Neuralex RechtspraakNeuralex Rechtspraak
Inloggen staging

Rechtbank Den Haag

ECLI:NL:RBDHA:2026:23885

2026-08-23 Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht NL26.48558
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen

Gegevens

Instantie
Rechtbank Den Haag
Uitspraakdatum
2026-08-23
Publicatiedatum
2026-08-24
Rechtsgebied
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Procedure
Mondelinge uitspraak
Zaaknummer
NL26.48558
Type
Uitspraak
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Inhoudsindicatie

Spoedpiket, vovo hangende beroep dan wel bezwaar artikel 64 Vw, geen spoedeisend belang omdat geen sprake is van gedwongen vertrek. De voorzieningenrechter wijst het verzoek af.

Citeert (8)

Geciteerd door (0)

  • geen

Volledige tekst

Volledige tekst (9.394 tekens)
RECHTBANK DEN HAAG


Zittingsplaats Utrecht



Bestuursrecht



zaaknummer: NL26.48558


proces-verbaal van de mondelinge uitspraak van de voorzieningenrechter in de zaak


tussen




[verzoeker] , V-nummer: [V-nummer] , verzoeker
(gemachtigde: mr. J.J.J. Jansen),


en


de Minister van Asiel en Migratie, de minister
(gemachtigde: mr. M. Weerman).


Samenvatting

1. In deze uitspraak beslist de voorzieningenrechter op het verzoek om een voorlopige voorziening van verzoeker tegen de overdracht naar Kroatië op 24 augustus 2026 om 08.15 uur (via München naar Zagreb).

2. De voorzieningenrechter wijst het verzoek af. Hierna legt de voorzieningenrechter uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.



Procesverloop

3. Verzoeker heeft op 8 november 2025 asiel aangevraagd in Nederland. Bij besluit van 30 maart 2026 heeft de minister de asielaanvraag van verzoeker niet in behandeling genomen op grond dat Kroatië verantwoordelijk is voor de behandeling daarvan. Bij uitspraak van 3 juni 2026 van deze rechtbank, zittingsplaats Middelburg, is het beroep van verzoeker tegen de afwijzing van zijn asielaanvraag kennelijk ongegrond verklaard en het verzoek om een voorlopige voorziening afgewezen.

4. Verzoeker heeft tegen deze uitspraak verzet gedaan. Verder heeft verzoeker de voorzieningenrechter verzocht een voorlopige voorziening te treffen. Op 17 juni 2026 om 14.35 uur stond de overdracht van verzoeker aan Kroatië gepland door middel van een vlucht naar Zagreb. Bij uitspraak van 15 juni 2026 heeft de voorzieningenrechter het verzoek om een voorlopige voorziening afgewezen. De voorzieningenrechter heeft daarbij de door verzoeker overgelegde medische brief van zijn behandelend psycholoog van 4 juni 2026 betrokken en voorlopig geoordeeld dat niet is gebleken dat een aanzienlijke en onomkeerbare achteruitgang van de medische situatie van verzoeker voorzienbaar is.

5. Op 9 juni 2026 heeft de minister verzoeker in kennis gesteld van de vlucht van 17 juni 2026. Op 16 juni 2026 heeft verzoeker daarom bezwaar ingediend tegen de feitelijke uitzetting van 17 juni 2026 en wederom een verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening. Dit verzoek is bij uitspraak van 16 juni 2026 door de voorzieningenrechter toegewezen met de motivering dat het belang van verzoeker om bij de behandeling van zijn verzet aanwezig te zijn, zwaarder weegt dan het belang van de minister om verzoeker daarvoor al over te dragen aan Kroatië. Met deze uitspraak is de uiterste overdrachtstermijn opgeschort.

6. Bij uitspraak van 7 juli 2026 heeft de rechtbank het verzet van verzoeker ongegrond verklaard. Het door verzoeker op 18 juni 2026 ingediende verzoek om een voorlopige voorziening is bij uitspraak van 7 juli 2026 afgewezen.

7. Op 30 juni 2026 heeft verzoeker verzocht om uitstel van vertrek op grond van artikel 64 van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw), wat door de minister bij het (primaire) besluit van 30 juli 2026 is afgewezen. Verzoeker heeft tegen dit besluit bezwaar en een verzoek om een voorlopige voorziening ingediend. Dit verzoek is door de voorzieningenrechter op 4 augustus 2026 afgewezen omdat naar het voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter het bezwaar tegen het besluit van 30 juli 2026 geen redelijke kans van slagen heeft.

8. Op 30 juli 2026 heeft de minister een beslissing genomen op het bezwaar tegen de feitelijke overdracht van 17 juni 2026, waarbij het bezwaar niet-ontvankelijk is verklaard.

9. Met de kennisgeving van 21 augustus 2026 is verzoeker meegedeeld dat hij op 24 augustus 2026 zal worden overgedragen aan Kroatië. Dit gebeurt om 08.15 uur door eerst met een vlucht naar München te reizen, waarna een aansluitende vlucht naar Zagreb volgt.

10. Op 22 augustus 2026 heeft verzoeker tegen de beslissing van 30 juli 2026 op het bezwaar tegen de feitelijke overdracht van 17 juni 2026 beroep ingediend. Hij heeft daarnaast de voorzieningenrechter verzocht een voorlopige voorziening te treffen met het doel om de geplande overdracht naar Kroatië te voorkomen. De minister heeft op het verzoek gereageerd met een verweerschrift. Verzoeker heeft op het verweerschrift gereageerd.

11. De voorzieningenrechter doet uitspraak zonder zitting, omdat spoed dit vereist en partijen daardoor niet in hun belangen worden geschaad. De voorzieningenrechter sluit daarom het onderzoek.





Beoordeling door de voorzieningenrechter

Connexiteit van de voorlopige voorziening

12. De voorzieningenrechter ziet zich (ambtshalve) voor de vraag gesteld aan welke bodemprocedure het verzoek connex is. De minister heeft zich in het verweerschrift op het standpunt gesteld dat het verzoek uitsluitend connex is aan de artikel 64 Vw-bezwaarprocedure.

13. Verzoeker heeft zich op het standpunt gesteld dat het verzoek connex is aan het beroep tegen het besluit van 30 juli 2026 op het bezwaar tegen de feitelijke overdracht van 17 juni 2026, maar uit de beroepsgronden en het door verzoeker ingediende CIV-formulier volgt ook dat verzoeker het verzoek connex acht aan de artikel 64 Vw-bezwaarprocedure.

14. De voorzieningenrechter stelt vast dat het verzoek om een voorlopige voorziening in ieder geval connex is aan een procedure die betrekking heeft op het vertrek van verzoeker. De voorzieningenrechter laat daarmee in het midden aan welke van de door partijen genoemde procedures het verzoek precies connex is, omdat dit voor de verdere beoordeling van het verzoek niet van belang is. Voor beide procedures geldt namelijk dat eerst moet worden beoordeeld of sprake is van een voldoende spoedeisend belang bij de gevraagde voorziening voordat de voorzieningenrechter toekomt aan een voorlopig rechtmatigheidsbeoordeling.



Het spoedeisend belang



15. Verzoeker voert aan dat hij op 24 augustus 2026 wordt overgedragen aan Kroatië en dat hierin het spoedeisend belang is gelegen.

16. De minister heeft in het verweerschrift toegelicht dat geen sprake is van een spoedeisend belang, omdat het niet om een gedwongen overdracht gaat maar om een gecontroleerde overdracht naar Kroatië. Het is dus aan verzoeker of hij al dan niet meewerkt aan deze overdracht.

17. Verzoeker stelt daartegenover dat wel degelijk sprake is van een gedwongen vertrek. Volgens verzoeker is het niet duidelijk wat de gevolgen zijn indien hij niet meewerkt aan zijn vertrek, waaronder opvangvoorzieningen en andere verstrekkingen en de mogelijkheid van vreemdelingenbewaring. Zolang de minister niet schriftelijk heeft bevestigd dat de voorgenomen reis in dat geval wordt geannuleerd, is volgens verzoeker sprake van een dreigend en onomkeerbaar vertrek.

18. De voorzieningenrechter is van oordeel dat geen sprake is van een spoedeisend belang. De voorzieningenrechter ziet geen aanleiding om te twijfelen aan de mededeling van de minister in het verweerschrift dat het aan verzoeker is of hij mee wil werken aan deze overdracht. Dat betekent dus dat verzoeker zelf kan beslissen of hij op 24 augustus 2026 wel of niet vertrekt naar Kroatië. Dat het niet meewerken aan het geplande vertrek kan leiden tot nadelige gevolgen, zoals het verlengen van de overdrachtstermijn, het beëindigen van opvang en verstrekkingen en het opleggen van de maatregel van vreemdelingenbewaring, en dat verzoeker mogelijk in de toekomst wel gedwongen zal worden overgedragen, betekent niet dat er op dit moment een spoedeisend belang is bij de gevraagde voorlopige voorziening. Op dit moment is niet gesteld of gebleken dat verzoeker geen opvang of verstrekkingen meer zal ontvangen of in vreemdelingenbewaring zal worden geplaatst.



Conclusie en gevolgen

19. De voorzieningenrechter wijst het verzoek af. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

20. Partijen zijn erop gewezen dat tegen deze mondelinge uitspraak geen hoger beroep of verzet openstaat.




Beslissing


De voorzieningenrechter wijst het verzoek om voorlopige voorziening af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. M.E.A. Braeken, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. M.M. Tank, griffier. Deze uitspraak is uitgesproken en bekendgemaakt op 23 augustus 2026 en zal openbaar worden gemaakt door publicatie op rechtspraak.nl.




Dit proces-verbaal is bekendgemaakt op:



24 augustus 2026























Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.

ECLI:NL:RBDHA:2026:14901.


ECLI:NL:RBDHA:2026:14904.


ECLI:NL:RBDHA:2026:16240.


ECLI:NL:RBDHA:2026:16420.


ECLI:NL:RBDHA:2026:18739.


ECLI:NL:RBDHA:2026:18745.


ECLI:NL:RBDHA:2026:21798.


Dit is mogelijk op grond van artikel 8:83, vierde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).


De voorzieningenrechter verwijst hiervoor naar een uitspraak van 5 augustus 2026 van deze rechtbank en deze zittingsplaats, ECLI:NL:RBDHA:2026:22356.