Neuralex RechtspraakNeuralex Rechtspraak
Inloggen staging

Rechtbank Den Haag

ECLI:NL:RBDHA:2026:23914

2026-08-05 Civiel recht; Verbintenissenrecht C/09/686222 / HA ZA 25-495
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen

Gegevens

Instantie
Rechtbank Den Haag
Uitspraakdatum
2026-08-05
Publicatiedatum
2026-08-24
Rechtsgebied
Civiel recht; Verbintenissenrecht
Procedure
Eerste aanleg - enkelvoudig
Zaaknummer
C/09/686222 / HA ZA 25-495
Type
Uitspraak
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Inhoudsindicatie

Vervolg op ECLI:NL:RBDHA:2026:9732.

Citeert (2)

Geciteerd door (0)

  • geen

Wetsverwijzingen

Volledige tekst

Volledige tekst (18.178 tekens)
RECHTBANK Den Haag


Team Handel





Zaaknummer: C/09/686222 / HA ZA 25-495




Vonnis van 5 augustus 2026




in de zaak van



de rechtspersoon naar buitenlands recht

COMMEXIM GROUP A.S., te Jilové u Prahy, Tsjechische Republiek,
eisende partij in conventie,
verwerende partij in reconventie,
hierna te noemen: Commexim,
advocaat: mr. V.R. Pool, te Rotterdam



tegen



de rechtspersoon naar buitenlands recht

METSIL EXPORTS LTD, te Kolkata, India,
gedaagde partij in conventie,
eisende partij in reconventie,
hierna te noemen: Metsil,
advocaat: mr. R.I.C. Baart, te Rotterdam.






1De procedure


1.1.
Het procesdossier bestaat uit de volgende stukken:
- het tussenvonnis van 22 april 2026 en de daarin genoemde stukken;
- de akte uitlaten na tussenvonnis van Commexim van 3 juni 2026;
- de akte uitlaten na interlocutoir tussenvonnis, verzoek tussentijds hoger beroep, verzoek terugkomen op bindende einsbeslissingen een (meer subsidiair) verzoek hertstelvonnis van Metsil van 3 juni 2026;
- de akte uitlaten van Commexim van 17 juni 2026.



1.2.
Ten slotte is een datum voor vonnis bepaald.






2De verdere beoordeling



Inleiding




2.1.
In deze zaak over door Metsil aan Commexim verkocht en geleverd ferrochroom heeft de rechtbank bij tussenvonnis van 22 april 2026 (hierna: het tussenvonnis) op een aantal geschilpunten beslist. Partijen zijn in de gelegenheid gesteld een gezamenlijk onderzoek in te stellen naar het bij [bedrijf] bevindende ferrochroom en, als zij niet tot een gezamenlijke opdracht voor een dergelijk onderzoek kunnen komen, zich bij akte uit te laten over de persoon van de deskundige(n) en de voor te leggen vragen in het kader van een te gelasten deskundigenbericht.



Akte van Metsil van 3 juni 2026, welke versie?





2.2.
De rechtbank heeft Metsil gevraagd de door haar voor de rolzitting van 3 juni 2026 toegestuurde akte nogmaals toe te sturen, omdat dit exemplaar in het ongerede is geraakt. Volgens Commexim verschilt de door Metsil nagestuurde akte van de akte die Commexim voor de rolzitting van 3 juni 2026 had ontvangen. De vraagt rijst dus welke versie de juiste is.



2.3.
Metsil heeft haar akte op 2 juni 2026 ook per e-mail aan de rechtbank toegezonden. De rechtbank gaat ervan uit dat dit de akte is die ook per post is toegezonden. Deze akte komt overeen met de akte die Metsil op 12 juni 2026 heeft nagestuurd, met dien verstande dat in de nagestuurde akte een passage is weggelaten, die in de eerdere versie tweemaal was opgenomen. Deze omissie heeft Metsil klaarblijkelijk in de nagestuurde versie hersteld. Er is dus geen sprake van een inhoudelijk verschil tussen beide aktes. De rechtbank zal beslissen op de op 2 juni 2026 per e-mail toegestuurde akte van Metsil, rekening houdende met de omissie.



Tussentijds hoger beroep openstellen?





2.4.
Metsil heeft (primair) verzocht tussentijds hoger beroep open te stellen tegen het tussenvonnis en heeft hiertoe het volgende aangevoerd. Het tussenvonnis bevat drie bindende eindbeslissingen over de toepassing van Indiaas recht die voor Metsil ingrijpend nadelig zijn: (i) r.o. 4.13 (het RC-certificaat als contractuele kwaliteitsstandaard), (ii) r.o. 4.33 (geen aanvaarding in de zin van artikel 42 SOGA), en (iii) r.o. 4.38 (het RC-certificaat als implied condition in de zin van artikel 15 SOGA). De beoordeling van vreemd recht op basis van uitsluitend partij-legal opinions die inhoudelijk lijnrecht tegenover elkaar staan, betreft een rechtsvraag van voldoende gewicht en onzekerheid om beoordeling door het gerechtshof te rechtvaardigen, aldus Metsil. Daar komt bij dat het oordeel in r.o. 4.38 over artikel 15 SOGA is gegeven zonder dat Metsil uitdrukkelijk in de gelegenheid is gesteld haar standpunt specifiek over die bepaling naar voren te brengen. S&A had in haar legal opinion bewust gekozen voor de grondslag van de artikelen 16 en 42 SOGA (in verbinding met artikel 15 SOGA). Die positiebepaling kan en mocht niet worden uitgelegd als een erkenning dat artikel 15 SOGA van toepassing is. Het ontbreken van een gericht processueel debat over artikel 15 SOGA rechtvaardigt zelfstandige beoordeling door het hof. Ook de proceseconomie is gediend bij het openstellen van tussentijds hoger beroep: indien het gerechtshof ook maar één van de bindende eindbeslissingen in r.o. 4.13, 4.33 of 4.38 zou vernietigen, vervalt de grondslag voor de bewijsopdracht geheel of ten dele. Het laten verrichten van een kostbaar en tijdrovend deskundigenonderzoek voordat onherroepelijk is beslist over de juridische grondslag daarvoor, leidt tot verspilling van tijd en proceskosten aan de zijde van beide partijen. Metsil verzoekt de rechtbank voorts de in r.o. 4.25 van het tussenvonnis voorgenomen bewijsopdracht (het gelasten van een deskundigenbericht ten aanzien van de bij [bedrijf] B.V. opgeslagen ferrochroom) aan te houden totdat onherroepelijk is beslist op het verlofverzoek en - indien verlof wordt verleend - totdat het gerechtshof op het tussentijdse hoger beroep heeft beslist.



2.5.
Dit verzoek van Metsil dient aan de volgende uitgangspunten te worden getoetst. In artikel 337 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) is bepaald dat hoger beroep van tussenvonnissen slechts tegelijk kan worden ingesteld met dat van het eindvonnis, behoudens het – hier niet relevante – geval dat in het tussenvonnis een voorlopige voorziening is getroffen. Vastgehouden moet worden aan het door de wetgever aan deze wettelijke bepaling ten grondslag gelegde uitgangspunt dat het tussentijds aanwenden van rechtsmiddelen leidt tot vertraging van de procedure en daarom als regel achterwege dient te blijven.



2.6.
Voor een uitzondering op de onder 2.5 weergegeven hoofdregel is – met het oog op de rechtszekerheid – slechts ruimte indien bijzondere procesrechtelijke redenen daartoe nopen. De bevoegdheid tot het maken van een uitzondering op bedoelde hoofdregel is overgelaten aan het procesbeleid van de rechter. Bij bijzondere procesrechtelijke redenen kan bijvoorbeeld worden gedacht aan de omstandigheid dat in de tussenuitspraak is beslist op een controversiële rechtsvraag hetgeen doorwerkt in de verdere behandeling van de zaak, omdat een andere beslissing tot een aanzienlijke bekorting van de procedure zou hebben geleid, omdat een kostbaar onderzoek is gelast waarvan het nut is betwist of omdat de behandeling van samenhangende zaken anders uiteen dreigt te lopen.



2.7.
De rechtbank is van oordeel dat er in dit geval onvoldoende zwaarwegende redenen bestaan om van de hoofdregel af te wijken. Dit wordt als volgt toegelicht. De omstandigheid dat Metsil zich niet kan vinden in beslissingen over de toepassing van Indiaas recht in de zaak is geen bijzondere procesrechtelijke reden in voornoemde zin. Die beslissingen zien ook niet op een controversiële rechtsvraag. Anders dan Metsil aanvoert, was zij in de gelegenheid om haar conclusie van antwoord en/of de in haar opdracht opgestelde legal opinion in te gaan op de toepassing van artikel 15 SOGA, nu Commexim die bepaling in de dagvaarding aan haar vorderingen ten grondslag heeft gelegd. Dat Metsil niet (uitdrukkelijk) is ingegaan op artikel 15 SOGA heeft de rechtbank overigens niet opgevat als een erkenning dat dit artikel van toepassing is. Ook de proceseconomie noopt ook niet tot het openstellen van tussentijds hoger beroep, omdat het deskundigenonderzoek (dat ziet op de samenstelling van het ferrochroom) naar verwachting maar een beperkte vertraging van de procedure oplevert en dat de kosten daarvan beperkt zijn. Verder is een dergelijk onderzoek mogelijk ook nodig voor een eventueel hoger beroep, ook indien op een of meer van de in 2.4 genoemde onderwerpen anders beslist wordt. De conclusie is dat er geen tussentijds hoger beroep zal worden opgesteld.



Terugkomen op bindende eindbeslissingen?





2.8.
Metsil heeft (subsidiair) verzocht op de onder 2.4 bedoelde bindende eindbeslissingen terug te komen. Volgens Metsil berusten deze beslissingen op een onjuiste feitelijke en/of juridische grondslag vanwege, samengevat, het volgende:
- Metsil heeft niet erkend dat artikel 15 SOGA van toepassing was;
- de rechtbank heeft de inhoud en totstandkoming van de purchase orders in het kader van artikel 15 SOGA benaderd als een vrije bewijs- of waarderingsvraag, maar zij had de artikelen 91 en 92 van de Indian Evidence Act moeten toepassen, waaruit volgt dat, “the best evidence” van de overeengekomen voorwaarden de purchase order zelf is;
- het debat over het Indiase recht was nog niet uitgekristalliseerd. Daarom was de beslissing over de toepassing van artikel 15 SOGA een ontoelaatbare verrassingsbeslissing en is het beginsel van hoor- en wederhoor geschonden;
- de rechtbank heeft de legal opinion van B&M als overtuigender beoordeeld. Dat is geen juiste benadering bij de vaststelling en toepassing van vreemd recht. De rechter kan niet volstaan met een voorkeur voor de ene legal opinion boven de andere zonder de daarin aangehaalde rechtsbronnen inhoudelijk te wegen.



2.9.
De rechter is alleen bevoegd terugkomen op een bindende eindbeslissing in een tussenvonnis als deze beslissing berust op een onjuiste juridische of feitelijke grondslag, en de eisen van de goede procesorde voorschrijven dat deze beslissing wordt heroverwogen en gewijzigd om te voorkomen dat de rechter op een ondeugdelijke grondslag een einduitspraak zou doen.



2.10.
Van een dergelijke situatie is geen sprake en de rechtbank ziet dus geen aanleiding om op de bindende eindbeslissingen terug te komen, zoals hierna zal worden toegelicht. De rechter moet het buitenlandse recht niet alleen toepassen, maar ook de inhoud daarvan op eigen initiatief achterhalen (artikel 10:2 BW in verbinding met artikel 25 Rv). Dit betekent dat vreemd recht niet door partijen bewezen behoeft te worden en dat de rechter niet aan de rechtsbeschouwingen van de partijen is gebonden. Wel mag de rechter aan partijen vragen zich uit te laten over het toepasselijke recht. In deze zaak hebben partijen zich middels (uitvoerige) legal opinions uitgelaten over de toepassing van het Indiaas recht. De rechtbank heeft deze legal opinions en de daarin genoemde rechtsbronnen in de beoordeling betrokken. Uit de huidige stand van het partijdebat volgt niet dat sprake is van beslissing die op een onjuiste juridisch grondslag is gebaseerd. Voor zover Metsil nu meent dat de artikelen 91 en 92 van de Indian Evidence Act hadden moeten worden toegepast, kan zij dat in een eventueel hoger beroep naar voren brengen. Ten aanzien van hetgeen Metsil overigens heeft aangevoerd verwijst de rechtbank naar r.o. 2.7 van dit tussenvonnis, waaruit ook volgt dat er geen sprake was van een verassingsbeslissing of van schending van het beginsel van hoor- en wederhoor. In deze omstandigheid is ook geen noodzaak gelegen om terug te komen op de bindende eindbeslissingen.



Verzoek tot herstel (artikel 31 Rv)





2.11.
Metsil heeft (meer-subsidiair) verzocht het tussenvonnis op een aantal punten te herstellen. Hierover wordt als volgt overwogen.



2.12.
De rechtbank is met partijen van oordeel dat r.o. 2.15 van het tussenvonnis in zoverre niet juist is dat het derdenbeslag onder [bedrijf] ten laste van Metsil niet op de 12 mt ferrochroom is gelegd, nu deze partij al was geleverd aan Commexim en [bedrijf] die zaken ook niet heeft genoemd in haar derdenverklaring. Dit een kennelijke fout die zich voor eenvoudig herstel leent, zoals nader bepaald in het dictum van dit vonnis.



2.13.
Daarnaast is de rechtbank is met partijen van oordeel dat de in r.o. 4.17 van het tussenvonnis genoemde datum 1 oktober 2024 van de e-mail van Commexim aan Metsil onjuist is. Deze datum moet zijn 17 oktober 2024. Dit een kennelijke fout die zich voor eenvoudig herstel leent, op de wijze zoals bepaald in het dictum van dit vonnis.



2.14.
Metsil heeft ten slotte nog aangevoerd dat het tussenvonnis onvoldoende onderscheid lijkt te maken tussen de eerste overeenkomst (PO1) en de tweede overeenkomst (PO2), althans onduidelijkheid te laten bestaan over de vraag of de nog bij [bedrijf] aanwezige 12 mt deels uit PO1 en deels uit PO2 afkomstig zou kunnen zijn. Volgens [bedrijf] kan de door AHK onderzochte 12 mt die zich bij [bedrijf] bevindt, redelijkerwijs enkel betrekking hebben op PO2, aldus nog steeds Metsil.



2.15.
Voor zover Metsil hiermee beoogt een verzoek tot herstel te doen, heeft zij dat onvoldoende toegelicht. Metsil heeft op dit punt geen kennelijke fout gesteld die die zich voor eenvoudig herstel leent.



Vrijwillig gezamenlijk onderzoek?





2.16.
Partijen hebben geen overeenstemming bereikt over een gezamenlijk onderzoek naar het ferrochroom. Dit leidt ertoe dat de rechtbank een deskundigenbericht zal gelasten.



Deskundigenbericht





2.17.
Anders dan Commexim, heeft Metsil zich niet uitgelaten over de persoon van de van de deskundige(n) en de voor te leggen vragen. Metsil verzoekt hiertoe alsnog in de gelegenheid te worden gesteld, als haar hiervoor besproken verzoeken worden afgewezen. Dit verzoek zal niet worden gehonoreerd, nu Metsil heeft niet toegelicht waarom zij niet in staat was zich over dit een en ander uit te laten. Een nieuwe kans acht de rechtbank in strijd met de goede procesorde.



2.18.
Commexim heeft voorgesteld om de heer [naam] (hierna: [naam] ), werkzaam bij SGS Nederland B.V. als deskundige te benoemen.



2.19.
Commexim stelt voor om de volgende vragen aan de deskundige voor te leggen:
a. Kunt u een volledige en representatieve inspectie en bemonstering uitvoeren van de 12 mt ferrochroom die zich bij [bedrijf] bevindt?
b. Kunt u toelichten welke bemonsteringsmethodiek is gehanteerd en in hoeverre deze geschikt is gelet op de aard van de partij?
c. Dient de partij ferrochroom te worden aangemerkt als homogeen of heterogeen (visueel en qua chemische samenstelling)?
d. Indien sprake is van heterogeniteit:

• waaruit bestaat die heterogeniteit;
• in welke mate variëren de relevante parameters (zoals chroom- en koolstofgehalte); en
• wat betekent dit voor de beoordeling van de partij als één product?

e. Kunt u aangeven in hoeverre eventuele heterogeniteit van invloed is op de betrouwbaarheid van de analyseresultaten?
f. Kunt u vaststellen of de partij ferrochroom voldoet aan de specificaties zoals vermeld in het RC-inspectiecertificaat?
g. Indien de partij niet voldoet aan de specificaties:

• waarin bestaan de afwijkingen; en
• zijn deze afwijkingen incidenteel of structureel van aard?

h. Heeft u overigens nog opmerkingen die van belang kunnen zijn voor de beoordeling van het geschil?



2.20.
De rechtbank acht deze vragen relevant voor de verdere beoordeling van het geschil en zal deze overnemen. De volgende stap is dat de rechtbank contact opneemt met [naam] om vast te stellen of hij in staat en bereid is als deskundige op te treden en, als dit het geval is, om de hoogte van het voorschot te bepalen.



2.21.
Iedere verdere beslissing wordt aangehouden. De zaak wordt nu verwezen naar de rolzitting van 16 september 2026 ter benoeming van de deskundige.






3De beslissing


De rechtbank




in conventie




3.1.
verwijst de zaak naar de rolzitting van 16 september 2026 voor vonnis;



in conventie en in reconventie





3.2.
de rechtbank bepaalt dat het op 22 april 2026 tussen partijen gewezen vonnis als volgt wordt gewijzigd:


“2.15. Op 16 januari 2025 en op 25 februari 2025 heeft Commexim, na daartoe verkregen verlof van de rechtbank Rotterdam, ten laste van Metsil conservatoir derdenbeslag laten leggen onder [bedrijf] op de 12 mt ferrochroom.”



wordt gewijzigd in:



“2.15. Op 16 januari 2025 en op 25 februari 2025 heeft Commexim, na daartoe verkregen verlof van de rechtbank Rotterdam, ten laste van Metsil conservatoir derdenbeslag laten leggen onder [bedrijf].”; en



“4.17 (….)




Commexim heeft op 1 oktober 2024 aan Metsil bericht:





(…)”



wordt gewijzigd in:



“4.17 (….)




Commexim heeft op 17 oktober 2024 aan Metsil bericht:





(…)”




3.2.
houdt iedere verdere beslissing aan.


Dit vonnis is gewezen door mr. R.C. Hartendorp en in het openbaar uitgesproken op
5 augustus 2026.



type: 1554




Vgl. HR 25 april 2008 (ECLI:NL:HR:2008:BC2800 (http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:HR:2008:BC2800)).