Neuralex RechtspraakNeuralex Rechtspraak
Inloggen staging

Rechtbank Den Haag

ECLI:NL:RBDHA:2026:22327

2026-08-07 Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht NL26.21744 en NL26.21745
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen

Gegevens

Instantie
Rechtbank Den Haag
Uitspraakdatum
2026-08-07
Publicatiedatum
2026-08-10
Rechtsgebied
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Procedure
Eerste aanleg - enkelvoudig
Zaaknummer
NL26.21744 en NL26.21745
Type
Uitspraak
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Inhoudsindicatie

Dublin buiten zitting, Frankrijk. Interstatelijk vertrouwensbeginsel, artikel 17 Dublinverordening. Beroep kennelijk ongegrond

Citeert (3)

Geciteerd door (0)

  • geen

Volledige tekst

Volledige tekst (8.374 tekens)
RECHTBANK DEN HAAG


Zittingsplaats Amsterdam


Bestuursrecht


Zaaknummers: NL26.21744 (beroep) en NL26.21745 (voorlopige voorziening)


V-nummer: [v-nummer]


uitspraak van de enkelvoudige kamer en de voorzieningenrechter in de zaken tussen





[eiser],

geboren op [geboortedag] 1994, van Soedanese nationaliteit, eiser en verzoeker (hierna: eiser)
(gemachtigde: mr. C.M.E. Schreinemacher),



en




de minister van Asiel en Migratie, verweerder (hierna: de minister).



Inleiding


1.1.
In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank/de voorzieningenrechter (hierna: de rechtbank) het beroep van eiser tegen het niet in behandeling nemen van de aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd en zijn verzoek om een voorlopige voorziening.



1.2.
Bij besluit van 9 april 2026 (het bestreden besluit) heeft de minister de aanvraag van eiser tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd niet in behandeling genomen omdat Frankrijk verantwoordelijk is voor de behandeling daarvan.



1.3.
Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld en de voorzieningenrechter verzocht een voorlopige voorziening te treffen die ertoe strekt uitzetting te verbieden totdat op het beroep is beslist.



1.4.
De rechtbank doet op grond van artikelen 8:54, eerste lid en 8:83, derde lid van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) uitspraak zonder zitting.




Beoordeling door de rechtbank

2. De rechtbank beoordeelt het niet in behandeling nemen van de asielaanvraag van eiser. Zij doet dat aan de hand van de beroepsgronden die eiser heeft aangevoerd. Ook beoordeelt zij eisers verzoek om een voorlopige voorziening.

3. De rechtbank verklaart het beroep kennelijk ongegrond. Dat betekent dat eiser geen gelijk krijgt en het niet in behandeling nemen van zijn asielaanvraag in stand blijft. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

4. Op deze zaak is het vóór 12 juni 2026 geldende recht van toepassing.

5. Eiser heeft op 15 december 2025 asiel aangevraagd in Nederland. De minister heeft het bestreden besluit gebaseerd op artikel 30, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw). Volgens de minister zijn de autoriteiten van Frankrijk verantwoordelijk voor de behandeling van de asielaanvraag van eiser. Uit Eurodac is gebleken dat eiser eerder op 25 september 2023 een verzoek om internationale bescherming in Frankrijk heeft ingediend. De minister heeft daarom op 29 januari 2026 de autoriteiten van Frankrijk verzocht om eiser terug te nemen op grond van artikel 18, eerste lid, en onder d, van de Dublinverordening. Op 11 februari 2026 hebben de Franse autoriteiten dit verzoek aanvaard.

6. Eiser betoogt dat ten aanzien van Frankrijk niet langer van het interstatelijk vertrouwensbeginsel kan worden uitgegaan, omdat eiser geen eerlijk proces zal krijgen wanneer hij wordt overgedragen. In een eerdere asielprocedure in Frankrijk heeft eiser een identiteitsbewijs, geboorteakte en trouwcertificaat aangedragen waaruit blijkt dat hij uit Darfoer komt. Frankrijk zou dit niet accepteren en beweren dat hij uit Khartoem komt. Als eiser wordt overgedragen aan Frankrijk zal hij het risico lopen om te worden uitgezet naar Soedan, aldus eiser.


6.1.
De rechtbank overweegt dat niet ter discussie staat dat Frankrijk verantwoordelijk is voor eisers asielaanvraag, omdat hij eerder een asielaanvraag in Frankrijk heeft ingediend en het terugnameverzoek door Frankrijk is aanvaard. De minister mag in beginsel ten opzichte van Frankrijk uitgaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel. Dit beginsel betekent dat lidstaten erop mogen vertrouwen dat de andere lidstaten de vreemdeling in overeenstemming met het EVRM, het Vluchtelingenverdrag en het Unierecht zullen behandelen. Het is aan eiser om aannemelijk te maken dat dit in zijn geval niet kan en dat in Frankrijk sprake is van aan het systeem gerelateerde tekortkomingen van de asielprocedure of de opvangvoorzieningen die ernstige, op feiten berustende gronden vormen om aan te nemen dat eiser daar een reëel risico loopt op onmenselijke of vernederende behandelingen in de zin van artikel 4 van het Handvest of artikel 3 van het EVRM.



6.2.
De rechtbank is van oordeel dat de minister ten aanzien van Frankrijk nog steeds uit mag gaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel. Eiser heeft niet aannemelijk heeft gemaakt dat er ten aanzien van Frankrijk sprake is van systeemfouten in de asielprocedure of in de opvangvoorzieningen zoals bedoeld in het arrest van het Hof van Justitie van 19 maart 2019 (Jawo). Eiser heeft zijn stelling dat daarvan sprake is namelijk niet onderbouwd met stukken die hem persoonlijk betreffen, bijvoorbeeld over zijn asielprocedure in Frankrijk. Het bewijs dat eiser in Frankrijk tijdens zijn asielprocedure heeft aangedragen, zoals een identiteitsbewijs, geboorteakte en trouwcertificaat heeft eiser (ook) niet meer in zijn bezit. Voor zover eiser heeft willen betogen dat hij in Frankrijk geen eerlijk proces zal krijgen, volgt de rechtbank dit niet. Ook deze stelling heeft eiser niet nader onderbouwd. Indien eiser problemen ervaart na zijn overdracht aan Frankrijk kan hij daarover klagen bij de (hogere) Franse autoriteiten dan wel bij het EHRM. De beroepsgrond slaagt niet.


7. Eiser stelt zich verder op het standpunt dat de minister ten onrechte geen toepassing heeft gegeven aan artikel 17 van de Dublinverordening.




7.1.
De rechtbank overweegt dat de minister in de omstandigheden van eiser geen aanleiding heeft hoeven zien om toepassing te geven aan artikel 17, eerste lid, van de Dublinverordening. Eiser heeft geen omstandigheden aangevoerd waaruit volgt dat sprake is van bijzondere individuele omstandigheden waardoor de minister de asielaanvraag van eiser aan zich had moeten trekken. De rechtbank is dan ook van oordeel dat de minister geen aanleiding heeft hoeven zien om de asielaanvraag van eiser aan zich te trekken. De beroepsgrond slaagt niet.




Conclusie en gevolgen

8. Het beroep is kennelijk ongegrond.

9. Omdat de rechtbank met deze uitspraak op het beroep beslist, is er geen aanleiding voor het treffen van een voorlopige voorziening. De voorzieningenrechter wijst het verzoek om die reden af.

10. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.



Beslissing


De rechtbank, in de zaak met zaaknummer NL26.21744:


- verklaart het beroep ongegrond.


De voorzieningenrechter, in de zaak met zaaknummer NL26.21745:


- wijst het verzoek om een voorlopige voorziening af.


Deze uitspraak is gedaan door mr. M.B. de Boer, (voorzieningen)rechter, in aanwezigheid van B.S. Beens, griffier.



De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:




Informatie over verzet

Als partijen het niet eens zijn met deze uitspraak, kunnen zij een verzetschrift sturen naar de rechtbank waarin zij uitleggen waarom zij het niet eens zijn met deze uitspraak. Het verzetschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Als partijen graag een zitting willen om het verzetschrift toe te lichten, moeten zij dit in het verzetschrift vermelden. Tegen de uitspraak op het verzoek om een voorlopige voorziening staat geen rechtsmiddel open.



Zie artikel 84 van de Asiel- en migratiebeheerverordening inzake het overgangsrecht.


Verordening (EU) nr. 604/2013.


Verdrag tot bescherming van de Rechten van de Mens en de Fundamentele vrijheden.


Handvest van de grondrechten van de Europese Unie.


Zie bijvoorbeeld ook de uitspraken van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 31 juli 2025, ECLI:NL:RVS:2025:3623 en 7 augustus 2025, ECLI:NL:RVS:2025:3724.


ECLI:EU:C:2019:218.


Europees Hof voor de Rechten van de Mens.