Rechtbank Den Haag
ECLI:NL:RBDHA:2026:25633
2026-09-03
Civiel recht; Verbintenissenrecht
K/4502/11959056
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen
Inhoudsindicatie
Zaak over de vraag of verhuurder de door huurder betaalde borg na het eindigen van de huur volledig moet terugbetalen, of dat hij deze gedeeltelijk mag verrekenen met een tegenvordering op huurder. De kantonrechter oordeelt dat verhuurder niet het recht heeft om een gedeelte van de betaalde borg in te houden. Daarom wijst zij de vordering van huurder tot terugbetaling van de borg toe.
Citeert (0)
- geen
Geciteerd door (0)
- geen
Wetsverwijzingen
Volledige tekst
Volledige tekst (10.755 tekens)
RECHTBANK
DEN HAAG
Civiel recht
Kantonrechter
Zittingsplaats Den Haag
RK/b
Zaaknummer: 11959056 \ RR FORM 25-108
Vonnis van 3 september 2026 in de procedure bij de kantonrechter als regelrechter
in de zaak van
[eiseres]
,
te [woonplaats 1],
eisende partij,
procederend in persoon,
tegen
[gedaagde]
,
te [woonplaats 2],
gedaagde partij,
procederend in persoon.
De zaak in het kort
Deze zaak gaat over de vraag of verhuurder [gedaagde] de door huurder [eiseres] betaalde borg na het eindigen van de huur volledig moet terugbetalen, of dat hij deze gedeeltelijk mag verrekenen met een tegenvordering op [eiseres]. De kantonrechter oordeelt dat [gedaagde] niet het recht heeft om een gedeelte van de betaalde borg in te houden. Daarom wijst zij de vordering van [eiseres] tot terugbetaling van de borg toe.
1De procedure
1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- het aanvraagformulier voor de regelrechter van [eiseres] met 4 bijlagen
- de brief waarin is meegedeeld dat een mondelinge behandeling is bepaald- de op 20 augustus 2026 per e-mail toegezonden schriftelijke reactie van [gedaagde].
1.2.
Op 20 augustus 2026 heeft een mondelinge behandeling plaatsgevonden. [eiseres] is in persoon verschenen, samen met medehuurster [naam], die [eiseres] schriftelijk heeft gemachtigd om in deze procedure ook namens haar op te treden. [gedaagde] was met kennisgeving niet aanwezig. De griffier heeft aantekeningen van de mondelinge behandeling gemaakt.
1.3.
Ten slotte is vonnis bepaald.
2De feiten
2.1.
[gedaagde] verhuurde met ingang van 1 maart 2024 de woning aan de [adres] aan [eiseres] en haar medehuurster. [eiseres] en haar medehuurster hebben aan het begin van de huurperiode € 3.067,50 borg betaald aan [gedaagde]. Op de huurovereenkomst zijn de 'algemene bepalingen huurovereenkomst woonruimte', vastgesteld op 20 maart 2017, van toepassing.
2.2.
De huur is geëindigd en [eiseres] heeft de woning op 30 juni 2025 opgeleverd na eindinspectie door 123Wonen, de organisatie die voor [gedaagde] als beheerder optreedt. Vanwege roest op de radiator in de badkamer en – op 12 augustus 2025 door 123Wonen bij huursters gemelde – vlekken in een matras, waarvoor [gedaagde] bedragen van € 100,00 respectievelijk € 400,00 met de borg wilde verrekenen, hebben partijen afgesproken dat [eiseres] en haar medehuurster daarvoor € 300,00 zouden betalen.
3Het geschil
3.1.
[eiseres] vordert – samengevat – veroordeling van [gedaagde] tot betaling van € 2.767,50, vermeerderd met rente en kosten. Zij legt aan de vordering ten grondslag dat [gedaagde] de betaalde borg, verminderd met de afgesproken € 300,00 voor de roest en de matrassen, aan het einde van de huurperiode aan haar moest terugbetalen.
3.2.
[gedaagde] voert verweer. Volgens [gedaagde] bleek na de oplevering dat de wasmachine en magnetron kapot waren en dat er barsten en beschadigingen in drie ramen zaten. [gedaagde] moet daarvoor kosten maken, te weten € 1.447,90 voor de vervanging van de wasmachine en de magnetron, € 461,42 voor overige herstelwerkzaamheden en ongeveer € 2.500,00 aan herstel- dan wel vervangingskosten inclusief montage voor de ramen. [gedaagde] wil deze kosten verrekenen met de borg.
4De beoordeling
4.1.
Deze zaak draait om de vraag of [gedaagde] een vordering op [eiseres] heeft die hij met de borg mag verrekenen. Daarvoor moet [gedaagde] voldoende onderbouwd stellen – en zo nodig bewijzen – dat [eiseres] is tekortgeschoten in een verplichting uit de huurovereenkomst en daardoor schade aan de woning heeft toegebracht. Daar slaagt hij niet in. De kantonrechter licht dit als volgt toe.
[eiseres] heeft de woning correct opgeleverd
4.2.
[eiseres] is verplicht om de woning bij het einde van de huur op te leveren. Dat moet – afgezien van slijtage bij normaal gebruik – in dezelfde staat als waarin de woning volgens de beschrijving die bij het begin van de huur is opgemaakt, is aanvaard. Als geen beschrijving is opgemaakt, wordt de huurder, behoudens tegenbewijs, verondersteld het gehuurde in de staat te hebben ontvangen zoals deze is bij het einde van de huurovereenkomst. Verder geldt dat een verhuurder de waarborgsom binnen veertien dagen na beëindiging van de huurovereenkomst moet terugbetalen, tenzij er sprake is van schade als bedoeld in artikel 7:218 BW, in welk geval de verhuurder binnen dertig dagen na beëindiging van de huurovereenkomst het restant van de waarborgsom, na verrekening van aantoonbaar gemaakte kosten strekkende tot het herstel van de schade, restitueert. Een dergelijke bepaling staat ook in de tussen partijen gesloten huurovereenkomst.
4.3.
[eiseres] heeft betwist dat zij aansprakelijk is voor enige schade. De wasmachine en magnetron werkten toen zij het appartement verliet. De apparatuur was bovendien oud en een eventueel defect moet volgens [eiseres] worden gezien als slijtage bij normaal gebruik. Ter zitting heeft [eiseres] uitgelegd dat de beschadigingen aan de ramen al bestonden toen zij de woning ging huren. Dat is volgens [eiseres] ook te zien in het inspectierapport dat is opgemaakt aan het begin van de huurperiode. [eiseres] heeft reeds in augustus en september 2025 in de correspondentie met 123Wonen duidelijk gemaakt dat zij betwist dat zij schade heeft aangericht aan de apparatuur of aan de ramen.
4.4.
Gelet op deze betwisting van [eiseres] heeft [gedaagde] zijn stellingen niet voldoende (nader) onderbouwd. Zo heeft hij niets gesteld over de staat van de woning bij aanvang van de huur. Daardoor kan de kantonrechter niet vaststellen (i) dat er beschadigingen zijn, (ii) dat die beschadigingen er aan het begin van de huur nog niet waren en (iii) dat die beschadigingen het gevolg zijn van iets anders dan slijtage bij normaal gebruik. Kortom, niet is gebleken dat [eiseres] de woning in een andere staat heeft opgeleverd dan de staat waarin die zich bij het begin van de huur bevond.
4.5.
Daarbij komt dat [gedaagde] reeds binnen dertig dagen na het einde van de huurovereenkomst had moeten aantonen dat hij herstelkosten had gemaakt voor de gestelde schade (zie hiervoor onder 4.2). Dat heeft hij niet gedaan. De beweerde schade aan de wasmachine, de magnetron en de ramen is ruim na die termijn bij [eiseres] gemeld. Bovendien blijkt nergens uit dat de wasmachine en de magnetron niet meer functioneren, en – als dit al zo mocht zijn – dat dit aan [eiseres] zou zijn te wijten. Verder valt niet in te zien waarom zij de nieuwprijs zou moeten betalen voor vervangende apparatuur, te meer nu in de servicekosten een post voor afschrijving van roerende zaken is opgenomen. [gedaagde] heeft in zijn schriftelijke reactie nog aangeboden – en verzocht hem in de gelegenheid te stellen – om (alsnog) bewijsstukken aan te leveren, maar dat verzoek wordt afgewezen. [gedaagde] heeft in juni de uitnodiging voor de zitting ontvangen en heeft twee maanden de tijd gehad om zich daarop voor te bereiden. Dat hij in die periode geen bewijsstukken aan de kantonrechter heeft gestuurd, komt voor zijn risico. Bovendien kan hij daarmee de gemiste termijn van dertig dagen na het einde van de huurovereenkomst niet meer goedmaken.
4.6.
Omdat [gedaagde] niet voldoende heeft onderbouwd dat [eiseres] is tekortgeschoten in een verplichting uit de huurovereenkomst waardoor schade aan de woning zou zijn ontstaan, en hij dit bovendien niet tijdig aan haar heeft bericht, slaagt het beroep van [gedaagde] op verrekening niet. De vordering van [eiseres] wordt daarom toegewezen.
4.7.
[gedaagde] was verplicht om de borg binnen veertien dagen na het einde van de huur terug te betalen, dus uiterlijk op 14 juli 2025. De gevorderde rente wordt vanaf die datum toegewezen.
Proceskosten
4.8.
[gedaagde] wordt in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van [eiseres] worden begroot op:
- griffierecht
€
257,00
- verletkosten
€
50,00
Totaal
€
307,00
5De beslissing
De kantonrechter
5.1.
veroordeelt [gedaagde] om aan [eiseres] te betalen een bedrag van € 2.767,50, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over het toegewezen bedrag met ingang van 15 juli 2025 tot de dag van volledige betaling,
5.2.
veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten van € 307,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de kosten van betekening als [gedaagde] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,
5.3.
verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad.
Dit vonnis is gewezen door mr. R.M. de Kort en in het openbaar uitgesproken op 3 september 2026.
Artikel 7:224 van het Burgerlijk Wetboek.
Artikel 7:261b van het Burgerlijk Wetboek.
DEN HAAG
Civiel recht
Kantonrechter
Zittingsplaats Den Haag
RK/b
Zaaknummer: 11959056 \ RR FORM 25-108
Vonnis van 3 september 2026 in de procedure bij de kantonrechter als regelrechter
in de zaak van
[eiseres]
,
te [woonplaats 1],
eisende partij,
procederend in persoon,
tegen
[gedaagde]
,
te [woonplaats 2],
gedaagde partij,
procederend in persoon.
De zaak in het kort
Deze zaak gaat over de vraag of verhuurder [gedaagde] de door huurder [eiseres] betaalde borg na het eindigen van de huur volledig moet terugbetalen, of dat hij deze gedeeltelijk mag verrekenen met een tegenvordering op [eiseres]. De kantonrechter oordeelt dat [gedaagde] niet het recht heeft om een gedeelte van de betaalde borg in te houden. Daarom wijst zij de vordering van [eiseres] tot terugbetaling van de borg toe.
1De procedure
1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- het aanvraagformulier voor de regelrechter van [eiseres] met 4 bijlagen
- de brief waarin is meegedeeld dat een mondelinge behandeling is bepaald- de op 20 augustus 2026 per e-mail toegezonden schriftelijke reactie van [gedaagde].
1.2.
Op 20 augustus 2026 heeft een mondelinge behandeling plaatsgevonden. [eiseres] is in persoon verschenen, samen met medehuurster [naam], die [eiseres] schriftelijk heeft gemachtigd om in deze procedure ook namens haar op te treden. [gedaagde] was met kennisgeving niet aanwezig. De griffier heeft aantekeningen van de mondelinge behandeling gemaakt.
1.3.
Ten slotte is vonnis bepaald.
2De feiten
2.1.
[gedaagde] verhuurde met ingang van 1 maart 2024 de woning aan de [adres] aan [eiseres] en haar medehuurster. [eiseres] en haar medehuurster hebben aan het begin van de huurperiode € 3.067,50 borg betaald aan [gedaagde]. Op de huurovereenkomst zijn de 'algemene bepalingen huurovereenkomst woonruimte', vastgesteld op 20 maart 2017, van toepassing.
2.2.
De huur is geëindigd en [eiseres] heeft de woning op 30 juni 2025 opgeleverd na eindinspectie door 123Wonen, de organisatie die voor [gedaagde] als beheerder optreedt. Vanwege roest op de radiator in de badkamer en – op 12 augustus 2025 door 123Wonen bij huursters gemelde – vlekken in een matras, waarvoor [gedaagde] bedragen van € 100,00 respectievelijk € 400,00 met de borg wilde verrekenen, hebben partijen afgesproken dat [eiseres] en haar medehuurster daarvoor € 300,00 zouden betalen.
3Het geschil
3.1.
[eiseres] vordert – samengevat – veroordeling van [gedaagde] tot betaling van € 2.767,50, vermeerderd met rente en kosten. Zij legt aan de vordering ten grondslag dat [gedaagde] de betaalde borg, verminderd met de afgesproken € 300,00 voor de roest en de matrassen, aan het einde van de huurperiode aan haar moest terugbetalen.
3.2.
[gedaagde] voert verweer. Volgens [gedaagde] bleek na de oplevering dat de wasmachine en magnetron kapot waren en dat er barsten en beschadigingen in drie ramen zaten. [gedaagde] moet daarvoor kosten maken, te weten € 1.447,90 voor de vervanging van de wasmachine en de magnetron, € 461,42 voor overige herstelwerkzaamheden en ongeveer € 2.500,00 aan herstel- dan wel vervangingskosten inclusief montage voor de ramen. [gedaagde] wil deze kosten verrekenen met de borg.
4De beoordeling
4.1.
Deze zaak draait om de vraag of [gedaagde] een vordering op [eiseres] heeft die hij met de borg mag verrekenen. Daarvoor moet [gedaagde] voldoende onderbouwd stellen – en zo nodig bewijzen – dat [eiseres] is tekortgeschoten in een verplichting uit de huurovereenkomst en daardoor schade aan de woning heeft toegebracht. Daar slaagt hij niet in. De kantonrechter licht dit als volgt toe.
[eiseres] heeft de woning correct opgeleverd
4.2.
[eiseres] is verplicht om de woning bij het einde van de huur op te leveren. Dat moet – afgezien van slijtage bij normaal gebruik – in dezelfde staat als waarin de woning volgens de beschrijving die bij het begin van de huur is opgemaakt, is aanvaard. Als geen beschrijving is opgemaakt, wordt de huurder, behoudens tegenbewijs, verondersteld het gehuurde in de staat te hebben ontvangen zoals deze is bij het einde van de huurovereenkomst. Verder geldt dat een verhuurder de waarborgsom binnen veertien dagen na beëindiging van de huurovereenkomst moet terugbetalen, tenzij er sprake is van schade als bedoeld in artikel 7:218 BW, in welk geval de verhuurder binnen dertig dagen na beëindiging van de huurovereenkomst het restant van de waarborgsom, na verrekening van aantoonbaar gemaakte kosten strekkende tot het herstel van de schade, restitueert. Een dergelijke bepaling staat ook in de tussen partijen gesloten huurovereenkomst.
4.3.
[eiseres] heeft betwist dat zij aansprakelijk is voor enige schade. De wasmachine en magnetron werkten toen zij het appartement verliet. De apparatuur was bovendien oud en een eventueel defect moet volgens [eiseres] worden gezien als slijtage bij normaal gebruik. Ter zitting heeft [eiseres] uitgelegd dat de beschadigingen aan de ramen al bestonden toen zij de woning ging huren. Dat is volgens [eiseres] ook te zien in het inspectierapport dat is opgemaakt aan het begin van de huurperiode. [eiseres] heeft reeds in augustus en september 2025 in de correspondentie met 123Wonen duidelijk gemaakt dat zij betwist dat zij schade heeft aangericht aan de apparatuur of aan de ramen.
4.4.
Gelet op deze betwisting van [eiseres] heeft [gedaagde] zijn stellingen niet voldoende (nader) onderbouwd. Zo heeft hij niets gesteld over de staat van de woning bij aanvang van de huur. Daardoor kan de kantonrechter niet vaststellen (i) dat er beschadigingen zijn, (ii) dat die beschadigingen er aan het begin van de huur nog niet waren en (iii) dat die beschadigingen het gevolg zijn van iets anders dan slijtage bij normaal gebruik. Kortom, niet is gebleken dat [eiseres] de woning in een andere staat heeft opgeleverd dan de staat waarin die zich bij het begin van de huur bevond.
4.5.
Daarbij komt dat [gedaagde] reeds binnen dertig dagen na het einde van de huurovereenkomst had moeten aantonen dat hij herstelkosten had gemaakt voor de gestelde schade (zie hiervoor onder 4.2). Dat heeft hij niet gedaan. De beweerde schade aan de wasmachine, de magnetron en de ramen is ruim na die termijn bij [eiseres] gemeld. Bovendien blijkt nergens uit dat de wasmachine en de magnetron niet meer functioneren, en – als dit al zo mocht zijn – dat dit aan [eiseres] zou zijn te wijten. Verder valt niet in te zien waarom zij de nieuwprijs zou moeten betalen voor vervangende apparatuur, te meer nu in de servicekosten een post voor afschrijving van roerende zaken is opgenomen. [gedaagde] heeft in zijn schriftelijke reactie nog aangeboden – en verzocht hem in de gelegenheid te stellen – om (alsnog) bewijsstukken aan te leveren, maar dat verzoek wordt afgewezen. [gedaagde] heeft in juni de uitnodiging voor de zitting ontvangen en heeft twee maanden de tijd gehad om zich daarop voor te bereiden. Dat hij in die periode geen bewijsstukken aan de kantonrechter heeft gestuurd, komt voor zijn risico. Bovendien kan hij daarmee de gemiste termijn van dertig dagen na het einde van de huurovereenkomst niet meer goedmaken.
4.6.
Omdat [gedaagde] niet voldoende heeft onderbouwd dat [eiseres] is tekortgeschoten in een verplichting uit de huurovereenkomst waardoor schade aan de woning zou zijn ontstaan, en hij dit bovendien niet tijdig aan haar heeft bericht, slaagt het beroep van [gedaagde] op verrekening niet. De vordering van [eiseres] wordt daarom toegewezen.
4.7.
[gedaagde] was verplicht om de borg binnen veertien dagen na het einde van de huur terug te betalen, dus uiterlijk op 14 juli 2025. De gevorderde rente wordt vanaf die datum toegewezen.
Proceskosten
4.8.
[gedaagde] wordt in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van [eiseres] worden begroot op:
- griffierecht
€
257,00
- verletkosten
€
50,00
Totaal
€
307,00
5De beslissing
De kantonrechter
5.1.
veroordeelt [gedaagde] om aan [eiseres] te betalen een bedrag van € 2.767,50, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over het toegewezen bedrag met ingang van 15 juli 2025 tot de dag van volledige betaling,
5.2.
veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten van € 307,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de kosten van betekening als [gedaagde] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,
5.3.
verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad.
Dit vonnis is gewezen door mr. R.M. de Kort en in het openbaar uitgesproken op 3 september 2026.
Artikel 7:224 van het Burgerlijk Wetboek.
Artikel 7:261b van het Burgerlijk Wetboek.