Rechtbank Den Haag
ECLI:NL:RBDHA:2026:21958
2026-06-19
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
NL26.32835
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen
Inhoudsindicatie
vervolgberoep; artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw; ongegrond; verzoek schadevergoeding afgewezen.
Citeert (2)
- ECLI:NL:RVS:2024:1892 Raad van State 06-05-2024
- ECLI:NL:RVS:2024:2842 Raad van State 15-07-2024
Geciteerd door (0)
- geen
Volledige tekst
Volledige tekst (6.202 tekens)
uitspraak
RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Utrecht Bestuursrecht zaaknummer: NL26.32835
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[eiser] , V-nummer: [V-nummer] , eiser, (gemachtigde: mr. V. Senczuk),
en
de minister van Asiel en Migratie, (gemachtigde: S.H.F. Pols).
Procesverloop
De minister heeft op 22 maart 2026 aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) opgelegd. Deze maatregel duurt nog voort.
Eiser heeft tegen het voortduren van de maatregel van bewaring beroep ingesteld. Daarbij heeft hij verzocht om schadevergoeding.
De minister heeft een voortgangsrapportage overgelegd. Eiser heeft hierop gereageerd. Vervolgens heeft de minister een verweerschrift ingediend.
De rechtbank heeft bepaald dat een onderzoek ter zitting achterwege blijft.
Overwegingen
1. Eiser stelt dat hij de Algerijnse nationaliteit heeft en dat hij is geboren op [geboortedatum] 2007.
2. Indien de rechtbank van oordeel is dat de toepassing of tenuitvoerlegging van de maatregel van bewaring in strijd is met de Vw dan wel bij afweging van alle daarbij betrokken belangen in redelijkheid niet gerechtvaardigd is, verklaart zij op grond van artikel 96, derde lid, van de Vw het beroep gegrond en beveelt zij de opheffing van de maatregel of een wijziging van de wijze van tenuitvoerlegging daarvan.
3. De rechtbank stelt voorop dat zij deze maatregel van bewaring al eerder heeft getoetst. Uit de uitspraak van 13 mei 2026 (in de zaak NL26.24890) volgt dat de maatregel van bewaring tot het moment van het sluiten van het onderzoek dat aan die uitspraak ten grondslag ligt, rechtmatig was. Daarom is bij de beoordeling van de rechtmatigheid van het
voortduren van de maatregel van bewaring slechts de periode van belang sinds het moment van het sluiten van dat onderzoek.
4. Eiser voert aan dat de bewaring te lang duurt en dat een gedwongen uitzetting voor eiser niet mogelijk blijkt. Eiser zegt dat hij moet meewerken aan het verkrijgen van een laissez passer (hierna: lp), maar dat het niet mogelijk is voor hem om terug te keren naar Algerije. De reden hiervoor is dat eiser problemen heeft in Algerije. Gelet op het voorgaande is eiser dan ook van mening dat zijn belang bij een invrijheidstelling zwaarder dient te wegen dan het belang van de minister bij het voortduren van de maatregel.
5. In wat eiser aanvoert ziet de rechtbank geen aanleiding voor het oordeel dat zicht op uitzetting ontbreekt en dat de belangenafweging in het voordeel van eiser moet uitvallen. In wat eiser aanvoert betreft het ontbreken van zicht op uitzetting en de belangenafweging verwijst de rechtbank ten eerste naar haar eerdere uitspraak van 13 mei 2026 (NL26.24890), rechtsoverweging 5 en 6. Verder overweegt de rechtbank dat met betrekking tot uitzetting naar Algerije in het algemeen zicht op uitzetting niet ontbreekt. De rechtbank wijst op de uitspraken van de Afdeling1 van 6 mei 2024,2 en 15 juli 2024,3 waarin de Afdeling heeft geoordeeld dat zicht op uitzetting in het algemeen naar Algerije niet (meer) ontbreekt en in het algemeen bestaat. In hetgeen eiser in deze procedure naar voren heeft gebracht ziet de rechtbank geen aanleiding om aan te nemen dat ten aanzien van hem persoonlijk het zicht op uitzetting ontbreekt. De enkele stelling van eiser dat er geen zicht op uitzetting zou zijn omdat hij problemen heeft in Algerije, is hiervoor onvoldoende. Eiser heeft zijn stelling dat hij problemen heeft in Algerije verder ook niet onderbouwd, en wordt daarom daarin niet gevolgd. Het onderzoek bij de Algerijnse autoriteiten loopt nog. Niet is gebleken dat de Algerijnse autoriteiten hebben aangegeven geen lp voor eiser te zullen afgeven. Op eiser rust de plicht om zijn actieve en volledige medewerking te verlenen aan het verkrijgen van concrete en verifieerbare gegevens, waaronder documenten, die nodig zijn om de beoogde uitzetting te bewerkstelligen. Hij moet ook zelf de nodige, controleerbare inspanningen verrichten om dergelijke gegevens te verkrijgen. Niet is gebleken dat eiser aan deze verplichting voldoende invulling geeft. Eiser heeft verder niets aangevoerd dat aanleiding geeft om de belangenafweging in het voordeel van eiser uit te moeten laten vallen. De enkele stelling dat het [locatie] gewoon een gevangenis zou zijn, acht de rechtbank in dat kader onvoldoende. Evenmin is er gebleken van dergelijke feiten en duurt de bewaring van eiser niet onevenredig lang voort. De maatregel van bewaring duurt rechtmatig voort. De beroepsgronden slagen niet.
6. Ook met inachtneming van de ambtshalve toetsing waartoe zij gehouden is, is de rechtbank van oordeel dat de maatregel van bewaring tot het moment van het sluiten van het onderzoek niet op enig moment onrechtmatig was.
7. Het beroep is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen.
8. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
1. de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.
2 ECLI:NL:RVS:2024:1892
3 ECLI:NL:RVS:2024:2842
Beslissing
De rechtbank:
verklaart het beroep ongegrond;
wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. A. Skerka, rechter, in aanwezigheid van A.F. Klomp, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
19 juni 2026
Documentcode: [Documentcode]
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.
RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Utrecht Bestuursrecht zaaknummer: NL26.32835
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[eiser] , V-nummer: [V-nummer] , eiser, (gemachtigde: mr. V. Senczuk),
en
de minister van Asiel en Migratie, (gemachtigde: S.H.F. Pols).
Procesverloop
De minister heeft op 22 maart 2026 aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) opgelegd. Deze maatregel duurt nog voort.
Eiser heeft tegen het voortduren van de maatregel van bewaring beroep ingesteld. Daarbij heeft hij verzocht om schadevergoeding.
De minister heeft een voortgangsrapportage overgelegd. Eiser heeft hierop gereageerd. Vervolgens heeft de minister een verweerschrift ingediend.
De rechtbank heeft bepaald dat een onderzoek ter zitting achterwege blijft.
Overwegingen
1. Eiser stelt dat hij de Algerijnse nationaliteit heeft en dat hij is geboren op [geboortedatum] 2007.
2. Indien de rechtbank van oordeel is dat de toepassing of tenuitvoerlegging van de maatregel van bewaring in strijd is met de Vw dan wel bij afweging van alle daarbij betrokken belangen in redelijkheid niet gerechtvaardigd is, verklaart zij op grond van artikel 96, derde lid, van de Vw het beroep gegrond en beveelt zij de opheffing van de maatregel of een wijziging van de wijze van tenuitvoerlegging daarvan.
3. De rechtbank stelt voorop dat zij deze maatregel van bewaring al eerder heeft getoetst. Uit de uitspraak van 13 mei 2026 (in de zaak NL26.24890) volgt dat de maatregel van bewaring tot het moment van het sluiten van het onderzoek dat aan die uitspraak ten grondslag ligt, rechtmatig was. Daarom is bij de beoordeling van de rechtmatigheid van het
voortduren van de maatregel van bewaring slechts de periode van belang sinds het moment van het sluiten van dat onderzoek.
4. Eiser voert aan dat de bewaring te lang duurt en dat een gedwongen uitzetting voor eiser niet mogelijk blijkt. Eiser zegt dat hij moet meewerken aan het verkrijgen van een laissez passer (hierna: lp), maar dat het niet mogelijk is voor hem om terug te keren naar Algerije. De reden hiervoor is dat eiser problemen heeft in Algerije. Gelet op het voorgaande is eiser dan ook van mening dat zijn belang bij een invrijheidstelling zwaarder dient te wegen dan het belang van de minister bij het voortduren van de maatregel.
5. In wat eiser aanvoert ziet de rechtbank geen aanleiding voor het oordeel dat zicht op uitzetting ontbreekt en dat de belangenafweging in het voordeel van eiser moet uitvallen. In wat eiser aanvoert betreft het ontbreken van zicht op uitzetting en de belangenafweging verwijst de rechtbank ten eerste naar haar eerdere uitspraak van 13 mei 2026 (NL26.24890), rechtsoverweging 5 en 6. Verder overweegt de rechtbank dat met betrekking tot uitzetting naar Algerije in het algemeen zicht op uitzetting niet ontbreekt. De rechtbank wijst op de uitspraken van de Afdeling1 van 6 mei 2024,2 en 15 juli 2024,3 waarin de Afdeling heeft geoordeeld dat zicht op uitzetting in het algemeen naar Algerije niet (meer) ontbreekt en in het algemeen bestaat. In hetgeen eiser in deze procedure naar voren heeft gebracht ziet de rechtbank geen aanleiding om aan te nemen dat ten aanzien van hem persoonlijk het zicht op uitzetting ontbreekt. De enkele stelling van eiser dat er geen zicht op uitzetting zou zijn omdat hij problemen heeft in Algerije, is hiervoor onvoldoende. Eiser heeft zijn stelling dat hij problemen heeft in Algerije verder ook niet onderbouwd, en wordt daarom daarin niet gevolgd. Het onderzoek bij de Algerijnse autoriteiten loopt nog. Niet is gebleken dat de Algerijnse autoriteiten hebben aangegeven geen lp voor eiser te zullen afgeven. Op eiser rust de plicht om zijn actieve en volledige medewerking te verlenen aan het verkrijgen van concrete en verifieerbare gegevens, waaronder documenten, die nodig zijn om de beoogde uitzetting te bewerkstelligen. Hij moet ook zelf de nodige, controleerbare inspanningen verrichten om dergelijke gegevens te verkrijgen. Niet is gebleken dat eiser aan deze verplichting voldoende invulling geeft. Eiser heeft verder niets aangevoerd dat aanleiding geeft om de belangenafweging in het voordeel van eiser uit te moeten laten vallen. De enkele stelling dat het [locatie] gewoon een gevangenis zou zijn, acht de rechtbank in dat kader onvoldoende. Evenmin is er gebleken van dergelijke feiten en duurt de bewaring van eiser niet onevenredig lang voort. De maatregel van bewaring duurt rechtmatig voort. De beroepsgronden slagen niet.
6. Ook met inachtneming van de ambtshalve toetsing waartoe zij gehouden is, is de rechtbank van oordeel dat de maatregel van bewaring tot het moment van het sluiten van het onderzoek niet op enig moment onrechtmatig was.
7. Het beroep is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen.
8. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
1. de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.
2 ECLI:NL:RVS:2024:1892
3 ECLI:NL:RVS:2024:2842
Beslissing
De rechtbank:
verklaart het beroep ongegrond;
wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. A. Skerka, rechter, in aanwezigheid van A.F. Klomp, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
19 juni 2026
Documentcode: [Documentcode]
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.