Rechtbank Den Haag
ECLI:NL:RBDHA:2026:24828
2026-07-31
Civiel recht; Personen- en familierecht
C/09/709801 / JE RK 26-1316
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen
Inhoudsindicatie
ondertoezichtstelling 1:255 BW en machtiging tot uithuisplaatsing 1:265b, eerste lid, BW
Citeert (0)
- geen
Geciteerd door (0)
- geen
Wetsverwijzingen
Volledige tekst
Volledige tekst (15.054 tekens)
RECHTBANK DEN HAAG
Jeugd- en Zorgrecht
Zaaknummer: C/09/709801 / JE RK 26-1316
Datum uitspraak: 31 juli 2026
Beschikking van de kinderrechter tot ondertoezichtstelling en machtiging tot uithuisplaatsing
in de zaak van
de Raad voor de Kinderbescherming,
'sGravenhage,
hierna te noemen: de Raad,
over
[minderjarige]
, geboren op [geboortedatum] 2023 in [geboorteplaats],
hierna te noemen: [minderjarige].
De kinderrechter merkt als belanghebbenden aan:
[de moeder]
,
hierna te noemen: de moeder,
wonende op een bij de rechtbank bekend adres,
advocaat: mr. P. Drenth te Den Haag,
[de vader]
,
hierna te noemen: de vader,
wonende in [woonplaats],
Stichting Jeugdbescherming west Zuid-Holland,
hierna te noemen: de gecertificeerde instelling.
1Het verloop van de procedure
1.1.
De kinderrechter neemt de volgende stukken mee in de beoordeling:
- het verzoekschrift met bijlagen, ontvangen op 23 juli 2026;
- het bericht van de Raad met bijlagen van 27 juli 2026.
1.2.
De zitting met gesloten deuren heeft plaatsgevonden op 31 juli 2026. Daarbij waren aanwezig:
- de vader, telefonisch bijgestaan door een tolk;
de moeder met haar advocaat
[naam 1] namens de Raad
[naam 2] namens de gecertificeerde instelling.
2De feiten
2.1.
[minderjarige] is erkend door de vader.
2.2.
De vader en de moeder zijn belast met het ouderlijk gezag over [minderjarige].
2.3.
[minderjarige] verblijft in een gezinshuis.
2.4.
De kinderrechter in deze rechtbank heeft bij beschikking van 22 mei 2026 [minderjarige] voorlopig onder toezicht gesteld tot 12 augustus 2026 en voor dezelfde duur een machtiging verleend om [minderjarige] gedurende dag en nacht uit huis te plaatsen in een voorziening voor pleegzorg.
3Het verzoek en de gronden
3.1.
De Raad verzoekt [minderjarige] onder toezicht te stellen voor de duur van een jaar. Ook verzoekt de Raad een machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een gezinsgerichte voorziening te verlenen voor de duur van zes maanden. De Raad verzoekt de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.
3.2.
De Raad heeft het verzoek als volgt gemotiveerd en ter zitting nader toegelicht. De Raad maakt zich zorgen over de ontwikkeling van [minderjarige], omdat hij lage tijd is opgegroeid in een instabiele en onveilige opvoedomgeving waarbij sprake is geweest van huiselijk geweld en middelengebruik door zijn ouders. Na een relatiebreuk raakte het contact tussen de vader en de moeder verstoord en heeft de moeder zorgen geuit dat er signalen waren dat de vader [minderjarige] mee zou nemen naar [land]. [minderjarige] heeft sinds de relatiebreuk nauwelijks contact gehad met zijn vader. Hij is gelet op zijn leeftijd afhankelijk van zijn moeder, maar zij is onvoldoende (emotioneel) beschikbaar voor hem doordat zij kampt met overbelasting en verslavingsproblematiek. [minderjarige] heeft eind 2024 drie maanden in een pleeggezin verbleven toen de moeder was opgenomen in een afkickkliniek, daarna is de zorg omgezet in weekendpleegzorg. De moeder heeft dit jaar een terugval gehad in cocaïnegebruik en [minderjarige] is daarom voor langere tijd in pleegzorg ondergebracht. Sinds 23 juni 2026 verblijft hij in een gezinshuis met zijn halfbroers en halfzus. De Raad maakt zich zorgen over de hechtingsontwikkeling van [minderjarige] omdat hij al veel verschillende opvoeders en opvoedsituaties heeft meegemaakt. Hij leek geen moeite te hebben met de overplaatsing naar het gezinshuis. In het gezinshuis wordt de onderlinge dynamiek met de andere kinderen en het gedrag van [minderjarige] geobserveerd. [minderjarige] kan bij de moeder aandacht vragen door te schreeuwen en gillen. Door [zorginstantie] is ook gezien dat [minderjarige] drukker gedrag vertoont in aanwezigheid van zijn moeder, halfbroers en halfzus. Bij het kinderdagverblijf wordt gezien dat [minderjarige] achterloopt in zijn spraak-taal ontwikkeling en dat hij soms een hele dag niets zegt. De Raad merkt hierover op dat hij in de thuissituatie daartoe mogelijk weinig tot niet werd uitgedaagd. De moeder is op eigen kracht clean geworden en wekt de indruk dat zij geen intensieve hulp voor haar verslaving meer nodig meent te hebben. De moeder zal een traject voor haar verslaving bij [instantie] en een traject voor traumabehandeling bij de GGZ moeten doorlopen, voordat zij weer in staat is om er goed voor [minderjarige] en haar andere kinderen te kunnen zijn. De moeder wisselt per dag in haar visie over haar eigen situatie en die van de kinderen. Positief is dat de moeder inziet dat zij [minderjarige] niet meer kon bieden wat hij nodig heeft en dat zij achter de plaatsing bij het gezinshuis staat. Daarnaast staat zij open voor opvoedondersteuning. De Raad is bezorgd over het instabiele contact tussen de moeder en de vader. Zij hebben inmiddels weer contact over [minderjarige] en volgens de moeder is er geen sprake meer van onveiligheid. Dit verbaast de Raad, gelet op de heftige uitspraken die de moeder heeft gedaan over het verleden. De Raad hoopt dat de vader en de moeder in het belang van [minderjarige] een goede band kunnen onderhouden, maar ziet hierin ook een risico op terugval in middelengebruik, voor beide ouders. Ouders staan wel open voor urinetesten. De vader wil meer betrokken worden in het leven van [minderjarige] en begrijpt dat daarvoor een opbouw en tijd nodig is. Het is noodzakelijk dat de jeugdbeschermer regie blijft voeren over de verblijfplek van [minderjarige], de mogelijke inzet van hulp voor [minderjarige] en de mogelijke rol van de vader in het leven van [minderjarige].
4De standpunten van de belanghebbenden
4.1.
Door en namens de moeder is gerefereerd aan het oordeel van de kinderrechter. Zij zou het liefst zelf voor [minderjarige] zorgen en het gemis is zwaar. Tegelijkertijd ziet de moeder in dat het nodig is dat zij eerst aan zichzelf werkt en is zij blij dat zij deze kans krijgt. De moeder heeft benadrukt dat zij hard aan zichzelf werkt. Er zijn meerdere hulpverleners bij de moeder betrokken voor haar persoonlijke problematiek en zij is nu twee maanden clean. De moeder heeft zich aangemeld voor therapie bij GGZ Rivierduinen, dat is inmiddels van start gegaan, en voor verslavingszorg bij [instantie]. De moeder is blij dat de hulpverlening nu op gang komt en dat zijzelf en ook [minderjarige] nu hulp krijgen. De moeder heeft het initiatief genomen om ervoor te zorgen dat alle kinderen bij elkaar geplaatst zijn en zij is blij dat dit is gelukt. Zij maakt zich wel grote zorgen over de financiële consequenties van de uithuisplaatsing, die er in het uiterste geval toe kunnen leiden dat zij haar woning kwijt zal raken. De moeder zou graag willen dat de gecertificeerde instelling haar helpt bij het behouden van haar woning met het oog op een thuisplaatsing van de kinderen. Zij zoekt ook een ander woning, zodat zij met de kinderen een nieuwe start kan maken. De moeder heeft verder toegelicht dat de relatie tussen haar en de vader voorbij is en dat het contact dat zij nu hebben goed verloopt, maar uitsluitend betrekking heeft op [minderjarige]. De moeder heeft niet de indruk dat er sprake is van kind-eigen problematiek bij [minderjarige]. Wel heeft de persoonlijke problematiek van de moeder en de relatie tussen de vader en de moeder invloed gehad op [minderjarige] en de andere kinderen.
4.2.
De vader stemt in met het verzochte. De vader is blij dat er stapsgewijs wordt gekeken hoe hij zijn zoon kan blijven zien. De vader heeft [minderjarige] nu een maand niet gezien. Hij zegt dat hij inmiddels drie maanden clean is en bereid is om zich aan alle voorwaarden die de gecertificeerde instelling stelt te houden.
4.3.
De gecertificeerde instelling staat achter het verzochte. [minderjarige] verblijft nu een kleine maand in het gezinshuis en hij is zichtbaar rustiger doordat hij meer stabiliteit ervaart. Voor de komende periode is nodig dat wordt gekeken hoe het contact tussen de moeder en [minderjarige] en de vader en [minderjarige] kan worden vormgegeven. De gecertificeerde instelling zal met de moeder en haar problematiek aan de slag gaan en met de vader gesprekken voeren.
5De beoordeling
5.1.
De kinderrechter is van oordeel dat aan de voorwaarden voor een ondertoezichtstelling is voldaan. De kinderrechter legt hieronder uit waarom.
5.2.
De ontwikkeling van [minderjarige] wordt ernstig bedreigd. [minderjarige] is nog erg jong; hij is opgegroeid in een zeer instabiele opvoedsituatie waarbij sprake was van huiselijk geweld en van middelengebruik door zijn beide ouders. De moeder is als gevolg van haar persoonlijke problematiek onvoldoende in staat geweest om [minderjarige] stabiliteit, structuur en voorspelbaarheid te bieden; zij was zowel fysiek als emotioneel onvoldoende beschikbaar voor hem. [minderjarige] heeft, vanwege de zorgelijke thuissituatie die was ontstaan als gevolg van de verslavingsproblematiek van de moeder, tijdelijk in een pleeggezin gewoond en in weekendpleeggezinnen verbleven. Dat heeft bijgedragen aan de grote zorgen over zijn hechtingsontwikkeling. De moeder wil graag goed voor [minderjarige] zorgen, en dat haar dat al geruime tijd niet lukt lijkt niet het gevolg van onwil, maar van onmacht. De vader en de moeder hebben weer contact over [minderjarige], dat is een positieve maar prille ontwikkeling en de gebeurtenissen in het verleden vragen om voorzichtigheid bij volgende stappen in de toekomst. De ouders zijn in de huidige omstandigheden onvoldoende in staat om met vrijwillige hulpverlening de ernstige bedreigingen in de ontwikkeling van [minderjarige] weg te nemen. Gelet op de aard en ernst van die ontwikkelingsbedreigingen en de tijd die naar verwachting gemoeid is met het wegnemen daarvan, is een ondertoezichtstelling voor de verzochte duur van een jaar passend en geboden. Het is nodig dat er een jeugdbeschermer betrokken blijft die de ontwikkeling van [minderjarige] monitort en regie kan voeren over de voor [minderjarige], de moeder en wellicht ook de vader noodzakelijke hulpverlening. Daarnaast is het van belang dat de gecertificeerde instelling de vader en [minderjarige] begeleidt bij een voor [minderjarige] aanvaardbare en prettige wijze van contactherstel.
5.3.
De ondertoezichtstelling is daarom in dit geval nodig. De kinderrechter stelt [minderjarige] onder toezicht voor de duur van een jaar.
5.4.
Ook is de kinderrechter van oordeel dat de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] noodzakelijk is in het belang van de verzorging en opvoeding.
5.5.
De kinderrechter overweegt daartoe als volgt. De moeder is als gevolg van haar persoonlijke problematiek (nog) onvoldoende in staat om [minderjarige] te bieden wat hij nodig heeft. De opvoeding en verzorging van [minderjarige] vergt meer dan de ouders -ieder voor zich- kunnen bieden, en daarom is het in het belang van die opvoeding en verzorging noodzakelijk dat [minderjarige] elders verblijft. Zowel de moeder als de vader staan achter de plaatsing in het gezinshuis. In het gezinshuis krijgt [minderjarige] de noodzakelijke structuur en stabiliteit, hij komt tot rust en kan weer kind zijn. In het gezinshuis wordt het gedrag en de onderlinge dynamiek met zijn halfbroers en halfzus geobserveerd, zodat kan worden vastgesteld of bij [minderjarige] sprake is van kindeigen problematiek en of en zo ja welke vorm van hulpverlening nodig is. [minderjarige] is nog heel jong, daarom is het belangrijk dat op korte termijn wordt onderzocht wat het opgroeiperspectief van [minderjarige] is. De gecertificeerde instelling zal moeten onderzoeken welke bodemeisen aan een thuisplaatsing bij de moeder gesteld moeten worden en het moet duidelijk zijn dat aan die eisen moet zijn voldaan voordat aan terugplaatsing kan worden gewerkt, ook om het risico op een terugval in middelengebruik en teleurstelling voor [minderjarige] zoveel mogelijk te beperken. De kinderrechter onderschrijft het uitgangspunt van de Raad dat voor uithuisplaatsing, gelet op het toewerken naar thuisplaatsing, een termijn van zes maanden passend en geboden is en zal dit verzoek voor die termijn toewijzen.
5.6.
De beslissing tot ondertoezichtstelling wordt van rechtswege aangetekend in het gezagsregister.
5.7.
De kinderrechter verklaart de beslissing uitvoerbaar bij voorraad, zoals is verzocht. Dat wil zeggen dat de beslissing direct geldt, ook als iemand in hoger beroep gaat.
6De beslissing
De kinderrechter:
6.1.
stelt [minderjarige] onder toezicht van Stichting Jeugdbescherming west Zuid-Holland met ingang van 31 juli 2026 tot 31 juli 2027;
6.2.
verleent een machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een gezinsgerichte voorziening met ingang van 31 juli 2026 tot 31 januari 2027;
6.3.
verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad.
Deze beslissing is gegeven en in het openbaar uitgesproken op 31 juli 2026 door mr. M.H. Rochat, kinderrechter, in aanwezigheid van mr. M.I. Klijn als griffier. De schriftelijke uitwerking daarvan is vastgesteld op 21 augustus 2026.
Tegen eindbeslissingen in deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof Den Haag. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen:
degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
andere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen.
Artikel 1:255 BW.
Artikel 1:265b, eerste lid, BW.
Artikel 2 Besluit gezagsregisters.
Jeugd- en Zorgrecht
Zaaknummer: C/09/709801 / JE RK 26-1316
Datum uitspraak: 31 juli 2026
Beschikking van de kinderrechter tot ondertoezichtstelling en machtiging tot uithuisplaatsing
in de zaak van
de Raad voor de Kinderbescherming,
'sGravenhage,
hierna te noemen: de Raad,
over
[minderjarige]
, geboren op [geboortedatum] 2023 in [geboorteplaats],
hierna te noemen: [minderjarige].
De kinderrechter merkt als belanghebbenden aan:
[de moeder]
,
hierna te noemen: de moeder,
wonende op een bij de rechtbank bekend adres,
advocaat: mr. P. Drenth te Den Haag,
[de vader]
,
hierna te noemen: de vader,
wonende in [woonplaats],
Stichting Jeugdbescherming west Zuid-Holland,
hierna te noemen: de gecertificeerde instelling.
1Het verloop van de procedure
1.1.
De kinderrechter neemt de volgende stukken mee in de beoordeling:
- het verzoekschrift met bijlagen, ontvangen op 23 juli 2026;
- het bericht van de Raad met bijlagen van 27 juli 2026.
1.2.
De zitting met gesloten deuren heeft plaatsgevonden op 31 juli 2026. Daarbij waren aanwezig:
- de vader, telefonisch bijgestaan door een tolk;
de moeder met haar advocaat
[naam 1] namens de Raad
[naam 2] namens de gecertificeerde instelling.
2De feiten
2.1.
[minderjarige] is erkend door de vader.
2.2.
De vader en de moeder zijn belast met het ouderlijk gezag over [minderjarige].
2.3.
[minderjarige] verblijft in een gezinshuis.
2.4.
De kinderrechter in deze rechtbank heeft bij beschikking van 22 mei 2026 [minderjarige] voorlopig onder toezicht gesteld tot 12 augustus 2026 en voor dezelfde duur een machtiging verleend om [minderjarige] gedurende dag en nacht uit huis te plaatsen in een voorziening voor pleegzorg.
3Het verzoek en de gronden
3.1.
De Raad verzoekt [minderjarige] onder toezicht te stellen voor de duur van een jaar. Ook verzoekt de Raad een machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een gezinsgerichte voorziening te verlenen voor de duur van zes maanden. De Raad verzoekt de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.
3.2.
De Raad heeft het verzoek als volgt gemotiveerd en ter zitting nader toegelicht. De Raad maakt zich zorgen over de ontwikkeling van [minderjarige], omdat hij lage tijd is opgegroeid in een instabiele en onveilige opvoedomgeving waarbij sprake is geweest van huiselijk geweld en middelengebruik door zijn ouders. Na een relatiebreuk raakte het contact tussen de vader en de moeder verstoord en heeft de moeder zorgen geuit dat er signalen waren dat de vader [minderjarige] mee zou nemen naar [land]. [minderjarige] heeft sinds de relatiebreuk nauwelijks contact gehad met zijn vader. Hij is gelet op zijn leeftijd afhankelijk van zijn moeder, maar zij is onvoldoende (emotioneel) beschikbaar voor hem doordat zij kampt met overbelasting en verslavingsproblematiek. [minderjarige] heeft eind 2024 drie maanden in een pleeggezin verbleven toen de moeder was opgenomen in een afkickkliniek, daarna is de zorg omgezet in weekendpleegzorg. De moeder heeft dit jaar een terugval gehad in cocaïnegebruik en [minderjarige] is daarom voor langere tijd in pleegzorg ondergebracht. Sinds 23 juni 2026 verblijft hij in een gezinshuis met zijn halfbroers en halfzus. De Raad maakt zich zorgen over de hechtingsontwikkeling van [minderjarige] omdat hij al veel verschillende opvoeders en opvoedsituaties heeft meegemaakt. Hij leek geen moeite te hebben met de overplaatsing naar het gezinshuis. In het gezinshuis wordt de onderlinge dynamiek met de andere kinderen en het gedrag van [minderjarige] geobserveerd. [minderjarige] kan bij de moeder aandacht vragen door te schreeuwen en gillen. Door [zorginstantie] is ook gezien dat [minderjarige] drukker gedrag vertoont in aanwezigheid van zijn moeder, halfbroers en halfzus. Bij het kinderdagverblijf wordt gezien dat [minderjarige] achterloopt in zijn spraak-taal ontwikkeling en dat hij soms een hele dag niets zegt. De Raad merkt hierover op dat hij in de thuissituatie daartoe mogelijk weinig tot niet werd uitgedaagd. De moeder is op eigen kracht clean geworden en wekt de indruk dat zij geen intensieve hulp voor haar verslaving meer nodig meent te hebben. De moeder zal een traject voor haar verslaving bij [instantie] en een traject voor traumabehandeling bij de GGZ moeten doorlopen, voordat zij weer in staat is om er goed voor [minderjarige] en haar andere kinderen te kunnen zijn. De moeder wisselt per dag in haar visie over haar eigen situatie en die van de kinderen. Positief is dat de moeder inziet dat zij [minderjarige] niet meer kon bieden wat hij nodig heeft en dat zij achter de plaatsing bij het gezinshuis staat. Daarnaast staat zij open voor opvoedondersteuning. De Raad is bezorgd over het instabiele contact tussen de moeder en de vader. Zij hebben inmiddels weer contact over [minderjarige] en volgens de moeder is er geen sprake meer van onveiligheid. Dit verbaast de Raad, gelet op de heftige uitspraken die de moeder heeft gedaan over het verleden. De Raad hoopt dat de vader en de moeder in het belang van [minderjarige] een goede band kunnen onderhouden, maar ziet hierin ook een risico op terugval in middelengebruik, voor beide ouders. Ouders staan wel open voor urinetesten. De vader wil meer betrokken worden in het leven van [minderjarige] en begrijpt dat daarvoor een opbouw en tijd nodig is. Het is noodzakelijk dat de jeugdbeschermer regie blijft voeren over de verblijfplek van [minderjarige], de mogelijke inzet van hulp voor [minderjarige] en de mogelijke rol van de vader in het leven van [minderjarige].
4De standpunten van de belanghebbenden
4.1.
Door en namens de moeder is gerefereerd aan het oordeel van de kinderrechter. Zij zou het liefst zelf voor [minderjarige] zorgen en het gemis is zwaar. Tegelijkertijd ziet de moeder in dat het nodig is dat zij eerst aan zichzelf werkt en is zij blij dat zij deze kans krijgt. De moeder heeft benadrukt dat zij hard aan zichzelf werkt. Er zijn meerdere hulpverleners bij de moeder betrokken voor haar persoonlijke problematiek en zij is nu twee maanden clean. De moeder heeft zich aangemeld voor therapie bij GGZ Rivierduinen, dat is inmiddels van start gegaan, en voor verslavingszorg bij [instantie]. De moeder is blij dat de hulpverlening nu op gang komt en dat zijzelf en ook [minderjarige] nu hulp krijgen. De moeder heeft het initiatief genomen om ervoor te zorgen dat alle kinderen bij elkaar geplaatst zijn en zij is blij dat dit is gelukt. Zij maakt zich wel grote zorgen over de financiële consequenties van de uithuisplaatsing, die er in het uiterste geval toe kunnen leiden dat zij haar woning kwijt zal raken. De moeder zou graag willen dat de gecertificeerde instelling haar helpt bij het behouden van haar woning met het oog op een thuisplaatsing van de kinderen. Zij zoekt ook een ander woning, zodat zij met de kinderen een nieuwe start kan maken. De moeder heeft verder toegelicht dat de relatie tussen haar en de vader voorbij is en dat het contact dat zij nu hebben goed verloopt, maar uitsluitend betrekking heeft op [minderjarige]. De moeder heeft niet de indruk dat er sprake is van kind-eigen problematiek bij [minderjarige]. Wel heeft de persoonlijke problematiek van de moeder en de relatie tussen de vader en de moeder invloed gehad op [minderjarige] en de andere kinderen.
4.2.
De vader stemt in met het verzochte. De vader is blij dat er stapsgewijs wordt gekeken hoe hij zijn zoon kan blijven zien. De vader heeft [minderjarige] nu een maand niet gezien. Hij zegt dat hij inmiddels drie maanden clean is en bereid is om zich aan alle voorwaarden die de gecertificeerde instelling stelt te houden.
4.3.
De gecertificeerde instelling staat achter het verzochte. [minderjarige] verblijft nu een kleine maand in het gezinshuis en hij is zichtbaar rustiger doordat hij meer stabiliteit ervaart. Voor de komende periode is nodig dat wordt gekeken hoe het contact tussen de moeder en [minderjarige] en de vader en [minderjarige] kan worden vormgegeven. De gecertificeerde instelling zal met de moeder en haar problematiek aan de slag gaan en met de vader gesprekken voeren.
5De beoordeling
5.1.
De kinderrechter is van oordeel dat aan de voorwaarden voor een ondertoezichtstelling is voldaan. De kinderrechter legt hieronder uit waarom.
5.2.
De ontwikkeling van [minderjarige] wordt ernstig bedreigd. [minderjarige] is nog erg jong; hij is opgegroeid in een zeer instabiele opvoedsituatie waarbij sprake was van huiselijk geweld en van middelengebruik door zijn beide ouders. De moeder is als gevolg van haar persoonlijke problematiek onvoldoende in staat geweest om [minderjarige] stabiliteit, structuur en voorspelbaarheid te bieden; zij was zowel fysiek als emotioneel onvoldoende beschikbaar voor hem. [minderjarige] heeft, vanwege de zorgelijke thuissituatie die was ontstaan als gevolg van de verslavingsproblematiek van de moeder, tijdelijk in een pleeggezin gewoond en in weekendpleeggezinnen verbleven. Dat heeft bijgedragen aan de grote zorgen over zijn hechtingsontwikkeling. De moeder wil graag goed voor [minderjarige] zorgen, en dat haar dat al geruime tijd niet lukt lijkt niet het gevolg van onwil, maar van onmacht. De vader en de moeder hebben weer contact over [minderjarige], dat is een positieve maar prille ontwikkeling en de gebeurtenissen in het verleden vragen om voorzichtigheid bij volgende stappen in de toekomst. De ouders zijn in de huidige omstandigheden onvoldoende in staat om met vrijwillige hulpverlening de ernstige bedreigingen in de ontwikkeling van [minderjarige] weg te nemen. Gelet op de aard en ernst van die ontwikkelingsbedreigingen en de tijd die naar verwachting gemoeid is met het wegnemen daarvan, is een ondertoezichtstelling voor de verzochte duur van een jaar passend en geboden. Het is nodig dat er een jeugdbeschermer betrokken blijft die de ontwikkeling van [minderjarige] monitort en regie kan voeren over de voor [minderjarige], de moeder en wellicht ook de vader noodzakelijke hulpverlening. Daarnaast is het van belang dat de gecertificeerde instelling de vader en [minderjarige] begeleidt bij een voor [minderjarige] aanvaardbare en prettige wijze van contactherstel.
5.3.
De ondertoezichtstelling is daarom in dit geval nodig. De kinderrechter stelt [minderjarige] onder toezicht voor de duur van een jaar.
5.4.
Ook is de kinderrechter van oordeel dat de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] noodzakelijk is in het belang van de verzorging en opvoeding.
5.5.
De kinderrechter overweegt daartoe als volgt. De moeder is als gevolg van haar persoonlijke problematiek (nog) onvoldoende in staat om [minderjarige] te bieden wat hij nodig heeft. De opvoeding en verzorging van [minderjarige] vergt meer dan de ouders -ieder voor zich- kunnen bieden, en daarom is het in het belang van die opvoeding en verzorging noodzakelijk dat [minderjarige] elders verblijft. Zowel de moeder als de vader staan achter de plaatsing in het gezinshuis. In het gezinshuis krijgt [minderjarige] de noodzakelijke structuur en stabiliteit, hij komt tot rust en kan weer kind zijn. In het gezinshuis wordt het gedrag en de onderlinge dynamiek met zijn halfbroers en halfzus geobserveerd, zodat kan worden vastgesteld of bij [minderjarige] sprake is van kindeigen problematiek en of en zo ja welke vorm van hulpverlening nodig is. [minderjarige] is nog heel jong, daarom is het belangrijk dat op korte termijn wordt onderzocht wat het opgroeiperspectief van [minderjarige] is. De gecertificeerde instelling zal moeten onderzoeken welke bodemeisen aan een thuisplaatsing bij de moeder gesteld moeten worden en het moet duidelijk zijn dat aan die eisen moet zijn voldaan voordat aan terugplaatsing kan worden gewerkt, ook om het risico op een terugval in middelengebruik en teleurstelling voor [minderjarige] zoveel mogelijk te beperken. De kinderrechter onderschrijft het uitgangspunt van de Raad dat voor uithuisplaatsing, gelet op het toewerken naar thuisplaatsing, een termijn van zes maanden passend en geboden is en zal dit verzoek voor die termijn toewijzen.
5.6.
De beslissing tot ondertoezichtstelling wordt van rechtswege aangetekend in het gezagsregister.
5.7.
De kinderrechter verklaart de beslissing uitvoerbaar bij voorraad, zoals is verzocht. Dat wil zeggen dat de beslissing direct geldt, ook als iemand in hoger beroep gaat.
6De beslissing
De kinderrechter:
6.1.
stelt [minderjarige] onder toezicht van Stichting Jeugdbescherming west Zuid-Holland met ingang van 31 juli 2026 tot 31 juli 2027;
6.2.
verleent een machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een gezinsgerichte voorziening met ingang van 31 juli 2026 tot 31 januari 2027;
6.3.
verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad.
Deze beslissing is gegeven en in het openbaar uitgesproken op 31 juli 2026 door mr. M.H. Rochat, kinderrechter, in aanwezigheid van mr. M.I. Klijn als griffier. De schriftelijke uitwerking daarvan is vastgesteld op 21 augustus 2026.
Tegen eindbeslissingen in deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof Den Haag. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen:
degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
andere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen.
Artikel 1:255 BW.
Artikel 1:265b, eerste lid, BW.
Artikel 2 Besluit gezagsregisters.