Rechtbank Den Haag
ECLI:NL:RBDHA:2026:22501
2026-08-07
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
NL26.42210
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen
Inhoudsindicatie
Artikel 59 AMP / deels gronden bestreden / lichter middel ivm medische omstandigheden / non-refoulement voldoende gemotiveerd / verweerder heeft eiser op de juiste grondslag in bewaring gesteld / geen rechtmatig verblijf ondanks asielaanvraag / ongegrond
Citeert (5)
- ECLI:EU:C:2018:465
- ECLI:EU:C:2018:544
- ECLI:EU:C:2022:858
- ECLI:EU:C:2025:647
- ECLI:NL:RVS:2026:329 Raad van State 23-01-2026
Geciteerd door (1)
- ECLI:NL:RBDHA:2026:24998 Rechtbank Den Haag 31-08-2026
Volledige tekst
Volledige tekst (13.693 tekens)
RECHTBANK DEN HAAG
Bestuursrecht
zaaknummer: NL26.42210
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[eiser] , V-nummer: [v-nummer] , eiser
(gemachtigde: mr. F.H. Bruggink),
en
de minister van Asiel en Migratie, verweerder
(gemachtigde: mr. S.S.H. Orsel).
Procesverloop
1. Met het bestreden besluit van 24 juli 2026 heeft verweerder aan eiser de maatregel opgelegd op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) en de rechtbank daarvan in kennis gesteld.
1.1.
Deze kennisgeving wordt gelijkgesteld met een door eiser ingesteld beroep. Het beroep wordt ook aangemerkt als een verzoek om schadevergoeding.
1.2.
De rechtbank heeft het beroep op 31 juli 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser en de gemachtigde van verweerder. Als tolk is verschenen A. Tribak.
1.3.
De rechtbank heeft de zaak aangehouden om de gemachtigde van eiser de mogelijkheid te geven om te reageren op het door verweerder direct na de zitting ingebrachte hoger beroepschrift in de zaak tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats ’s-Hertogenbosch van 24 juli 2026 (zaaknummer NL26.39758).
1.4.
De gemachtigde van eiser heeft op 3 augustus 2026 een nadere reactie ingediend. Verweerder heeft dezelfde dag ook een nadere reactie ingediend. De rechtbank heeft vervolgens het onderzoek op 4 augustus 2026 gesloten.
Beoordeling door de rechtbank
De aan eiser opgelegde maatregel van vreemdelingenbewaring
2. Verweerder heeft aan eiser de maatregel van vreemdelingenbewaring opgelegd. In deze maatregel staat dat de openbare orde de maatregel vordert, omdat er een onderduikrisico bestaat en eiser de voorbereiding van het vertrek of de uitzettingsprocedure ontwijkt of belemmert.
2.1.
In de maatregel heeft verweerder als gronden vermeld dat eiser:
a. Nederland niet op de voorgeschreven wijze is binnengekomen, dan wel een poging daartoe heeft gedaan, waarbij de vreemdeling zich gedurende enige tijd aan het toezicht heeft onttrokken of zich zonder toestemming tussen de lidstaten van de Europese Unie beweegt;b. eerder een besluit, kennisgeving of aanzegging heeft ontvangen waaruit de plicht de Europese Unie dan wel Nederland te verlaten blijkt en hij daaraan niet uit eigen beweging binnen de daarin besloten of gestelde termijn gevolg heeft gegeven;c. niet dan wel niet voldoende meewerkt aan het vaststellen van zijn identiteit en nationaliteit;h. heeft te kennen gegeven dat hij geen gevolg zal geven aan de verplichting tot terugkeer;j. een aanvraag voor het verlenen van een verblijfsvergunning asiel heeft ingediend die niet-ontvankelijk is verklaard of is afgewezen als kennelijk ongegrond;p. zich niet aan een of meer andere voor hem geldende verplichtingen van hoofdstuk 4 van het Vb heeft gehouden;q. meerdere aanvragen tot het verlenen van een verblijfsvergunning heeft ingediend die niet tot verlening van een verblijfsvergunning hebben geleid;r. geen vaste woon- of verblijfplaats heeft;
s. niet beschikt over voldoende middelen van bestaan.
3. De gemachtigde van eiser voert aan dat de gronden c, h, j en s ten onrechte ten grondslag zijn gelegd aan de maatregel dan wel dat deze gronden onvoldoende zijn gemotiveerd. Daarnaast heeft eiser verklaard dat hij last heeft van zijn hand, die hij niet kan gebruiken, en van psychische problematiek. Voor deze klachten krijgt hij geen gehoor bij de medische dienst in het detentiecentrum. Als eiser vrij is, kan hij wel de juiste medische zorg ontvangen. Verweerder heeft in de non-refoulement beoordeling ten onrechte gemotiveerd dat gesteld noch gebleken is dat uitzetting naar Marokko in strijd is met het beginsel van réfoulement want dat heeft eiser wel degelijk gesteld. Verder is deze beoordeling niet toegelicht. Er is dus sprake van een motiveringsgebrek. Tot slot is eisers asielaanvraag op
22 juli 2026 afgewezen als kennelijk ongegrond. Op 27 juli 2026, dus binnen de beroepstermijn, heeft eiser beroep ingesteld en een verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening ingediend. Verweerder heeft op 24 juli 2026 ten onrechte de maatregel van bewaring omgezet naar de onderhavige maatregel, ter fine van uitzetting. Eiser mag namelijk zijn verzoek om een voorlopige voorziening in Nederland afwachten, wat hem een vorm van rechtmatig verblijf geeft, en hij mag niet worden uitgezet. Eiser wijst in dit verband op het arrest Gnandi en op de beschikking C., J. en S. Omdat de maatregel op de verkeerde grondslag is gebaseerd, is die van meet af aan onrechtmatig.
4. De rechtbank overweegt het volgende.
5. Ten aanzien van de bewaringsgronden merkt de rechtbank op dat verweerder heeft aangegeven de grond onder c niet langer aan eiser tegen te werpen.
5.1.
De rechtbank stelt vast dat de gronden a, b, p, q en r niet zijn bestreden. Naar het oordeel van de rechtbank kunnen deze gronden en de daarop gegeven motivering van verweerder de maatregel dragen, nu deze gronden al voldoende zijn om ten aanzien van eiser een risico op onderduiken aan te nemen. Gelet hierop hoeven de door eiser bestreden gronden geen bespreking meer.
6. Verweerder heeft genoegzaam gemotiveerd dat eisers medische omstandigheden, met name de verklaring dat hij last heeft van zijn hand, geen aanleiding vormen om af te zien van het opleggen van de maatregel van bewaring. De klachten van eiser zijn bij verweerder bekend maar maken niet dat eiser detentieongeschikt is. Daarnaast heeft eiser niet aannemelijk gemaakt dat de in het detentiecentrum beschikbare begeleiding en medische zorg in zijn geval niet toereikend zijn of dat zijn gesteldheid in bewaring door gebrek aan medische zorg zal verslechteren. Voor zover hij vindt dat hij te weinig medische zorg krijgt, geldt bovendien dat eiser zich hierover in eerste instantie dient te beklagen in het detentiecentrum.
7. Ten aanzien van het standpunt van de gemachtigde van eiser dat onvoldoende onderzoek is gedaan naar het non-refoulementrisico, merkt de rechtbank het volgende op.In het gehoor voorafgaand aan de inbewaringstelling is door verweerder specifiek gevraagd of eiser veilig kan terugkeren naar Marokko. Eiser heeft toen verklaard dat hij in Marokko wordt bedreigd met de dood omdat hij homo zou zijn. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder hiermee voldaan aan zijn onderzoeksplicht. Verweerder heeft ter zitting erkend dat de motivering van het non-refoulementrisico mager is gemotiveerd, maar zich op het standpunt gesteld dat deze wel voldoende is. Zo is in de maatregel verwezen naar de beschikking van 22 juli 2026 waarbij de asielaanvraag van eiser is beoordeeld en afgewezen. De rechtbank is van oordeel dat, ondanks de magere motivering ten aanzien van het non-refoulementbeginsel, verweerder dat beginsel voldoende heeft beoordeeld omdat in de recentelijke afwijzende asielbeschikking een refoulement toetsing heeft plaatsgevonden
8. Op grond van artikel 59b, eerste lid, van de Vw kan verweerder een vreemdeling in bewaring stellen als die rechtmatig verblijf heeft op grond van artikel 8, aanhef en onder f, subonderdeel 2° of onder h, subonderdeel 2°, voor zover dit betrekking heeft op een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning als bedoeld in artikel 28 van de Vw - dit is een verblijfsvergunning asiel - en als aan een van de daarna in dit artikellid benoemde voorwaarden is voldaan.
Op grond van artikel 8, aanhef en onder f, subonderdeel 2°, en onder h, subonderdeel 2°,
van de Vw heeft de vreemdeling in Nederland uitsluitend rechtmatig verblijf:
( f) in afwachting van de beslissing op een aanvraag tot het verlenen van de
verblijfsvergunning asiel, terwijl de vreemdeling overeenkomstig artikel 10, eerste lid, van
de Procedureverordening het recht heeft om op het grondgebied van Nederland te verblijven
totdat op de aanvraag is beslist, tenzij artikel 10, derde of vierde lid, van de
Procedureverordening van toepassing is;
( h) in afwachting van de beslissing op een bezwaarschrift of beroepschrift, terwijl
overeenkomstig artikel 68, tweede of vierde lid, van de Procedureverordening sprake is van
een recht om op het grondgebied van Nederland te blijven dan wel op grond van een
rechterlijke beslissing uitzetting of overdracht van de aanvrager achterwege dient te blijven
totdat op het bezwaarschrift of het beroepschrift is beslist.
8.1.
Eisers asielaanvraag is op 22 juli 2026 met toepassing van artikel 42, eerste lid, onder e, van de Procedureverordening in de versnelde procedure afgewezen als kennelijk ongegrond. Nu op eisers asielaanvraag is beslist, valt eiser onder de situatie zoals opgenomen in artikel 8, aanhef en onder h, subonderdeel 2°, van de Vw. Uit artikel 68, derde lid, onder a, van de Procedureverordening volgt echter dat als een asielaanvraag in de versnelde procedure als kennelijk ongegrond is afgewezen, er geen sprake is van een recht om op het grondgebied te blijven als bedoeld in artikel 68, tweede lid, van de Procedureverordening. Volgens de nationale wetgeving houdt dit in dat eiser niet onder de voorwaarden zoals opgenomen in artikel 8, aanhef en onder f, subonderdeel 2° of onder h, subonderdeel 2° van de Vw valt. Dat houdt in dat eiser geen rechtmatig verblijf meer had nadat op 22 juli 2026 op zijn asielaanvraag was beslist. Gelet hierop kon verweerder eiser niet langer in bewaring houden op grond van artikel 59b van de Vw. Verweerder heeft naar het oordeel van de rechtbank terecht artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, als grondslag gebruikt voor de onderhavige maatregel van bewaring.
8.2.
De rechtbank volgt eiser niet in zijn stelling dat het arrest Gnandi en de beschikking C., J. en S. nog steeds leidend zijn voor de uitleg van de Terugkeerrichtlijn. Uit artikel 68, vierde lid, van de Procedureverordening volgt dat verzoekers zoals bedoeld in artikel 68, derde lid, van die verordening, bij een rechtelijke instantie kunnen verzoeken te beslissen of zij al dan niet op het grondgebied mogen verblijven in afwachting van de uitkomst op het beroep. Uit artikel 68, vijfde lid, aanhef en onder d, van die verordening volgt dat verzoekers binnen de termijn waarin dit verzoek moet worden ingediend en, mits tijdig ingediend, tot aan de uitspraak op dat verzoek, gedurende die termijn niet mogen worden verwijderd van het grondgebied. Eiser heeft tijdig, namelijk op 27 juli 2026, een verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening ingesteld. De omstandigheid dat eiser de uitspraak op zijn verzoek om een voorlopige voorziening in Nederland mag afwachten leidt echter niet tot “een recht om te blijven” zoals volgt uit artikel 68, tweede lid, van de Procedureverordening, maar slechts tot een verbod om hem te verwijderen van het grondgebied. Het verzoek om een voorlopige voorziening levert dus geen rechtmatig verblijf maar slechts een tijdelijke belemmering op die aan de uitzetting in de weg staat. Zodra uitspraak is gedaan op het verzoek om een voorlopige voorziening is eiser, als het verzoek wordt afgewezen, weer daadwerkelijk uitzetbaar. De rechtbank volgt verweerder daarmee in zijn standpunt dat uit de bewoordingen van artikel 69, eerste en tweede lid, van de Procedureverordening volgt dat het arrest Gnandi hierin is gecodificeerd en dat uit artikel 68, derde tot en met vijfde lid, van de Procedureverordening juist volgt dat de Uniewetgever ervoor heeft gekozen de beschikking C.J.S. juist niet te codificeren.
9. Ook met inachtneming van de ambtshalve toetsing waartoe de rechtbank gehouden is, ziet de rechtbank geen grond voor het oordeel dat de voortduring van de maatregel van bewaring onrechtmatig is geweest. Het beroep wordt ongegrond verklaard. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen.
10. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Beslissing
De rechtbank:
- verklaart het beroep ongegrond;
- wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. E.M.A. Vinken, rechter, in aanwezigheid van N. Mekenkamp, griffier.
Uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen één week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden of na de dag van plaatsing daarvan in het digitale dossier.
Dit volgt uit artikel 106, eerste lid, van de Vw.
Zie het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie (het Hof) van 19 juni 2018, ECLI:EU:C:2018:465.
Zie de beschikking van het Hof van 5 juli 2018 (ECLI:EU:C:2018:544).
Verordening (EU) 2024/1348
Zie de arresten van het Hof van 8 november 2022, ECLI:EU:C:2022:858 en 4 september 2025, ECLI:EU:C:2025:647 en de uitspraak van de Afdeling van 12 februari 2026, ECLI:NL:RVS:2026:329.
Bestuursrecht
zaaknummer: NL26.42210
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[eiser] , V-nummer: [v-nummer] , eiser
(gemachtigde: mr. F.H. Bruggink),
en
de minister van Asiel en Migratie, verweerder
(gemachtigde: mr. S.S.H. Orsel).
Procesverloop
1. Met het bestreden besluit van 24 juli 2026 heeft verweerder aan eiser de maatregel opgelegd op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) en de rechtbank daarvan in kennis gesteld.
1.1.
Deze kennisgeving wordt gelijkgesteld met een door eiser ingesteld beroep. Het beroep wordt ook aangemerkt als een verzoek om schadevergoeding.
1.2.
De rechtbank heeft het beroep op 31 juli 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser en de gemachtigde van verweerder. Als tolk is verschenen A. Tribak.
1.3.
De rechtbank heeft de zaak aangehouden om de gemachtigde van eiser de mogelijkheid te geven om te reageren op het door verweerder direct na de zitting ingebrachte hoger beroepschrift in de zaak tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats ’s-Hertogenbosch van 24 juli 2026 (zaaknummer NL26.39758).
1.4.
De gemachtigde van eiser heeft op 3 augustus 2026 een nadere reactie ingediend. Verweerder heeft dezelfde dag ook een nadere reactie ingediend. De rechtbank heeft vervolgens het onderzoek op 4 augustus 2026 gesloten.
Beoordeling door de rechtbank
De aan eiser opgelegde maatregel van vreemdelingenbewaring
2. Verweerder heeft aan eiser de maatregel van vreemdelingenbewaring opgelegd. In deze maatregel staat dat de openbare orde de maatregel vordert, omdat er een onderduikrisico bestaat en eiser de voorbereiding van het vertrek of de uitzettingsprocedure ontwijkt of belemmert.
2.1.
In de maatregel heeft verweerder als gronden vermeld dat eiser:
a. Nederland niet op de voorgeschreven wijze is binnengekomen, dan wel een poging daartoe heeft gedaan, waarbij de vreemdeling zich gedurende enige tijd aan het toezicht heeft onttrokken of zich zonder toestemming tussen de lidstaten van de Europese Unie beweegt;b. eerder een besluit, kennisgeving of aanzegging heeft ontvangen waaruit de plicht de Europese Unie dan wel Nederland te verlaten blijkt en hij daaraan niet uit eigen beweging binnen de daarin besloten of gestelde termijn gevolg heeft gegeven;c. niet dan wel niet voldoende meewerkt aan het vaststellen van zijn identiteit en nationaliteit;h. heeft te kennen gegeven dat hij geen gevolg zal geven aan de verplichting tot terugkeer;j. een aanvraag voor het verlenen van een verblijfsvergunning asiel heeft ingediend die niet-ontvankelijk is verklaard of is afgewezen als kennelijk ongegrond;p. zich niet aan een of meer andere voor hem geldende verplichtingen van hoofdstuk 4 van het Vb heeft gehouden;q. meerdere aanvragen tot het verlenen van een verblijfsvergunning heeft ingediend die niet tot verlening van een verblijfsvergunning hebben geleid;r. geen vaste woon- of verblijfplaats heeft;
s. niet beschikt over voldoende middelen van bestaan.
3. De gemachtigde van eiser voert aan dat de gronden c, h, j en s ten onrechte ten grondslag zijn gelegd aan de maatregel dan wel dat deze gronden onvoldoende zijn gemotiveerd. Daarnaast heeft eiser verklaard dat hij last heeft van zijn hand, die hij niet kan gebruiken, en van psychische problematiek. Voor deze klachten krijgt hij geen gehoor bij de medische dienst in het detentiecentrum. Als eiser vrij is, kan hij wel de juiste medische zorg ontvangen. Verweerder heeft in de non-refoulement beoordeling ten onrechte gemotiveerd dat gesteld noch gebleken is dat uitzetting naar Marokko in strijd is met het beginsel van réfoulement want dat heeft eiser wel degelijk gesteld. Verder is deze beoordeling niet toegelicht. Er is dus sprake van een motiveringsgebrek. Tot slot is eisers asielaanvraag op
22 juli 2026 afgewezen als kennelijk ongegrond. Op 27 juli 2026, dus binnen de beroepstermijn, heeft eiser beroep ingesteld en een verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening ingediend. Verweerder heeft op 24 juli 2026 ten onrechte de maatregel van bewaring omgezet naar de onderhavige maatregel, ter fine van uitzetting. Eiser mag namelijk zijn verzoek om een voorlopige voorziening in Nederland afwachten, wat hem een vorm van rechtmatig verblijf geeft, en hij mag niet worden uitgezet. Eiser wijst in dit verband op het arrest Gnandi en op de beschikking C., J. en S. Omdat de maatregel op de verkeerde grondslag is gebaseerd, is die van meet af aan onrechtmatig.
4. De rechtbank overweegt het volgende.
5. Ten aanzien van de bewaringsgronden merkt de rechtbank op dat verweerder heeft aangegeven de grond onder c niet langer aan eiser tegen te werpen.
5.1.
De rechtbank stelt vast dat de gronden a, b, p, q en r niet zijn bestreden. Naar het oordeel van de rechtbank kunnen deze gronden en de daarop gegeven motivering van verweerder de maatregel dragen, nu deze gronden al voldoende zijn om ten aanzien van eiser een risico op onderduiken aan te nemen. Gelet hierop hoeven de door eiser bestreden gronden geen bespreking meer.
6. Verweerder heeft genoegzaam gemotiveerd dat eisers medische omstandigheden, met name de verklaring dat hij last heeft van zijn hand, geen aanleiding vormen om af te zien van het opleggen van de maatregel van bewaring. De klachten van eiser zijn bij verweerder bekend maar maken niet dat eiser detentieongeschikt is. Daarnaast heeft eiser niet aannemelijk gemaakt dat de in het detentiecentrum beschikbare begeleiding en medische zorg in zijn geval niet toereikend zijn of dat zijn gesteldheid in bewaring door gebrek aan medische zorg zal verslechteren. Voor zover hij vindt dat hij te weinig medische zorg krijgt, geldt bovendien dat eiser zich hierover in eerste instantie dient te beklagen in het detentiecentrum.
7. Ten aanzien van het standpunt van de gemachtigde van eiser dat onvoldoende onderzoek is gedaan naar het non-refoulementrisico, merkt de rechtbank het volgende op.In het gehoor voorafgaand aan de inbewaringstelling is door verweerder specifiek gevraagd of eiser veilig kan terugkeren naar Marokko. Eiser heeft toen verklaard dat hij in Marokko wordt bedreigd met de dood omdat hij homo zou zijn. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder hiermee voldaan aan zijn onderzoeksplicht. Verweerder heeft ter zitting erkend dat de motivering van het non-refoulementrisico mager is gemotiveerd, maar zich op het standpunt gesteld dat deze wel voldoende is. Zo is in de maatregel verwezen naar de beschikking van 22 juli 2026 waarbij de asielaanvraag van eiser is beoordeeld en afgewezen. De rechtbank is van oordeel dat, ondanks de magere motivering ten aanzien van het non-refoulementbeginsel, verweerder dat beginsel voldoende heeft beoordeeld omdat in de recentelijke afwijzende asielbeschikking een refoulement toetsing heeft plaatsgevonden
8. Op grond van artikel 59b, eerste lid, van de Vw kan verweerder een vreemdeling in bewaring stellen als die rechtmatig verblijf heeft op grond van artikel 8, aanhef en onder f, subonderdeel 2° of onder h, subonderdeel 2°, voor zover dit betrekking heeft op een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning als bedoeld in artikel 28 van de Vw - dit is een verblijfsvergunning asiel - en als aan een van de daarna in dit artikellid benoemde voorwaarden is voldaan.
Op grond van artikel 8, aanhef en onder f, subonderdeel 2°, en onder h, subonderdeel 2°,
van de Vw heeft de vreemdeling in Nederland uitsluitend rechtmatig verblijf:
( f) in afwachting van de beslissing op een aanvraag tot het verlenen van de
verblijfsvergunning asiel, terwijl de vreemdeling overeenkomstig artikel 10, eerste lid, van
de Procedureverordening het recht heeft om op het grondgebied van Nederland te verblijven
totdat op de aanvraag is beslist, tenzij artikel 10, derde of vierde lid, van de
Procedureverordening van toepassing is;
( h) in afwachting van de beslissing op een bezwaarschrift of beroepschrift, terwijl
overeenkomstig artikel 68, tweede of vierde lid, van de Procedureverordening sprake is van
een recht om op het grondgebied van Nederland te blijven dan wel op grond van een
rechterlijke beslissing uitzetting of overdracht van de aanvrager achterwege dient te blijven
totdat op het bezwaarschrift of het beroepschrift is beslist.
8.1.
Eisers asielaanvraag is op 22 juli 2026 met toepassing van artikel 42, eerste lid, onder e, van de Procedureverordening in de versnelde procedure afgewezen als kennelijk ongegrond. Nu op eisers asielaanvraag is beslist, valt eiser onder de situatie zoals opgenomen in artikel 8, aanhef en onder h, subonderdeel 2°, van de Vw. Uit artikel 68, derde lid, onder a, van de Procedureverordening volgt echter dat als een asielaanvraag in de versnelde procedure als kennelijk ongegrond is afgewezen, er geen sprake is van een recht om op het grondgebied te blijven als bedoeld in artikel 68, tweede lid, van de Procedureverordening. Volgens de nationale wetgeving houdt dit in dat eiser niet onder de voorwaarden zoals opgenomen in artikel 8, aanhef en onder f, subonderdeel 2° of onder h, subonderdeel 2° van de Vw valt. Dat houdt in dat eiser geen rechtmatig verblijf meer had nadat op 22 juli 2026 op zijn asielaanvraag was beslist. Gelet hierop kon verweerder eiser niet langer in bewaring houden op grond van artikel 59b van de Vw. Verweerder heeft naar het oordeel van de rechtbank terecht artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, als grondslag gebruikt voor de onderhavige maatregel van bewaring.
8.2.
De rechtbank volgt eiser niet in zijn stelling dat het arrest Gnandi en de beschikking C., J. en S. nog steeds leidend zijn voor de uitleg van de Terugkeerrichtlijn. Uit artikel 68, vierde lid, van de Procedureverordening volgt dat verzoekers zoals bedoeld in artikel 68, derde lid, van die verordening, bij een rechtelijke instantie kunnen verzoeken te beslissen of zij al dan niet op het grondgebied mogen verblijven in afwachting van de uitkomst op het beroep. Uit artikel 68, vijfde lid, aanhef en onder d, van die verordening volgt dat verzoekers binnen de termijn waarin dit verzoek moet worden ingediend en, mits tijdig ingediend, tot aan de uitspraak op dat verzoek, gedurende die termijn niet mogen worden verwijderd van het grondgebied. Eiser heeft tijdig, namelijk op 27 juli 2026, een verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening ingesteld. De omstandigheid dat eiser de uitspraak op zijn verzoek om een voorlopige voorziening in Nederland mag afwachten leidt echter niet tot “een recht om te blijven” zoals volgt uit artikel 68, tweede lid, van de Procedureverordening, maar slechts tot een verbod om hem te verwijderen van het grondgebied. Het verzoek om een voorlopige voorziening levert dus geen rechtmatig verblijf maar slechts een tijdelijke belemmering op die aan de uitzetting in de weg staat. Zodra uitspraak is gedaan op het verzoek om een voorlopige voorziening is eiser, als het verzoek wordt afgewezen, weer daadwerkelijk uitzetbaar. De rechtbank volgt verweerder daarmee in zijn standpunt dat uit de bewoordingen van artikel 69, eerste en tweede lid, van de Procedureverordening volgt dat het arrest Gnandi hierin is gecodificeerd en dat uit artikel 68, derde tot en met vijfde lid, van de Procedureverordening juist volgt dat de Uniewetgever ervoor heeft gekozen de beschikking C.J.S. juist niet te codificeren.
9. Ook met inachtneming van de ambtshalve toetsing waartoe de rechtbank gehouden is, ziet de rechtbank geen grond voor het oordeel dat de voortduring van de maatregel van bewaring onrechtmatig is geweest. Het beroep wordt ongegrond verklaard. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen.
10. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Beslissing
De rechtbank:
- verklaart het beroep ongegrond;
- wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. E.M.A. Vinken, rechter, in aanwezigheid van N. Mekenkamp, griffier.
Uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen één week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden of na de dag van plaatsing daarvan in het digitale dossier.
Dit volgt uit artikel 106, eerste lid, van de Vw.
Zie het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie (het Hof) van 19 juni 2018, ECLI:EU:C:2018:465.
Zie de beschikking van het Hof van 5 juli 2018 (ECLI:EU:C:2018:544).
Verordening (EU) 2024/1348
Zie de arresten van het Hof van 8 november 2022, ECLI:EU:C:2022:858 en 4 september 2025, ECLI:EU:C:2025:647 en de uitspraak van de Afdeling van 12 februari 2026, ECLI:NL:RVS:2026:329.