Neuralex RechtspraakNeuralex Rechtspraak
Inloggen staging

Rechtbank Den Haag

ECLI:NL:RBDHA:2026:22645

2026-07-17 Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht NL26.38102
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen

Gegevens

Instantie
Rechtbank Den Haag
Uitspraakdatum
2026-07-17
Publicatiedatum
2026-08-13
Rechtsgebied
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Procedure
Eerste aanleg - enkelvoudig
Zaaknummer
NL26.38102
Type
Uitspraak
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Inhoudsindicatie

Bewaring, kennisgeving, intrekking (kennisgevings)beroep?, lichter middel, ongegrond.

Citeert (7)

Geciteerd door (0)

  • geen

Wetsverwijzingen

Volledige tekst

Volledige tekst (19.046 tekens)
RECHTBANK DEN HAAG


Zittingsplaats Rotterdam



Bestuursrecht



zaaknummer: NL26.38102


uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser] , eiser

V-nummer: [nummer]
(gemachtigde: mr. W.M. Blaauw),



en


de minister van Asiel en Migratie, verweerder
(gemachtigde: mr. A.E. van Midden).


Samenvatting


1. Deze uitspraak gaat over de maatregel van vreemdelingenbewaring die aan eiser is opgelegd. Deze maatregel is opgelegd op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000. Eiser is het niet eens met die maatregel. Hij verwijst naar zijn medische omstandigheden en stelt dat hij onvoldoende medicatie en medische zorg krijgt in bewaring. Onder meer aan de hand van deze beroepsgrond beoordeelt de rechtbank de rechtmatigheid van die maatregel en de vraag of aan eiser een schadevergoeding moet worden toegekend. Daarnaast speelt de vraag of de advocaat van eiser het beroep heeft ingetrokken.



1.1.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het beroep niet is ingetrokken en heeft de maatregel inhoudelijk getoetst. Het beroep is ongegrond. Het opleggen van de maatregel van vreemdelingenbewaring is niet onrechtmatig. De maatregel van vreemdelingenbewaring voldoet aan de voorwaarden. Verweerder hoefde niet te kiezen voor een lichter middel. Er is dus geen reden voor het toekennen van een schadevergoeding. Hieronder legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit heeft.



1.2.
In deze uitspraak gebruikt de rechtbank de volgende afkortingen voor de wet- en regelgeving:



Awb: Algemene wet bestuursrecht


Vw: Vreemdelingenwet 2000


Vb: Vreemdelingenbesluit 2000








Procesverloop


2. Met het bestreden besluit van 8 juli 2026 heeft verweerder aan eiser de maatregel van vreemdelingenbewaring opgelegd en de rechtbank daarvan in kennis gesteld.



2.1.
Deze kennisgeving wordt gelijkgesteld met een door eiser ingesteld beroep. Het beroep wordt ook aangemerkt als een verzoek om schadevergoeding.



2.2.
De gemachtigde van eiser heeft een intrekkingsverklaring in het dossier gezet en zich telefonisch en schriftelijk op het standpunt gesteld dat hij het beroep heeft ingetrokken.



2.3.
De rechtbank heeft het beroep op 14 juli 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, [naam] als tolk, en de gemachtigde van verweerder.





Beoordeling door de rechtbank



Kan eiser het beroep, dat is ingeleid met een kennisgeving van verweerder, intrekken?





Feiten en omstandigheden




3. Nadat de rechtbank op 9 juli 2026 de kennisgeving van de inbewaringstelling van eiser had ontvangen, is onmiddellijk het tijdstip van het onderzoek ter zitting bepaald. De gemachtigde van eiser meldde daarop dat hij op dat moment verhinderd was vanwege twee bewaringszittingen bij de rechtbank Amsterdam. Van hem kon niet worden verwacht dat hij tegelijkertijd op twee plaatsen kon verschijnen. De rechtbank heeft daarop partijen de mogelijkheid geboden de zaak schriftelijk af te doen. De gemachtigde van eiser heeft vervolgens op 10 juli 2026 een intrekkingsverklaring aan het digitale dossier toegevoegd. De rechtbank heeft aangegeven dat de behandeling van de zaak wordt voorgezet, aangezien een kennisgevingsberoep niet kan worden ingetrokken zolang de vreemdelingenbewaring voortduurt.



3.1.
Op 13 juli 2026 heeft de gemachtigde van eiser zich schriftelijk gemotiveerd op het standpunt gesteld dat hij het beroep kon intrekken en verzocht om een voor de advocatuur werkbare oplossing, omdat de huidige werkwijze het de advocaten onmogelijk maakt om op alle (bewarings)zittingen aanwezig te zijn. In een ander bericht heeft hij laten weten dat hij niet zal verschijnen op de zitting en dat zijn cliënt ook niet hoeft te worden aangevoerd, omdat de zaak door intrekking is geëindigd.



3.2.
De rechtbank heeft daarop telefonisch contact opgenomen met de gemachtigde van eiser en hem verschillende opties voorgelegd: digitaal deelnemen aan de zitting, verplaatsing van de zitting naar 16 juli 2026, en (opnieuw) de mogelijkheid tot schriftelijke afdoening van de zaak. De gemachtigde van eiser handhaafde zijn standpunt dat de zaak is geëindigd door intrekking, dat hij niet zal verschijnen op zitting en dat eiser niet hoeft te worden aangevoerd voor de geplande zitting.



Standpunten van partijen



4. Volgens de gemachtigde van eiser kon hij het beroep intrekken. Hiervoor verwijst hij onder meer naar artikel 6:21, eerste lid, van de Awb en stelt dat hierop nergens uitzonderingen te vinden zijn. Ook de (aangepaste) Vw geeft geen verbod op intrekking.



4.1.
Tijdens de zitting heeft eiser verklaard geen enkel contact te hebben gehad met zijn gemachtigde met uitzondering van een kort bezoek aan het begin van zijn bewaring. Hij heeft verklaard dat zijn gemachtigde hem niets heeft laten weten over de intrekking en ook niet over het feit dat hij niet naar de zitting zou komen. Volgens eiser heeft hij geprobeerd contact op te nemen met zijn gemachtigde voor het indienen van medische stukken, maar is dit niet gelukt. Hij is het niet eens met de bewaring en verwijst naar zijn medische situatie. Hij had graag een advocaat bij de zitting gewild. De rechtbank maakt hieruit op dat het standpunt van eiser is dat zijn beroep niet is ingetrokken.



4.2.
Volgens verweerder moet de rechtbank de rechtmatigheid van de bewaring kunnen toetsen zolang de vrijheidsontneming voortduurt, ook als de vreemdeling dit niet wenst en het (kennisgevings)beroep wil intrekken. Verweerder verwijst hiervoor onder meer naar de uitspraak in het eerdere beroep van eiser tegen zijn asielbewaring van deze rechtbank, zittingsplaats Den Bosch, van 3 juli 2026 (ECLI:NL:RBDHA:2026:18519).



Beoordeling door de rechtbank




5. De rechtbank sluit zich aan bij het hiervoor genoemde oordeel van deze rechtbank, zittingsplaats Den Bosch, in de eerdere zaak van eiser. De gemachtigde van eiser heeft toen hetzelfde standpunt ingenomen over de intrekking. De rechtbank licht haar oordeel in deze zaak hieronder verder toe.




5.1.
Bij deze beoordeling gaat het om een maatregel van bewaring die is opgelegd op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw en deze maatregel van bewaring duurde tot het moment van sluiting van het onderzoek op 14 juli 2026 nog voort.



5.2.
In artikel 94, eerste lid van de Vw is opgenomen dat verweerder onverwijld na de bekendmaking van een besluit tot oplegging van een vrijheidsontnemende maatregel als bedoeld in de artikel 59 van de Vw de rechtbank hiervan in kennis stelt. Dit betekent dat de wetgever ervoor heeft gekozen de toetsing van de rechtmatigheid van de maatregel van bewaring ambtshalve aan de rechter voor te leggen door middel van het verzenden van een kennisgeving. De mogelijkheid voor het instellen van beroep door de vreemdeling is bewust niet (meer) opgenomen in de Vw.



5.3.
In artikel 94, eerste lid, tweede volzin van de Vw is bepaald dat wanneer de kennisgeving is ontvangen, de vreemdeling wordt geacht beroep te hebben ingesteld. Dit betekent echter niet dat het de vreemdeling ook vrijstaat de met een beroep gelijkgestelde kennisgeving in te trekken. Als deze mogelijkheid open zou staan dan wordt het de rechtbank onmogelijk gemaakt te voldoen aan artikel 94, vijfde lid van de Vw. De rechtbank kan dan namelijk niet binnen 15 (uiterlijk 21) dagen de rechterlijke toetsing uitvoeren. Omdat de maatregel van bewaring alleen met het verzenden van de kennisgeving aan de rechtbank ter toetsing kan worden voorgelegd, kan de rechtbank de rechtmatigheid daarvan ook alleen via die weg beoordelen. Dat in bestuursrechtelijke geschillen een ingesteld beroep kan worden ingetrokken, doet niet af aan de verplichting voor de rechterlijke autoriteit om een aan de rechtbank voorgelegde maatregel van bewaring spoedig te toetsen, ook al heeft de vreemdeling daaraan – kennelijk – geen behoefte.



5.4.
In dit geval komt daar echter nog bij dat eiser kennelijk wel behoefte had aan de toetsing van de maatregel van bewaring. Dit maakt het standpunt van zijn gemachtigde des te opmerkelijker. De rechtbank heeft begrip voor het feit dat het voor advocaten niet mogelijk is om op twee plekken tegelijk te zijn en erkent dat de manier waarop bewaringszittingen nu worden gepland voor hen tot problemen leidt. De rechtbank merkt in dit kader echter ook op dat de gemachtigde had kunnen instemmen met digitaal bijwonen, verplaatsing van de zitting of schriftelijke afdoening van de zaak. Dit is hem allemaal telefonisch en/of schriftelijk aangeboden. Het is de rechtbank onduidelijk gebleven waarom de gemachtigde van eiser intrekking van het beroep lijkt te verkiezen boven een (op z’n minst) ambtshalve toets van de maatregel van bewaring. Nu is de onwenselijke situatie ontstaan dat eiser alleen op zitting is verschenen en gehoord zonder gemachtigde, terwijl hij wél juridische bijstand wilde. Dit is extra problematisch omdat eiser via zijn gemachtigde medische stukken wilde indienen. Eiser stelt bovendien dat zijn gemachtigde niet over de intrekking met hem heeft overlegd en dat hij niet op de hoogte was van het niet verschijnen van de gemachtigde op de zitting. Daarnaast is eiser nog niet eerder op zitting gehoord, ook niet over een eerdere maatregel van vreemdelingenbewaring, terwijl hij dat, zoals de rechtbank begrijpt, wel wenste.



5.5.
Het beroep is dus niet ingetrokken. In de concrete zaak van eiser betekent dit dat de rechtbank de door eiser tijdens de zitting naar voren gebrachte punten zal meenemen in de uitspraak en het opleggen en voortduren van de maatregel verder ambtshalve zal beoordelen.



Toetsingskader maatregel van bewaring



6. Verweerder kan als het belang van de openbare orde of de nationale veiligheid dat vordert, de vreemdeling die geen rechtmatig verblijf heeft in vreemdelingenbewaring stellen. Verweerder stelt een vreemdeling slechts in vreemdelingenbewaring, voor zover geen minder dwingende maatregelen doeltreffend kunnen worden toegepast en de vreemdelingenbewaring blijft achterwege of wordt beëindigd, indien deze niet langer noodzakelijk is met het oog op het doel van de vreemdelingenbewaring. Deze vreemdeling kan in vreemdelingenbewaring worden gesteld op grond dat het belang van de openbare orde of nationale veiligheid zulks vordert, indien a) een onderduikrisico bestaat, of b) de vreemdeling de voorbereiding van het vertrek of de uitzettingsprocedure ontwijkt of belemmert. De maatregel kan alleen worden opgelegd wegens het bestaan van een onderduikrisico, indien ten minste twee van de gronden, genoemd in artikel 5.6, tweede lid, van het Vb zich voordoen.



De aan eiser opgelegde maatregel van vreemdelingenbewaring



7. Verweerder heeft aan eiser de maatregel van vreemdelingenbewaring opgelegd. In deze maatregel staat dat de openbare orde de maatregel vordert, omdat het risico bestaat dat eiser zal onderduiken en eiser de voorbereiding van het vertrek of de uitzettingsprocedure ontwijkt of belemmert.



7.1.
In de maatregel heeft verweerder als gronden vermeld dat eiser:

a. Nederland niet op de voorgeschreven wijze is binnengekomen, dan wel een poging daartoe heeft gedaan, waarbij de vreemdeling zich gedurende enige tijd aan het toezicht heeft onttrokken of zich zonder toestemming tussen de lidstaten van de Europese Unie beweegt;b. eerder een besluit, kennisgeving of aanzegging heeft ontvangen waaruit de plicht de Europese Unie dan wel Nederland te verlaten blijkt en hij daaraan niet uit eigen beweging binnen de daarin besloten of gestelde termijn gevolg heeft gegeven;c. niet dan wel niet voldoende meewerkt aan het vaststellen van zijn identiteit en nationaliteit;d. in verband met zijn aanvraag om toelating onjuiste of tegenstrijdige gegevens heeft verstrekt over zijn identiteit, nationaliteit of de reis naar Nederland of een andere lidstaat;j. een aanvraag voor het verlenen van een verblijfsvergunning asiel heeft ingediend die niet-ontvankelijk is verklaard of is afgewezen als kennelijk ongegrond;p. zich niet aan een of meer andere voor hem geldende verplichtingen van hoofdstuk 4 van het Vb heeft gehouden;q. meerdere aanvragen tot het verlenen van een verblijfsvergunning heeft ingediend die niet tot verlening van een verblijfsvergunning hebben geleid;r. geen vaste woon- of verblijfplaats heeft;s. niet beschikt over voldoende middelen van bestaan.



Kunnen de door verweerder vermelde gronden de maatregel dragen?



8. De rechtbank stelt vast dat eiser de gronden die door verweerder in de maatregel van vreemdelingenbewaring zijn opgenomen, niet betwist. Ook naar het ambtshalve oordeel van de rechtbank kunnen deze gronden, bezien in samenhang met de daarop in de maatregel gegeven toelichting, het bestaan van een risico op onderduiken dragen.



Had verweerder moeten volstaan met een lichter middel?



9. Eiser voert – naar de rechtbank begrijpt – aan dat verweerder had moeten volstaan met een lichter middel. Eiser heeft astma en gebruikt een puffer. Zijn gezondheid is achteruitgegaan in vreemdelingenbewaring. Zo is hij twee keer flauwgevallen door benauwdheid. Ook krijgt hij niet de medicijnen die hij nodig heeft.



9.1.
Bij de beantwoording van de vraag of verweerder met toepassing van een lichter middel had moeten volstaan, beoordeelt de rechtbank of verweerder zich terecht op het standpunt stelt dat geen andere afdoende maar minder dwingende maatregelen dan de inbewaringstelling doeltreffend konden worden toegepast. Daarbij past een grondig onderzoek naar de feitelijke elementen van het concrete geval en een specifieke motivering van verweerder: verwijzing naar de vreemdelingenbewaringsgronden volstaat daarvoor niet.



9.2.

Verweerder stelt zich, gelet op de niet bestreden omstandigheden die aan de maatregel ten grondslag zijn gelegd, terecht op het standpunt dat in dit geval geen andere afdoende, maar minder dwingende maatregelen dan de inbewaringstelling doeltreffend konden worden toegepast. Uit deze gronden, die terecht aan eiser zijn tegengeworpen, volgt dat er een risico op onderduiken bestaat. Tijdens het gehoor voorafgaand aan de inbewaringstelling heeft eiser aangegeven dat hij diabetes en astma heeft. Verweerder heeft eiser erop gewezen dat hij toegang heeft tot de medische dienst binnen het detentiecentrum. Uit de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 5 januari 2018 (ECLI:NL:RVS:2018:16) volgt dat de medische zorgverlening binnen de detentie- en uitzetcentra in Nederland gelijkwaardig is aan de gezondheidszorg in de vrije maatschappij. Dat hij niet de benodigde medicijnen krijgt, is ook niet gebleken. Hij had zijn puffer mee naar de zitting en heeft geen concreet antwoord kunnen geven op de vraag welke medicijnen hij nog meer nodig heeft maar niet ontvangt. Eiser heeft niet aannemelijk gemaakt dat hij detentieongeschikt is en heeft evenmin aannemelijk gemaakt dat de in het detentiecentrum beschikbare begeleiding en medische zorg in zijn geval niet toereikend zijn of dat zijn gesteldheid in bewaring door gebrek aan medische zorg zal verslechteren. Deze beroepsgrond slaagt niet.

Leidt ambtshalve toetsing tot een ander oordeel?




10. Los van de door eiser aangevoerde gronden, ziet de rechtbank in de door verweerder en eiser verstrekte gegevens geen grond om te komen tot het oordeel dat aan de rechtmatigheidsvoorwaarden voor deze maatregel niet is voldaan.






Conclusie en gevolgen


11. Het beroep tegen de maatregel van vreemdelingenbewaring is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen. Eiser krijgt geen vergoeding van zijn proceskosten.










Beslissing


De rechtbank:




verklaart het beroep ongegrond;


wijst het verzoek om schadevergoeding af.








Deze uitspraak is gedaan door mr. E.C. Harting, rechter, in aanwezigheid van mr. M. Stehouwer, griffier.
Uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:






Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen één week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden of na de dag van plaatsing daarvan in het digitale dossier.





Het beroep tegen een maatregel van bewaring wordt ook aangemerkt als een verzoek om toekenning van schadevergoeding. Dit volgt uit artikel 106, eerste lid, van de Vw.


Dit volgt uit artikel 94, eerste lid, van de Vw.


Dit volgt uit artikel 94, vierde lid, van de Vw 2000.


Artikel 6:21 Awb:
1. Het bezwaar of beroep kan schriftelijk worden ingetrokken.
2. Tijdens het horen kan de intrekking ook mondeling geschieden.


Dit blijkt uit de Memorie van Toelichting, MvT, 2025-2026, 36 871, nr. 3, pagina 84 e.v.


Hoewel op de zitting ook bleek dat eiser niet in het bezit is van deze stukken en hij – zo verklaarde hij – in vrijheid gesteld zou moeten worden om deze te kunnen bemachtigen.


Dit volgt uit artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw.


Dit volgt uit artikel 59c van de Vw.


Dit volgt uit artikel 5.5 van het Vb.


Dit volgt uit artikel 5.6, eerste lid, van het Vb.


Zie ABRvS 23 februari 2015 (ECLI:NL:RVS:2015:674), ABRvS 10 april 2015 (ECLI:NL:RVS:2015:1309) en HvJEU 5 juni 2014 (ECLI:EU:C:2014:1320, Mahdi).


Vergelijk HvJEU 8 november 2022, ECLI:EU:C:2022:858 en 4 september 2025, ECLI:EU:C:2025:647.