Neuralex RechtspraakNeuralex Rechtspraak
Inloggen staging

Rechtbank Den Haag

ECLI:NL:RBDHA:2026:22674

2026-08-12 Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht NL26.43932
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen

Gegevens

Instantie
Rechtbank Den Haag
Uitspraakdatum
2026-08-12
Publicatiedatum
2026-08-13
Rechtsgebied
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Procedure
Eerste aanleg - enkelvoudig
Zaaknummer
NL26.43932
Type
Uitspraak
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Inhoudsindicatie

Kennisgeving artikel 6, derde lid van de Vw. Noodzaak grensdetentie niet onderbouwd, onvoldoende oog voor de mogelijkheid van een lichter middel. Beroep gegrond.

Citeert (3)

Geciteerd door (1)

Volledige tekst

Volledige tekst (9.620 tekens)
RECHTBANK DEN HAAG


Zittingsplaats Amsterdam



Bestuursrecht



zaaknummer: NL26.43932


uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiseres], V-nummer: [v-nummer], eiseres
(gemachtigde: mr. T. Thissen),


en


de minister van Asiel en Migratie, verweerder (hierna: de minister)
(gemachtigde: mr. R.L.F. Zandbelt).



Procesverloop


Bij besluit van 3 augustus 2026 (het bestreden besluit) is aan eiseres met toepassing van artikel 6, derde lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) een vrijheidsontnemende maatregel opgelegd.



De minister heeft de rechtbank op grond van artikel 94, eerste lid, van de Vw van het besluit tot oplegging van de vrijheidsontnemende maatregel in kennis gesteld. Deze kennisgeving wordt gelijkgesteld met een door eiseres ingesteld beroep. Dit beroep moet tevens worden aangemerkt als een verzoek om toekenning van schadevergoeding.



De rechtbank heeft het beroep op 11 augustus 2026 op zitting behandeld. Eiseres is verschenen, bijgestaan door haar gemachtigde. Als tolk is verschenen V. Sharma. De minister heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.




Overwegingen


1. Eiseres voert aan dat de minister onvoldoende heeft gemotiveerd waarom geen lichter middel dan vrijheidsontneming kon worden toegepast. Eiseres verwijst naar het gehoor voorafgaand aan de oplegging van de vrijheidsontnemende maatregel waarbij zij heeft verklaard over haar zoon in Nederland. In de vrijheidsontnemende maatregel is vervolgens opgenomen dat eiseres geen feiten of omstandigheden heeft aangevoerd die maken dat de vrijheidsontnemende maatregel onevenredig bezwarend is. De minister heeft in dit kader onvoldoende onderzocht of met een lichter middel kon worden volstaan. Eiseres verwijst naar de uitspraken van 17 juli 2026 van deze rechtbank en zittingsplaats.



1.1.
De minister betoogt dat de noodzaak van het toepassen van de grensprocedure, en in het verlengde daarvan de grensdetentie, is gelegen in het grensbewakingsbelang. Daarbij is van belang dat eiseres heeft aangegeven een zoon in Nederland te hebben, maar geen contact met hem heeft en niet te weten waar hij woont. Volgens de minister heeft eiseres daarmee geen concrete feiten of omstandigheden aangevoerd die aanleiding geven voor het toepassen van een lichter middel. De minister heeft daarom geen aanleiding gezien om nader te onderzoeken of met een lichter middel kon worden volstaan.



1.2.
De rechtbank stelt allereerst vast dat uit het proces-verbaal van gehoor voorafgaand aan de inbewaringstelling blijkt dat aan eiseres de volgende vraag is gesteld:



V: Heeft u in Nederland of in de Europese Unie familieleden die hier rechtmatig verblijven dan wel op dit moment een asielaanvraag hebben lopen en zo ja, kunt u dit aannemelijk maken?


A: ‘’Ja onze zoon. Hij is in Nederland maar we weten niet waar hij woont. We hebben niet zoveel contact met hem.’’





1.3.
De rechtbank is van oordeel dat deze verklaring van eiseres ten onrechte niet is meegenomen in de motivering van de maatregel ten aanzien van de (on)evenredigheid en de mogelijkheid tot het opleggen van een lichter middel. Dat eiseres in het gehoor voorafgaand aan de inbewaringstelling heeft verklaard weinig contact te hebben, doet daar niet aan af. In dit kader had van de minister verwacht mogen worden dat hierover nadere vragen zouden worden gesteld aan eiseres. Bovendien blijkt uit het dossier dat de zoon van eiseres haar en haar man een uitnodiging heeft verstuurd en zij deze uitnodiging hebben opgegeven voor het (bezoekers)visum. Daarnaast blijkt het visum door hun zoon te zijn betaald. Ter zitting heeft de rechtbank aan de gemachtigde van eiseres gevraagd of er meer informatie bekend is over het contact met haar zoon. De gemachtigde van eiseres heeft verklaard dat hij in contact staat met de zoon van eiseres, dat deze woonachtig is in [plaats] en dat ook is gebleken dat hij bereid en in staat is om verblijf te bieden aan eiseres (en haar man). Gelet op deze omstandigheden heeft de minister niet kunnen volstaan met de enkele vaststelling dat eiseres geen feiten of omstandigheden heeft aangevoerd die maken dat de maatregel onevenredig bezwarend is en is de maatregel onvoldoende gemotiveerd.



1.4.
Daar komt bij dat het standpunt van de minister voorbij gaat aan het eerdere oordeel van deze rechtbank en zittingsplaats in de uitspraken van 17 juli 2026, dat uit artikel 45, eerste lid, van de Procedureverordening volgt dat alleen in de daarin genoemde situaties de verplichting bestaat om de grensprocedure toe te passen. In alle andere gevallen – zo ook in de zaak van eiseres – is een lidstaat niet verplicht om de asielgrensprocedure toe te passen. En dus ook niet verplicht om de beslissing tot toegang tot het Nederlandse grondgebied uit te stellen en tot grensdetentie over te gaan. Dit maakt niet dat de minister in een situatie waarin hij onverplicht over gaat tot de grensprocedure, uiteindelijk niet ook zou kunnen overgaan tot het toepassen van grensdetentie. De noodzaak daartoe dient dan alleen (ook) op een andere wijze – bijvoorbeeld omdat er een risico is op onderduiken – te zijn onderbouwd. Deze onderbouwing is door de minister in de onderhavige zaak niet gegeven.



1.5.
De rechtbank overweegt verder dat het unierecht geen automatische koppeling legt tussen het toepassen van de grensprocedure en het plaatsen in grensdetentie. Detentie van een asielzoeker als uiterst middel kan enkel worden opgelegd indien andere, minder dwingende maatregelen niet effectief kunnen worden toegepast. Dat de minister in regelgeving of praktijk (nog) geen mogelijkheden ziet om bij een asielzoeker die zich aan de buitengrens presenteert een effectief lichter middel toe te passen, betekent niet dat die mogelijkheid niet bestaat. De rechtbank ziet daarom, zonder nadere motivering zoals bijvoorbeeld bij toepassing van de vrijheidsontneming op grond van artikel 6, derde lid, van de Vw waarbij sprake is van aanknopingspunten voor toepassing van de Asiel- en migratiebeheerverordening (voorheen: Dublinverordening) wordt gegeven, niet in dat met het niet opleggen van een vrijheidsontnemende maatregel het grensbewakingsbelang zonder meer volledig wordt losgelaten.

2. De rechtbank komt op grond van het voorgaande tot de conclusie dat de aan eiseres opgelegde grensdetentie onrechtmatig is, omdat niet is gebleken van de noodzaak daartoe en onvoldoende is gemotiveerd dat de maatregel niet onevenredig bezwarend is.

3. De rechtbank hecht eraan op te merken dat het voorgaande niet betekent dat de minister op deze wijze niet meer over zou kunnen gaan tot het toepassen van grensdetentie. Als na een gedegen onderzoek is gebleken dat een lichter middel niet effectief is toe te passen, de bewaring noodzakelijk is en op grond van een individuele afweging van alle relevante feiten en omstandigheden evenredig is te achten, dan kan de minister overgaan tot het toepassen van grensdetentie. En is unierechtelijk, in overeenstemming met het beginsel van ultimum remedium, verzekerd dat de detentie in dat specifieke geval niet anders kon en ook niet anders had gehoeven.

4. Het beroep is gegrond en de maatregel is vanaf het moment van opleggen daarvan onrechtmatig. De rechtbank beveelt de opheffing van de maatregel met ingang van vandaag.

5. Op grond van artikel 106 van de Vw kan de rechtbank indien zij de opheffing van de maatregel beveelt aan eiseres een schadevergoeding ten laste van de Staat toekennen. De rechtbank acht gronden aanwezig om een schadevergoeding toe te kennen voor 10 dagen onrechtmatige (tenuitvoerlegging van de) vrijheidsontnemende maatregel ten bedrage van 10 x € 120,- (verblijf detentiecentrum) = € 1.200,-.

6. De rechtbank veroordeelt de minister in de door eiseres gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 1.868,00 (1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 934,- en een wegingsfactor 1).




Beslissing


De rechtbank:

- verklaart het beroep gegrond;
- beveelt de opheffing van de vrijheidsontnemende maatregel met ingang van vandaag;
- veroordeelt de Staat der Nederlanden tot het betalen van een schadevergoeding aan eiseres tot een bedrag van € 1.200,-, te betalen door de griffier en beveelt de tenuitvoerlegging van deze schadevergoeding;
- veroordeelt de minister in de proceskosten van eiseres tot een bedrag van € 1.868,00.


Deze uitspraak is gedaan door mr. P.L.C.M. Ficq, rechter, in aanwezigheid van B.S. Beens, griffier.



De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:




Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking.




ECLI:NL:RBDHA:2026:19756, ECLI:NL:RBDHA:2026:19757 en ECLI:NL:RBDHA:2026:19758.


Verordening (EU) 2024/1351.


Verordening (EU) nr. 604/2013.