Neuralex RechtspraakNeuralex Rechtspraak
Inloggen staging

Rechtbank Den Haag

ECLI:NL:RBDHA:2026:24372

2026-08-26 Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht NL26.46257
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen

Gegevens

Instantie
Rechtbank Den Haag
Uitspraakdatum
2026-08-26
Publicatiedatum
2026-08-27
Rechtsgebied
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Procedure
Eerste aanleg - enkelvoudig
Zaaknummer
NL26.46257
Type
Uitspraak
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Inhoudsindicatie

Vrijheidsontnemende maatregel artikel 6, derde lid, Vw. Beroep gegrond, verzoek om schadevergoeding toegewezen. Grensbewakingsbelang – ambtshalve toetsing – uitspraaktermijn overschreden.

Citeert (9)

Geciteerd door (0)

  • geen

Volledige tekst

Volledige tekst (7.409 tekens)
RECHTBANK DEN HAAG


Bestuursrecht



zaaknummer: NL26.46257


uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiseres] , V-nummer: [v-nummer] , eiseres
(gemachtigde: mr. H. Loth),


en


de minister van Asiel en Migratie,
(gemachtigde: mr. A.E. van der Burg).




Procesverloop


1. Bij besluit van 11 augustus 2026 (het bestreden besluit) heeft verweerder aan eiser met toepassing van artikel 6, derde lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000) een vrijheidsontnemende maatregel opgelegd en de rechtbank daarvan in kennis gesteld.



1.1.
Deze kennisgeving wordt gelijkgesteld met een door eiser ingesteld beroep. Het beroep wordt ook aangemerkt als een verzoek om schadevergoeding.



1.2.
Partijen hebben toestemming gegeven om de zaak schriftelijk te behandelen. De gemachtigde van eiser heeft op 17 augustus 2026 de gronden van het beroep ingediend. Verweerder heeft hierop op 19 augustus 2026 gereageerd. De rechtbank heeft het onderzoek op 20 augustus 2026 gesloten.





Overwegingen



Wat is het toetsingskader?



2. Indien de rechtbank bij de beoordeling van het beroep van oordeel is dat de toepassing of tenuitvoerlegging van de maatregel in strijd is met de Vw 2000 dan wel bij afweging van alle daarbij betrokken belangen niet gerechtvaardigd is, verklaart zij op grond van artikel 94, zesde lid, van de Vw 2000 het beroep gegrond.



Wat vindt eiser in beroep?



3. Eiser voert aan dat verweerder moet motiveren waarom in eisers geval vrijheidsontneming noodzakelijk is. Eiser verwijst in dit kader naar de uitspraak van zittingsplaats Amsterdam van 12 augustus 2026 en de uitspraken van dezelfde zittingsplaats van 17 juli 2026.
Wat is het oordeel van de rechtbank?



Kan het grensbewakingsbelang de maatregel dragen?


4. De rechtbank is van oordeel dat verweerder in het geval van eiser aanleiding heeft mogen zien om eiser in grensdetentie te stellen. Eiser is als asielzoeker, die niet onder de werkingssfeer van de Asiel- en migratiebeheerverordening valt, in bewaring gesteld op grond van artikel 6, derde lid, van de Vw 2000. Gelet op artikel 6, derde lid van de Vw 2000 en artikel 5.5 van het Vreemdelingenbesluit 2000 (Vb 2000), is bij deze grondslag niet vereist dat er sprake is van een risico op onderduiken of van een ontwijken of belemmeren van de voorbereiding van de uitzetting. De maatregel kan worden opgelegd in het kader van het grensbewakingsbelang.


4.1.
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State heeft eerder, voor de inwerkingtreding van de Procedureverordening en de nieuwe Opvangrichtlijn, geoordeeld dat de bewaringsgronden bij de in artikel 6, derde lid, van de Vw 2000 opgenomen grondslag alleen zijn vereist bij een Dublinclaimant op wiens asielaanvraag nog niet is beslist. Nu eiser niet in deze categorie valt, is het bestaan van een risico op onderduiken of ontwijken of belemmeren van de voorbereiding van de uitzetting in dit geval dan ook niet vereist. Grensdetentie van een asielzoeker is geoorloofd als verweerder in de grensprocedure beslist of een verzoeker het grondgebied van Nederland mag betreden. Een vrijheidsontnemende maatregel op grond van artikel 6, derde lid, van de Vw 2000 wordt daarmee opgelegd ter bescherming van het grensbewakingsbelang.



4.2.
De rechtbank ziet daarom geen aanleiding om, in navolging van de door eiser aangehaalde uitspraken van deze rechtbank, zittingsplaats Amsterdam, af te wijken van eerdere rechtspraak. Onder verwijzing naar de uitspraak van deze rechtbank van 30 juli 2026, overweegt de rechtbank dat van een wezenlijke wijziging van de, nationale of Unierechtelijke, regelgeving in zoverre geen sprake is en dat uit de totstandkomingsgeschiedenis ook niet blijkt dat zo’n wijziging is beoogd.



Leidt ambtshalve toetsing tot een ander oordeel?


5. Los van de door eiser aangevoerde gronden, ziet de rechtbank in de door verweerder en eiser verstrekte gegevens geen grond om te komen tot het oordeel dat aan de rechtmatigheidsvoorwaarden voor deze maatregel niet is voldaan.



Uitspraaktermijn


6. De rechtbank moet binnen vijftien dagen na het opleggen van de maatregel uitspraak doen. Dat betekent dat de uitspraak uiterlijk op 25 augustus 2026 had moeten worden gedaan. Dit is abusievelijk niet gebeurd. Daarom is de maatregel met ingang van 26 augustus 2026 onrechtmatig geworden. Het beroep is dan ook gegrond.





Conclusie en gevolgen

7. Het beroep tegen de maatregel van vreemdelingenbewaring is gegrond en de rechtbank beveelt de opheffing van de maatregel van bewaring met ingang van 26 augustus 2026.

8. De rechtbank kent eiser een schadevergoeding toe voor één dag onrechtmatige (tenuitvoerlegging van de) bewaring. Het bedrag aan schadevergoeding komt dan neer op 1 x € 120,- (verblijf detentiecentrum) = € 120,-.

9. De rechtbank veroordeelt verweerder in de door eiser gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 1.868,-.




Beslissing


De rechtbank:


- verklaart het beroep gegrond;
- beveelt de onmiddellijke opheffing van de vrijheidsontnemende maatregel;
- wijst het verzoek om schadevergoeding toe tot een bedrag van € 120,-;
- veroordeelt verweerder in de door eiser gemaakte proceskosten tot een bedrag van
€ 1.868,-.


Deze uitspraak is gedaan door mr. D. Biever, rechter, in aanwezigheid van
mr. J.F. Elzenaar, griffier.



De beslissing is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:






Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking.




ECLI:NL:RBDHA:2026:22674.


ECLI:NL:RBDHA:2026:19756, ECLI:NL:RBDHA:2026:19757 en ECLI:NL:RBDHA:2026:18758.


Iemand die wel onder deze verordening valt, werd eerder ook wel geduid als “Dublinclaimant”.


Dit was niet anders vóór 12 juni 2026, zij het dat dit in het toen geldende Vb 2000 in artikel 5.1a stond.


Nu opgenomen in artikel 5.6 van het Vb 2000.


Uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) van 25 maart 2020, ECLI:NL:RVS:2020:829, ov. 5.


Zie ook de uitspraak van de Afdeling van 1 juli 2025, ECLI:NL:RVS:2025:2925, ov. 3.1.


Bekend onder nummer ECLI:NL:RBDHA:2026:21267.


Vergelijk HvJEU 8 november 2022, ECLI:EU:C:2022:858 en 4 september 2025, ECLI:EU:C:2025:647.


Op grond van artikel 94, vijfde lid, van de Vw 2000.


1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het (in plaats van een fysieke zitting) voeren van een schriftelijke procedure, met een waarde per punt van € 934,- en een wegingsfactor 1.