Rechtbank Den Haag
ECLI:NL:RBDHA:2026:21970
2026-06-18
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
NL26.20134 en NL26.20135
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen
Inhoudsindicatie
Dublin Duitsland, bz, standaard voornemen, interstatelijk vertrouwensbeginsel, ongegrond.
Citeert (4)
- ECLI:NL:RVS:2025:1642 Raad van State 11-04-2025
- ECLI:NL:RVS:2023:4107 Raad van State 08-11-2023
- ECLI:NL:RVS:2024:3661 Raad van State 11-09-2024
- ECLI:NL:RVS:2025:575 Raad van State 14-02-2025
Geciteerd door (0)
- geen
Volledige tekst
Volledige tekst (7.389 tekens)
RECHTBANK DEN HAAG
Bestuursrecht
zaaknummers: NL26.20134 (beroep) en NL26.20135 (voorlopige voorziening)
uitspraak van de enkelvoudige kamer en de voorzieningenrechter in de zaak tussen
[eiseres], V-nummer: [V-nummer], eiseres/verzoekerster (hierna: eiseres)
(gemachtigde: mr. Muller),
en
de minister van Asiel en Migratie, verweerder.
Inleiding
1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiseres tegen het niet in behandeling nemen van de aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. De voorzieningenrechter beoordeelt in deze uitspraak het verzoek om een voorlopige voorziening van eiseres. Verweerder heeft de aanvraag met het bestreden besluit van 9 april 2026 niet in behandeling genomen omdat Duitsland verantwoordelijk is voor de aanvraag.
Beoordeling door de rechtbank
Geen zitting
2. De rechtbank houdt in deze zaak geen zitting. Het beroep is namelijk kennelijk ongegrond. Hieronder legt de rechtbank dit uit.
Waar gaat deze zaak over?
3. Eiseres stelt de Guinese nationaliteit te hebben en te zijn geboren op
[geboortedatum] 1993. Verweerder heeft de asielaanvraag niet in behandeling genomen, omdat Duitsland verantwoordelijk zou zijn voor de behandeling daarvan.
Wat vindt eiseres in beroep?
4. Allereest stelt eiseres dat verweerder gebruik heeft gemaakt van een standaard voornemen. Eiseres volgt verweerder niet in de stelling dat een standaard voornemen mag worden uitgebracht nu het een voorbereidingshandeling betreft. Daarnaast stelt eiseres dat niet langer van het interstatelijk vertrouwensbeginsel kan worden uitgegaan ten opzichte van Duitsland. Daarbij wordt verwezen naar het AIDA-rapport van 2024 dat nog niet door de hoogste bestuursrechter is beoordeeld. Dit geldt ook voor het meest recente AIDA-rapport van juni 2025.
Wat is het oordeel van de rechtbank?
Standaard voornemen
5. Met betrekking tot eiseres haar stellingen dat verweerder gebruik heeft gemaakt van een standaard voornemen, overweegt de rechtbank het volgende. Ten eerste stelt de rechtbank vast dat het voornemen een voorbereidingshandeling is en een mededeling van feitelijke aard, die niet is gericht op enig rechtsgevolg. De rechtbank is van oordeel dat in het voornemen duidelijk uiteen is gezet dat, en op welke gronden Duitsland verantwoordelijk is voor de behandeling van de asielaanvraag van eiseres. In het voornemen zijn alle voor het standpunt van verweerder dragende overwegingen opgenomen. Uit de uitspraak van de hoogste bestuursrechter van 11 april 2025, kan worden afgeleid dat een standaard voornemen in dit geval wel aan de vereisten voldoet. Eiseres heeft door middel van het indienen van een zienswijze de gelegenheid gehad om te reageren op het voornemen. Eiseres heeft hier ook gebruik van gemaakt. De rechtbank volgt de lijn van de hoogste bestuursrechter en ziet in eiseres har verwijzingen naar de uitspraak van zittingsplaats Amsterdam, de Memorie van Toelichting, de Nota van Toelichting en de door eiseres verder niet gespecificeerde bepalingen uit het Vreemdelingenbesluit geen aanknopingspunten om tot een andere conclusie te komen.
Interstatelijk vertrouwensbeginsel
6. De rechtbank stelt als uitgangspunt voorop dat verweerder op grond van het interstatelijk vertrouwensbeginsel ervan mag uitgaan dat lidstaten van de Europese Unie hun verdragsverplichtingen tegenover asielzoekers zullen nakomen. Van dit uitgangspunt wordt slechts afgeweken indien eiseres aannemelijk maakt dat het asiel- en opvangsysteem dusdanige tekortkomingen vertoont dat zij bij overdracht aan Duitsland een reëel risico loopt op een behandeling strijdig met artikel 3 van het EVRM of artikel 4 van het Handvest. Om onder de tekortkomingen van artikel 3 van het EVRM of artikel 4 van het Handvest te vallen, moeten deze een hoge drempel van zwaarwegendheid bereiken. Of deze bereikt wordt, hangt af van de gegevens in de zaak.
7. Naar het oordeel van de rechtbank is eiseres hier niet in geslaagd. De hoogste bestuursrechter heeft in haar uitspraak van 8 november 2023 geoordeeld dat voor Duitsland van het interstatelijk vertrouwensbeginsel kan worden uitgegaan. De Afdeling heeft dit oordeel bevestigd in de uitspraken van 11 september 2024, 14 februari 2025 en 8 oktober 2025. Eiseres heeft niet aannemelijk gemaakt dat uit het AIDA-rapport update 2024 een verslechtering van de omstandigheden in Duitsland ten opzichte van de situatie die al door de Afdeling is beoordeeld volgt. Bovendien staat op pagina 81 van het AIDA-rapport update 2024: ‘There have been no reports of Dublin returnees facing difficulties in re-accessing an asylum procedure or facing any other problems after having been transferred to Germany’. Als eiseres alsnog problemen ervaart in Duitsland, dan kan zij een klacht indienen bij de Duitse (hogere) autoriteiten. Niet is gebleken dat zij eiseres niet kunnen of willen helpen.
Conclusie en gevolgen
8. De beroepsgronden slagen niet. De rechtbank twijfelt hier niet over. Daarom is het beroep kennelijk ongegrond.
9. Nu er uitspraak is gedaan in het beroep en er niet langer sprake is van connexiteit, wordt het verzoek om een voorlopige voorziening niet-ontvankelijk verklaard.
10. Eiseres krijgt geen vergoeding van zijn proceskosten.
Beslissing
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
De voorzieningenrechter verklaart het verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening niet-ontvankelijk.
Deze uitspraak is gedaan door mr. D.C. Laagland, (voorzieningen)rechter, in aanwezigheid van V. Nooteboom, griffier.
De beslissing is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Rechtsmiddel
Bent u het niet eens met deze uitspraak?
Als u het niet eens bent met deze uitspraak op het beroep, kunt u een brief sturen naar de rechtbank waarin u uitlegt waarom u het er niet mee eens bent. Dit heet een verzetschrift. U moet dit verzetschrift indienen binnen 6 weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. U ziet deze datum hierboven. Als u graag een zitting wilt waarin u uw verzetschrift kunt toelichten, kunt u dit in uw verzetschrift vermelden. Tegen de uitspraak op het verzoek om een voorlopige voorziening staat geen rechtsmiddel open.
Zie artikel 8:54, eerste lid, aanhef en onder c, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).
Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State, ECLI:NL:RVS:2025:1642 zie ook ECLI:RVS:2023:4348.
Europees Verdrag van de Rechten van de Mens en de fundamentele vrijheden.
Handvest van de Grondrechten van de Europese Unie.
ECLI:NL:RVS:2023:4107.
ECLI:NL:RVS:2024:3661.
ECLI:NL:RVS:2025:575.
ECLI:RVS:2025:4770.
Op grond van artikel 8:81 en 8:83, derde lid, van de Awb.
Bestuursrecht
zaaknummers: NL26.20134 (beroep) en NL26.20135 (voorlopige voorziening)
uitspraak van de enkelvoudige kamer en de voorzieningenrechter in de zaak tussen
[eiseres], V-nummer: [V-nummer], eiseres/verzoekerster (hierna: eiseres)
(gemachtigde: mr. Muller),
en
de minister van Asiel en Migratie, verweerder.
Inleiding
1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiseres tegen het niet in behandeling nemen van de aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. De voorzieningenrechter beoordeelt in deze uitspraak het verzoek om een voorlopige voorziening van eiseres. Verweerder heeft de aanvraag met het bestreden besluit van 9 april 2026 niet in behandeling genomen omdat Duitsland verantwoordelijk is voor de aanvraag.
Beoordeling door de rechtbank
Geen zitting
2. De rechtbank houdt in deze zaak geen zitting. Het beroep is namelijk kennelijk ongegrond. Hieronder legt de rechtbank dit uit.
Waar gaat deze zaak over?
3. Eiseres stelt de Guinese nationaliteit te hebben en te zijn geboren op
[geboortedatum] 1993. Verweerder heeft de asielaanvraag niet in behandeling genomen, omdat Duitsland verantwoordelijk zou zijn voor de behandeling daarvan.
Wat vindt eiseres in beroep?
4. Allereest stelt eiseres dat verweerder gebruik heeft gemaakt van een standaard voornemen. Eiseres volgt verweerder niet in de stelling dat een standaard voornemen mag worden uitgebracht nu het een voorbereidingshandeling betreft. Daarnaast stelt eiseres dat niet langer van het interstatelijk vertrouwensbeginsel kan worden uitgegaan ten opzichte van Duitsland. Daarbij wordt verwezen naar het AIDA-rapport van 2024 dat nog niet door de hoogste bestuursrechter is beoordeeld. Dit geldt ook voor het meest recente AIDA-rapport van juni 2025.
Wat is het oordeel van de rechtbank?
Standaard voornemen
5. Met betrekking tot eiseres haar stellingen dat verweerder gebruik heeft gemaakt van een standaard voornemen, overweegt de rechtbank het volgende. Ten eerste stelt de rechtbank vast dat het voornemen een voorbereidingshandeling is en een mededeling van feitelijke aard, die niet is gericht op enig rechtsgevolg. De rechtbank is van oordeel dat in het voornemen duidelijk uiteen is gezet dat, en op welke gronden Duitsland verantwoordelijk is voor de behandeling van de asielaanvraag van eiseres. In het voornemen zijn alle voor het standpunt van verweerder dragende overwegingen opgenomen. Uit de uitspraak van de hoogste bestuursrechter van 11 april 2025, kan worden afgeleid dat een standaard voornemen in dit geval wel aan de vereisten voldoet. Eiseres heeft door middel van het indienen van een zienswijze de gelegenheid gehad om te reageren op het voornemen. Eiseres heeft hier ook gebruik van gemaakt. De rechtbank volgt de lijn van de hoogste bestuursrechter en ziet in eiseres har verwijzingen naar de uitspraak van zittingsplaats Amsterdam, de Memorie van Toelichting, de Nota van Toelichting en de door eiseres verder niet gespecificeerde bepalingen uit het Vreemdelingenbesluit geen aanknopingspunten om tot een andere conclusie te komen.
Interstatelijk vertrouwensbeginsel
6. De rechtbank stelt als uitgangspunt voorop dat verweerder op grond van het interstatelijk vertrouwensbeginsel ervan mag uitgaan dat lidstaten van de Europese Unie hun verdragsverplichtingen tegenover asielzoekers zullen nakomen. Van dit uitgangspunt wordt slechts afgeweken indien eiseres aannemelijk maakt dat het asiel- en opvangsysteem dusdanige tekortkomingen vertoont dat zij bij overdracht aan Duitsland een reëel risico loopt op een behandeling strijdig met artikel 3 van het EVRM of artikel 4 van het Handvest. Om onder de tekortkomingen van artikel 3 van het EVRM of artikel 4 van het Handvest te vallen, moeten deze een hoge drempel van zwaarwegendheid bereiken. Of deze bereikt wordt, hangt af van de gegevens in de zaak.
7. Naar het oordeel van de rechtbank is eiseres hier niet in geslaagd. De hoogste bestuursrechter heeft in haar uitspraak van 8 november 2023 geoordeeld dat voor Duitsland van het interstatelijk vertrouwensbeginsel kan worden uitgegaan. De Afdeling heeft dit oordeel bevestigd in de uitspraken van 11 september 2024, 14 februari 2025 en 8 oktober 2025. Eiseres heeft niet aannemelijk gemaakt dat uit het AIDA-rapport update 2024 een verslechtering van de omstandigheden in Duitsland ten opzichte van de situatie die al door de Afdeling is beoordeeld volgt. Bovendien staat op pagina 81 van het AIDA-rapport update 2024: ‘There have been no reports of Dublin returnees facing difficulties in re-accessing an asylum procedure or facing any other problems after having been transferred to Germany’. Als eiseres alsnog problemen ervaart in Duitsland, dan kan zij een klacht indienen bij de Duitse (hogere) autoriteiten. Niet is gebleken dat zij eiseres niet kunnen of willen helpen.
Conclusie en gevolgen
8. De beroepsgronden slagen niet. De rechtbank twijfelt hier niet over. Daarom is het beroep kennelijk ongegrond.
9. Nu er uitspraak is gedaan in het beroep en er niet langer sprake is van connexiteit, wordt het verzoek om een voorlopige voorziening niet-ontvankelijk verklaard.
10. Eiseres krijgt geen vergoeding van zijn proceskosten.
Beslissing
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
De voorzieningenrechter verklaart het verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening niet-ontvankelijk.
Deze uitspraak is gedaan door mr. D.C. Laagland, (voorzieningen)rechter, in aanwezigheid van V. Nooteboom, griffier.
De beslissing is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Rechtsmiddel
Bent u het niet eens met deze uitspraak?
Als u het niet eens bent met deze uitspraak op het beroep, kunt u een brief sturen naar de rechtbank waarin u uitlegt waarom u het er niet mee eens bent. Dit heet een verzetschrift. U moet dit verzetschrift indienen binnen 6 weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. U ziet deze datum hierboven. Als u graag een zitting wilt waarin u uw verzetschrift kunt toelichten, kunt u dit in uw verzetschrift vermelden. Tegen de uitspraak op het verzoek om een voorlopige voorziening staat geen rechtsmiddel open.
Zie artikel 8:54, eerste lid, aanhef en onder c, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).
Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State, ECLI:NL:RVS:2025:1642 zie ook ECLI:RVS:2023:4348.
Europees Verdrag van de Rechten van de Mens en de fundamentele vrijheden.
Handvest van de Grondrechten van de Europese Unie.
ECLI:NL:RVS:2023:4107.
ECLI:NL:RVS:2024:3661.
ECLI:NL:RVS:2025:575.
ECLI:RVS:2025:4770.
Op grond van artikel 8:81 en 8:83, derde lid, van de Awb.