Rechtbank Den Haag
ECLI:NL:RBDHA:2026:17702
2026-05-27
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
NL26.27174
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen
Inhoudsindicatie
bewaring, onrechtmatig verlengingsbesluit, gegrond.
Citeert (2)
- ECLI:EU:C:2026:148
- ECLI:NL:RBDHA:2026:9108 Rechtbank Den Haag 14-04-2026
Geciteerd door (1)
- ECLI:NL:RBDHA:2026:22829 Rechtbank Den Haag 03-07-2026
Volledige tekst
Volledige tekst (6.659 tekens)
RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Rotterdam
Bestuursrecht
zaaknummer: NL26.27174
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[eiser], V-nummer: [nummer], eiser
(gemachtigde: mr. R. Deniz),
en
de minister van Asiel en Migratie, verweerder
(gemachtigde: mr. S. Juriaans).
Procesverloop
Bij besluit van 7 mei 2026 (het bestreden besluit) heeft verweerder aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) opgelegd.
Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Dit beroep moet tevens worden aangemerkt als een verzoek om toekenning van schadevergoeding.
De rechtbank heeft het beroep op 27 mei 2026 op zitting behandeld. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Als tolk is verschenen de heer Z. Hamidi. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.
Overwegingen
Onrechtmatig verlengingsbesluit
1. De rechtbank overweegt het volgende. In de maatregel van bewaring staat, onder het kopje ‘Verlengingsbesluit > 6 maanden’, het volgende vermeld: ‘De cumulatieve bewaringsduur op grond van het thans geldige terugkeerbesluit maakt dat de duur van zes maanden op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef onder a Vw is verstreken. Daarom is deze maatregel eveneens aangemerkt als verlenging van de bewaring met ten hoogste twaalf maanden op grond van artikel 59, zesde lid, Vw, dan wel zoveel korter indien een deel van de verlengingstermijn inmiddels is verbruikt.
De bewaring van de vreemdeling en voortzetting van de bewaringsduur is noodzakelijk omdat de vreemdeling niet meewerkt aan zijn verwijdering. Zie ter onderbouwing daarvan de in deze maatregel opgenomen toelichting van het risico op onderduiken, het zicht op uitzetting binnen een redelijke termijn en dat de maatregel niet onevenredig bezwarend is.’
2. Uit het arrest van 5 maart 2026 van het Hof van Justitie van de Europese Unie (het Hof), ECLI:EU:C:2026:148 (Aroja), in het bijzonder uit rechtsoverweging 87 van genoemd arrest, blijkt dat een verlengingsbesluit moet worden opgelegd voordat de maximale duur van zes maanden inbewaringstelling op grond van één en hetzelfde terugkeerbesluit is bereikt. In het licht van dit arrest, concludeert de rechtbank dat het verlengingsbesluit niet tijdig is opgelegd. Immers, de inbewaringstellingen van eiser voorafgaande aan de voorliggende inbewaringstelling op grond van hetzelfde terugkeerbesluit van 14 december 2021 hebben tezamen meer dan zes maanden voortgeduurd, te weten van 22 juni 2024 tot en met 23 augustus 2024 en van 9 september 2024 tot en met 7 februari 2025. Dat betekent dat het verlengingsbesluit te laat is opgelegd, zoals ook in het besluit is onderkend. Gelet op het voorgaande, is de rechtbank van oordeel dat de voorliggende maatregel van meet af aan onrechtmatig is geweest, nu er geen verlengingsbesluit meer opgesteld mocht worden omdat de maximale duur van de inbewaringstelling van zes maanden reeds was overschreden. Het beroep is gegrond.
3. Daarnaast overweegt de rechtbank het volgende. Ook in het geval het verlengingsbesluit wel tijdig zou zijn opgemaakt, zou de wijze waarop dit besluit is opgelegd desondanks onrechtmatig zijn. Zoals deze rechtbank, zittingsplaats Groningen, in haar uitspraak van 14 april 2026 (ECLI:NL:RBDHA:2026:9108) heeft overwogen, moet de mogelijkheid worden gegeven aan de vreemdeling om diens zienswijze naar voren te brengen over een verlengingsbesluit voorafgaande de eventuele oplegging daarvan. De rechtbank merkt in dit verband op dat verweerder tijdens het gehoor met eiser niet de mogelijkheid van het opleggen van een verlengingsbesluit heeft besproken. In het verlengde hiervan, heeft eiser bovendien dan ook niet de mogelijkheid gehad om zijn zienswijze over het onaangekondigde verlengingsbesluit naar voren te brengen. Los van hetgeen overwogen onder 2., is deze werkwijze bij het opleggen van een verlengingsbesluit ook onrechtmatig en is het beroep gegrond.
Conclusie en gevolgen
4. Het beroep is gegrond en de maatregel van bewaring is vanaf het moment van opleggen daarvan onrechtmatig. De rechtbank beveelt de opheffing van de maatregel van bewaring met ingang van 27 mei 2026.
5. Op grond van artikel 106 van de Vw kan de rechtbank indien zij de opheffing van de maatregel van bewaring beveelt aan eiser een schadevergoeding ten laste van de Staat toekennen. De rechtbank acht gronden aanwezig om een schadevergoeding toe te kennen voor 21 dagen onrechtmatige (tenuitvoerlegging van de) vrijheidsontnemende maatregel van 2 x € 160,- (verblijf politiecel) en 19 x € 120,- (verblijf detentiecentrum) = € 2.600,-.
6. De rechtbank veroordeelt verweerder in de door eiser gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 1.868,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 934,- en een wegingsfactor 1).
Beslissing
De rechtbank:
- verklaart het beroep gegrond;
- beveelt de opheffing van de maatregel van bewaring met ingang van 27 mei 2026;
- veroordeelt de Staat der Nederlanden tot het betalen van een schadevergoeding aan eiser tot een bedrag van € 2.600,-, te betalen door de griffier en beveelt de tenuitvoerlegging van deze schadevergoeding;
- veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 1.868,-.
Deze uitspraak is gedaan door mr. A. Hello, rechter, in aanwezigheid van mr. S.A. Vroegop, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking.
Artikel 15, zesde lid, van de Richtlijn 2008/115/EG van het Europees Parlement en de Raad van 16 december 2008 over gemeenschappelijke normen en procedures in de lidstaten voor de terugkeer van onderdanen van derde landen die illegaal op hun grondgebied verblijven (Terugkeerrichtlijn) en artikel 59, zesde lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw).
Zittingsplaats Rotterdam
Bestuursrecht
zaaknummer: NL26.27174
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[eiser], V-nummer: [nummer], eiser
(gemachtigde: mr. R. Deniz),
en
de minister van Asiel en Migratie, verweerder
(gemachtigde: mr. S. Juriaans).
Procesverloop
Bij besluit van 7 mei 2026 (het bestreden besluit) heeft verweerder aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) opgelegd.
Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Dit beroep moet tevens worden aangemerkt als een verzoek om toekenning van schadevergoeding.
De rechtbank heeft het beroep op 27 mei 2026 op zitting behandeld. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Als tolk is verschenen de heer Z. Hamidi. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.
Overwegingen
Onrechtmatig verlengingsbesluit
1. De rechtbank overweegt het volgende. In de maatregel van bewaring staat, onder het kopje ‘Verlengingsbesluit > 6 maanden’, het volgende vermeld: ‘De cumulatieve bewaringsduur op grond van het thans geldige terugkeerbesluit maakt dat de duur van zes maanden op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef onder a Vw is verstreken. Daarom is deze maatregel eveneens aangemerkt als verlenging van de bewaring met ten hoogste twaalf maanden op grond van artikel 59, zesde lid, Vw, dan wel zoveel korter indien een deel van de verlengingstermijn inmiddels is verbruikt.
De bewaring van de vreemdeling en voortzetting van de bewaringsduur is noodzakelijk omdat de vreemdeling niet meewerkt aan zijn verwijdering. Zie ter onderbouwing daarvan de in deze maatregel opgenomen toelichting van het risico op onderduiken, het zicht op uitzetting binnen een redelijke termijn en dat de maatregel niet onevenredig bezwarend is.’
2. Uit het arrest van 5 maart 2026 van het Hof van Justitie van de Europese Unie (het Hof), ECLI:EU:C:2026:148 (Aroja), in het bijzonder uit rechtsoverweging 87 van genoemd arrest, blijkt dat een verlengingsbesluit moet worden opgelegd voordat de maximale duur van zes maanden inbewaringstelling op grond van één en hetzelfde terugkeerbesluit is bereikt. In het licht van dit arrest, concludeert de rechtbank dat het verlengingsbesluit niet tijdig is opgelegd. Immers, de inbewaringstellingen van eiser voorafgaande aan de voorliggende inbewaringstelling op grond van hetzelfde terugkeerbesluit van 14 december 2021 hebben tezamen meer dan zes maanden voortgeduurd, te weten van 22 juni 2024 tot en met 23 augustus 2024 en van 9 september 2024 tot en met 7 februari 2025. Dat betekent dat het verlengingsbesluit te laat is opgelegd, zoals ook in het besluit is onderkend. Gelet op het voorgaande, is de rechtbank van oordeel dat de voorliggende maatregel van meet af aan onrechtmatig is geweest, nu er geen verlengingsbesluit meer opgesteld mocht worden omdat de maximale duur van de inbewaringstelling van zes maanden reeds was overschreden. Het beroep is gegrond.
3. Daarnaast overweegt de rechtbank het volgende. Ook in het geval het verlengingsbesluit wel tijdig zou zijn opgemaakt, zou de wijze waarop dit besluit is opgelegd desondanks onrechtmatig zijn. Zoals deze rechtbank, zittingsplaats Groningen, in haar uitspraak van 14 april 2026 (ECLI:NL:RBDHA:2026:9108) heeft overwogen, moet de mogelijkheid worden gegeven aan de vreemdeling om diens zienswijze naar voren te brengen over een verlengingsbesluit voorafgaande de eventuele oplegging daarvan. De rechtbank merkt in dit verband op dat verweerder tijdens het gehoor met eiser niet de mogelijkheid van het opleggen van een verlengingsbesluit heeft besproken. In het verlengde hiervan, heeft eiser bovendien dan ook niet de mogelijkheid gehad om zijn zienswijze over het onaangekondigde verlengingsbesluit naar voren te brengen. Los van hetgeen overwogen onder 2., is deze werkwijze bij het opleggen van een verlengingsbesluit ook onrechtmatig en is het beroep gegrond.
Conclusie en gevolgen
4. Het beroep is gegrond en de maatregel van bewaring is vanaf het moment van opleggen daarvan onrechtmatig. De rechtbank beveelt de opheffing van de maatregel van bewaring met ingang van 27 mei 2026.
5. Op grond van artikel 106 van de Vw kan de rechtbank indien zij de opheffing van de maatregel van bewaring beveelt aan eiser een schadevergoeding ten laste van de Staat toekennen. De rechtbank acht gronden aanwezig om een schadevergoeding toe te kennen voor 21 dagen onrechtmatige (tenuitvoerlegging van de) vrijheidsontnemende maatregel van 2 x € 160,- (verblijf politiecel) en 19 x € 120,- (verblijf detentiecentrum) = € 2.600,-.
6. De rechtbank veroordeelt verweerder in de door eiser gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 1.868,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 934,- en een wegingsfactor 1).
Beslissing
De rechtbank:
- verklaart het beroep gegrond;
- beveelt de opheffing van de maatregel van bewaring met ingang van 27 mei 2026;
- veroordeelt de Staat der Nederlanden tot het betalen van een schadevergoeding aan eiser tot een bedrag van € 2.600,-, te betalen door de griffier en beveelt de tenuitvoerlegging van deze schadevergoeding;
- veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 1.868,-.
Deze uitspraak is gedaan door mr. A. Hello, rechter, in aanwezigheid van mr. S.A. Vroegop, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking.
Artikel 15, zesde lid, van de Richtlijn 2008/115/EG van het Europees Parlement en de Raad van 16 december 2008 over gemeenschappelijke normen en procedures in de lidstaten voor de terugkeer van onderdanen van derde landen die illegaal op hun grondgebied verblijven (Terugkeerrichtlijn) en artikel 59, zesde lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw).