Rechtbank Den Haag
ECLI:NL:RBDHA:2026:21908
2026-08-04
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
NL26.8038 en NL26.8039
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen
Inhoudsindicatie
Dublin buiten zitting, Frankrijk. Interstatelijk vertrouwensbeginsel, artikel 17 Dublinverordening. Beroep kennelijk ongegrond.
Citeert (1)
- ECLI:NL:RVS:2023:3737 Raad van State 09-10-2023
Geciteerd door (0)
- geen
Volledige tekst
Volledige tekst (9.564 tekens)
RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Amsterdam
Bestuursrecht
Zaaknummers: NL26.8038 (beroep) en NL26.8039 (voorlopige voorziening)
V-nummer: [v-nummer]
uitspraak van de enkelvoudige kamer en de voorzieningenrechter in de zaken tussen
[eiser] ,
geboren op [geboortedag] 1995, van Algerijnse nationaliteit, eiser en verzoeker (hierna: eiser)
(gemachtigde: mr. D. de Vries),
en
de minister van Asiel en Migratie, verweerder (hierna: de minister).
Inleiding
1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank/voorzieningenrechter (hierna: de rechtbank) het beroep van eiser tegen het niet in behandeling nemen van de aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd en zijn verzoek om een voorlopige voorziening.
1.1.
Bij besluit van 12 februari 2026 (het bestreden besluit) heeft de minister de aanvraag van eiser tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd niet in behandeling genomen omdat Frankrijk verantwoordelijk is voor de behandeling daarvan.
1.2.
Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld en de voorzieningenrechter verzocht een voorlopige voorziening te treffen die ertoe strekt uitzetting te verbieden totdat op het beroep is beslist.
1.3.
De rechtbank doet op grond van artikelen 8:54, eerste lid en 8:83, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) uitspraak zonder zitting.
Beoordeling door de rechtbank
2. De rechtbank beoordeelt het niet in behandeling nemen van de asielaanvraag van eiser. Zij doet dat aan de hand van de beroepsgronden die eiser heeft aangevoerd. Ook beoordeelt zij eisers verzoek om een voorlopige voorziening.
3. De rechtbank verklaart het beroep kennelijk ongegrond. Dat betekent dat eiser geen gelijk krijgt en het niet in behandeling nemen van zijn aanvraag in stand blijft. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
4. Op deze zaak is het vóór 12 juni 2026 geldende recht van toepassing.
5. Eiser heeft op 10 december 2025 asiel aangevraagd. De minister heeft het bestreden besluit gebaseerd op artikel 30, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw). Volgens de minister zijn de autoriteiten van Frankrijk verantwoordelijk voor de behandeling van de asielaanvraag van eiser. Uit Eurodac is gebleken dat eiser eerder op 26 maart 2026 een verzoek om internationale bescherming in Frankrijk bescherming heeft ingediend. De minister heeft daarom op 23 januari 2026 de autoriteiten van Frankrijk verzocht om eiser terug te nemen op grond van de Dublinverordening. Op 6 februari 2026 hebben de Franse autoriteiten dit verzoek aanvaard.
6. Eiser betoogt dat ten aanzien van Frankrijk niet kan worden uitgegaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel. In Frankrijk dreigt een schending van het verbod op refoulement. Ook zijn onvoldoende opvangplekken beschikbaar. In dit verband verwijst eiser ter onderbouwing naar het AIDA-rapport over Frankrijk van 2022. Hieruit blijkt dat ondanks inspanningen van de Franse autoriteiten ongeveer 40% van de asielzoekers in Frankrijk geen opvangplek hadden eind 2022. Uit pagina 104 van het AIDA-rapport volgt daarnaast dat niet iedere Dublinclaimant in Frankrijk direct toegang zal krijgen tot opvang, waardoor er een reëel risico bestaat dat eiser op straat belandt. Overdracht aan Frankrijk zal leiden tot materiële deprivatie en schending van artikel 3 van het EVRM en schending van artikel 4 van het Handvest.
6.1.
De minister mag in beginsel ten opzichte van Frankrijk uitgaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel. Dit beginsel betekent dat lidstaten erop mogen vertrouwen dat de andere lidstaten de vreemdeling in overeenstemming met bepalingen het EU-Handvest, het EVRM en het Vluchtelingenverdrag zullen behandelen. Het is aan eiser om aannemelijk te maken dat dit in zijn geval niet kan en dat in Frankrijk sprake is van aan het systeem gerelateerde tekortkomingen van de asielprocedure of de opvangvoorzieningen die ernstige, op feiten berustende gronden vormen om aan te nemen dat eiser daar een reëel risico loopt op onmenselijke of vernederende behandelingen in de zin van artikel 4 van het Handvest of artikel 3 van het EVRM.
6.2.
Naar het oordeel van de rechtbank is eiser er niet in geslaagd aannemelijk te maken dat de minister ten aanzien van Frankrijk niet langer mag uitgaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel. Hetgeen eiser heeft aangevoerd over het verbod op refoulement is niet nader onderbouwd.
6.3.
Verder is het gebrek aan voldoende opvangplekken in Frankrijk en de verwijzing daarbij naar het AIDA-rapport is eveneens onvoldoende om niet langer van het interstatelijk vertrouwensbeginsel uit te kunnen gaan. Uit de uitspraak van 9 oktober 2023 van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) volgt dat uit het AIDA-rapport van 2022 weliswaar kan worden opgemaakt dat er problemen zijn (geweest) met de opvang in Frankrijk, maar dat niet is gebleken dat die problemen zo structureel en ernstig zijn dat bij een overdracht aan Frankrijk op voorhand sprake is van een reëel risico op schending van artikel 3 van het EVRM en artikel 4 van het Handvest. Voor zover eiser heeft willen betogen dat hij bij overdracht naar Frankrijk direct in detentie zal worden geplaatst, volgt de rechtbank dit niet. Deze stelling heeft eiser ook niet nader onderbouwd. Indien eiser problemen ervaart na zijn overdracht aan Frankrijk kan hij daarover klagen bij de (hogere) Franse autoriteiten dan wel bij het EHRM. De beroepsgrond slaagt niet.
7. Verder stelt eiser dat de minister de asielaanvraag van eiser op grond van artikel 17 van de Dublinverordening aan zich had moeten trekken.
7.1.
De rechtbank overweegt dat artikel 17 van de Dublinverordening een discretionaire bevoegdheid bevat om een asielverzoek in behandeling te nemen. In paragraaf C2/5 van de Vreemdelingencirculaire 2000 (Vc) staat dat de minister hiervan terughoudend gebruik maakt als Nederland daartoe, op grond van de in de Dublinverordening neergelegde criteria, niet verplicht is. De minister gebruikt de bevoegdheid in ieder geval als ‘bijzondere, individuele omstandigheden maken dat de overdracht van de vreemdeling aan de voor de behandeling van het verzoek om internationale bescherming verantwoordelijke lidstaat van een onevenredige hardheid getuigt’. Vanwege de ruime mate van bestuurlijke vrijheid die de minister heeft om deze hardheidsclausule toe te passen, toetst de rechtbank deze beslissing terughoudend.
7.2.
De rechtbank stelt vast dat de gestelde omstandigheid dat eiser niets heeft in Frankrijk niet nader is onderbouwd. De rechtbank van oordeel, uitgaande van de terughoudende toets, dat de minister zich op het standpunt kan stellen dat eisers situatie geen aanleiding vormt om zijn asielaanvraag op grond van artikel 17 van de Dublinverordening onverplicht in behandeling te nemen. Er mag op basis van het interstatelijk vertrouwensbeginsel vanuit worden gegaan dat de Franse autoriteiten eiser zullen helpen. Dat eiser niets heeft in Frankrijk betekent op zichzelf ook niet dat sprake is van bijzondere individuele omstandigheden op grond waarvan zou moeten worden afgezien van overdracht aan Frankrijk vanwege onevenredige hardheid. De beroepsgrond slaagt daarom niet.
Conclusie en gevolgen
8. Het beroep is kennelijk ongegrond.
8. Omdat de rechtbank met deze uitspraak op het beroep beslist, is er geen aanleiding voor het treffen van een voorlopige voorziening. De voorzieningenrechter wijst het verzoek om die reden af.
9. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Beslissing
De rechtbank, in de zaak met zaaknummer NL26.8038:
- verklaart het beroep ongegrond.
De voorzieningenrechter, in de zaak met zaaknummer NL26.8039:
- wijst het verzoek om een voorlopige voorziening af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. R.H.G. Odink, rechter, in aanwezigheid van B.S. Beens, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Informatie over verzet
Als partijen het niet eens zijn met deze uitspraak, kunnen zij een verzetschrift sturen naar de rechtbank waarin zij uitleggen waarom zij het niet eens zijn met deze uitspraak. Het verzetschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Als partijen graag een zitting willen om het verzetschrift toe te lichten, moeten zij dit in het verzetschrift vermelden. Tegen de uitspraak op het verzoek om een voorlopige voorziening staat geen rechtsmiddel open.
Zie artikel 84 van de Asiel- en migratiebeheerverordening inzake het overgangsrecht.
AIDA Country Report: France 2021 (update 2022).
Verdrag tot bescherming van de Rechten van de Mens en de Fundamentele vrijheden.
Handvest van de grondrechten van de Europese Unie.
ECLI:NL:RVS:2023:3737.
Europees Hof voor de Rechten van de Mens.
Zittingsplaats Amsterdam
Bestuursrecht
Zaaknummers: NL26.8038 (beroep) en NL26.8039 (voorlopige voorziening)
V-nummer: [v-nummer]
uitspraak van de enkelvoudige kamer en de voorzieningenrechter in de zaken tussen
[eiser] ,
geboren op [geboortedag] 1995, van Algerijnse nationaliteit, eiser en verzoeker (hierna: eiser)
(gemachtigde: mr. D. de Vries),
en
de minister van Asiel en Migratie, verweerder (hierna: de minister).
Inleiding
1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank/voorzieningenrechter (hierna: de rechtbank) het beroep van eiser tegen het niet in behandeling nemen van de aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd en zijn verzoek om een voorlopige voorziening.
1.1.
Bij besluit van 12 februari 2026 (het bestreden besluit) heeft de minister de aanvraag van eiser tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd niet in behandeling genomen omdat Frankrijk verantwoordelijk is voor de behandeling daarvan.
1.2.
Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld en de voorzieningenrechter verzocht een voorlopige voorziening te treffen die ertoe strekt uitzetting te verbieden totdat op het beroep is beslist.
1.3.
De rechtbank doet op grond van artikelen 8:54, eerste lid en 8:83, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) uitspraak zonder zitting.
Beoordeling door de rechtbank
2. De rechtbank beoordeelt het niet in behandeling nemen van de asielaanvraag van eiser. Zij doet dat aan de hand van de beroepsgronden die eiser heeft aangevoerd. Ook beoordeelt zij eisers verzoek om een voorlopige voorziening.
3. De rechtbank verklaart het beroep kennelijk ongegrond. Dat betekent dat eiser geen gelijk krijgt en het niet in behandeling nemen van zijn aanvraag in stand blijft. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
4. Op deze zaak is het vóór 12 juni 2026 geldende recht van toepassing.
5. Eiser heeft op 10 december 2025 asiel aangevraagd. De minister heeft het bestreden besluit gebaseerd op artikel 30, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw). Volgens de minister zijn de autoriteiten van Frankrijk verantwoordelijk voor de behandeling van de asielaanvraag van eiser. Uit Eurodac is gebleken dat eiser eerder op 26 maart 2026 een verzoek om internationale bescherming in Frankrijk bescherming heeft ingediend. De minister heeft daarom op 23 januari 2026 de autoriteiten van Frankrijk verzocht om eiser terug te nemen op grond van de Dublinverordening. Op 6 februari 2026 hebben de Franse autoriteiten dit verzoek aanvaard.
6. Eiser betoogt dat ten aanzien van Frankrijk niet kan worden uitgegaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel. In Frankrijk dreigt een schending van het verbod op refoulement. Ook zijn onvoldoende opvangplekken beschikbaar. In dit verband verwijst eiser ter onderbouwing naar het AIDA-rapport over Frankrijk van 2022. Hieruit blijkt dat ondanks inspanningen van de Franse autoriteiten ongeveer 40% van de asielzoekers in Frankrijk geen opvangplek hadden eind 2022. Uit pagina 104 van het AIDA-rapport volgt daarnaast dat niet iedere Dublinclaimant in Frankrijk direct toegang zal krijgen tot opvang, waardoor er een reëel risico bestaat dat eiser op straat belandt. Overdracht aan Frankrijk zal leiden tot materiële deprivatie en schending van artikel 3 van het EVRM en schending van artikel 4 van het Handvest.
6.1.
De minister mag in beginsel ten opzichte van Frankrijk uitgaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel. Dit beginsel betekent dat lidstaten erop mogen vertrouwen dat de andere lidstaten de vreemdeling in overeenstemming met bepalingen het EU-Handvest, het EVRM en het Vluchtelingenverdrag zullen behandelen. Het is aan eiser om aannemelijk te maken dat dit in zijn geval niet kan en dat in Frankrijk sprake is van aan het systeem gerelateerde tekortkomingen van de asielprocedure of de opvangvoorzieningen die ernstige, op feiten berustende gronden vormen om aan te nemen dat eiser daar een reëel risico loopt op onmenselijke of vernederende behandelingen in de zin van artikel 4 van het Handvest of artikel 3 van het EVRM.
6.2.
Naar het oordeel van de rechtbank is eiser er niet in geslaagd aannemelijk te maken dat de minister ten aanzien van Frankrijk niet langer mag uitgaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel. Hetgeen eiser heeft aangevoerd over het verbod op refoulement is niet nader onderbouwd.
6.3.
Verder is het gebrek aan voldoende opvangplekken in Frankrijk en de verwijzing daarbij naar het AIDA-rapport is eveneens onvoldoende om niet langer van het interstatelijk vertrouwensbeginsel uit te kunnen gaan. Uit de uitspraak van 9 oktober 2023 van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) volgt dat uit het AIDA-rapport van 2022 weliswaar kan worden opgemaakt dat er problemen zijn (geweest) met de opvang in Frankrijk, maar dat niet is gebleken dat die problemen zo structureel en ernstig zijn dat bij een overdracht aan Frankrijk op voorhand sprake is van een reëel risico op schending van artikel 3 van het EVRM en artikel 4 van het Handvest. Voor zover eiser heeft willen betogen dat hij bij overdracht naar Frankrijk direct in detentie zal worden geplaatst, volgt de rechtbank dit niet. Deze stelling heeft eiser ook niet nader onderbouwd. Indien eiser problemen ervaart na zijn overdracht aan Frankrijk kan hij daarover klagen bij de (hogere) Franse autoriteiten dan wel bij het EHRM. De beroepsgrond slaagt niet.
7. Verder stelt eiser dat de minister de asielaanvraag van eiser op grond van artikel 17 van de Dublinverordening aan zich had moeten trekken.
7.1.
De rechtbank overweegt dat artikel 17 van de Dublinverordening een discretionaire bevoegdheid bevat om een asielverzoek in behandeling te nemen. In paragraaf C2/5 van de Vreemdelingencirculaire 2000 (Vc) staat dat de minister hiervan terughoudend gebruik maakt als Nederland daartoe, op grond van de in de Dublinverordening neergelegde criteria, niet verplicht is. De minister gebruikt de bevoegdheid in ieder geval als ‘bijzondere, individuele omstandigheden maken dat de overdracht van de vreemdeling aan de voor de behandeling van het verzoek om internationale bescherming verantwoordelijke lidstaat van een onevenredige hardheid getuigt’. Vanwege de ruime mate van bestuurlijke vrijheid die de minister heeft om deze hardheidsclausule toe te passen, toetst de rechtbank deze beslissing terughoudend.
7.2.
De rechtbank stelt vast dat de gestelde omstandigheid dat eiser niets heeft in Frankrijk niet nader is onderbouwd. De rechtbank van oordeel, uitgaande van de terughoudende toets, dat de minister zich op het standpunt kan stellen dat eisers situatie geen aanleiding vormt om zijn asielaanvraag op grond van artikel 17 van de Dublinverordening onverplicht in behandeling te nemen. Er mag op basis van het interstatelijk vertrouwensbeginsel vanuit worden gegaan dat de Franse autoriteiten eiser zullen helpen. Dat eiser niets heeft in Frankrijk betekent op zichzelf ook niet dat sprake is van bijzondere individuele omstandigheden op grond waarvan zou moeten worden afgezien van overdracht aan Frankrijk vanwege onevenredige hardheid. De beroepsgrond slaagt daarom niet.
Conclusie en gevolgen
8. Het beroep is kennelijk ongegrond.
8. Omdat de rechtbank met deze uitspraak op het beroep beslist, is er geen aanleiding voor het treffen van een voorlopige voorziening. De voorzieningenrechter wijst het verzoek om die reden af.
9. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Beslissing
De rechtbank, in de zaak met zaaknummer NL26.8038:
- verklaart het beroep ongegrond.
De voorzieningenrechter, in de zaak met zaaknummer NL26.8039:
- wijst het verzoek om een voorlopige voorziening af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. R.H.G. Odink, rechter, in aanwezigheid van B.S. Beens, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Informatie over verzet
Als partijen het niet eens zijn met deze uitspraak, kunnen zij een verzetschrift sturen naar de rechtbank waarin zij uitleggen waarom zij het niet eens zijn met deze uitspraak. Het verzetschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Als partijen graag een zitting willen om het verzetschrift toe te lichten, moeten zij dit in het verzetschrift vermelden. Tegen de uitspraak op het verzoek om een voorlopige voorziening staat geen rechtsmiddel open.
Zie artikel 84 van de Asiel- en migratiebeheerverordening inzake het overgangsrecht.
AIDA Country Report: France 2021 (update 2022).
Verdrag tot bescherming van de Rechten van de Mens en de Fundamentele vrijheden.
Handvest van de grondrechten van de Europese Unie.
ECLI:NL:RVS:2023:3737.
Europees Hof voor de Rechten van de Mens.