Rechtbank Den Haag
ECLI:NL:RBDHA:2026:22804
2026-08-14
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
NL26.45014
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen
Inhoudsindicatie
Buiten zitting – grensdetentie – artikel 6, derde lid, Vw – lichter middel – evenredigheidsbeginsel – ongegrond – geen pkv.
Citeert (1)
- ECLI:NL:RBDHA:2026:22391 Rechtbank Den Haag 10-08-2026
Geciteerd door (0)
- geen
Volledige tekst
Volledige tekst (8.754 tekens)
RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Middelburg
Bestuursrecht
zaaknummer: NL26.45014
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[eiseres], eiseresV-nummer: [V-nummer]
(gemachtigde: mr. M.H.K. van Middelkoop),
en
de minister van Asiel en Migratie, verweerder
(gemachtigde: mr. H. Toonders).
Procesverloop
Bij besluit van 7 augustus 2026 (het bestreden besluit) is aan eiseres met toepassing van artikel 6, derde lid, van de Vw een vrijheidsontnemende maatregel opgelegd.
Verweerder heeft de rechtbank op grond van artikel 94, eerste lid, van de Vw van het besluit tot oplegging van de vrijheidsontnemende maatregel in kennis gesteld. Deze kennisgeving wordt gelijkgesteld met een door eiseres ingesteld beroep. Dit beroep moet tevens worden aangemerkt als een verzoek om toekenning van schadevergoeding.
Partijen hebben ingestemd met een schriftelijke behandeling. Eiseres heeft haar gronden van beroep op 10 en 11 augustus 2026 ingediend. Verweerder heeft op 12 augustus 2026 een verweerschrift ingediend. De rechtbank heeft het onderzoek op 13 augustus 2026 gesloten.
Overwegingen
Eiseres heeft op 6 augustus 2026 om 20:15 uur aan de buitengrens op de luchthaven Schiphol een verzoek om internationale bescherming kenbaar gemaakt. Verweerder heeft op 7 augustus 2026 het besluit over de toegangsweigering uitgesteld en aan eiseres een vrijheidsontnemende maatregel op grond van artikel 6, derde lid, van de Vw opgelegd. Onderhavig beroep ziet uitsluitend op de vrijheidsontnemende maatregel, nu tegen de uitgestelde toegangsweigering geen beroep openstaat.
Op grond van artikel 5.1a van het Vb wordt een vrijheidsontnemende maatregel op grond van artikel 6, derde lid, van de Vw opgelegd in het kader van het grensbewakingsbelang. Deze wordt niet opgelegd of voortgezet indien sprake is van bijzondere individuele omstandigheden die vrijheidsontneming onevenredig bezwarend maken.
3. Indien de rechtbank bij de beoordeling van het beroep van oordeel is dat de toepassing of tenuitvoerlegging van de maatregel in strijd is met de Vw dan wel bij afweging van alle daarbij betrokken belangen niet gerechtvaardigd is, verklaart zij op grond van artikel 94, zesde lid, van de Vw het beroep gegrond.
4. Eiseres voert in beroep het volgende aan. Er was geen verplichting om ten aanzien van eiseres de asielgrensprocedure toe te passen om de buitengrenzen te bewaken, nu deze plicht niet door de Uniewetgever wordt voorgeschreven in artikel 43 van de Procedureverordening. Grensdetentie dient als ultimum remedium te worden ingezet en verweerder heeft onvoldoende gemotiveerd dat dit het geval is. Verweerder heeft ten onrechte niet beoordeeld of gemotiveerd waarom niet met een lichter middel kon worden volstaan. Het grensbewakingsbelang kan niet zo groot zijn dat nooit een lichter middel wordt toegepast. Tijdens het screeningsgehoor zijn geen vragen gesteld over het lichter middel. Ten onrechte wordt door verweerder niet actief op zoek gegaan naar alle feiten en omstandigheden met betrekking tot de evenredigheid van de detentie. Eiseres verwijst naar de uitspraak van rechtbank Roermond van 10 augustus 2026 en stelt zich op het standpunt dat ook in haar zaak de voorlopige medische check voor het eerst op het aanmeldcentrum van Schiphol is gedaan en niet tijdens het screeningsproces. Hiermee is de screeningsprocedure willens en wetens in strijd met de Screeningsverordening ingericht. De rechtbank oordeelt als volgt.
5. De mogelijkheid voor verweerder om grensdetentie toe te passen wordt geboden in artikel 43, eerste lid, van de Procedureverordening. Naar het oordeel van de rechtbank rechtvaardigt het grensbewakingsbelang naar zijn aard dat een vrijheidsbenemende maatregel wordt toegepast. Het grensbewakingsbelang is in dit geval aan de orde nu nog moet worden geoordeeld over het verlenen van toegang tot het grondgebied van een vreemdeling die niet aan de toegangsvoorwaarden voldoet.
6. De vaststelling dat grensdetentie nodig is om het grensbewakingsbelang daadwerkelijk te dienen neemt niet weg dat verweerder in ieder individueel geval afzonderlijk dient te beoordelen of met een lichter middel kan worden volstaan, ook indien hij daarmee het grensbewakingsbelang prijs geeft. Uit de maatregel blijkt dat verweerder die beoordeling heeft verricht. Daarbij heeft verweerder betrokken dat eiseres tijdens het gehoor voorafgaand aan de maatregel heeft verklaard geen bezwaren te hebben tegen de maatregel. Daarnaast is niet gebleken van individuele feiten of omstandigheden op grond waarvan de bewaring achterwege dient te blijven. Verweerder heeft hierin op voorhand geen aanleiding hoeven zien om de vrijheidsontneming achterwege te laten. Verweerder wijst er in het verweerschrift terecht op dat eiseres in haar beroepsgronden niet nader heeft geconcretiseerd welke vragen volgens eiseres nog meer gesteld hadden moeten worden in het gehoor, noch welke omstandigheden uiteindelijk tot de conclusie hadden moeten leiden dat moet worden afgezien van het opleggen van de vrijheidsontnemende maatregel.
7. De Screeningsverordening is van toepassing op alle onderdanen van derde landen die de buitengrenzen van de lidstaten overschrijden zonder aan de toepassingsvoorwaarden van artikel 6 van de Schengengrenscode te voldoen. Niet is in geschil dat de Screeningsverordening ook op eiseres van toepassing is. De rechtbank volgt het beroep van eiseres op de uitspraak van zittingsplaats Roermond niet. Naar het oordeel van de rechtbank is een geheel voltooide screeningsprocedure geen noodzakelijke voorwaarde voor een doorverwijzing van de behandeling van een asielaanvraag van een vreemdeling naar de grensprocedure. De medische screening kan daarom ook plaatsvinden wanneer eiseres zich al in het Aanmeldcentrum bevindt. Zo volgt uit artikel 43, eerste lid aanhef en onder a, van de Procedureverordening en artikel 18 van de Screeningsverordening niet dat verweerder niet mag kiezen voor een toepassing van de asielgrensprocedure voordat alle stappen van de screeningsprocedure zijn doorlopen. De rechtbank vindt steun voor dit oordeel in artikel 18, vijfde lid, van de Screeningsverordening. Hierin is opgenomen dat indien onderdanen van derde landen worden doorverwezen naar de passende procedure voor internationale bescherming de screening wordt beëindigd, ondanks dat niet alle controles binnen de in artikel 8 van de Screeningsverordening bedoelde termijnen zijn voltooid. Ook in de overige bepalingen leest de rechtbank niet dat toepassing van de grensprocedure pas is toegestaan indien alle stappen van de screeningsprocedure zijn doorlopen.
8. Verder is de rechtbank van oordeel dat in deze procedure niet kan worden beoordeeld of de screeningsprocedure is doorlopen volgens de regels van de Screeningsverordening, omdat deze beoordeling plaatsvindt indien een onderdaan van een derde land – zonder een asielaanvraag die in de grensprocedure wordt behandeld – opkomt tegen een aan hem opgelegde maatregel van bewaring tijdens het doorlopen van de screeningsprocedure. Wel acht de rechtbank het van belang dat verweerder voorafgaand aan de afweging om een vrijheidsontnemende maatregel op te leggen, adequaat beoordeelt of eiseres detentiegeschikt is en of een lichter middel op zijn plaats is. Zoals reeds hiervoor is overwogen heeft verweerder deze aspecten voldoende betrokken in zijn afweging. Hetgeen eiseres aanvoert over de screeningsprocedure slaagt derhalve niet.
9. Het beroep is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen.
10. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Beslissing
De rechtbank:
- verklaart het beroep ongegrond;
- wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Deze uitspraak is gedaan op 14 augustus 2026 door mr. W.H. Bel, rechter, in aanwezigheid van mr. Y. Chakur, griffier, en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
Deze uitspraak is bekendgemaakt op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking.
Vreemdelingenwet 2000.
Vreemdelingenbesluit 2000.
ECLI:NL:RBDHA:2026:22391.
Verordening (EU) 2024/1356
Verordening (EU) 2016/399.
Verordening (EU) 2024/1348.
Zittingsplaats Middelburg
Bestuursrecht
zaaknummer: NL26.45014
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[eiseres], eiseresV-nummer: [V-nummer]
(gemachtigde: mr. M.H.K. van Middelkoop),
en
de minister van Asiel en Migratie, verweerder
(gemachtigde: mr. H. Toonders).
Procesverloop
Bij besluit van 7 augustus 2026 (het bestreden besluit) is aan eiseres met toepassing van artikel 6, derde lid, van de Vw een vrijheidsontnemende maatregel opgelegd.
Verweerder heeft de rechtbank op grond van artikel 94, eerste lid, van de Vw van het besluit tot oplegging van de vrijheidsontnemende maatregel in kennis gesteld. Deze kennisgeving wordt gelijkgesteld met een door eiseres ingesteld beroep. Dit beroep moet tevens worden aangemerkt als een verzoek om toekenning van schadevergoeding.
Partijen hebben ingestemd met een schriftelijke behandeling. Eiseres heeft haar gronden van beroep op 10 en 11 augustus 2026 ingediend. Verweerder heeft op 12 augustus 2026 een verweerschrift ingediend. De rechtbank heeft het onderzoek op 13 augustus 2026 gesloten.
Overwegingen
Eiseres heeft op 6 augustus 2026 om 20:15 uur aan de buitengrens op de luchthaven Schiphol een verzoek om internationale bescherming kenbaar gemaakt. Verweerder heeft op 7 augustus 2026 het besluit over de toegangsweigering uitgesteld en aan eiseres een vrijheidsontnemende maatregel op grond van artikel 6, derde lid, van de Vw opgelegd. Onderhavig beroep ziet uitsluitend op de vrijheidsontnemende maatregel, nu tegen de uitgestelde toegangsweigering geen beroep openstaat.
Op grond van artikel 5.1a van het Vb wordt een vrijheidsontnemende maatregel op grond van artikel 6, derde lid, van de Vw opgelegd in het kader van het grensbewakingsbelang. Deze wordt niet opgelegd of voortgezet indien sprake is van bijzondere individuele omstandigheden die vrijheidsontneming onevenredig bezwarend maken.
3. Indien de rechtbank bij de beoordeling van het beroep van oordeel is dat de toepassing of tenuitvoerlegging van de maatregel in strijd is met de Vw dan wel bij afweging van alle daarbij betrokken belangen niet gerechtvaardigd is, verklaart zij op grond van artikel 94, zesde lid, van de Vw het beroep gegrond.
4. Eiseres voert in beroep het volgende aan. Er was geen verplichting om ten aanzien van eiseres de asielgrensprocedure toe te passen om de buitengrenzen te bewaken, nu deze plicht niet door de Uniewetgever wordt voorgeschreven in artikel 43 van de Procedureverordening. Grensdetentie dient als ultimum remedium te worden ingezet en verweerder heeft onvoldoende gemotiveerd dat dit het geval is. Verweerder heeft ten onrechte niet beoordeeld of gemotiveerd waarom niet met een lichter middel kon worden volstaan. Het grensbewakingsbelang kan niet zo groot zijn dat nooit een lichter middel wordt toegepast. Tijdens het screeningsgehoor zijn geen vragen gesteld over het lichter middel. Ten onrechte wordt door verweerder niet actief op zoek gegaan naar alle feiten en omstandigheden met betrekking tot de evenredigheid van de detentie. Eiseres verwijst naar de uitspraak van rechtbank Roermond van 10 augustus 2026 en stelt zich op het standpunt dat ook in haar zaak de voorlopige medische check voor het eerst op het aanmeldcentrum van Schiphol is gedaan en niet tijdens het screeningsproces. Hiermee is de screeningsprocedure willens en wetens in strijd met de Screeningsverordening ingericht. De rechtbank oordeelt als volgt.
5. De mogelijkheid voor verweerder om grensdetentie toe te passen wordt geboden in artikel 43, eerste lid, van de Procedureverordening. Naar het oordeel van de rechtbank rechtvaardigt het grensbewakingsbelang naar zijn aard dat een vrijheidsbenemende maatregel wordt toegepast. Het grensbewakingsbelang is in dit geval aan de orde nu nog moet worden geoordeeld over het verlenen van toegang tot het grondgebied van een vreemdeling die niet aan de toegangsvoorwaarden voldoet.
6. De vaststelling dat grensdetentie nodig is om het grensbewakingsbelang daadwerkelijk te dienen neemt niet weg dat verweerder in ieder individueel geval afzonderlijk dient te beoordelen of met een lichter middel kan worden volstaan, ook indien hij daarmee het grensbewakingsbelang prijs geeft. Uit de maatregel blijkt dat verweerder die beoordeling heeft verricht. Daarbij heeft verweerder betrokken dat eiseres tijdens het gehoor voorafgaand aan de maatregel heeft verklaard geen bezwaren te hebben tegen de maatregel. Daarnaast is niet gebleken van individuele feiten of omstandigheden op grond waarvan de bewaring achterwege dient te blijven. Verweerder heeft hierin op voorhand geen aanleiding hoeven zien om de vrijheidsontneming achterwege te laten. Verweerder wijst er in het verweerschrift terecht op dat eiseres in haar beroepsgronden niet nader heeft geconcretiseerd welke vragen volgens eiseres nog meer gesteld hadden moeten worden in het gehoor, noch welke omstandigheden uiteindelijk tot de conclusie hadden moeten leiden dat moet worden afgezien van het opleggen van de vrijheidsontnemende maatregel.
7. De Screeningsverordening is van toepassing op alle onderdanen van derde landen die de buitengrenzen van de lidstaten overschrijden zonder aan de toepassingsvoorwaarden van artikel 6 van de Schengengrenscode te voldoen. Niet is in geschil dat de Screeningsverordening ook op eiseres van toepassing is. De rechtbank volgt het beroep van eiseres op de uitspraak van zittingsplaats Roermond niet. Naar het oordeel van de rechtbank is een geheel voltooide screeningsprocedure geen noodzakelijke voorwaarde voor een doorverwijzing van de behandeling van een asielaanvraag van een vreemdeling naar de grensprocedure. De medische screening kan daarom ook plaatsvinden wanneer eiseres zich al in het Aanmeldcentrum bevindt. Zo volgt uit artikel 43, eerste lid aanhef en onder a, van de Procedureverordening en artikel 18 van de Screeningsverordening niet dat verweerder niet mag kiezen voor een toepassing van de asielgrensprocedure voordat alle stappen van de screeningsprocedure zijn doorlopen. De rechtbank vindt steun voor dit oordeel in artikel 18, vijfde lid, van de Screeningsverordening. Hierin is opgenomen dat indien onderdanen van derde landen worden doorverwezen naar de passende procedure voor internationale bescherming de screening wordt beëindigd, ondanks dat niet alle controles binnen de in artikel 8 van de Screeningsverordening bedoelde termijnen zijn voltooid. Ook in de overige bepalingen leest de rechtbank niet dat toepassing van de grensprocedure pas is toegestaan indien alle stappen van de screeningsprocedure zijn doorlopen.
8. Verder is de rechtbank van oordeel dat in deze procedure niet kan worden beoordeeld of de screeningsprocedure is doorlopen volgens de regels van de Screeningsverordening, omdat deze beoordeling plaatsvindt indien een onderdaan van een derde land – zonder een asielaanvraag die in de grensprocedure wordt behandeld – opkomt tegen een aan hem opgelegde maatregel van bewaring tijdens het doorlopen van de screeningsprocedure. Wel acht de rechtbank het van belang dat verweerder voorafgaand aan de afweging om een vrijheidsontnemende maatregel op te leggen, adequaat beoordeelt of eiseres detentiegeschikt is en of een lichter middel op zijn plaats is. Zoals reeds hiervoor is overwogen heeft verweerder deze aspecten voldoende betrokken in zijn afweging. Hetgeen eiseres aanvoert over de screeningsprocedure slaagt derhalve niet.
9. Het beroep is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen.
10. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Beslissing
De rechtbank:
- verklaart het beroep ongegrond;
- wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Deze uitspraak is gedaan op 14 augustus 2026 door mr. W.H. Bel, rechter, in aanwezigheid van mr. Y. Chakur, griffier, en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
Deze uitspraak is bekendgemaakt op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking.
Vreemdelingenwet 2000.
Vreemdelingenbesluit 2000.
ECLI:NL:RBDHA:2026:22391.
Verordening (EU) 2024/1356
Verordening (EU) 2016/399.
Verordening (EU) 2024/1348.