Neuralex RechtspraakNeuralex Rechtspraak
Inloggen staging

Rechtbank Den Haag

ECLI:NL:RBDHA:2026:22829

2026-07-03 Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht NL26.35314
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen

Gegevens

Instantie
Rechtbank Den Haag
Uitspraakdatum
2026-07-03
Publicatiedatum
2026-08-14
Rechtsgebied
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Procedure
Eerste aanleg - enkelvoudig
Zaaknummer
NL26.35314
Type
Uitspraak
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Inhoudsindicatie

Bewaring, Onrechtmatig verlengingsbesluit, gegrond beroep.

Citeert (2)

Geciteerd door (0)

  • geen

Volledige tekst

Volledige tekst (7.556 tekens)
RECHTBANK DEN HAAG


Zittingsplaats Rotterdam



Bestuursrecht



zaaknummer: NL26.35314


uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser] , V-nummer: [nummer] , eiser
(gemachtigde: mr. G.M.H. Vriesde),


en


de minister van Asiel en Migratie, verweerder
(gemachtigde: mr. S. Juriaans).


Samenvatting

1. Deze uitspraak gaat over de maatregel van vreemdelingenbewaring die aan eiser is opgelegd. Deze maatregel is opgelegd op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw). Eiser is het niet eens met die maatregel. Hij voert daartegen een aantal beroepsgronden aan. Onder meer aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de rechtmatigheid van die maatregel en de vraag of aan eiser een schadevergoeding moet worden toegekend.

2. De rechtbank komt in deze uitspraak ambtshalve tot het oordeel dat het beroep gegrond is. Het opleggen van de maatregel van vreemdelingenbewaring is onrechtmatig. De rechtbank kent daarom een schadevergoeding toe. Hieronder legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit heeft.



Procesverloop

3. Met het bestreden besluit van 24 juni 2026 heeft verweerder aan eiser de maatregel van vreemdelingenbewaring opgelegd en de rechtbank daarvan in kennis gesteld.

4. Deze kennisgeving wordt gelijkgesteld met een door eiser ingesteld beroep. Het beroep wordt ook aangemerkt als een verzoek om schadevergoeding.

5. De rechtbank heeft het beroep op 2 juli 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser en de gemachtigde van verweerder.





Beoordeling door de rechtbank



Onrechtmatig verlengingsbesluit


6. De rechtbank overweegt in het kader van de ambtshalve toets allereerst het volgende. In de maatregel van bewaring staat, onder het kopje ‘Verlengingsbesluit’, het volgende vermeld:



‘De cumulatieve bewaringsduur op grond van het thans geldige terugkeerbesluit maakt dat de duur van zes maanden op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef onder a Vw is verstreken. Daarom is deze maatregel eveneens aangemerkt als verlenging van de bewaring met ten hoogste twaalf maanden op grond van artikel 59, zesde lid, Vw, dan wel zoveel korter indien een deel van de verlengingstermijn inmiddels is verbruikt. De bewaring van de vreemdeling en voortzetting van de bewaringsduur is noodzakelijk omdat de vreemdeling niet meewerkt aan zijn verwijdering. Zie ter onderbouwing daarvan de in deze maatregel opgenomen toelichting van het risico op onderduiken, het zicht op uitzetting binnen een redelijke termijn en dat de maatregel niet onevenredig bezwarend is.’



7. Uit het arrest van 5 maart 2026 van het Hof van Justitie van de Europese Unie (het Hof), ECLI:EU:C:2026:148 (Aroja), in het bijzonder uit rechtsoverweging 87 van genoemd arrest, blijkt dat een verlengingsbesluit moet worden opgelegd voordat de maximale duur van zes maanden inbewaringstelling op grond van één en hetzelfde terugkeerbesluit is bereikt. In het licht van dit arrest, concludeert de rechtbank dat het verlengingsbesluit niet tijdig is opgelegd. Immers, de inbewaringstellingen van eiser voorafgaande aan de voorliggende inbewaringstelling op grond van hetzelfde terugkeerbesluit van 8 oktober 2017 hebben tezamen meer dan zes maanden voortgeduurd, te weten van 8 oktober 2017 tot en met 27 maart 2018 en van 10 augustus 2023 tot en met 1 september 2023. Dat betekent dat het verlengingsbesluit te laat is opgelegd, zoals ook in het besluit is onderkend. Gelet op het voorgaande, is de rechtbank van oordeel dat de voorliggende maatregel van meet af aan onrechtmatig is geweest, nu er geen verlengingsbesluit meer opgesteld mocht worden omdat de maximale duur van de inbewaringstelling van zes maanden reeds was overschreden. Het beroep is gegrond.

8. Daarnaast overweegt de rechtbank het volgende. Ook in het geval het verlengingsbesluit wel tijdig zou zijn opgemaakt, zou de wijze waarop dit besluit is opgelegd desondanks onrechtmatig zijn. Zoals deze rechtbank en zittingsplaats in haar uitspraak van 27 mei 2026 (ECLI:NL:RBDHA:2026:17702) heeft overwogen, moet de mogelijkheid worden gegeven aan de vreemdeling om diens zienswijze naar voren te brengen over een verlengingsbesluit voorafgaande de eventuele oplegging daarvan. De rechtbank merkt in dit verband op dat verweerder tijdens het gehoor met eiser niet de mogelijkheid van het opleggen van een verlengingsbesluit heeft besproken. In het verlengde hiervan, heeft eiser bovendien dan ook niet de mogelijkheid gehad om zijn zienswijze over het onaangekondigde verlengingsbesluit naar voren te brengen. Los van hetgeen overwogen onder 7., is deze werkwijze bij het opleggen van een verlengingsbesluit ook onrechtmatig en is het beroep gegrond. Gelet op het voorgaande behoeft hetgeen de gemachtigde van eiser naar voren heeft gebracht geen bespreking.



Conclusie en gevolgen

9. Het beroep tegen de maatregel van vreemdelingenbewaring is gegrond. Deze maatregel is vanaf het moment van het opleggen daarvan onrechtmatig. De rechtbank beveelt de opheffing van deze maatregel met ingang van vandaag.

10. Op grond van artikel 106 van de Vw kan de rechtbank indien zij de opheffing van de maatregel van vreemdelingenbewaring beveelt aan eiser een schadevergoeding ten laste van de Staat toekennen. De rechtbank acht gronden aanwezig om een schadevergoeding toe te kennen voor 10 dagen onrechtmatige (tenuitvoerlegging van de) vreemdelingenbewaring ten bedrage van 10 x € 120,- (verblijf detentiecentrum) = € 1.200,-.


10.1.
Eiser krijgt een vergoeding van zijn proceskosten. Verweerder moet deze vergoeding betalen. Deze vergoeding bedraagt € 1.868,- omdat de gemachtigde van eiser geacht wordt beroep te hebben ingesteld en aan de zitting heeft deelgenomen. Verder zijn er geen kosten gemaakt die vergoed kunnen worden.





Beslissing


De rechtbank:


- verklaart het beroep gegrond;
- veroordeelt de Staat der Nederlanden tot het betalen van € 1.200,- aan schadevergoeding aan eiser, te betalen door de griffier en beveelt de tenuitvoerlegging van deze schadevergoeding;
- beveelt de opheffing van de maatregel van vreemdelingenbewaring met ingang van vandaag;
- veroordeelt verweerder tot betaling van € 1.868,- aan proceskosten aan eiser.







Deze uitspraak is gedaan door mr. A. Hello, rechter, in aanwezigheid van F.S. Ulrich, griffier.
Uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:






Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen één week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden of na de dag van plaatsing daarvan in het digitale dossier.




Het beroep tegen een maatregel van bewaring wordt ook aangemerkt als een verzoek om toekenning van schadevergoeding. Dit volgt uit artikel 106, eerste lid, van de Vw.


Dit volgt uit artikel 106, eerste lid, van de Vw.