Rechtbank Den Haag
ECLI:NL:RBDHA:2026:21819
Inhoudsindicatie
Uitspraak op het verzet van opposant tegen het niet-ontvankelijk verklaren van zijn beroep tegen het niet tijdig nemen van een besluit door de minister van Asiel en Migratie op de aanvraag van opposant tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. In deze uitspraak oordeel de rechtbank over de strekking van het besluitmoratorium dat heeft gegolden voor Syrië in de periode van 14 december 2024 tot en met 13 juni 2025. Tot nu toe heeft deze zittingsplaats van de rechtbank dit besluitmoratorium aldus uitgelegd, dat de beslistermijn voor asielaanvragen die waren ingediend vóór en tijdens dit besluitmoratorium is verlengd met één jaar tot ten hoogste 21 maanden. Deze zittingsplaats ziet aanleiding om deze lijn te verlaten. Zij zal vanaf nu oordelen dat op grond van het besluitmoratorium de beslistermijn niet meer wordt “verlengd”, maar wordt “uitgesteld”. Deze wijziging geldt voor alle vreemdelingen waarvoor een besluitmoratorium geldt of heeft gegolden. (ZIE OOK: ECLI:NL:RBDHA:2025:18376)
Citeert (10)
- ECLI:NL:RBDHA:2025:18376 Rechtbank Den Haag 29-08-2025
- ECLI:NL:RBDHA:2025:21535 Rechtbank Den Haag 11-11-2025
- ECLI:NL:RBDHA:2026:547 Rechtbank Den Haag 14-01-2026
- ECLI:NL:RBDHA:2026:847 Rechtbank Den Haag 21-01-2026
- ECLI:NL:RBDHA:2026:11503 Rechtbank Den Haag 28-04-2026
- ECLI:NL:RBDHA:2026:20129 Rechtbank Den Haag 20-07-2026
- ECLI:NL:RBDHA:2026:20130 Rechtbank Den Haag 20-07-2026
- ECLI:NL:RBDHA:2026:20133 Rechtbank Den Haag 20-07-2026
- ECLI:NL:RBDHA:2026:20136 Rechtbank Den Haag 20-07-2026
- ECLI:NL:RVS:2020:1560 Raad van State 08-07-2020
Geciteerd door (11)
- ECLI:NL:RBDHA:2026:25044 Rechtbank Den Haag 24-08-2026
- ECLI:NL:RBDHA:2026:24995 Rechtbank Den Haag 19-08-2026
- ECLI:NL:RBDHA:2026:24989 Rechtbank Den Haag 19-08-2026
- ECLI:NL:RBDHA:2026:24320 Rechtbank Den Haag 12-08-2026
- ECLI:NL:RBDHA:2026:24537 Rechtbank Den Haag 12-08-2026
- ECLI:NL:RBDHA:2026:23990 Rechtbank Den Haag 12-08-2026
- ECLI:NL:RBDHA:2026:24504 Rechtbank Den Haag 12-08-2026
- ECLI:NL:RBDHA:2026:24883 Rechtbank Den Haag 12-08-2026
- ECLI:NL:RBDHA:2026:24503 Rechtbank Den Haag 12-08-2026
- ECLI:NL:RBDHA:2026:24001 Rechtbank Den Haag 12-08-2026
- ECLI:NL:RBDHA:2026:24318 Rechtbank Den Haag 12-08-2026
Volledige tekst
Volledige tekst (13.458 tekens)
RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Utrecht Bestuursrecht zaaknummer: NL25.30951
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[opposant/eiser]
, V-nummer: [V-nummer] , opposant/eiser (gemachtigde: mr. F. van Dijk),
en
de minister van Asiel en Migratie, de minister.
Procesverloop
Opposant heeft beroep ingesteld tegen het niet tijdig nemen van een besluit door de minister van Asiel en Migratie (de minister) op de aanvraag van opposant tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd (hierna: aanvraag).
Bij uitspraak van 29 augustus 2025 heeft de rechtbank dat beroep kennelijk niet-ontvankelijk verklaard.1 De rechtbank heeft het daarbij niet nodig geacht om partijen uit te nodigen voor een zitting.2
Opposant heeft op 10 oktober 2025 verzet ingesteld tegen deze uitspraak.
De rechtbank heeft bij bericht van 24 juli 2026 aangegeven dat volgens haar nader onderzoek redelijkerwijs niet kan bijdragen aan de beoordeling van de zaak. Zij heeft partijen in de gelegenheid gesteld op een zitting te worden gehoord en heeft gewezen op haar bevoegdheid om tevens uitspraak te doen op het beroep.3 Partijen hebben hierop niet gereageerd binnen de daarvoor gestelde termijn van één week.
De rechtbank doet andermaal uitspraak zonder zitting.
Samenvatting
In deze uitspraak oordeelt de rechtbank over de strekking van het besluitmoratorium dat heeft gegolden voor Syrië in de periode van 14 december 2024 tot en met 13 juni 2025 (het besluitmoratorium).4 Tot nu toe heeft deze zittingsplaats van de rechtbank dit besluitmoratorium aldus uitgelegd, dat de beslistermijn voor asielaanvragen die waren
1. ECLI:NL:RBDHA:2025:18376.
2 Artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).
3 Artikel 8:55, tiende lid, van de Awb.
4 Stcrt. 2024, 41538.
ingediend vóór en tijdens dit besluitmoratorium is verlengd met één jaar tot ten hoogste 21 maanden.5 Deze zittingsplaats ziet aanleiding om deze lijn thans te verlaten. Zij zal vanaf nu oordelen dat op grond van het besluitmoratorium de beslistermijn niet meer wordt “verlengd”, maar wordt “uitgesteld”. Deze wijziging geldt niet slechts voor het besluitmoratorium voor asielaanvragen van vreemdelingen uit Syrië, maar ook van vreemdelingen uit andere landen waarvoor een besluitmoratorium geldt of heeft gegolden.
Inleiding
1. De rechtbank beoordeelt in deze uitspraak of zij met de uitspraak van
29 augustus 2025 terecht heeft geoordeeld dat het beroep tegen het niet-tijdig beslissen buiten redelijke twijfel niet-ontvankelijk was. Aan de inhoud van de beroepsgronden komt de rechtbank in deze zaak toe als het verzet gegrond is.
2. De rechtbank heeft in de beroepszaak uitspraak gedaan zonder zitting. Dat mag de rechtbank doen als het eindoordeel buiten redelijke twijfel staat. De rechtbank heeft het beroep kennelijk niet-ontvankelijk geacht. Hierbij heeft de rechtbank overwogen dat de ingebrekestelling van opposant van 25 juni 2025 vóór het verstrijken van de beslistermijn is ingediend. Dit omdat volgens de rechtbank met de toepassing van het besluitmoratorium de beslistermijn was verlengd tot en met 8 september 2025.
3. De rechtbank komt tot het oordeel dat het verzet tegen de uitspraak van
29 augustus 2025 gegrond is. Vervolgens oordeelt zij dat ook het beroep tegen het niet-tijdig beslissen op de aanvraag gegrond is. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Overwegingen
4. In artikel 43, eerste lid, van de Vw 2000 (zoals dat gold tot 12 juni 2026), artikel 2 van het Besluit en artikel 31, derde lid, van de Procedurerichtlijn (zoals die gold tot 12 juni 2026) is het woord “verlengen” gebruikt. Vanwege de vermelding van dit woord heeft deze zittingsplaats van de rechtbank tot nu toe de strekking van het besluitmoratorium aldus geïnterpreteerd, dat de beslistermijn op de aanvraag is verlengd met één jaar, tot ten hoogste 21 maanden.
5. Deze zittingsplaats verlaat deze interpretatie en volgt vanaf nu de lijn dat een richtlijnconforme uitleg vereist dat het woord “verlengen” wordt uitgelegd als “uitstellen”. Zij sluit daarbij aan bij de overwegingen van de uitspraken van deze rechtbank, zittingsplaats Amsterdam, van 11 november 2025 (ECLI:NL:RBDHA:2025:21535), zittingsplaats Groningen, van 14 januari 2026 (ECLI:NL:RBDHA:2026:547) en 21 januari 2026 (ECLI:NL:RBDHA:2026:847) en zittingsplaats Rotterdam, van 28 april 2026 (ECLI:NL:RBDHA:2026:11503). De rechtbank wijst er voorts op dat het gewijzigde
5 Artikel 43, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw, zoals dat gold tot 12 juni 2026) en artikel 2 van het Besluit instelling besluitmoratorium en vertrekmoratorium vreemdelingen afkomstig uit Syrië (het Besluit).
artikel 43 van de Vw, zoals dat geldt met ingang van 12 juni 2026, ook spreekt van het “uitstellen” van de behandelingsduur van een asielaanvraag.
6. Deze wijziging van interpretatie leidt ertoe dat de rechtbank thans van oordeel is dat de beslistermijn van de aanvraag is uitgesteld voor de duur van de werking van het besluitmoratorium.
7. Het besluitmoratorium gold van 14 december 2024 tot en met 13 juni 2025. Opposant heeft zijn aanvraag ingediend op 8 maart 2024. De beslistermijn van zes maanden was al verstreken toen het besluitmoratorium in werking trad. Door de werking van het besluitmoratorium heeft de minister tot en met 13 juni 2025 geen beslissing op de aanvraag hoeven nemen. De verplichting hiertoe “herleefde” weer na afloop van het besluitmoratorium op 14 juni 2025.
8. Opposant heeft de minister op 25 juni 2025 in gebreke gesteld. Dat was dus tijdig. Het oordeel van de rechtbank in de uitspraak van 29 augustus 2025, inhoudende dat de ingebrekestelling prematuur was, is dus onjuist. Hieruit vloeit voort dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat het beroep tegen het niet-tijdig beslissen buiten redelijke twijfel niet-ontvankelijk was. Zij heeft het beroep dan ook ten onrechte zonder zitting afgedaan.
9. Het verzet is gegrond. Dat betekent dat de uitspraak van 29 augustus 2025 vervalt en dat de rechtbank het onderzoek hervat in de stand waarin zich dat bevond voor die uitspraak werd gedaan.
Beoordeling door de rechtbank van het beroep
10. De rechtbank is van oordeel dat nader onderzoek niet kan bijdragen aan de beoordeling van de beroepszaak. De rechtbank doet daarom op grond van artikel 8:55, tiende lid, van de Awb tevens uitspraak op het beroep. Opposant wordt verder aangeduid als “eiser”.
Is het beroep van eiser ontvankelijk en gegrond?
11. In rechtsoverweging 8 heeft de rechtbank al geoordeeld dat eiser de ingebrekestelling van 25 juni 2025 tijdig heeft ingediend. Eiser heeft meer dan twee weken na de ingebrekestelling beroep ingesteld tegen het uitblijven van een beslissing. Het beroep is daarom ontvankelijk en gegrond.
Welke nadere beslistermijn legt de rechtbank aan de minister op?
12. De rechtbank geeft de minister in beginsel een termijn van twee weken na de dag van verzending van de uitspraak om alsnog een besluit te nemen. Er kunnen omstandigheden zijn die ervoor zorgen dat de rechtbank een andere termijn geeft.6 In deze zaak is dit aan de orde.
6 Artikel 8:55d, eerste en derde lid, van de Awb.
13. De minister heeft aan de rechtbank geen verzoek gedaan tot het bepalen van een concrete nadere beslistermijn. Mede tegen deze achtergrond ziet de rechtbank geen aanleiding om af te wijken van de lijn die zij heeft ingezet met haar uitspraken van 20 juli 2026.7
14. Bij het bepalen van een passende nadere beslistermijn maakt de rechtbank een afweging. Daarbij houdt zij rekening met het belang van zowel snelle als zorgvuldige besluitvorming.8 De rechtbank weegt verder mee dat de uiterste beslistermijn van 21 maanden in dit geval is overschreden. Ook houdt de rechtbank er rekening mee dat eiser nog niet is gehoord over zijn asielmotieven. De rechtbank bepaalt daarom dat de minister binnen vier weken na de dag van verzending van deze uitspraak een gehoor moet afnemen. Uiterlijk twee weken daarna moet de minister een besluit op de aanvraag bekend maken.
De rechtbank verbindt een rechterlijke dwangsom aan de uitspraak
15. De rechtbank verbindt aan haar uitspraak een dwangsom van € 50,- voor elke dag waarmee de minister de in de uitspraak bepaalde beslistermijn overschrijdt. Het maximum is
€ 15.000,-. Eén en ander is overeenkomstig de aanbeveling die in dit verband geldt.9 De rechtbank ziet geen aanleiding om in deze zaak van deze aanbeveling af te wijken.
Heeft de minister een bestuurlijke dwangsom verbeurd?
16. Eiser heeft de rechtbank verzocht om de hoogte van de bestuurlijke dwangsom vast te stellen.
17. Met ingang van 15 april 2025 zijn in vreemdelingenzaken de wettelijke bepalingen met betrekking tot de bestuurlijke dwangsom niet meer van kracht.10 Dit is slechts anders als de minister vóór 15 april 2025 niet tijdig heeft beslist én de minister eveneens vóór die datum in gebreke is gesteld. Deze omstandigheid doet zich in deze zaak niet voor. De rechtbank kan de hoogte van de verbeurde dwangsom daarom niet vaststellen.
Conclusie en gevolgen
18. Het beroep is gegrond. Dat betekent dat eiser gelijk krijgt en dat de minister binnen zes weken na verzending van deze uitspraak alsnog een besluit op de aanvraag bekend moet maken. Als de minister dat niet doet, dan verbeurt hij een dwangsom.
19. De rechtbank veroordeelt de minister in de gemaakte proceskosten in verzet. Volgens het Besluit proceskosten bestuursrecht (Bpb) is dit een vast bedrag, omdat een professionele (juridische) hulpverlener is ingeschakeld om een verzetschrift in te dienen. Toegekend wordt
€ 467,- (0,5 punt voor het indienen van het verzetschrift, met een waarde per punt van € 934,-en een wegingsfactor van 1).
7 ECLI:NL:RBDHA:2026:20129, ECLI:NL:RBDHA:2026:20130, ECLI:NL:RBDHA:2026:20133 en ECLI:NL:RBDHA:2026:20136.
8 ECLI:NL:RVS:2020:1560.
9 Artikel 8:55d, tweede lid, van de Awb.
Zie https://www.rechtspraak.nl/voor-advocaten-en-juristen/reglementen-procedures-en-formulieren/bestuursrecht/aanbeveling-rechterlijke-dwangsom-bij-beroep-niet-tijdig-beslissen-in-vreemdelingenzaken.
10 Stb. 2025, 96.
20. Omdat het beroep gegrond is, krijgt eiser ook een vergoeding voor de proceskosten die hij in de beroepsprocedure heeft gemaakt. De minister moet dit betalen. Volgens het Bpb is dit een vast bedrag, omdat eiser een professionele (juridische) hulpverlener heeft ingeschakeld om voor hem een beroepschrift in te dienen. Omdat de zaak alleen gaat over de vraag of de beslistermijn is overschreden, wordt een lager bedrag toegekend (wegingsfactor 0,5). Verder zijn er geen kosten gemaakt die vergoed kunnen worden. Toegekend wordt € 467,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift, met een waarde per punt van € 934,- en een wegingsfactor 0,5).
Beslissing
verklaart het verzet gegrond;
verklaart de uitspraak van 29 augustus 2025 vervallen;
verklaart het beroep gegrond;
vernietigt het met een besluit gelijk te stellen niet tijdig nemen van een besluit;
draagt de minister op om uiterlijk binnen zes weken na de dag van verzending van deze uitspraak een besluit op de aanvraag bekend te maken;
bepaalt dat de minister aan eiser een dwangsom van € 50,- moet betalen voor elke dag waarmee hij de hiervoor genoemde termijn overschrijdt, met een maximum van € 15.000,-.
veroordeelt de minister tot betaling van de door eiser gemaakte proceskosten van in totaal
€ 934,-.
Deze uitspraak is gedaan door mr. G.P. Loman, rechter, in aanwezigheid van M. Eradus, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op 05 augustus 2026.
Informatie over hoger beroep
Tegen deze uitspraak kan geen rechtsmiddel worden aangewend, voor zover daarbij is beslist op het verzet.
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, voor zover daarbij is beslist op het beroep, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen vier weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.