Rechtbank Den Haag
ECLI:NL:RBDHA:2026:25531
2026-08-04
Civiel recht; Personen- en familierecht
C/09/709587 / JE RK 26-1292
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen
Inhoudsindicatie
Beschikking van de kinderrechter over een ondertoezichtstelling (herstelrekest).
Citeert (0)
- geen
Geciteerd door (0)
- geen
Wetsverwijzingen
Volledige tekst
Volledige tekst (8.195 tekens)
RECHTBANK DEN HAAG
Jeugd- en Zorgrecht
Zaaknummer: C/09/709587 / JE RK 26-1292
Datum uitspraak: 4 augustus 2026
Beschikking van de kinderrechter over een ondertoezichtstelling (herstelrekest)
in de zaak van
de Raad voor de Kinderbescherming, regio Haaglanden,
hierna te noemen: de Raad,
over
[minderjarige]
, geboren op [geboortedatum] 2018 in [geboorteplaats],
hierna te noemen: [minderjarige].
De kinderrechter merkt als belanghebbenden aan:
[de moeder]
,
hierna te noemen: de moeder,
wonende in [woonplaats 1],
[de vader]
,
hierna te noemen: de vader,
wonende in [woonplaats 2].
De kinderrechter merkt als informant aan:
Stichting Jeugdbescherming west Zuid-Holland,
hierna te noemen: de gecertificeerde instelling.
1Het verloop van de procedure
1.1.
De kinderrechter neemt de volgende stukken mee in de beoordeling:
- het verzoekschrift met bijlagen, ontvangen op 21 juli 2026.
1.2.
De zitting met gesloten deuren heeft plaatsgevonden op 4 augustus 2026. Daarbij waren aanwezig:
[naam], namens de gecertificeerde instelling;
de vader;
- de moeder.
De Raad is niet verschenen. De kinderrechter stelt vast dat de Raad wel juist is opgeroepen.
1.3.
De kinderrechter heeft [minderjarige] naar haar mening gevraagd. [minderjarige] heeft geen mening gegeven.
2. De feiten
2.1.
Het huwelijk van de ouders is door echtscheiding ontbonden.
2.2.
De vader en de moeder zijn belast met het ouderlijk gezag over [minderjarige].
2.3.
[minderjarige] woont bij haar moeder.
2.4.
De kinderrechter in deze rechtbank heeft bij beschikking van 25 juni 2025 [minderjarige] onder toezicht gesteld tot 25 juni 2026.
3Het verzoek
3.1.
De Raad verzoekt [minderjarige] onder toezicht te stellen voor de duur van zes maanden en de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren. Omdat het verzoek van de Raad een herstelrekest is, verwijst de Raad voor de onderbouwing daarvan naar het als bijlage bij het herstelrekest gevoegde ‘verzoek verlenging ondertoezichtstelling’ en de daarbij behorende stukken van de gecertificeerde instelling.
4De standpunten
4.1.
De gecertificeerde instelling heeft de volgende toelichting gegeven. Het afgelopen jaar is er gedurende vijf maanden een vaste jeugdbeschermer beschikbaar geweest voor het gezin. Er zijn toen individuele gesprekken gevoerd met de gezinsleden en beide ouders zijn gestart met individuele hulpverleningstrajecten. Door de uitval van de vaste jeugdbeschermer is er sindsdien weinig zicht op de thuissituatie en het verloop van de hulpverleningstrajecten. De gecertificeerde instelling ziet dat de vader en de moeder de afgelopen maanden stappen hebben gezet. Zij kunnen met elkaar communiceren zonder dat dit tot escalaties loopt en ook de samenwerking is verbeterd. De gecertificeerde instelling vindt de positieve veranderingen nog te precair om de ondertoezichtstelling nu te beëindigen. De komende maanden wil de gecertificeerde instelling werken aan een verantwoorde afsluiting door middel van het opstellen van een borgingsplan. Ook wil de gecertificeerde instelling meer zicht krijgen op de taalontwikkelingsstoornis van [minderjarige] en bekijken in hoeverre de vader en de moeder aansluiten bij haar opvoedbehoeften.
4.2.
Door de moeder is geen verweer gevoerd tegen het verzochte. De moeder heeft ter zitting naar voren gebracht dat het goed gaat met [minderjarige]. Ze zet stappen in haar taalontwikkeling en heeft daar geen hulp meer voor nodig. De logopedie is daarom ook afgerond. De moeder maakt zich ook geen zorgen over de oudere broer van [minderjarige], die inmiddels meerderjarig is geworden.
4.3.
Door de vader is geen verweer gevoerd tegen het verzochte. De vader heeft een eigen woning, maar heeft in verband met zijn ziekte de afgelopen periode in de woning van de moeder verbleven. Hij geeft aan dat de samenwerking met de moeder verbeterd is. Ook onderneemt het gezin nog gezamenlijke activiteiten.
5De beoordeling
5.1.
De kinderrechter is van oordeel dat aan de voorwaarden voor een ondertoezichtstelling is voldaan.
5.2.
De kinderrechter overweegt daartoe als volgt. Er is sprake van een ernstige ontwikkelingsbedreiging bij [minderjarige]. [minderjarige] is langere tijd blootgesteld aan spanningen en (fysiek)geweld tussen de vader en de moeder. Ook verschillen beide ouders in hun visie over de opvoedrol en heeft de oudere broer van [minderjarige] een groot deel van de zorg voor [minderjarige] op zich genomen. De afgelopen periode lijken er positieve stappen te zijn gezet. De communicatie tussen de vader en de moeder is verbeterd en de onderlinge spanningen zijn afgenomen. De kinderrechter vindt het echter wel noodzakelijk dat het komende half jaar een jeugdbeschermer betrokken blijft bij het gezin. De ontwikkelingen zijn nog pril en het is belangrijk dat het gezin niet terugvalt in oude patronen. Hiervoor zal de gecertificeerde instelling een borgingsplan opstellen waarin duidelijke afspraken worden opgenomen. Ook is de langere betrokkenheid van een jeugdbeschermer wenselijk om toe te zien op de ontwikkeling van [minderjarige]. Haar taalontwikkelingsstoornis is volgens de vader en de moeder onder controle, maar de kinderrechter acht het wenselijk dat de jeugdbeschermer zal bekijken of eventueel aanvullende hulpverlening nog voor haar dient te worden ingezet. Daarnaast is het van belang dat zicht komt op de opvoedvaardigheden van de vader en de moeder en of zij inmiddels wel voldoende kunnen aansluiten bij de opvoedbehoeften van [minderjarige].
5.3.
De ondertoezichtstelling is daarom in dit geval nog steeds nodig. De kinderrechter stelt [minderjarige] onder toezicht voor de duur van zes maanden.
5.4.
De kinderrechter verklaart de beslissing uitvoerbaar bij voorraad, zoals is verzocht. Dat wil zeggen dat de beslissing direct geldt, ook als iemand in hoger beroep gaat.
6De beslissing
De kinderrechter:
6.1.
stelt [minderjarige] onder toezicht van Stichting Jeugdbescherming west Zuid-Holland met ingang van 4 augustus 2026 tot 4 februari 2027;
6.2.
verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad.
Deze beslissing is gegeven en in het openbaar uitgesproken op 4 augustus 2026 door mr. J.C. van den Dries, kinderrechter, in aanwezigheid van mr. I.M. Kroon als griffier, en op schrift gesteld op 6 augustus 2026.
Tegen eindbeslissingen in deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof Den Haag. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen:
degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
andere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen.
Artikel 1:255 BW.
Jeugd- en Zorgrecht
Zaaknummer: C/09/709587 / JE RK 26-1292
Datum uitspraak: 4 augustus 2026
Beschikking van de kinderrechter over een ondertoezichtstelling (herstelrekest)
in de zaak van
de Raad voor de Kinderbescherming, regio Haaglanden,
hierna te noemen: de Raad,
over
[minderjarige]
, geboren op [geboortedatum] 2018 in [geboorteplaats],
hierna te noemen: [minderjarige].
De kinderrechter merkt als belanghebbenden aan:
[de moeder]
,
hierna te noemen: de moeder,
wonende in [woonplaats 1],
[de vader]
,
hierna te noemen: de vader,
wonende in [woonplaats 2].
De kinderrechter merkt als informant aan:
Stichting Jeugdbescherming west Zuid-Holland,
hierna te noemen: de gecertificeerde instelling.
1Het verloop van de procedure
1.1.
De kinderrechter neemt de volgende stukken mee in de beoordeling:
- het verzoekschrift met bijlagen, ontvangen op 21 juli 2026.
1.2.
De zitting met gesloten deuren heeft plaatsgevonden op 4 augustus 2026. Daarbij waren aanwezig:
[naam], namens de gecertificeerde instelling;
de vader;
- de moeder.
De Raad is niet verschenen. De kinderrechter stelt vast dat de Raad wel juist is opgeroepen.
1.3.
De kinderrechter heeft [minderjarige] naar haar mening gevraagd. [minderjarige] heeft geen mening gegeven.
2. De feiten
2.1.
Het huwelijk van de ouders is door echtscheiding ontbonden.
2.2.
De vader en de moeder zijn belast met het ouderlijk gezag over [minderjarige].
2.3.
[minderjarige] woont bij haar moeder.
2.4.
De kinderrechter in deze rechtbank heeft bij beschikking van 25 juni 2025 [minderjarige] onder toezicht gesteld tot 25 juni 2026.
3Het verzoek
3.1.
De Raad verzoekt [minderjarige] onder toezicht te stellen voor de duur van zes maanden en de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren. Omdat het verzoek van de Raad een herstelrekest is, verwijst de Raad voor de onderbouwing daarvan naar het als bijlage bij het herstelrekest gevoegde ‘verzoek verlenging ondertoezichtstelling’ en de daarbij behorende stukken van de gecertificeerde instelling.
4De standpunten
4.1.
De gecertificeerde instelling heeft de volgende toelichting gegeven. Het afgelopen jaar is er gedurende vijf maanden een vaste jeugdbeschermer beschikbaar geweest voor het gezin. Er zijn toen individuele gesprekken gevoerd met de gezinsleden en beide ouders zijn gestart met individuele hulpverleningstrajecten. Door de uitval van de vaste jeugdbeschermer is er sindsdien weinig zicht op de thuissituatie en het verloop van de hulpverleningstrajecten. De gecertificeerde instelling ziet dat de vader en de moeder de afgelopen maanden stappen hebben gezet. Zij kunnen met elkaar communiceren zonder dat dit tot escalaties loopt en ook de samenwerking is verbeterd. De gecertificeerde instelling vindt de positieve veranderingen nog te precair om de ondertoezichtstelling nu te beëindigen. De komende maanden wil de gecertificeerde instelling werken aan een verantwoorde afsluiting door middel van het opstellen van een borgingsplan. Ook wil de gecertificeerde instelling meer zicht krijgen op de taalontwikkelingsstoornis van [minderjarige] en bekijken in hoeverre de vader en de moeder aansluiten bij haar opvoedbehoeften.
4.2.
Door de moeder is geen verweer gevoerd tegen het verzochte. De moeder heeft ter zitting naar voren gebracht dat het goed gaat met [minderjarige]. Ze zet stappen in haar taalontwikkeling en heeft daar geen hulp meer voor nodig. De logopedie is daarom ook afgerond. De moeder maakt zich ook geen zorgen over de oudere broer van [minderjarige], die inmiddels meerderjarig is geworden.
4.3.
Door de vader is geen verweer gevoerd tegen het verzochte. De vader heeft een eigen woning, maar heeft in verband met zijn ziekte de afgelopen periode in de woning van de moeder verbleven. Hij geeft aan dat de samenwerking met de moeder verbeterd is. Ook onderneemt het gezin nog gezamenlijke activiteiten.
5De beoordeling
5.1.
De kinderrechter is van oordeel dat aan de voorwaarden voor een ondertoezichtstelling is voldaan.
5.2.
De kinderrechter overweegt daartoe als volgt. Er is sprake van een ernstige ontwikkelingsbedreiging bij [minderjarige]. [minderjarige] is langere tijd blootgesteld aan spanningen en (fysiek)geweld tussen de vader en de moeder. Ook verschillen beide ouders in hun visie over de opvoedrol en heeft de oudere broer van [minderjarige] een groot deel van de zorg voor [minderjarige] op zich genomen. De afgelopen periode lijken er positieve stappen te zijn gezet. De communicatie tussen de vader en de moeder is verbeterd en de onderlinge spanningen zijn afgenomen. De kinderrechter vindt het echter wel noodzakelijk dat het komende half jaar een jeugdbeschermer betrokken blijft bij het gezin. De ontwikkelingen zijn nog pril en het is belangrijk dat het gezin niet terugvalt in oude patronen. Hiervoor zal de gecertificeerde instelling een borgingsplan opstellen waarin duidelijke afspraken worden opgenomen. Ook is de langere betrokkenheid van een jeugdbeschermer wenselijk om toe te zien op de ontwikkeling van [minderjarige]. Haar taalontwikkelingsstoornis is volgens de vader en de moeder onder controle, maar de kinderrechter acht het wenselijk dat de jeugdbeschermer zal bekijken of eventueel aanvullende hulpverlening nog voor haar dient te worden ingezet. Daarnaast is het van belang dat zicht komt op de opvoedvaardigheden van de vader en de moeder en of zij inmiddels wel voldoende kunnen aansluiten bij de opvoedbehoeften van [minderjarige].
5.3.
De ondertoezichtstelling is daarom in dit geval nog steeds nodig. De kinderrechter stelt [minderjarige] onder toezicht voor de duur van zes maanden.
5.4.
De kinderrechter verklaart de beslissing uitvoerbaar bij voorraad, zoals is verzocht. Dat wil zeggen dat de beslissing direct geldt, ook als iemand in hoger beroep gaat.
6De beslissing
De kinderrechter:
6.1.
stelt [minderjarige] onder toezicht van Stichting Jeugdbescherming west Zuid-Holland met ingang van 4 augustus 2026 tot 4 februari 2027;
6.2.
verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad.
Deze beslissing is gegeven en in het openbaar uitgesproken op 4 augustus 2026 door mr. J.C. van den Dries, kinderrechter, in aanwezigheid van mr. I.M. Kroon als griffier, en op schrift gesteld op 6 augustus 2026.
Tegen eindbeslissingen in deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof Den Haag. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen:
degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
andere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen.
Artikel 1:255 BW.