Neuralex RechtspraakNeuralex Rechtspraak
Inloggen staging

Rechtbank Den Haag

ECLI:NL:RBDHA:2026:21947

2026-02-26 Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht NL26.8950
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen

Gegevens

Instantie
Rechtbank Den Haag
Uitspraakdatum
2026-02-26
Publicatiedatum
2026-08-06
Rechtsgebied
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Procedure
Eerste aanleg - enkelvoudig
Zaaknummer
NL26.8950
Type
Uitspraak
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Inhoudsindicatie

vervolgberoep; artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw; ongegrond; verzoek schadevergoeding afgewezen.

Citeert (2)

Geciteerd door (0)

  • geen

Volledige tekst

Volledige tekst (6.661 tekens)
uitspraak














RECHTBANK DEN HAAG


Zittingsplaats Utrecht Bestuursrecht zaaknummer: NL26.8950

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen






[eiser]
, V-nummer: [V-nummer] , eiser, (gemachtigde: mr. J.E. Groenenberg),



en


de minister van Asiel en Migratie, (gemachtigde: H. Toonders).




Procesverloop


De minister heeft op 19 januari 2026 aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) opgelegd. Deze maatregel duurt nog voort.



Eiser heeft tegen het voortduren van de maatregel van bewaring beroep ingesteld. Daarbij heeft hij verzocht om schadevergoeding.



De minister heeft een voortgangsrapportage overgelegd. Eiser heeft hierop gereageerd. Vervolgens heeft de minister een verweerschrift ingediend.



De rechtbank heeft bepaald dat een onderzoek ter zitting achterwege blijft.





Overwegingen

1. Eiser stelt dat hij de Tunesische nationaliteit heeft en dat hij is geboren op [geboortedatum] 2003.

2. Indien de rechtbank van oordeel is dat de toepassing of tenuitvoerlegging van de maatregel van bewaring in strijd is met de Vw dan wel bij afweging van alle daarbij betrokken belangen in redelijkheid niet gerechtvaardigd is, verklaart zij op grond van artikel 96, derde lid, van de Vw het beroep gegrond en beveelt zij de opheffing van de maatregel of een wijziging van de wijze van tenuitvoerlegging daarvan.
3. De rechtbank stelt voorop dat zij deze maatregel van bewaring al eerder heeft getoetst. Uit de uitspraak van 30 januari 2026 (in de zaak NL26.3264) volgt dat de maatregel van bewaring tot het moment van het sluiten van het onderzoek dat aan die uitspraak ten grondslag ligt, rechtmatig was. Daarom is bij de beoordeling van de



rechtmatigheid van het voortduren van de maatregel van bewaring slechts de periode van belang sinds het moment van het sluiten van dat onderzoek.


4. Eiser voert aan dat de minister onvoldoende voortvarend handelt ten behoeve van eisers uitzetting en dat er onvoldoende zicht op uitzetting is. De minister richt zich op een onjuist land want hij heeft een laissez passer (hierna: lp) aangevraagd bij de ambassade van een land waarvan eiser niet de nationaliteit heeft. Tegens het aanvullende terugkeerbesluit waar de minister naar verwijst heeft eiser beroep ingesteld, juist omdat een onjuist land wordt genoemd. Gelet op voorgaande is er geen zicht op uitzetting en handelt de minister onvoldoende voortvarend. De maatregel dient te worden opgeheven.
5. In wat eiser aanvoert ziet de rechtbank geen aanleiding voor het oordeel dat zicht op uitzetting ontbreekt en dat de minister onvoldoende voortvarend handelt ten behoeve van eisers uitzetting. Eiser heeft zijn nationaliteit op geen enkele wijze onderbouwd. De minister wijst erop dat het dossier voldoende aanwijzingen bevat dat eiser mogelijk afkomstig is uit Algerije. Gelet hierop heeft de minister dan ook kunnen inzetten op uitzetting van eiser naar Algerije. De minister rappelleert regelmatig bij deze autoriteiten met betrekking tot de afgifte van een lp ten behoeve van eisers uitzetting, laatstelijk op 29 januari 2026. Ook heeft de minister nog op 23 januari 2026 een vertrekgesprek gevoerd met eiser. Hieruit volgt dat de minister voortvarend werkt aan de uitzetting van eiser. Eiser heeft zijn stelling dat hij afkomstig is uit Tunesië niet onderbouwd, en wordt daarom daarin niet gevolgd. Nu eiser geen documenten heeft overgelegd die zijn identiteit en nationaliteit kunnen onderbouwen, valt niet in te zien dat er niet een lp-traject Algerije mag worden opgestart. Verder overweegt de rechtbank dat met betrekking tot Algerije in het algemeen zicht op uitzetting niet ontbreekt. De rechtbank wijst op de uitspraken van de Afdeling1 van 6 mei 2024,2 en 15 juli 2024,3 waarin de Afdeling heeft geoordeeld dat zicht op uitzetting in het algemeen naar Algerije niet (meer) ontbreekt en in het algemeen bestaat. De rechtbank ziet ook ten aanzien van eiser persoonlijk geen aanleiding om aan te nemen dat het zicht op uitzetting ontbreekt. De enkele stelling van eiser dat er geen zicht op uitzetting zou zijn omdat hij geen Algerijn is, is hiervoor onvoldoende. Het onderzoek bij de Algerijnse autoriteiten loopt nog. Niet is gebleken dat de Algerijnse autoriteiten hebben aangegeven geen lp voor eiser te zullen afgeven. Op eiser rust de plicht om zijn actieve en volledige medewerking te verlenen aan het verkrijgen van concrete en verifieerbare gegevens, waaronder documenten, die nodig zijn om de beoogde uitzetting te bewerkstelligen. Hij moet ook zelf de nodige, controleerbare inspanningen verrichten om dergelijke gegevens te verkrijgen. Niet is gebleken dat eiser aan deze verplichting voldoende invulling geeft. De minister stelt terecht in zijn verweerschrift dat het voor de onderhavige procedure enkel van belang dat er sprake is van een rechtsgeldig terugkeerbesluit en daarvan is sprake. De maatregel van bewaring duurt rechtmatig voort. De beroepsgronden slagen niet.
6. Ook met inachtneming van de ambtshalve toetsing waartoe zij gehouden is, is de rechtbank van oordeel dat de maatregel van bewaring tot het moment van het sluiten van het onderzoek niet op enig moment onrechtmatig was.







1. De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.
2 ECLI:NL:RVS:2024:1892
3 ECLI:NL:RVS:2024:2842


7. Het beroep is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen.

8. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.




Beslissing


De rechtbank:



verklaart het beroep ongegrond;


wijst het verzoek om schadevergoeding af.





Deze uitspraak is gedaan door mr. P. Lenstra, rechter, in aanwezigheid van A.F. Klomp, griffier.




De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:




26 februari 2026



















Documentcode: [Documentcode]















Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.