie
5. Het beroep is gezien het voorgaande gegrond. De rechtbank zal het bestreden besluit vernietigen wegens strijd met de artikelen 3:2 en 3:46 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).
Geschilbeslechting: rechtgevolgen in stand?
6. De rechtbank onderzoekt hierna de mogelijkheid van definitieve geschilbeslechting. In de eerste plaats onderzoekt zij of er aanleiding bestaat om, met toepassing van artikel 8:72, derde lid, aanhef en onder a, van de Awb, te bepalen dat de rechtsgevolgen van het bestreden besluit in stand blijven. Hierbij betrekt de rechtbank, van de zijde van verweerder, de overige overwegingen in het bestreden besluit en zijn toelichting ter zitting en, van de zijde van eiser, wat eiser in zijn beroepschriften en ter zitting heeft aangevoerd. De rechtbank gaat hierbij eerst in op het standpunt van eiser dat er in Pakistan thans sprake is van groepsvervolging van Ahmadi’s (overwegingen 7.1 tot en met 7.7). Daarna gaat de rechtbank in op eisers standpunt dat hij bij terugkeer naar Pakistan op individuele gronden te vrezen heeft voor vervolging en/of ernstige schade vanwege zijn geloofsuitoefening (overwegingen 8.1 tot en met 8.6).
Groepsvervolging
7.1.
De Afdeling heeft in de hiervoor genoemde uitspraak van 10 augustus 2015, ECLI:NL:RVS:2015:2667, r.o. 2.6, beoordeeld of er op dat moment – dus in 2015 – in Pakistan sprake was van groepsvervolging van Ahmadi’s. De Afdeling heeft er in die uitspraak op gewezen dat Ahmadi’s volgens de Pakistaanse grondwet niet als moslims worden beschouwd, dat de blasfemiewetgeving, vooral de zogenoemde anti-Ahmadi bepalingen, de religieuze vrijheid van Ahmadi’s verder inperkt, dat de Pakistaanse autoriteiten in de praktijk de vrijheid van godsdienst voor Ahmadi’s beperken door het hen moeilijk te maken om nieuwe gebedshuizen te bouwen en bijeen te komen in moskeeën en dat Ahmadi’s te maken krijgen met maatschappelijke intolerantie, ontvoeringen, gedwongen bekeringen en religieus gemotiveerd geweld, waartegen de autoriteiten vaak geen bescherming bieden. De Afdeling leidt hieruit, met verweerder, af dat de situatie in Pakistan voor Ahmadi's zorgwekkend is en dat Ahmadi's die zich publiekelijk als zodanig manifesteren zich aan grote risico’s blootstellen, maar overweegt ook dat Ahmadi’s in Pakistan hun geloof nog steeds wel, zij het binnen de in dit land geldende grenzen, kunnen belijden en uitoefen. Daarbij wijst de Afdeling erop dat Ahmadi’s gedrukte media hebben, eigen instelling en organisaties hebben en kunnen bijeenkomen in eigen gebedshuizen. Verder wijst de Afdeling erop dat weliswaar de blasfemiewetgeving wordt misbruikt en het aantal beschuldigingen van blasfemie tegen Ahmadi’s is toegenomen ten opzichte van het vorige ambtsbericht, maar dat het aantal beschuldigingen tegen Ahmadi's, afgezet tegen de omvang van de Ahmadi-gemeenschap in Pakistan, betrekkelijk gering is. Op grond hiervan komt de Afdeling tot de conclusie dat niet aannemelijk is gemaakt dat Ahmadi’s in Pakistan als groep worden vervolgd.
7.2.
De rechtbank leidt uit deze uitspraak af dat de Afdeling haar oordeel dat er destijds in Pakistan geen sprake was van groepsvervolging van Ahmadi’s gebaseerd heeft op twee ‘pijlers’, die in samenhang moeten worden bezien, te weten: 1) Ahmadi’s kunnen in Pakistan hun geloof in enige mate belijden en uitoefenen, en 2) het aantal Ahmadi’s dat slachtoffer is van de blasfemiewetgeving is relatief gering.
7.3.
Verweerder heeft zich in het bestreden besluit en op zitting op het standpunt gesteld dat ook thans geen sprake is van groepsvervolging van Ahmadi’s in Pakistan. Hiertoe heeft verweerder toegelicht dat weliswaar wordt ingezien dat de situatie voor Ahmadi’s in Pakistan na de uitspraak van de Afdeling is verslechterd, maar dat de hiervoor genoemde twee ‘pijlers’ nog voldoende overeind staan. Zo is het volgens verweerder voor Ahmadi’s nog steeds mogelijk om hun geloof te belijden, onder andere door naar gebedshuizen te gaan of door binnenshuis te bidden. Daarnaast blijkt volgens verweerder uit het Algemeen Ambtsbericht Pakistan van juli 2024 dat het aantal Ahmadi’s dat slachtoffer is van geweld of blasfemie nog steeds relatief laag is. Dit laatste acht verweerder van zwaarwegend belang voor de beoordeling of er sprake is van groepsvervolging.
7.4.
Eiser heeft gesteld dat de situatie voor Ahmadi’s na de Afdelingsuitspraak ernstig is verslechterd en dat het voor hen nagenoeg, zo niet volledig, onmogelijk is geworden om hun geloof te belijden en uit te oefenen. Ter onderbouwing hiervan heeft eiser in de eerste plaats verwezen naar het Thematisch Ambtsbericht over de positie van Ahmadi’s en christenen in Pakistan 2014-2016, van april 2017. Daarin staat dat de intolerantie en discriminatie jegens Ahmadi’s in de verslagperiode is toegenomen, dat er meer valse aanklachten zijn voor blasfemie (p. 34) en dat de provinciale regering van de Punjab Ahmadi-geschriften heeft verboden, wat inhoudt dat het verspreiden, publiceren en in bezit hebben illegaal werd (p. 47). Eiser heeft verder verwezen naar het Thematisch Ambtsbericht over de positie van Ahmadi’s en christenen in Pakistan 2017-2020, van december 2020. Daarin staat dat de vijandigheid jegens de Ahmadi-gemeenschap weer is toegenomen en steeds verder doordringt in het DNA van Pakistan, waaronder instellingen, rechtbanken, media en wetshandhavingsinstanties (p. 50) en dat de autoriteiten het Ahmadi’s verboden om conferenties en bijeenkomsten te houden (p. 81). Uit het Algemeen Ambtsbericht Pakistan van september 2022, waarnaar eiser ook heeft verwezen, volgt dat er zowel van overheidswege als in de publieke samenleving veel intolerantie tegenover Ahmadi’s bestaat en dat het voor Ahmadi’s vrijwel onmogelijk is om hun geloof vrij te belijden. Verder blijkt daaruit dat Ahmadi’s bij het aanvragen van documenten verklaringen moeten tekenen die volledig indruisen tegen hun Ahmadi-geloofsovertuiging (p. 68). Uit het Algemeen Ambtsbericht Pakistan van juli 2024, waarnaar eiser eveneens heeft verwezen, blijkt dat de situatie van Ahmadi’s de laatste twee jaar wederom is verslechterd. Ahmadi’s bleven doelwit voor (valse) blasfemie beschuldigingen en er waren meer gerichte moorden en aanvallen door menigten op Ahmadi’s de laatste jaren. Zo vonden er verschillende incidenten gericht tegen Ahmadi’s plaats, waaronder aanvallen op personen, graven, moskeeën en andere religieuze plaatsen (p. 67). Volgens vertrouwelijke bronnen liepen Ahmadi’s het meeste risico van alle minderheden om vervolgd te worden en zijn Ahmadi’s nergens in Pakistan veilig (p. 69). Tot slot heeft eiser verwezen naar het rapport van UK Home Office ‘Country Policy and Information Note Pakistan: Ahmadis’, van maart 2025. Daarin wordt onder meer ingegaan op de uitspraak van het Pakistaanse hooggerechtshof in de zaak van de Ahmadi Mubarak Sani. Daarover wordt geschreven dat die uitspraak, die onder druk van de Pakistaanse overheid en geestelijken tweemaal is herzien, in feite inhoudt dat de bepekte bescherming die Ahmadi’s werd geboden om hun geloof in privé uit te oefenen en te belijden is ingetrokken, en met zich brengt dat het Ahmadi-geloof nu effectief is gecriminaliseerd en dat Ahmadi’s hun geloof niet meer binnenshuis kunnen belijden (p. 40-41). Ook is in dat rapport vermeld dat er in de verslagperiode aanhoudende aanvallen plaatsvonden op gebedshuizen, soms met medeplichtigheid van de staat (p. 37) en dat het verboden is om Ahmadi-literatuur te drukken, publiceren en verspreiden en dat alle websites die Ahmadi’s als moslims afschilderen in Pakistan geblokkeerd zijn (p. 38).
7.5.
Uit de hiervoor vermelde, door eiser ingeroepen landeninformatie blijkt naar het oordeel van de rechtbank duidelijk dat de situatie van Ahmadi’s in Pakistan na de Afdelingsuitspraak van 10 augustus 2015 steeds verder en verder is verslechterd. Waar Ahmadi’s ten tijde van de Afdelingsuitspraak nog enige mogelijkheid hadden om hun geloof te uiten en te belijden, waarbij is gewezen op de eigen gedrukte media en instellingen en organisaties van Ahmadi’s en het kunnen bijeenkomen in eigen gebedshuizen, blijkt uit de hiervoor vermelde landeninformatie dat deze vrijheden inmiddels grotendeels zijn weggevallen. Zo is het niet meer toegestaan om Ahmadi-literatuur te drukken, publiceren en hebben en zijn bijeenkomsten van Ahmadi’s verboden. Verder vinden er steeds vaker aanvallen plaats op Ahmadi-gebedshuizen en andere religieuze plaatsen van Ahmadi’s. De nieuwste ontwikkeling is dat met de herziene uitspraak van het Pakistaanse hooggerechtshof in de zaak Mubarak Sani ook de mogelijkheid voor Ahmadi’s om hun geloof in de privésfeer, waaronder de eigen woning, te belijden en uit te oefenen aan banden is gelegd (hetgeen verweerder in het bestreden besluit, p. 2, ook heeft erkend). Gelet hierop, en nu verweerder niet heeft gewezen op concrete passages in de landeninformatie die wijzen op het tegendeel, volgt de rechtbank eiser in zijn standpunt dat het voor Ahmadi’s in Pakistan inmiddels nagenoeg, zo niet volledig, onmogelijk is geworden om hun godsdienst te uiten en te belijden. Dit betekent naar het oordeel van de rechtbank dat de eerste ‘pijler’ uit de Afdelingsuitspraak – te weten: Ahmadi’s kunnen in Pakistan hun geloof in enige mate belijden en uitoefenen – niet langer (voldoende) overeind staat. Het andersluidende standpunt van verweerder houdt dus geen stand.
7.6.
Voor zover verweerder stelt dat de tweede ‘pijler’ uit de Afdelingsuitspraak – te weten: het aantal Ahmadi’s dat slachtoffer is van de blasfemiewetgeving is relatief gering – op zichzelf voldoende is voor het oordeel dat er in Pakistan geen sprake is van groepsvervolging van Ahmadi’s, overweegt de rechtbank als volgt. Dit standpunt lijkt verweerder ook ten grondslag te hebben gelegd aan zijn landenbeleid, waarin hij voor Ahmadi’s een risicoprofiel heeft aangenomen en geen groepsvervolging (zie de nota Landenbeleid Pakistan van 18 september 2024, p. 4). Verweerder heeft echter niet gemotiveerd hoe dit standpunt zich verhoudt tot de Afdelingsuitspraak van 10 augustus 2015, waarin de twee pijlers tezamen tot het oordeel hebben geleid dat er geen sprake is van groepsvervolging van Ahmadi’s in Pakistan. Daarnaast is verweerder niet deugdelijk gemotiveerd ingegaan op het ter zitting door eiser ingenomen standpunt dat de omstandigheid dat uit gerapporteerde cijfers in het ambtsbericht blijkt dat het aantal Ahmadi-slachtoffers van (dodelijk) geweld en blasfemie relatief laag is (zie weer de nota Landenbeleid Pakistan, p. 4) op zichzelf niet doorslaggevend is voor de beoordeling of er groepsvervolging van Ahmadi’s plaatsvindt. Daarbij heeft eiser erop gewezen dat de Pakistaanse autoriteiten en samenleving thans zo repressief zijn ten opzichte van Ahmadi’s, waarvan de zaak van de Ahmadi Mubarak Sani – die uiteindelijk (in december 2025) is veroordeeld tot een levenslange gevangenisstraf wegens blasfemie – een voorbeeld is, dat Ahmadi’s hun geloof in de praktijk nauwelijks meer durven te uiten. Verder heeft eiser er in dit verband op gewezen dat veel incidenten tegen Ahmadi’s niet worden gemeld en daarom niet worden gerapporteerd. Dit standpunt vindt enige steun in het UK Home Office rapport van maart 2025, waarin staat dat het voor Ahmadi’s zeer moeilijk is om incidenten te melden bij de politie, die zich zelf ook schuldig maakt aan daden tegen de Ahmadi’s, dat de politie bang is om Ahmadi’s rechten toe te kennen en dat de politie daden tegen Ahmadi’s niet wil onderzoeken (p. 39). Daarnaast zijn Ahmadi’s bang om aangifte te doen omdat de politie hen zou kunnen aanklagen wegens blasfemie (p. 40).
7.7.
Gelet op het vorenstaande, in samenhang bezien, is de rechtbank van oordeel dat verweerder met zijn toelichtingen in het bestreden besluit en ter zitting niet deugdelijk heeft gemotiveerd waarom de door eiser ingebrachte landeninformatie die dateert van na het Algemeen Ambtsbericht Pakistan van juli 2024 er niet toe leidt dat wordt aangenomen dat er thans in Pakistan sprake is van groepsvervolging van Ahmadi’s. De hiertoe aangevoerde beroepsgrond slaagt in zoverre.
Persoonlijke vrees voor vervolging/ernstige schade
8.1.
Hierna toetst de rechtbank – volledigheidshalve en er veronderstellenderwijs van uitgaand dat er ten aanzien van Ahmadi’s ‘slechts’ sprake is van een risicoprofiel – het standpunt van verweerder dat eiser er niet in is geslaagd om aannemelijk dat hij op individuele gronden in Pakistan te vrezen heeft voor vervolging of een reëel risico op ernstige schade vanwege zijn geloofsuitoefening.
8.2.
Verweerder heeft zich in het bestreden besluit op het standpunt gesteld dat eiser bij terugkeer maar Pakistan geen gegronde vrees heeft voor vervolging en geen reëel risico loopt op ernstige schade vanwege zijn geloofsuitoefening. Verweerder heeft hiertoe gesteld dat eiser zijn geloof in Pakistan binnenshuis heeft kunnen uiten en dat hij ook gebedshuizen heeft kunnen bezoeken. Volgens verweerder kan eiser deze geloofsactiviteiten bij terugkeer naar Pakistan weer hervatten. Verder stelt verweerder dat eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat het voor hem persoonlijk belangrijk is om zijn geloof op een andere, meer actieve en openlijke manier te uiten dan hij voor zijn vertrek uit Pakistan heeft gedaan.
8.3.
Uit vaste Afdelingsrechtspraak over dit onderwerp, bijvoorbeeld de uitspraken van 20 juli 2025, ECLI:NL:RVS:2015:2420, en 24 december 2024, ECLI:NL:RVS:2024:5349, volgt dat verweerder moet onderzoeken en beoordelen of, en zo ja, op welke wijze een vreemdeling na terugkeer naar zijn land van herkomst uiting wil geven aan zijn geloof en of hij daardoor een risico op vervolging/ernstige schade loopt. Hierbij is van belang dat verweerder van de vreemdeling niet mag verlangen dat hij zich, om vervolging te voorkomen, terughoudend zal opstellen bij de uitoefening van zijn geloof.
Voorts volgt uit de hiervoor vermelde Afdelingsuitspraak van 10 augustus 2015, r.o. 2.8, dat uit de enkele omstandigheid dat de vreemdeling voor zijn vertrek uit Pakistan geen belemmeringen heeft ondervonden bij zijn geloofsactiviteiten, niet zonder meer kan worden afgeleid dat hij ook bij terugkeer niet te vrezen heeft voor vervolging, zeker niet als uit de verklaringen van de vreemdeling kan worden afgeleid dat hij zich in het verleden wegens de blasfemiewetgeving juist heeft onthouden van bepaalde religieuze handelingen en zich dus terughoudend heeft opgesteld.
8.4.
Ten aanzien van verweerders standpunt dat eiser de geloofsactiviteiten die hij voor zijn vertrek uit Pakistan heeft uitgeoefend – te weten: het binnenshuis bidden en het bezoeken van gebedshuizen – bij terugkeer naar Pakistan kan hervatten, overweegt de rechtbank als volgt. Uit de omstandigheid dat eiser destijds in Pakistan enige geloofsactiviteiten heeft kunnen verrichten, heeft verweerder naar het oordeel van de rechtbank niet zonder meer kunnen concluderen dat hij deze geloofsactiviteiten na terugkeer in Pakistan weer zonder problemen kan verrichten. Zoals uit overwegingen 7.4. en 7.5. blijkt, is de situatie van Ahmadi’s in Pakistan sinds eisers vertrek in december 2023 verder verslechterd en zijn de mogelijkheden voor Ahmadi’s om hun geloof te uiten, ook binnenshuis, verder beperkt. Verweerder diende daarom nader te motiveren waarom hij meent dat eiser, ondanks de verslechterde situatie in Pakistan, bij terugkeer naar Pakistan nog steeds probleemloos de geloofsactiviteiten kan verrichten die hij voorheen ook verrichtte. Een dergelijke motivering heeft verweerder in het bestreden besluit niet, en ter zitting niet voldoende, gegeven.
8.5.
Ten aanzien van verweerders standpunt dat eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat het voor hem persoonlijk belangrijk is om zijn geloof op een meer actieve en openlijke manier te uiten dan hij voor zijn vertrek uit Pakistan heeft gedaan, wordt het volgende overwogen. De rechtbank stelt voorop dat verweerder in het voornemen van 19 augustus 2025 (p. 3, onder 2.2.1) heeft aangenomen dat eiser veel waarde hecht aan zijn religie. Verder volgt uit eisers verklaringen dat hij zich in het verleden in Pakistan vanwege de blasfemiewetgeving en repressie heeft onthouden van meer openlijke religieuze handelingen en dat hij zich dus terughoudend heeft opgesteld. Zo heeft eiser verklaard dat hij als ongelovige wordt gezien en dat hij niet meer naar zijn gebedshuis kan (p. 4 nader gehoor) en dat hij het gebed niet mocht verkondigen en daarom stiekem gebeden verrichtte en ook stiekem meedeed aan de ramadan en het offerfeest (p. 11 nader gehoor). Uit de omstandigheid dat eiser voorafgaand aan zijn vertrek uit Pakistan zijn geloof slechts op beperkte en niet openlijke wijze uitte, heeft verweerder zonder nadere motivering, die ontbreekt, dan ook niet kunnen afleiden dat het voor eiser niet belangrijk is om zijn geloof op een meer openlijke manier te uiten. Verder staat niet ter discussie dat eiser hier in Nederland geloofsactiviteiten (heeft) verricht die hij in Pakistan niet kon verrichten. Zo gaat eiser in Nederland naar de moskee, noemt hij zich moslim, leeft hij religieuze rituelen na en gaat hij naar openbare bijeenkomsten, zoals de Jalsa Salana en de nationale Ijtema. Dit is naar het oordeel van de rechtbank een duidelijke indicatie dat het voor eiser juist wel van belang is om zijn geloof op een meer openlijke manier te uiten dan hij in Pakistan deed. Dit heeft verweerder niet onderkend. Verder is ook niet in geschil dat geloofsverspreiding (de Tabligh) een essentieel onderdeel van het Ahmadi-geloof vormt. Eiser heeft verklaard dat hij in Pakistan graag het geloof wil verspreiden, maar dat hij dat pas kan doen als er geen beperkingen meer gelden (p. 11 en 12 aanvullend gehoor). Verweerder heeft niet deugdelijk gemotiveerd waarom de Tabligh voor eiser, die van jongs af aan Ahmadi is, niet belangrijk zou zijn. De enkele omstandigheid dat hij dit in Pakistan niet heeft gedaan is, gezien zijn verklaringen dat hij zich daar voor zijn veiligheid terughoudend moest opstellen in zijn geloofsuiting, hiertoe onvoldoende. Gelet op het vorenstaande, in samenhang bezien, heeft verweerder zich in het bestreden besluit en ook ter zitting ondeugdelijk gemotiveerd op het standpunt gesteld dat het voor eiser persoonlijk niet van belang is om zijn geloof op meer actieve en openlijke manier te uiten dan hij voor zijn vertrek uit Pakistan heeft gedaan. In het verlengde daarvan heeft verweerder ten onrechte niet beoordeeld wat het voor gevolgen voor eiser zal hebben als hij zijn geloof in Pakistan op die manier zal uiten.
8.6.
Gelet op het vorenstaande, in samenhang bezien, is de rechtbank van oordeel dat verweerder met zijn toelichtingen in het bestreden besluit en ter zitting niet deugdelijk heeft gemotiveerd dat eiser op individuele gronden in Pakistan geen gegronde vrees heeft voor vervolging en geen reëel risico loopt op ernstige schade vanwege zijn geloofsuitoefening. De hiertoe aangevoerde beroepsgrond slaagt in zoverre.
Slotsom
9. Uit het voorgaande volgt dat verweerder met zijn ter zitting gegeven toelichting, in combinatie bezien met de overige overwegingen in het bestreden besluit, niet alsnog deugdelijk heeft gemotiveerd dat eiser bij terugkeer naar Pakistan geen gegronde vrees heeft voor vervolging en geen reëel risico loopt op ernstige schade vanwege zijn Ahmadi-geloof. Dit betekent dat verweerder het geconstateerde gebrek in het bestreden besluit niet heeft hersteld. Er bestaat dan ook geen mogelijkheid om de rechtsgevolgen van het bestreden besluit in stand te laten.
Eindconclusie en gevolgen
10. De rechtbank ziet ook geen mogelijkheid om zelf in de zaak te voorzien, omdat het (vooralsnog) aan verweerder is en blijft om te beoordelen of er zich een grond voor asielverlening voordoet. Ook ziet de rechtbank geen aanleiding voor het toepassen van een bestuurlijke lus, aangezien dit naar het zich laat aanzien geen doelmatige en efficiënte afdoeningswijze zal inhouden. De rechtbank zal verweerder daarom opdragen om, met inachtneming van deze uitspraak, een nieuw besluit te nemen op de asielaanvraag van eiser. De rechtbank geeft verweerder hiervoor een termijn van acht weken.
11. Omdat het beroep gegrond is, krijgt eiser een vergoeding van zijn proceskosten. Verweerder moet deze vergoeding betalen. Deze vergoeding stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 1.868,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting, met een waarde per punt van € 934,- en een wegingsfactor 1).
Beslissing
De rechtbank:
- verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt het bestreden besluit;
- draagt verweerder op binnen acht weken na de dag van bekendmaking van deze uitspraak een nieuw besluit te nemen op de aanvraag van eiser, met inachtneming van deze uitspraak;
- veroordeelt verweerder tot betaling van € 1.868,- aan proceskosten aan eiser.
Deze uitspraak is gedaan door mr. F.A. Groeneveld, rechter, in aanwezigheid van mr. A. Duijf, griffier.
Uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
De rechtbank gaat in deze uitspraak uit van de wet- en regelgeving zoals geldend tot 12 juni 2026.