Neuralex RechtspraakNeuralex Rechtspraak
Inloggen staging

Rechtbank Den Haag

ECLI:NL:RBDHA:2026:24998

2026-08-31 Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht NL26.47987
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen

Gegevens

Instantie
Rechtbank Den Haag
Uitspraakdatum
2026-08-31
Publicatiedatum
2026-08-31
Rechtsgebied
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Procedure
Eerste aanleg - enkelvoudig
Zaaknummer
NL26.47987
Type
Uitspraak
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Inhoudsindicatie

Vreemdelingenbewaring - artikel 59 - ongegrond

Citeert (4)

Geciteerd door (0)

  • geen

Volledige tekst

Volledige tekst (6.417 tekens)
RECHTBANK DEN HAAG


Bestuursrecht



zaaknummer: NL26.47987


uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser], V-nummer: [V-nummer], eiser
(gemachtigde: mr. M.I. Vennik),


en


de minister van Asiel en Migratie, verweerder
(gemachtigde: mr. M. Smeulders).




Procesverloop


1. Bij besluit van 20 augustus 2026 (het bestreden besluit) heeft verweerder aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) opgelegd.



1.1.
Verweerder heeft de rechtbank op grond van artikel 94, eerste lid, van de Vw van de bewaring in kennis gesteld. Deze kennisgeving wordt gelijkgesteld met een door eiser ingesteld beroep. Dit beroep moet tevens worden aangemerkt als een verzoek om toekenning van schadevergoeding.



1.2.
Partijen hebben ingestemd met een schriftelijke behandeling. Eiser heeft op 21 augustus 2026 gronden van beroep ingediend. Verweerder heeft op 24 augustus 2026 een verweerschrift ingediend. De rechtbank heeft vervolgens het onderzoek op 27 augustus 2026 gesloten.



Overwegingen



De aan eiser opgelegde maatregel van vreemdelingenbewaring




2. Verweerder heeft aan eiser de maatregel van vreemdelingenbewaring opgelegd. In deze maatregel staat dat de openbare orde de maatregel vordert, omdat er een onderduikrisico bestaat en eiser de voorbereiding van het vertrek of de uitzettingsprocedure ontwijkt of belemmert.



2.1.
In de maatregel heeft verweerder als gronden vermeld dat eiser:
a. Nederland niet op de voorgeschreven wijze is binnengekomen, dan wel een poging daartoe heeft gedaan, waarbij de vreemdeling zich gedurende enige tijd aan het toezicht heeft onttrokken of zich zonder toestemming tussen de lidstaten van de Europese Unie beweegt;b. eerder een besluit, kennisgeving of aanzegging heeft ontvangen waaruit de plicht de Europese Unie dan wel Nederland te verlaten blijkt en hij daaraan niet uit eigen beweging binnen de daarin besloten of gestelde termijn gevolg heeft gegeven;h. heeft te kennen gegeven dat hij geen gevolg zal geven aan de verplichting tot terugkeer;p. zich niet aan een of meer andere voor hem geldende verplichtingen van hoofdstuk 4 van het Vb heeft gehouden;r. geen vaste woon- of verblijfplaats heeft;s. niet beschikt over voldoende middelen van bestaan.

3. Eiser voert aan dat de maatregel van bewaring prematuur is opgelegd. De asielaanvraag van eiser heeft verweerder op 14 augustus 2026 afgewezen. Dat betekent dat de beroepstermijn nog liep op het moment dat verweerder de maatregel heeft omgezet van een maatregel op grond van artikel 59b Vw naar de huidige maatregel. Bovendien heeft eiser op 19 augustus 2026 beroep ingesteld en de rechtbank verzocht om een voorlopige voorziening te treffen, zodat ook om die reden de omzetting niet aan de orde was.

4. Naar het oordeel van de rechtbank berust de vrijheidsontnemende maatregel op de juiste grondslag en overweegt daartoe als volgt.



4.1.
De asielaanvraag van eiser is in de versnelde procedure afgewezen als kennelijk ongegrond op grond van artikel 30b Vw in samenhang met artikel 42, eerste lid, onder d, e, h en j van de Procedureverordening. Uit artikel 68, derde lid, onder a, van de Procedureverordening volgt dat als een asielaanvraag in de versnelde procedure als kennelijk ongegrond is afgewezen, er geen sprake is van een recht om op het grondgebied te blijven als bedoeld in artikel 68, tweede lid, van de Procedureverordening. Volgens de nationale wetgeving houdt dit in dat eiser niet onder de voorwaarden zoals opgenomen in artikel 8, aanhef en onder f, subonderdeel 2° of onder h, subonderdeel 2° van de Vw valt. Dat houdt in dat eiser geen rechtmatig verblijf meer had nadat op 14 augustus 2026 op zijn asielaanvraag was beslist. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder dan ook terecht gesteld dat inbewaringstelling van eiser op grond van artikel 59b, eerste lid, van de Vw niet meer mogelijk is.



4.2.
Dat eiser beroep heeft ingesteld tegen de afwijzende asielbeschikking en de rechtbank heeft verzocht om een voorlopige voorziening te treffen, maakt het oordeel niet anders. Eiser heeft weliswaar tijdig verzocht om een voorlopige voorziening waardoor hij deze procedure in Nederland mag afwachten. Dit leidt echter niet tot “een recht om te blijven” zoals volgt uit artikel 68, tweede lid, van de Procedureverordening, maar slechts tot een verbod om hem te verwijderen van het grondgebied. Het verzoek om een voorlopige voorziening levert dus geen rechtmatig verblijf, maar slechts een tijdelijke belemmering op die aan de uitzetting in de weg staat. Zodra uitspraak is gedaan op het verzoek om een voorlopige voorziening is eiser, als het verzoek wordt afgewezen, weer daadwerkelijk uitzetbaar. De rechtbank verwijst ter vergelijking naar de uitspraak van deze rechtbank van 7 augustus 2026.

5. Ook met inachtneming van de ambtshalve toetsing waartoe de rechtbank gehouden is, ziet de rechtbank geen grond voor het oordeel dat de maatregel van bewaring onrechtmatig is. Het beroep wordt ongegrond verklaard. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen.

6. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.




Beslissing


De rechtbank:

- verklaart het beroep ongegrond;
- wijst het verzoek om schadevergoeding af.


Deze uitspraak is gedaan door mr. D.C. Laagland, rechter, in aanwezigheid van mr. J.R. Froma, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:






Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking.



Verordening (EU) 2024/1348.


ECLI:NL:RBDHA:2026:22501.


Zie de arresten van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 8 november 2022, ECLI:EU:C:2022:858 en 4 september 2025, ECLI:EU:C:2025:647 en de uitspraak van de Afdeling van 12 februari 2026, ECLI:NL:RVS:2026:329.