Neuralex RechtspraakNeuralex Rechtspraak
Inloggen staging

Rechtbank Den Haag

ECLI:NL:RBDHA:2026:22455

2026-07-23 Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht SGR 26/4668
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen

Gegevens

Instantie
Rechtbank Den Haag
Uitspraakdatum
2026-07-23
Publicatiedatum
2026-08-11
Rechtsgebied
Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht
Procedure
Eerste aanleg - enkelvoudig
Zaaknummer
SGR 26/4668
Type
Uitspraak
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Inhoudsindicatie

Beroep niet tijdig beslissen (ntb) in medische zaak van het Uwv, gegrond; 8:55d lid 3 Awb: beslistermijn negen weken.

Citeert (10)

Geciteerd door (0)

  • geen

Wetsverwijzingen

Volledige tekst

Volledige tekst (10.511 tekens)
RECHTBANK DEN HAAG


Bestuursrecht


zaaknummer: SGR 26/4668


uitspraak van de enkelvoudige kamer van 23 juli 2026 in de zaak tussen



[eiseres], uit [woonplaats], eiseres


en




de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, het Uwv

(gemachtigde: mr. Elfert).





Inleiding


1. Eiseres ontvangt een uitkering op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (WIA). Eiseres heeft verzocht om een herbeoordeling van het recht op deze WIA-uitkering.



1.1.
De rechtbank heeft het beroepschrift wegens het uitblijven van een besluit op het herbeoordelingsverzoek op 9 juni 2026 ontvangen.



1.2.
Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.



1.3.
Omdat het beroep kennelijk gegrond is, doet de rechtbank uitspraak zonder zitting. Artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) maakt dat mogelijk.




Beoordeling door de rechtbank



Het beroep is ontvankelijk en gegrond



2. Als een bestuursorgaan, zoals hier het Uwv, niet op tijd beslist op een aanvraag, een verzoek om herbeoordeling of een bezwaarschrift, kan een belanghebbende daartegen in beroep gaan. Voordat hij beroep kan instellen, moet de belanghebbende schriftelijk aan het bestuursorgaan laten weten dat binnen twee weken alsnog beslist moet worden op zijn aanvraag of bezwaar (de zogenoemde ingebrekestelling). Als er na die twee weken nog steeds geen besluit is, dan kan de belanghebbende beroep instellen.

3. Tussen partijen is niet in geschil dat de termijn om te beslissen op het herbeoordelingsverzoek is overschreden. Eiseres heeft het Uwv in gebreke gesteld en sinds de ontvangst daarvan door het Uwv op 15 april 2026 tot het moment waarop beroep is ingesteld zijn meer dan twee weken verstreken. Niet is gebleken dat het Uwv alsnog heeft beslist op het herbeoordelingsverzoek. Het beroep is daarom ontvankelijk en gegrond.



De nadere beslistermijn



4. Omdat het Uwv nog geen besluit heeft genomen, zal de rechtbank bepalen dat het Uwv dit alsnog moet doen.

5. Op grond van artikel 8:55d, eerste lid, van de Awb moet een bestuursorgaan dit in beginsel doen binnen twee weken na het verzenden van de uitspraak. In bijzondere gevallen kan de rechtbank op grond van het derde lid een andere termijn geven of een andere voorziening treffen.


5.1.
Eiseres heeft de rechtbank verzocht om het Uwv te bevelen om binnen twee weken na deze uitspraak alsnog een besluit te nemen op het herbeoordelingsverzoek.



5.2.
Het Uwv heeft in het verweerschrift toegelicht dat de beslistermijn is overschreden door een stijgend aantal aanvragen voor een WIA-uitkering en daarbij een tekort aan verzekeringsartsen bezwaar en beroep.


6. Bij het Uwv is al geruime tijd sprake van tekorten aan verzekeringsartsen, waardoor beslistermijnen structureel niet kunnen worden gehaald. In haar uitspraken van 31 maart 2025 heeft deze rechtbank daarom bepaald dat in dit soort zaken, waarin het gaat om het uitblijven van een besluit waarbij een medisch advies van een verzekeringsarts nodig is, sprake is van een bijzonder geval als bedoeld in artikel 8:55d, derde lid, van de Awb. De rechtbank heeft in die uitspraken bepaald dat in dergelijke beroepen het Uwv in beginsel een termijn van zes weken na de datum van verzending van de uitspraak wordt gegeven om een medische beoordeling te verrichten. Dat kan bijvoorbeeld in de vorm van een spreekuurcontact (al dan niet telefonisch), een hoorzitting in aanwezigheid van een verzekeringsarts, of dossieronderzoek door een verzekeringsarts zonder spreekuurcontact. Vervolgens wordt het Uwv een termijn van drie weken na het moment van de medische beoordeling gegeven om een besluit te nemen. In totaal heeft het Uwv dan dus een termijn van negen weken na de datum waarop de uitspraak wordt verzonden om een besluit bekend te maken.




6.1.
Indien het Uwv ten tijde van de uitspraak van de rechtbank de medische beoordeling al heeft gepland op een bepaalde datum of deze al is uitgevoerd, wordt daarmee rekening gehouden. Het Uwv krijgt dan in ieder geval de wettelijke termijn van twee weken na de dag van verzending van de uitspraak om het besluit bekend te maken. Bijzondere feiten en omstandigheden in het individuele geval kunnen aanleiding zijn om van deze termijnen af te wijken. Het is dan aan de partijen om dit aan te voeren.




De nadere beslistermijn in deze zaak



7. Uit het verweerschrift blijkt dat het Uwv per 1 januari 2026 een nieuwe prioritering hanteert, waarbij geen voorrang meer wordt gegeven aan dossiers waarin rechtstreeks beroep is ingesteld wegens het niet tijdig beslissen. De rechtbank heeft in haar uitspraken van 13 mei 2026 geoordeeld dat deze gewijzigde prioritering niet leidt tot een verandering in de beslistermijnen.

8. In dit beroep stelt het Uwv in het verweerschrift ook dat nog niet kan worden aangegeven op welke termijn een beslissing op de aanvraag van eiseres zal worden genomen. Het is de rechtbank niet gebleken dat bekend is wanneer de medische beoordeling zal plaatsvinden. Dit betekent dat het Uwv binnen zes weken na de dag van verzending van deze uitspraak de medische beoordeling door een verzekeringsarts moet laten verrichten en dat het binnen drie weken na die medische beoordeling een besluit bekend moet maken, maar in ieder geval binnen negen weken na de dag van verzending van de uitspraak.



Rechterlijke dwangsom



9. De rechtbank zal, in overeenstemming met het landelijke beleid van de rechtbanken hierover, bepalen dat het Uwv een dwangsom van € 100,- moet betalen voor elke dag waarmee de beslistermijn nu nog wordt overschreden. Daarbij geldt een maximum van € 15.000,-. Voor het toekennen van een hogere rechterlijke dwangsom ziet de rechtbank geen aanleiding.



overschrijding redelijke termijn



10. Eiseres heeft bij brief van 13 juli 2026 verzocht om het UWV te veroordelen tot betaling van een immateriële schadevergoeding vanwege overschrijding van de redelijke termijn.

11. Artikel 6 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (het EVRM) en het daaraan ten grondslag liggende rechtszekerheidsbeginsel vereisen een beslechting van een geschil door de rechter binnen een redelijke termijn.

12. Uitgangspunt is dat de redelijke termijn, voor de afdoening van bestuursrechtelijke geschillen die bestaan uit een bezwaarprocedure en twee gerechtelijke instanties, vier jaar bedraagt. De bezwaarfase mag maximaal een half jaar duren, de beroepsfase bij de rechtbank maximaal anderhalf jaar en de hoger beroepsfase maximaal twee jaar. De redelijke termijn vangt aan op het moment dat het bestuursorgaan het bezwaarschrift ontvangt. Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 29 januari 2014 (ECLI:NL:RVS:2014:188).

13. Naar het oordeel van de rechtbank kan in dit geval geen beroep worden gedaan op (overeenkomstige toepassing van) artikel 6 EVRM nu de onderhavige procedure alleen betrekking heeft op het niet tijdig beslissen en er dus nog geen inhoudelijke behandeling van het geschil in beroep heeft plaatsgevonden.




Conclusie en gevolgen



14. Het beroep is gegrond. Omdat het beroep gegrond is, moet het Uwv het door eiseres betaalde griffierecht vergoeden. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.





Beslissing


De rechtbank:




verklaart het beroep gegrond;


vernietigt het met een besluit gelijk te stellen niet tijdig nemen van een besluit;


draagt het Uwv op om binnen negen weken na de dag van verzending van deze uitspraak alsnog een besluit op het herbeoordelingsverzoek bekend te maken;


- bepaalt dat het Uwv aan eiseres een dwangsom van € 100,- moet betalen voor elke dag waarmee het de hiervoor genoemde termijn overschrijdt, met een maximum van € 15.000,- ;


bepaalt dat het Uwv het betaalde griffierecht van € 54,- aan eiseres moet vergoeden;


wijst af het verzoek tot immateriële schadevergoeding.






Deze uitspraak is gedaan door mr. L.C. Bannink, rechter, in aanwezigheid van V.R. Hijman, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 23 juli 2026.














griffier


rechter








Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:





Informatie over verzet
Als partijen het niet eens zijn met deze uitspraak, kunnen zij een verzetschrift sturen naar de rechtbank waarin zij uitleggen waarom zij het niet eens zijn met deze uitspraak. Het verzetschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Als partijen graag een zitting willen om het verzetschrift toe te lichten, moeten zij dit in het verzetschrift vermelden.


Dit staat in artikel 6:12 van de Awb.


De uitspraken van de rechtbank Den Haag van 31 maart 2025, ECLI:NL:RBDHA:2025:5451, onder 5.2 en ECLI:NL:RBDHA:2025:5452, onder 5.2. De rechtbank verwijst ook naar haar overwegingen in haar uitspraak van 27 februari 2025, ECLI:NL:RBDHA:2025:2966, onder 4.4 en 4.5.


De uitspraken van de rechtbank Den Haag van 31 maart 2025, ECLI:NL:RBDHA:2025:5451, onder 5.3 en ECLI:NL:RBDHA:2025:5452, onder 5.3.


De uitspraken van de rechtbank Den Haag van 13 mei 2026, ECLI:NL:RBDHA:2026:11558, ECLI:NL:RBDHA:2026:11559, ECLI:NL:RBDHA:2026:11560 en ECLI:NL:RBDHA:2026:11561.


https://www.rechtspraak.nl/Onderwerpen/Overheidsorganisatie-beslist-niet-op-tijd/extra-dwangsom.


Centrale Raad van Beroep, uitspraak 8 april 2009 (LJN: BI2748).