Rechtbank Den Haag
ECLI:NL:RBDHA:2026:23359
2026-08-19
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
NL24.8908
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen
Inhoudsindicatie
Deze uitspraak gaat over een besluit waarbij de minister heeft vastgesteld dat eiser met ingang van 5 maart 2024 geen verblijfsrecht meer heeft en hem om die reden een terugkeerbesluit heeft opgelegd. De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat de minister eiser terecht heeft meegedeeld dat hij geen verblijfsrecht meer heeft en hem een terugkeerbesluit heeft kunnen opleggen.
Citeert (5)
- ECLI:NL:RVS:2024:32 Raad van State 17-01-2024
- ECLI:NL:RVS:2025:1829 Raad van State 23-04-2025
- ECLI:NL:RVS:2025:1827 Raad van State 23-04-2025
- ECLI:NL:RVS:2025:1836 Raad van State 23-04-2025
- ECLI:EU:C:2024:1038
Geciteerd door (0)
- geen
Volledige tekst
Volledige tekst (7.126 tekens)
RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Zwolle
Bestuursrecht
zaaknummer: NL24.8908
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[eiseres] , V-nummer: [V-nummer], eiseres
(gemachtigde: mr. P.E.J.M. Bartels),
en
de minister van Asiel en Migratie.
Inleiding
1. Bij besluit van 7 februari 2024 heeft de minister vastgesteld dat eiseres met ingang van 5 maart 2024 geen recht meer heeft op tijdelijke bescherming op grond van de Richtlijn Tijdelijke Bescherming en dat zij daarom niet langer rechtmatig in Nederland verblijft. Om die reden heeft de minister aan eiseres een terugkeerbesluit opgelegd.
2. Tegen dit besluit heeft eiseres beroep ingesteld.
3. Op 4 juni 2025 heeft de minister het voornemen uitgebracht om het terugkeerbesluit van 7 februari 2024 te vervangen door een nieuw terugkeerbesluit. De minister heeft eiseres in de gelegenheid gesteld een zienswijze in te dienen. Eiseres heeft van deze gelegenheid geen gebruik gemaakt.
4. Op 17 juli 2025 heeft de minister het terugkeerbesluit van 7 februari 2024 vervangen door een nieuw terugkeerbesluit (het bestreden besluit). Het al ingestelde beroep heeft van rechtswege mede betrekking op dit nieuwe terugkeerbesluit.
5. De rechtbank heeft eiseres op 16 september 2025 in de gelegenheid gesteld om, gelet op diverse ontwikkelingen in de voor deze zaak relevante jurisprudentie, aan te geven welke eerder ingediende gronden hij wil handhaven en om de gronden aan te vullen. Eiseres heeft van deze gelegenheid geen gebruik gemaakt.
Omdat geen van de partijen, nadat zij zijn gewezen op hun recht ter zitting te worden gehoord, heeft verklaard dat zij gebruik wil maken van dit recht, heeft de rechtbank bepaald dat het onderzoek ter zitting verder achterwege blijft. Vervolgens is het onderzoek gesloten.
Beoordeling door de rechtbank
Beroep tegen het besluit van 7 februari 2024
6. Naar het oordeel van de rechtbank heeft eiseres geen belang meer bij een inhoudelijke beoordeling van het beroep tegen het besluit van 7 februari 2024. De minister heeft dit besluit immers vervangen door het besluit van 17 juli 2025. Eiseres heeft geen omstandigheden naar voren gebracht die meebrengen dat zij toch een belang heeft bij een inhoudelijke beoordeling van het besluit van 7 februari 2024. Daarom is het beroep in zoverre niet-ontvankelijk. Nu de minister aanleiding heeft gezien het besluit hangende beroep te vervangen, bestaat er wel aanleiding een proceskostenvergoeding toe te kennen.
Beroep tegen het besluit van 17 juli 2025
7. Het tegen het besluit van 7 februari 2024 ingestelde beroep heeft van rechtswege mede betrekking op het besluit van 17 juli 2025. Eiseres heeft het beroep van gronden voorzien bij brieven van 2 april 2024. Eiseres heeft in die gronden gewezen op de uitspraken van verscheidene zittingsplaatsen waarin het oordeel van de Afdeling zoals dat in de uitspraak van 17 januari 2024 is gegeven niet is gevolgd en op de prejudiciële vragen die door zittingsplaats Amsterdam zijn gesteld en dat het besluit daarom al geen stand kan houden.
8. De rechtbank stelt vast dat de Afdeling nadien, op 23 april 2025, (nogmaals) uitspraken heeft gedaan over de beëindiging van de facultatieve tijdelijke bescherming op grond van de Richtlijn Tijdelijke Bescherming. Bij die uitspraken heeft de Afdeling betrokken het arrest van het Hof van Justitie van 19 december 2024, waarin het Hof antwoord heeft gegeven op de op 25 april 2024 gestelde prejudiciële vragen over de uitleg van de Richtlijn Tijdelijke Bescherming. De Afdeling heeft in deze uitspraken geoordeeld dat de minister bevoegd was om voor derdelanders uit Oekraïne de facultatieve tijdelijke bescherming te beëindigen op 4 maart 2024.
9. De minister heeft in het besluit van 17 juli 2025, en het daarin opgenomen voornemen van 4 juni 2025, overwogen dat eiseres valt onder de groep derdelanders voor wie de tijdelijke bescherming terecht is beëindigd op 4 maart 2024. Omdat eiseres ook anderszins geen rechtmatig verblijf in Nederland heeft en niet is gebleken van een risico op refoulement bij terugkeer naar Nigeria of andere redenen om van het opleggen van een terugkeerbesluit af te zien, wordt aan haar een terugkeerbesluit opgelegd.
10. Eiseres heeft tegen deze overwegingen, ondanks daartoe in de gelegenheid te zijn gesteld, geen gronden van beroep aangevoerd. De rechtbank kan zich vinden in deze overwegingen en ziet hierin geen aanleiding het bestreden besluit te vernietigen.
11. Dat leidt de rechtbank tot de conclusie dat het beroep tegen het besluit van 17 juli 2025 ongegrond is.
12. Omdat de minister het besluit van 7 februari 2024 heeft vervangen, moet de minister de proceskosten vergoeden. Deze kosten stelt de rechtbank vast op € 934,00.
Beslissing
De rechtbank:
- verklaart het beroep tegen het besluit van 7 februari 2024 niet-ontvankelijk;
- verklaart het beroep tegen het besluit van 17 juli 2025 ongegrond;
- veroordeelt de minister in de proceskosten van eiseres tot een bedrag van € 934,00.
Deze uitspraak is gedaan door mr. E. Hoekstra, rechter, in aanwezigheid van
mr. M.P. de Zwart, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Bent u het niet eens met deze uitspraak?
Als u het niet eens bent met deze uitspraak, kunt u een brief sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin u uitlegt waarom u het er niet mee eens bent. Dit heet een beroepschrift. U moet dit beroepschrift indienen binnen 4 weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. U ziet deze datum hierboven.
Voorheen de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid. Zowel de minister als de staatssecretaris worden voor de leesbaarheid in deze uitspraak aangeduid als de minister.
Richtlijn 2001/55/EG van de Raad van 20 juli 2001 betreffende minimumnormen voor het verlenen van tijdelijke bescherming in geval van massale toestroom van ontheemden en maatregelen ter bevordering van een evenwicht tussen de inspanning van de lidstaten voor de opvang en het dragen van de consequenties van de opvang van deze personen.
Artikel 6:19 van de Algemene wet bestuursrecht.
Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.
ECLI:NL:RVS:2024:32.
ECLI:NL:RVS:2025:1829, ECLI:NL:RVS:2025:1827 en ECLI:NL:RVS:2025:1836.
Hof van Justitie van de Europese Unie.
Arrest Kaduna e.a., ECLI:EU:C:2024:1038.
Op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door de gemachtigde verleende rechtsbijstand, waarbij 1 punt is gerekend voor het indienen van het beroepschrift met een waarde per punt van € 934,- en een wegingsfactor van 1.
Zittingsplaats Zwolle
Bestuursrecht
zaaknummer: NL24.8908
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[eiseres] , V-nummer: [V-nummer], eiseres
(gemachtigde: mr. P.E.J.M. Bartels),
en
de minister van Asiel en Migratie.
Inleiding
1. Bij besluit van 7 februari 2024 heeft de minister vastgesteld dat eiseres met ingang van 5 maart 2024 geen recht meer heeft op tijdelijke bescherming op grond van de Richtlijn Tijdelijke Bescherming en dat zij daarom niet langer rechtmatig in Nederland verblijft. Om die reden heeft de minister aan eiseres een terugkeerbesluit opgelegd.
2. Tegen dit besluit heeft eiseres beroep ingesteld.
3. Op 4 juni 2025 heeft de minister het voornemen uitgebracht om het terugkeerbesluit van 7 februari 2024 te vervangen door een nieuw terugkeerbesluit. De minister heeft eiseres in de gelegenheid gesteld een zienswijze in te dienen. Eiseres heeft van deze gelegenheid geen gebruik gemaakt.
4. Op 17 juli 2025 heeft de minister het terugkeerbesluit van 7 februari 2024 vervangen door een nieuw terugkeerbesluit (het bestreden besluit). Het al ingestelde beroep heeft van rechtswege mede betrekking op dit nieuwe terugkeerbesluit.
5. De rechtbank heeft eiseres op 16 september 2025 in de gelegenheid gesteld om, gelet op diverse ontwikkelingen in de voor deze zaak relevante jurisprudentie, aan te geven welke eerder ingediende gronden hij wil handhaven en om de gronden aan te vullen. Eiseres heeft van deze gelegenheid geen gebruik gemaakt.
Omdat geen van de partijen, nadat zij zijn gewezen op hun recht ter zitting te worden gehoord, heeft verklaard dat zij gebruik wil maken van dit recht, heeft de rechtbank bepaald dat het onderzoek ter zitting verder achterwege blijft. Vervolgens is het onderzoek gesloten.
Beoordeling door de rechtbank
Beroep tegen het besluit van 7 februari 2024
6. Naar het oordeel van de rechtbank heeft eiseres geen belang meer bij een inhoudelijke beoordeling van het beroep tegen het besluit van 7 februari 2024. De minister heeft dit besluit immers vervangen door het besluit van 17 juli 2025. Eiseres heeft geen omstandigheden naar voren gebracht die meebrengen dat zij toch een belang heeft bij een inhoudelijke beoordeling van het besluit van 7 februari 2024. Daarom is het beroep in zoverre niet-ontvankelijk. Nu de minister aanleiding heeft gezien het besluit hangende beroep te vervangen, bestaat er wel aanleiding een proceskostenvergoeding toe te kennen.
Beroep tegen het besluit van 17 juli 2025
7. Het tegen het besluit van 7 februari 2024 ingestelde beroep heeft van rechtswege mede betrekking op het besluit van 17 juli 2025. Eiseres heeft het beroep van gronden voorzien bij brieven van 2 april 2024. Eiseres heeft in die gronden gewezen op de uitspraken van verscheidene zittingsplaatsen waarin het oordeel van de Afdeling zoals dat in de uitspraak van 17 januari 2024 is gegeven niet is gevolgd en op de prejudiciële vragen die door zittingsplaats Amsterdam zijn gesteld en dat het besluit daarom al geen stand kan houden.
8. De rechtbank stelt vast dat de Afdeling nadien, op 23 april 2025, (nogmaals) uitspraken heeft gedaan over de beëindiging van de facultatieve tijdelijke bescherming op grond van de Richtlijn Tijdelijke Bescherming. Bij die uitspraken heeft de Afdeling betrokken het arrest van het Hof van Justitie van 19 december 2024, waarin het Hof antwoord heeft gegeven op de op 25 april 2024 gestelde prejudiciële vragen over de uitleg van de Richtlijn Tijdelijke Bescherming. De Afdeling heeft in deze uitspraken geoordeeld dat de minister bevoegd was om voor derdelanders uit Oekraïne de facultatieve tijdelijke bescherming te beëindigen op 4 maart 2024.
9. De minister heeft in het besluit van 17 juli 2025, en het daarin opgenomen voornemen van 4 juni 2025, overwogen dat eiseres valt onder de groep derdelanders voor wie de tijdelijke bescherming terecht is beëindigd op 4 maart 2024. Omdat eiseres ook anderszins geen rechtmatig verblijf in Nederland heeft en niet is gebleken van een risico op refoulement bij terugkeer naar Nigeria of andere redenen om van het opleggen van een terugkeerbesluit af te zien, wordt aan haar een terugkeerbesluit opgelegd.
10. Eiseres heeft tegen deze overwegingen, ondanks daartoe in de gelegenheid te zijn gesteld, geen gronden van beroep aangevoerd. De rechtbank kan zich vinden in deze overwegingen en ziet hierin geen aanleiding het bestreden besluit te vernietigen.
11. Dat leidt de rechtbank tot de conclusie dat het beroep tegen het besluit van 17 juli 2025 ongegrond is.
12. Omdat de minister het besluit van 7 februari 2024 heeft vervangen, moet de minister de proceskosten vergoeden. Deze kosten stelt de rechtbank vast op € 934,00.
Beslissing
De rechtbank:
- verklaart het beroep tegen het besluit van 7 februari 2024 niet-ontvankelijk;
- verklaart het beroep tegen het besluit van 17 juli 2025 ongegrond;
- veroordeelt de minister in de proceskosten van eiseres tot een bedrag van € 934,00.
Deze uitspraak is gedaan door mr. E. Hoekstra, rechter, in aanwezigheid van
mr. M.P. de Zwart, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Bent u het niet eens met deze uitspraak?
Als u het niet eens bent met deze uitspraak, kunt u een brief sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin u uitlegt waarom u het er niet mee eens bent. Dit heet een beroepschrift. U moet dit beroepschrift indienen binnen 4 weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. U ziet deze datum hierboven.
Voorheen de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid. Zowel de minister als de staatssecretaris worden voor de leesbaarheid in deze uitspraak aangeduid als de minister.
Richtlijn 2001/55/EG van de Raad van 20 juli 2001 betreffende minimumnormen voor het verlenen van tijdelijke bescherming in geval van massale toestroom van ontheemden en maatregelen ter bevordering van een evenwicht tussen de inspanning van de lidstaten voor de opvang en het dragen van de consequenties van de opvang van deze personen.
Artikel 6:19 van de Algemene wet bestuursrecht.
Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.
ECLI:NL:RVS:2024:32.
ECLI:NL:RVS:2025:1829, ECLI:NL:RVS:2025:1827 en ECLI:NL:RVS:2025:1836.
Hof van Justitie van de Europese Unie.
Arrest Kaduna e.a., ECLI:EU:C:2024:1038.
Op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door de gemachtigde verleende rechtsbijstand, waarbij 1 punt is gerekend voor het indienen van het beroepschrift met een waarde per punt van € 934,- en een wegingsfactor van 1.