Rechtbank Den Haag
ECLI:NL:RBDHA:2026:22391
Inhoudsindicatie
Grensdetentie / Iran / voorlopige medische beoordeling / opheffing maatregel De Uniewetgever heeft in artikel 8, lid 5 onder a) van Verordening 2024/1356 uitdrukkelijk bepaald dat de screening mede bestaat uit een voorlopige medische controle en in artikel 12, lid 1, van deze verordening uitdrukkelijk bepaald dat de voorlopige medische controle wordt uitgevoerd door gekwalificeerd medisch personeel. Deze bepalingen zijn gedetailleerd en dwingend voorgeschreven. De screeningsprocedure valt dus niet onder de procedurele autonomie van de lidstaten en het is dus niet aan verweerder om de screeningsprocedure naar eigen goeddunken anders vorm te geven. Anders dan verweerder vindt, acht de rechtbank zich wel bevoegd om de wijze waarop uitvoering is gegeven aan de screening te betrekken bij de rechtmatigheidsbeoordeling van de maatregel. Verweerder heeft gewezen op artikel 10 van Verordening 2024/1356 en de instelling van een onafhankelijk toezichtmechanisme. De rechtbank is evenwel verplicht om op grond van artikel 47 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie een doeltreffende voorziening in rechte te bieden en voldoet daar niet aan als zij eiseres in de uitspraak enkel wijst op dit toezichtmechanisme. De rechtbank overweegt dat verweerder eiseres in de screeningsfase een voorlopige medische controle heeft onthouden en dat dit in evident strijd is met het Unierecht. De rechtbank acht dit ernstig omdat dit geen incident is maar omdat verweerder zijn screeningsprocedure op dit punt willens en wetens in strijd met Verordening 2024/1356 heeft ingericht. De rechtbank overweegt voorts dat een voorlopige medische controle een essentiële fase in de screening is en een waarborg voor derdelanders die gescreend worden dat hun medische problematiek bij keuze voor de te volgen procedure wordt betrokken. De medische intake die in het JCS hoe dan ook plaatsvindt na oplegging van de maatregel ontheft verweerder dus niet van deze verplichting. Opheffing & invrijheidstelling & SV & PKV.
Citeert (0)
- geen
Geciteerd door (6)
- ECLI:NL:RBDHA:2026:26835 Rechtbank Den Haag 15-09-2026
- ECLI:NL:RBDHA:2026:26724 Rechtbank Den Haag 11-09-2026
- ECLI:NL:RBDHA:2026:26726 Rechtbank Den Haag 11-09-2026
- ECLI:NL:RBDHA:2026:24166 Rechtbank Den Haag 25-08-2026
- ECLI:NL:RBDHA:2026:25080 Rechtbank Den Haag 24-08-2026
- ECLI:NL:RBDHA:2026:22804 Rechtbank Den Haag 14-08-2026
Volledige tekst
Volledige tekst (18.238 tekens)
Zittingsplaats Roermond
Bestuursrecht
zaaknummer: NL26.43669
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[eiseres] , V-nummer: [V-nummer] , eiseres,
(gemachtigde: mr. F. Arslan),
en
de minister van Asiel en Migratie, verweerder,
(gemachtigde: mr. J.A.A. Willems).
Procesverloop
1. Bij besluit van 2 augustus 2026 heeft verweerder aan eiseres een vrijheidsontnemende maatregel opgelegd op grond van artikel 6, derde lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000) en de rechtbank daarvan in kennis gesteld.
1.1.
Deze kennisgeving wordt gelijkgesteld met een door eiseres ingesteld beroep. Het beroep wordt ook aangemerkt als een verzoek om schadevergoeding.
1.2.
Namens eiseres zijn op 5 augustus 2026 schriftelijk gronden ingediend.
1.3.
De rechtbank heeft het beroep op 6 augustus 2026 op zitting behandeld. Eiseres is verschenen, bijgestaan door haar gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.
1.4
De rechtbank heeft ter zitting meerdere vragen gesteld aan verweerder. Verweerder heeft verzocht om een termijn om deze vragen schriftelijk te beantwoorden. Eiseres heeft aangeven daar mee te kunnen instemmen. De rechtbank heeft het onderzoek na de behandeling van het beroep niet gesloten.
1.5
De rechtbank heeft op 6 augustus 2026 vragen voor verweerder in het dossier geplaatst.
1.6
Verweerder heeft de vragen van de rechtbank op 7 augustus 2026 beantwoord en onder meer het hoger beroepschrift in een grensdetentieprocedure ingebracht waarin vragen van de Afdeling in die procedure zijn beantwoord.
1.7
Eiseres heeft gereageerd op het standpunt van verweerder en heeft nadere informatie aan het dossier toegevoegd.
Overwegingen
2. Eiseres heeft de Iraanse nationaliteit en is geboren op [geboortedatum] 1999. Op 1 augustus 2026 heeft zij aan de buitengrens van de Unie, een asielaanvraag ingediend.
3. Eiseres heeft haar land van herkomst verlaten, heeft diverse vluchten via verschillende landen genomen en is uiteindelijk op 1 augustus 2026 op Schiphol Airport geland met een vlucht vanuit Tbilisi. Eiseres heeft bij de Koninklijke Mareschaussee een Iraans paspoort met daarin vervalst Bulgaars visum getoond en aangegeven dat zij in Nederland een asielaanvraag wil indienen. In de avond van 1 augustus 2026 heeft eiseres een aanwijzing gekregen om zich tot 2 augustus 2026 om 07.00 uur op te houden in de internationale lounge op de luchthaven. Omdat eiseres niet in het bezit is van een geldig document voor grensoverschrijding en zij niet beschikt over voldoende middelen van bestaan, is op 2 augustus 2026 de toegangsverlening tot het Nederlands grondgebied uitgesteld. Ook is op 2 augustus 2026 aan eiseres een vrijheidsontnemende maatregel (de grensdetentie) opgelegd op grond van artikel 6, derde lid, van de Vw 2000.
4. Eiseres is het niet eens met de opgelegde vrijheidsontnemende maatregel en heeft hiertoe aangevoerd dat verweerder niet heeft voldaan aan de voorwaarden van de artikelen 8 en 12 van de Screeningsverordening. Er is immers niet gebleken dat eiseres tijdens de screeningprocedure een voorlopige medische controle heeft gehad door gekwalificeerd personeel. Dat eiseres door een wachtmeester van de Koninklijke Mareschaussee is gevraagd of zij medische klachten had is onvoldoende. Eiseres heeft namelijk last van paniekaanvallen. Eiseres is van oordeel dat in artikel 43 van de Procedureverordening staat dat de asielgrensprocedure pas kan aanvangen na afloop van de screeningsprocedure. Nu er in geval van eiseres geen volledige, zorgvuldige screening heeft plaatsgevonden, kon de grensprocedure daarom niet worden toegepast. Derhalve had verweerder ook geen bewaringsmaatregel op grond van artikel 6, derde lid, van de Vw mogen opleggen.
5. De rechtbank heeft naar aanleiding van hetgeen ter zitting is besproken een bericht in het dossier geplaatst met de navolgende vragen(…)
- In artikel 8, lid 5 onder a) van Verordening 2024/1356 is bepaald dat de screening mede bestaat uit een voorlopige medische controle. In artikel 12, lid 1, van deze verordening is bepaald dat de voorlopige medische controle wordt uitgevoerd door gekwalificeerd medisch personeel. Wie voert deze voorlopige medische controle aan de buitengrens uit en wordt die in elke screening uitgevoerd? Indien de KMar deze controle verricht, kunt u dan onderbouwen waaruit blijkt dat de medewerkers van de KMar gekwalificeerd medisch personeel zijn? De rechtbank wijst u er op dat in het screeningsformulier dat in het dossier is gevoegd en eiseres betreft, de vraag of deze voorlopige medische controle is uitgevoerd niet is beantwoord.
- Wie voert de beoordeling of sprake is van een kwetsbare situatie of speciale opvang- of procedurele behoeften als bedoeld in artikel 12, lid 4, van Verordening 2024/1356 uit? Dient een specifieke opleiding te worden gevolgd om deze beoordeling te kunnen verrichten en zo ja, waaruit bestaat deze opleiding? Kunt u voorbeelden noemen van 'aanwijzingen' als bedoeld in deze bepaling?
-Wanneer wordt eiseres gehoord op haar asielaanvraag en wanneer wordt op deze aanvraag
beslist?
-Hoe verhoudt het verwijzen naar de asielgrensprocedure zich met het op 19 maart 2026 voor de duur van zes maanden afgekondigde besluit- en vertrekmoratorium voor Iran en met name met de termijnen waarbinnen op de asielaanvraag van eiseres moet worden beslist.
-In het geval de screening niet aan de daartoe gestelde vereisten heeft voldaan, regardeert dit
dan de rechtmatigheid van de grensdetentiemaatregel en waarom wel/niet?
-Is de bewaringsrechter bevoegd om te controleren of de screening aan alle vereisten heeft voldaan. Waarom niet, waarom wel?
-Staat er een zelfstandig rechtsmiddel open tegen de wijze waarop de screening heeft plaatsgevonden? Indien dit niet het geval is, op welke wijze kan een verzoeker die haar verzoek om internationale bescherming aan de buitengrens indient, de rechtmatigheid van de screening aan de orde stellen?
(…)
6. Verweerder heeft al deze vragen gedetailleerd en gemotiveerd beantwoord. Eiseres heeft op deze antwoorden gereageerd. De rechtbank zal de grensdetentiemaatregel opheffen en motiveert dit als volgt.
7. In artikel 8, lid 5 onder a) van Verordening 2024/1356 is bepaald dat de screening mede bestaat uit een voorlopige medische controle. In artikel 12, lid 1, van deze verordening is bepaald dat de voorlopige medische controle wordt uitgevoerd door gekwalificeerd medisch personeel. Verweerder heeft de eerste vraag van de rechtbank als volgt beantwoord:
(…)
De screening aan de buitengrens vindt zo veel mogelijk plaats binnen de reguliere activiteiten in het kader van de grensbewaking. Een voorlopige medische controle maakt daarvan geen deel uit. Dit betekent dat de screening wordt afgerond nadat de grenswachter van de Koninklijke Marechaussee de controles van de screening, met uitzondering van de voorlopige medische controle, heeft uitgevoerd. Op grond van artikel 18, vijfde lid, van de
Screeningsverordening eindigt de screening op het moment dat de vreemdeling wordt doorverwezen naar de passende procedure.
In deze zaak is de vreemdeling doorverwezen naar het Justitieel Complex Schiphol, alwaar de asielgrensprocedure plaatsvindt. Aldaar voert de medische dienst van de Dienst Justitiële Inrichtingen een medische controle uit, zoals te doen gebruikelijk bij plaatsing in vreemdelingendetentie, welke medische controle voldoet aan het gestelde in artikel 12, eerste lid, van de Screeningsverordening. Deze voorlopige medische controle ziet op de
vaststelling of vreemdelingen gezondheidszorg behoeven of omwille van de
volksgezondheid moeten worden geïsoleerd.
De Minister meent dat deze handelswijze geen afbreuk doet aan het doel van de screening. Met luchthaven Schiphol als screeningslocatie en het integreren van de screening in de reguliere activiteiten in het kader van de grensbewaking wordt juist bewerkstelligd dat de screening onverwijld kan plaatsvinden, dat deze zo kort mogelijk duurt en dat zo spoedig mogelijk de asielgrensprocedure een aanvang kan nemen.
Daarbij wijst de Minister er op dat de voorlopige medische controle niet door de screeningsautoriteit zelf kan worden verricht. Volledigheidshalve wordt nog opgemerkt dat de grenswachter van de Koninklijke Marechaussee wel in staat is de situatie te onderkennen waarbij onmiddellijke medische zorg noodzakelijk is. In die situatie wordt direct de medische dienst van de luchthaven Schiphol ingeschakeld. Het verlenen van medisch noodzakelijke zorg heeft dan uiteraard voorrang boven het screeningsproces.
(…)
8. Eiseres heeft zich naar aanleiding van deze reactie op het standpunt gesteld dat de screening niet volledig is geweest omdat de voorlopige medische controle ontbreekt. De rechtbank is het daar mee eens.
9. De Uniewetgever heeft in artikel 8, lid 5 onder a) van Verordening 2024/1356 uitdrukkelijk bepaald dat de screening mede bestaat uit een voorlopige medische controle en in artikel 12, lid 1, van deze verordening uitdrukkelijk bepaald dat de voorlopige medische controle wordt uitgevoerd door gekwalificeerd medisch personeel. Deze bepalingen zijn gedetailleerd en dwingend voorgeschreven. De screeningsprocedure valt dus niet onder de procedurele autonomie van de lidstaten en het is dus niet aan verweerder om de screeningsprocedure naar eigen goeddunken anders vorm te geven.
10. De medische intake die plaatsvindt nadat de screeningsfase al is afgerond kan de voorlopige medische controle in de screeningsfase niet vervangen. Indien gekwalificeerd medisch geschoold personeel in de screeningsfase medische en/of andere problematiek constateert, kan reeds dan duidelijk worden dat de asielaanvraag niet in de grensprocedure kan worden behandeld omdat dit, zoals verweerder lijkt te erkennen, bij wijze van regel vergezeld lijkt te gaan van oplegging van de grensdetentiemaatregel. Een medische intake in het JCS vindt pas plaats als de grensdetentiemaatregel al is opgelegd en dat is dus te laat. De inrichtingarts zal wellicht uit eigen beweging een detentiegeschiktheids-beoordeling maken indien ernstige medische problematiek zich ogenblikkelijk openbaart, maar in alle andere gevallen zal deze mogelijke problematiek niet meer kunnen worden betrokken bij de vraag of moet worden afgezien van oplegging van de maatregel.
11. Het inrichten van de screeningsprocedure overeenkomstig de door de Uniewetgever vastgestelde voorschriften hoeft ook geen probleem te zijn. Verweerder dient eenvoudigweg zorg te dragen voor de aanwezigheid van gekwalificeerd medisch personeel in de screeningslocatie om de door de Uniewetgever voorgeschreven voorlopige medische controle uit te voeren.
12. De argumenten van verweerder dat zijn procedure snel is en de grenswachter van de Koninklijke Marechaussee wel in staat is de situatie te onderkennen waarbij onmiddellijke medische zorg noodzakelijk is, vormen in het geheel geen rechtvaardiging om de in Verordening 2024/1356 bepaalde procedure niet te volgen.
13. Indien de voorlopige medische controle in de screeningsfase plaatsvindt door gekwalificeerd medisch personeel is bovendien de mogelijkheid om relevante informatie te verkrijgen groter. Eiseres heeft ter zitting verklaard en dit is ook onderbouwd met berichten van vluchtelingenwerk, dat zij last heeft van paniekaanvallen en het psychisch zeer zwaar vindt om de maatregel te ondergaan. In een bericht van 8 augustus 2026 van een medewerkster van vluchtelingenwerk is vermeld dat eiseres emotioneel is, en meerdere keren huilend heeft verteld dat het detentiecentrum ondragelijk is door haar traumatische ervaringen in Iran. Bij haar gehoor ten overstaan van de Kmar heeft eiseres dit alles niet verteld. De rechtbank sluit niet uit dat het verklaren over medische problematiek en mogelijke trauma’s ten aanzien van gekwalificeerd medisch personeel minder belastend is dan ten overstaan van geüniformeerde medewerkers van de Kmar en de rechtbank sluit niet uit dat gekwalificeerd medisch personeel eerder in de gaten heeft wanneer doorgevraagd moet worden omdat zij ook op andere omstandigheden dan antwoorden op vragen zullen letten.
14. De gemachtigde van eiseres heeft hierover het navolgende aangevoerd.
(…)
Betrokkene wenst op te merken dat IND aangeeft dat de grenswachter is staat is om is de situatie te onderkennen waarbij onmiddellijke medische zorg noodzakelijk, daar twijfelt betrokkene niet aan. Maar het gaat in dit geval om niet onmiddellijke medische zorg. Het gaat om kwetsbare mensen op de vlucht die niet in staat zijn of zich durven te uiten. Mij is niet bekend of de grenswachter daarin is getraind in het herkennen van culturele verschillen, verschillende communicatievormen, herkennen van indicaties, ik noem angstig kijken, nervositeit, vaak plassen, stotteren, luid praten of juist dichtvallen, onrustig gedrag en andere gedragingen.
Ook is mij niet bekend of de grenswachter alert is op de verschillende vormen van communicatiestijlen en vormen. Ik noem, niet in de ogen kijken, directe vragen stellen, gericht antwoorden.
Betrokkene is van oordeel dat haar kwetsbaarheid wel te zien was. Verder is zij in een ruimte gezet, klein, donker zonder ramen, zij heeft aangegeven dat zij het moeilijk had, zij is weliswaar verplaatst maar verzuimd is om navraag te doen naar de medische gesteldheid, of door te vragen. Dat zou aanleiding moeten vormen om gekwalificeerd/gespecialiseerd personeel in te zetten (…)
(…)
15. De rechtbank is het hier mee eens.
16. Anders dan verweerder vindt, acht de rechtbank zich wel bevoegd om de wijze waarop uitvoering is gegeven aan de screening te betrekken bij de rechtmatigheidsbeoordeling van de maatregel. Verweerder heeft gewezen op artikel 10 van Verordening 2024/1356 en de instelling van een onafhankelijk toezichtmechanisme. De rechtbank is evenwel verplicht om op grond van artikel 47 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie een doeltreffende voorziening in rechte te bieden en voldoet daar niet aan als zij eiseres in de uitspraak enkel wijst op dit toezichtmechanisme.
17. De rechtbank overweegt dat verweerder eiseres in de screeningsfase een voorlopige medische controle heeft onthouden en dat dit in evident strijd is met het Unierecht. De rechtbank acht dit ernstig omdat dit geen incident is maar omdat verweerder zijn screeningsprocedure op dit punt willens en wetens in strijd met Verordening 2024/1356 heeft ingericht. De rechtbank overweegt voorts dat een voorlopige medische controle een essentiële fase in de screening is en een waarborg voor derdelanders die gescreend worden dat hun medische problematiek bij keuze voor de te volgen procedure wordt betrokken. De medische intake die in het JCS hoe dan ook plaatsvindt na oplegging van de maatregel ontheft verweerder dus niet van deze verplichting. In deze concrete procedure is aannemelijk dat eiseres tegenover gekwalificeerd medisch personeel niet gezegd zou hebben dat ‘het goed met haar gaat” en dat “ze geen bezwaren heeft tegen de maatregel”.
18. De rechtbank heft de maatregel op vanwege het onthouden van een voorlopige medische controle door gekwalificeerd medisch personeel in de screeningsfase. De rechtbank acht het niet nodig om de overige rechtmatigheidsaspecten te beoordelen omdat die niet tot de conclusie kunnen leiden dat de maatregel alsnog rechtmatig moet worden bevonden.
19. De rechtbank verklaart het beroep dus gegrond. Derhalve wordt de grensdetentiemaatregel opgeheven en eiseres in vrijheid gesteld.
20. De rechtbank acht gronden aanwezig om een schadevergoeding toe te kennen voor negen dagen onrechtmatige tenuitvoerlegging van de vrijheidsontneming ten bedrage van 9 x € 120,- (verblijf detentiecentrum) = € 1.080,-.
21. De rechtbank ziet verder aanleiding tot het toekennen van proceskosten. Nu er sprake is van een kennisgeving wordt er geen punt ingesteld voor het indienen van beroep. De kennisgeving van de bewaring wordt weliswaar gelijkgesteld met een beroep, maar het toekennen van een proceskostenveroordeling ziet op een vergoeding van verrichte proceshandelingen en de wetgever heeft bepaald dat er geen proceshandeling hoeft te worden verricht om een rechtmatigheidsbeoordeling van een bewaringsmaatregel te verkrijgen omdat verweerder de rechtbank in kennis moet stellen van de oplegging van de maatregel. Wel wordt er een punt met een waarde van € 934,- en een wegingsfactor 1 toegekend voor het verschijnen op zitting.
22. Beslist wordt als volgt.
Beslissing
De rechtbank:
- verklaart het beroep gegrond;
- beveelt de onmiddellijke opheffing van de maatregel;- gelast de onmiddellijke invrijheidstelling van eiseres;
- veroordeelt de Staat der Nederlanden tot het betalen van € 1.080,-.aan schadevergoeding aan eiseres, te betalen door de griffier en beveelt de tenuitvoerlegging van deze schadevergoeding;
- veroordeelt verweerder tot betaling van € 934,- aan proceskosten aan eiser.
Deze uitspraak is gedaan door mr. S. van Lokven, rechter, in aanwezigheid van mr. D. Damoiseaux, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op: 10 augustus 2026.
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking.