Neuralex RechtspraakNeuralex Rechtspraak
Inloggen staging

Rechtbank Den Haag

ECLI:NL:RBDHA:2026:24567

2026-03-26 Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht NL25.39489
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen

Gegevens

Instantie
Rechtbank Den Haag
Uitspraakdatum
2026-03-26
Publicatiedatum
2026-08-28
Rechtsgebied
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Procedure
Eerste aanleg - enkelvoudig
Zaaknummer
NL25.39489
Type
Uitspraak
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Inhoudsindicatie

Mvv aanvraag, ongegrond.

Citeert (4)

Geciteerd door (0)

  • geen

Wetsverwijzingen

Volledige tekst

Volledige tekst (14.432 tekens)
RECHTBANK DEN HAAG


Bestuursrecht


zaaknummer: NL25.39489


uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen



[eiser], V-nummer: [V-nummer], eiser
(gemachtigde: mr. A.A. van Harmelen),


en




de minister van Asiel en Migratie, verweerder.



Inleiding


1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen de afwijzing van zijn aanvraag voor een machtiging tot voorlopig verblijf (mvv).



1.1
Bij besluit van 24 januari 2024 (het primaire besluit) heeft verweerder de aanvraag van eiser voor een mvv met het verblijfsdoel “verblijf als familie- of gezinslid” voor verblijf bij zijn broer, [referent] (hierna: referent), afgewezen. Bij besluit van 28 juli 2025 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiser ongegrond verklaard. Eiser heeft vervolgens beroep ingesteld.



1.2
De rechtbank heeft het beroep op 26 februari 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: referent, [naam] als waarnemer van de gemachtigde van eiser en T. Ayash als tolk. Verweerder is met kennisgeving vooraf niet verschenen.





Beoordeling door de rechtbank



Waar gaat deze zaak over?


2. Eiser is geboren op [geboortedatum] 2001 en heeft de Jemenitische nationaliteit. Eiser wil bij referent verblijven. Eiser heeft daarom op 10 mei 2022 een aanvraag voor een mvv voor het doel verblijf als familie- of gezinslid bij referent ingediend.



2.1
De moeder van eiser en referent heeft ook op 10 mei 2022 een mvv-aanvraag ingediend. Deze aanvraag is ingewilligd. De moeder van eiser en referent is op 16 juni 2024 in Nederland gearriveerd. 2.2 Verweerder heeft de aanvraag van eiser afgewezen omdat niet is gebleken dat sprake is van familie- of gezinsleven in de zin van artikel 8 van het EVRM tussen eiser en referent en hun moeder. Daarbij is van belang dat eiser niet valt onder het jongvolwassenenbeleid, er geen sprake is van bijkomende elementen van afhankelijkheid tussen eiser en zijn moeder en er geen sprake is van hechte persoonlijke banden tussen eiser en referent.



Wat vindt eiser in beroep?



3. Eiser is het niet eens met het bestreden besluit. Hij verzoekt al hetgeen is verklaard in de onderhavige procedure als gronden aan te merken en voert – kort samengevat – verder het volgende aan. Eiser is van mening dat hij wel onder het jongvolwassenenbeleid valt, omdat hij uit noodzaak is gaan studeren in Maleisië. Uit het feit dat hij is teruggekeerd naar Saoedi-Arabië blijkt volgens hem dat hij niet in staat was om zelfstandig te wonen in het buitenland. Verder is volgens eiser wel sprake van bijkomende elementen van afhankelijkheid tussen hem en zijn moeder. Zo stelt hij financieel, praktisch en medisch afhankelijk te zijn van zijn moeder en zijn eisers banden met Jemen verwaterd. Ook is volgens eiser sprake van hechte persoonlijke banden tussen hem en referent. Zij hebben namelijk tot eiser zijn vertrek naar Maleisië samengewoond en ook de psychische omstandigheden van eiser maken dat deze hechte band er is. Nu volgens eiser sprake is van familie- en gezinsleven, heeft verweerder ten onrechte geen belangenafweging in de zin van artikel 8 van het EVRM gemaakt. Wat is het oordeel van de rechtbank?

4. De rechtbank is van oordeel dat verweerder de aanvraag van eiser heeft kunnen afwijzen, omdat niet aannemelijk is gemaakt dat er sprake is van familie- of gezinsleven in de zin van artikel 8 van het EVRM tussen eiser en referent en hun moeder. De rechtbank overweegt hiertoe als volgt.




Herhaald en ingelast 5. Uit het in algemene zin herhalen en inlassen van wat eiser eerder in de procedure naar voren heeft gebracht, kan de rechtbank niet afleiden waarom eiser van mening is dat het bestreden besluit onjuist is. Daarom ziet de rechtbank hierin geen aanleiding het bestreden besluit te vernietigen.Jongvolwassenenbeleid 6.Verweerder gebruikt het jongvolwassenenbeleid om vast te stellen of tussen een meerderjarig kind en zijn ouder(s) familie- of gezinsleven bestaat als bedoeld in artikel 8 van het EVRM zonder dat verweerder daarvoor bijkomende elementen van afhankelijkheid vereist. Het jongvolwassenenbeleid bevat vier cumulatieve vereisten:


het meerderjarig kind moet jongvolwassen zijn;


met zijn ouder(s) in gezinsverband samenleven;


niet in zijn eigen onderhoud voorzien; en


geen zelfstandig gezin hebben gevormd.



6.1
Uit de uitspraak van de hoogste bestuursrechter van 20 november 2024 volgt dat verweerder bij het vaststellen van familie- of gezinsleven, waaronder bij het toepassen van het jongvolwassenenbeleid, alle relevante feiten en omstandigheden moet betrekken op het moment van zijn besluit.



6.2
Verweerder heeft in het bestreden besluit een individuele beoordeling gemaakt en naar het oordeel van de rechtbank gemotiveerd uiteengezet waarom eiser niet onder het jongvolwassenenbeleid valt. Verweerder heeft er op kunnen wijzen dat eiser niet in gezinsverband woont met zijn moeder. Daarbij is van belang dat eiser in 2019 ruim zeven maanden in Maleisië heeft verbleven en in 2020 voor zijn studie is teruggekeerd naar Maleisië om daar zelfstandig te gaan wonen. Anders dan eiser stelt, is geen sprake geweest van een noodgedwongen scheiding, nu eiser er ook voor had kunnen kiezen om de studie in Maleisië niet te volgen en thuis te blijven wonen. Hierbij heeft verweerder er op kunnen wijzen dat eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat het voor hem niet mogelijk was om in Saoedi-Arabië een soortgelijke studie te volgen. Uit de informatie waar eiser naar verwijst blijkt niet dat het onderwijs in Saoedi-Arabië voor hem niet toegankelijk was. De rechtbank overweegt dan ook dat er vanaf het moment dat eiser in Maleisië is gaan wonen, geen sprake meer is van feitelijke samenwoning, waardoor het gezinsverband tussen eiser en zijn moeder is verbroken. Dat eiser zijn studie in Maleisië (vanwege mentale klachten) niet af kon maken en hij daarom is teruggekeerd naar Saoedi-Arabië, maakt het voorgaande niet anders, nu eisers moeder op dat moment al naar Nederland was vertrokken. Dat eisers moeder hem enkele keren per jaar bezoekt en dan bij hem in Saoedi-Arabië verblijft, maakt dit ook niet anders, nu dit bezoek tijdelijk en van korte duur is. Voor zover eiser stelt (psychisch) geholpen te zijn wanneer zijn moeder hem bezoekt, merkt de rechtbank nog op dat de situatie ook zo gehouden kan worden zoals die nu is.



Bijkomende elementen van afhankelijkheid
7. Verweerder heeft ook beoordeeld of eiser en zijn moeder familie- of gezinsleven hebben op grond van het vereiste van bijkomende elementen van afhankelijkheid. Bij de beoordeling van de vraag of er tussen volwassen familieleden bijkomende elementen van afhankelijkheid bestaan, moet verweerder alle individuele omstandigheden van het geval betrekken. Zo kan van belang zijn de mate van financiële afhankelijkheid, de mate van emotionele afhankelijkheid, de medische omstandigheden, de banden met het land van herkomst en of de gezinsleden hebben samengewoond. Het is aan de betrokken vreemdeling om te stellen, en zoveel mogelijk te onderbouwen, uit welke feiten en omstandigheden de bijkomende elementen van afhankelijkheid zouden kunnen blijken. Het is vervolgens aan verweerder om te beoordelen of er daadwerkelijk bijkomende elementen van afhankelijkheid bestaan. Deze beoordeling is van feitelijke aard.




7.1
De bestuursrechter moet vol toetsen of verweerder alle relevante feiten en omstandigheden heeft betrokken bij de toets of er sprake is van familieleven in de zin van artikel 8 van het EVRM. Bij de weging van de elementen heeft verweerder beoordelingsruimte. De uitkomst van de beoordeling of er bijkomende elementen van afhankelijkheid bestaan, toetst de bestuursrechter daarom enigszins terughoudend.7.2 De rechtbank is van oordeel dat verweerder op grond van alle relevante feiten en omstandigheden heeft kunnen concluderen dat geen sprake is van familie- of gezinsleven in de zin van artikel 8 van het EVRM. Daarbij is van belang dat eiser langere periodes zelfstandig in het buitenland heeft gewoond. De rechtbank verwijst hierbij naar rechtsoverweging 6.2. Ten aanzien van de financiële steun die eiser ontvangt van zijn moeder, is van belang dat niet is gebleken dat hij deze steun niet op afstand kan blijven krijgen. Dat eiser medische klachten heeft en meer behoefte heeft aan de nabijheid van zijn moeder, is voorstelbaar, maar de rechtbank is van oordeel dat verweerder daarin op zichzelf terecht geen reden heeft gezien om aan te nemen dat eiser voor zijn psychische gezondheid (meer dan gebruikelijk) afhankelijk is van de zorg van zijn moeder of van haar fysieke nabijheid. De verklaring van de counselor van de universiteit in Maleisië en de foto’s van het gestelde appartement van eiser, zijn daartoe onvoldoende. Uit de verklaring van de counselor kan worden afgeleid dat eiser vanwege zijn psychische klachten is gestopt met zijn studie, maar daaruit blijkt geen afhankelijkheid van zijn moeder. Dat geldt ook voor de foto’s van het appartement, waaruit niet de conclusie kan worden getrokken dat eiser medisch afhankelijk is van zijn moeder. De zorgen en bereidheid van eisers moeder om hem te ondersteunen zijn begrijpelijk en geven blijk van een bezorgdheid en hulpbereidheid die gebruikelijk is bij een goede band tussen een meerderjarig kind en een ouder, maar de aangevoerde omstandigheden maken – ook in onderlinge samenhang bezien – niet dat de band tussen eiser en zijn moeder zo bijzonder is dat deze de gebruikelijke (emotionele) banden tussen ouders en meerderjarige kinderen overstijgt en van bijzondere afhankelijkheid sprake is. Verweerder heeft ook kunnen betrekken dat er nog banden met Jemen zijn, nu eiser daar is geboren en de lokale taal en cultuur kent. Dat referent en hun moeder in Nederland wonen maakt niet dat eisers band met Nederland daarom sterker is dan die met Jemen. Eiser is immers nooit in Nederland geweest. Verder is enkel gesteld, maar niet met stukken onderbouwd, dat er in Jemen geen gezins- of familieleden zijn die eiser zouden kunnen ondersteunen. De omstandigheid dat de algemene situatie in Jemen niet goed is, maakt nog niet dat er sprake is van een afhankelijkheid.



7.3
De rechtbank komt tot de slotsom dat verweerder alle relevante individuele feiten en omstandigheden in de beoordeling heeft betrokken. Enigszins terughoudend toetsend, heeft verweerder gelet op het voorgaande deugdelijk gemotiveerd dat er tussen eiser en zijn moeder geen familieleven in de zin van artikel 8, eerste lid, van het EVRM bestaat. Dat betekent dat verweerder in dit geval geen belangenafweging hoefde te maken.


8. Het standpunt van de gemachtigde van eiser dat volgens hem niet alle relevante feiten en omstandigheden door verweerder zijn betrokken in de besluitvorming, nu verweerder aan de asielgerelateerde aspecten ten onrechte onvoldoende gewicht heeft toegekend en dat zodoende in strijd met de werkinstructie is gehandeld, volgt de rechtbank niet. Uit de betreffende werkinstructie volgt namelijk dat verweerder in de belangenafweging rekening kan houden met persoonlijke asielgerelateerde omstandigheden. Nu verweerder geen belangenafweging hoefde te maken, heeft verweerder de asielgerelateerde aspecten niet hoeven te betrekken in de besluitvorming.Hechte persoonlijke banden9. Tussen broers is alleen sprake van familie- en gezinsleven als bedoeld in artikel 8 van het EVRM, als zij een hechte, persoonlijke band hebben. Verweerder wordt gevolgd in het standpunt dat uit de genoemde feiten en omstandigheden niet is gebleken dat hiervan sprake is. Het enkel samenwonen maakt immers niet dat dit de gebruikelijke banden tussen broers overstijgt. Evenmin is gebleken dat eiser afhankelijk is van de zorg van zijn broer of andersom. Daarbij is relevant dat, hoewel eiser en referent tijdelijk zonder hun moeder hebben samengewoond, zij tegelijkertijd ook met hun oma en tante hebben samengewoond. Eiser heeft verklaard dat de oma tijdens die periode tijdelijk de ouderrol heeft vervuld en zorgtaken heeft verricht. Dat eiser ouder is dan referent en graag als voorbeeld en steunend figuur wil fungeren, maakt niet dat eiser daadwerkelijk een ouderrol of zorgtaken op zich heeft genomen.







Conclusie en gevolgen

10. Het beroep is ongegrond.

11. Eiser krijgt geen vergoeding van zijn proceskosten.




Beslissing


De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.





Deze uitspraak is gedaan door mr. A.M. de Wit, rechter, in aanwezigheid van N. Đukić, griffier.



De beslissing is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:






Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen vier weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.







Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden.


Paragraaf B7/3.8.1 van de Vreemdelingencirculaire 2000.


ECLI:NL:RVS:2024:4630


Uitspraak van de Afdeling van 27 maart 2024, ECLI:NL:RVS:2024:1188.


Uitspraak van de Afdeling van 27 maart 2024, ECLI:NL:RVS:2024:1188.


Werkinstructie 2020/16 Richtlijnen voor de toepassing van artikel 8 EVRM.


Uitspraak van de Afdeling van 15 november 2024, ECLI:NL:RVS:2024:4685.