Rechtbank Den Haag
ECLI:NL:RBDHA:2026:20133
2026-07-20
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
NL26.30231
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen
Inhoudsindicatie
Beroep niet tijdig, asiel, beroep ontvankelijk en gegrond, Asiel- en Migratiepact, vervallen voornemenprocedure, verlaten 8+8-wekentermijn, nieuwe nadere beslistermijnen, nadere beslistermijn van 8+4 weken
Citeert (1)
- ECLI:NL:RVS:2020:1560 Raad van State 08-07-2020
Geciteerd door (105)
- ECLI:NL:RBDHA:2026:28749 Rechtbank Den Haag 21-09-2026
- ECLI:NL:RBDHA:2026:28754 Rechtbank Den Haag 21-09-2026
- ECLI:NL:RBDHA:2026:28753 Rechtbank Den Haag 21-09-2026
- ECLI:NL:RBDHA:2026:28748 Rechtbank Den Haag 18-09-2026
- ECLI:NL:RBDHA:2026:28747 Rechtbank Den Haag 18-09-2026
- ECLI:NL:RBDHA:2026:28745 Rechtbank Den Haag 18-09-2026
- ECLI:NL:RBDHA:2026:26813 Rechtbank Den Haag 14-09-2026
- ECLI:NL:RBDHA:2026:26224 Rechtbank Den Haag 09-09-2026
- ECLI:NL:RBDHA:2026:26225 Rechtbank Den Haag 09-09-2026
- ECLI:NL:RBDHA:2026:26223 Rechtbank Den Haag 09-09-2026
- ECLI:NL:RBDHA:2026:25086 Rechtbank Den Haag 31-08-2026
- ECLI:NL:RBDHA:2026:25039 Rechtbank Den Haag 24-08-2026
- ECLI:NL:RBDHA:2026:25045 Rechtbank Den Haag 24-08-2026
- ECLI:NL:RBDHA:2026:25044 Rechtbank Den Haag 24-08-2026
- ECLI:NL:RBDHA:2026:24995 Rechtbank Den Haag 19-08-2026
- ECLI:NL:RBDHA:2026:25023 Rechtbank Den Haag 19-08-2026
- ECLI:NL:RBDHA:2026:25021 Rechtbank Den Haag 19-08-2026
- ECLI:NL:RBDHA:2026:25020 Rechtbank Den Haag 19-08-2026
- ECLI:NL:RBDHA:2026:25015 Rechtbank Den Haag 19-08-2026
- ECLI:NL:RBDHA:2026:25013 Rechtbank Den Haag 19-08-2026
- ECLI:NL:RBDHA:2026:25011 Rechtbank Den Haag 19-08-2026
- ECLI:NL:RBDHA:2026:25003 Rechtbank Den Haag 19-08-2026
- ECLI:NL:RBDHA:2026:24989 Rechtbank Den Haag 19-08-2026
- ECLI:NL:RBDHA:2026:23990 Rechtbank Den Haag 12-08-2026
- ECLI:NL:RBDHA:2026:24001 Rechtbank Den Haag 12-08-2026
- ECLI:NL:RBDHA:2026:24318 Rechtbank Den Haag 12-08-2026
- ECLI:NL:RBDHA:2026:24320 Rechtbank Den Haag 12-08-2026
- ECLI:NL:RBDHA:2026:24537 Rechtbank Den Haag 12-08-2026
- ECLI:NL:RBDHA:2026:24503 Rechtbank Den Haag 12-08-2026
- ECLI:NL:RBDHA:2026:24504 Rechtbank Den Haag 12-08-2026
- ECLI:NL:RBDHA:2026:24883 Rechtbank Den Haag 12-08-2026
- ECLI:NL:RBDHA:2026:23830 Rechtbank Den Haag 07-08-2026
- ECLI:NL:RBDHA:2026:23840 Rechtbank Den Haag 07-08-2026
- ECLI:NL:RBDHA:2026:24848 Rechtbank Den Haag 07-08-2026
- ECLI:NL:RBDHA:2026:23992 Rechtbank Den Haag 07-08-2026
- ECLI:NL:RBDHA:2026:23535 Rechtbank Den Haag 07-08-2026
- ECLI:NL:RBDHA:2026:23540 Rechtbank Den Haag 07-08-2026
- ECLI:NL:RBDHA:2026:23831 Rechtbank Den Haag 07-08-2026
- ECLI:NL:RBDHA:2026:22642 Rechtbank Den Haag 07-08-2026
- ECLI:NL:RBDHA:2026:24861 Rechtbank Den Haag 07-08-2026
- ECLI:NL:RBDHA:2026:24860 Rechtbank Den Haag 07-08-2026
- ECLI:NL:RBDHA:2026:24884 Rechtbank Den Haag 06-08-2026
- ECLI:NL:RBDHA:2026:21819 Rechtbank Den Haag 05-08-2026
- ECLI:NL:RBDHA:2026:24875 Rechtbank Den Haag 05-08-2026
- ECLI:NL:RBDHA:2026:24873 Rechtbank Den Haag 05-08-2026
- ECLI:NL:RBDHA:2026:24872 Rechtbank Den Haag 05-08-2026
- ECLI:NL:RBDHA:2026:24862 Rechtbank Den Haag 04-08-2026
- ECLI:NL:RBDHA:2026:24849 Rechtbank Den Haag 04-08-2026
- ECLI:NL:RBDHA:2026:24850 Rechtbank Den Haag 04-08-2026
- ECLI:NL:RBDHA:2026:24851 Rechtbank Den Haag 04-08-2026
- ECLI:NL:RBDHA:2026:24853 Rechtbank Den Haag 04-08-2026
- ECLI:NL:RBDHA:2026:24855 Rechtbank Den Haag 04-08-2026
- ECLI:NL:RBDHA:2026:24856 Rechtbank Den Haag 04-08-2026
- ECLI:NL:RBDHA:2026:24857 Rechtbank Den Haag 04-08-2026
- ECLI:NL:RBDHA:2026:24868 Rechtbank Den Haag 04-08-2026
- ECLI:NL:RBDHA:2026:21700 Rechtbank Den Haag 31-07-2026
- ECLI:NL:RBDHA:2026:23991 Rechtbank Den Haag 31-07-2026
- ECLI:NL:RBDHA:2026:24846 Rechtbank Den Haag 31-07-2026
- ECLI:NL:RBDHA:2026:23995 Rechtbank Den Haag 31-07-2026
- ECLI:NL:RBDHA:2026:24541 Rechtbank Den Haag 31-07-2026
Volledige tekst
Volledige tekst (9.876 tekens)
uitspraak
RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Utrecht Bestuursrecht zaaknummer: NL26.30231
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[eiseres]
, eiseres, V-nummer: [V-nummer] (gemachtigde: mr. D.J. Keiman),
en
de minister van Asiel en Migratie, de minister, (gemachtigde: A. Salim).
Procesverloop
Deze uitspraak gaat over het beroep dat eiseres op 31 mei 2026 heeft ingediend, omdat de minister volgens haar niet op tijd heeft beslist op haar aanvraag van 7 oktober 2025 tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd (hierna: aanvraag).
De minister heeft op 25 juni 2026 met een verweerschrift op het beroep gereageerd.
Overwegingen
De rechtbank vindt een zitting niet nodig en heeft partijen gevraagd of zij het daarmee eens zijn. Omdat partijen daarna niet om een zitting hebben gevraagd, heeft de rechtbank het onderzoek gesloten en de zaak niet behandeld op een zitting.1
Als een bestuursorgaan niet op tijd op een aanvraag beslist, dan kan de betrokkene daartegen in beroep gaan. Voordat hij beroep kan instellen, moet de betrokkene schriftelijk aan het bestuursorgaan laten weten dat binnen twee weken alsnog moet worden beslist op zijn aanvraag (de zogenoemde ingebrekestelling). Als er na twee weken nog steeds geen besluit is genomen, dan kan de betrokkene beroep instellen.2
Is het beroep van eiseres ontvankelijk en gegrond?
3. De minister heeft de aanvraag op 7 oktober 2025 ontvangen. De beslistermijn is zes maanden en eindigde op 7 april 2026.3 Binnen die termijn heeft de minister niet beslist op de aanvraag. Eiseres heeft de minister op 13 mei 2026 en dus tijdig in gebreke gesteld. Voorts
1. Artikel 8:57, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).
2 Artikel 6:2, onder b, en 6:12, tweede lid, van de Awb.
3 Artikel 42, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (zoals dat gold vóór 12 juni 2026).
heeft eiseres meer dan twee weken na de ingebrekestelling beroep ingesteld tegen het uitblijven van een beslissing. Het beroep is daarom ontvankelijk en gegrond.
Welke nadere beslistermijn legt de rechtbank aan de minister op?
4. De rechtbank geeft de minister in beginsel een termijn van twee weken na de dag van verzending van de uitspraak om alsnog een besluit te nemen. Er kunnen omstandigheden zijn die ervoor zorgen dat de rechtbank een andere termijn geeft.4 In deze zaak is dit aan de orde.
5. Tot voor kort hanteerde de rechtbank bij het bepalen van een nadere beslistermijn het zogeheten 8+8-wekenmodel.5
6. Op 12 juni 2026 is het Asiel- en Migratiepact (AMP) in werking getreden. Met de inwerkingtreding van het AMP en de nieuwe Procedureverordening is de voornemenprocedure komen te vervallen.6 Het vervallen van de voornemenprocedure strekt ertoe de asielprocedure te vereenvoudigen en, mede gelet op de verkorte beslistermijnen uit de Procedureverordening, de besluitvorming te versnellen.7
7. De minister heeft in het verweerschrift toegelicht dat hij door het vervallen van de voornemenprocedure meer ruimte heeft gekregen om zelf te bepalen welke stappen nodig zijn om een zorgvuldig besluit te kunnen nemen. Desondanks kampt de minister nog altijd met een grote voorraad aan asielaanvragen waarop nog niet is beslist. Het is volgens de minister nu niet mogelijk om precies aan te geven wanneer wel op deze aanvragen, waaronder de asielaanvraag van eiseres, zal worden beslist. Omdat de rechtbank aan haar uitspraak een nadere beslistermijn zal moeten verbinden, vraagt de minister de rechtbank om een nadere beslistermijn van twaalf weken op te leggen. Deze termijn is volgens de minister niet onnodig lang, maar ook niet onrealistisch kort.
8. De rechtbank ziet in het voorgaande aanleiding om het 8+8-wekenmodel te verlaten. Als uitgangspunt zal de rechtbank voortaan de volgende nadere beslistermijnen hanteren:
9. Indien de vreemdeling nog niet is gehoord over zijn asielmotieven, dan krijgt de minister een termijn van acht weken voor het afnemen van een gehoor en vervolgens een termijn van vier weken voor het nemen van een beslissing. In totaal dus een nadere beslistermijn van maximaal twaalf weken.
10. Indien de vreemdeling wel is gehoord over zijn asielmotieven, dan krijgt de minister een termijn van vier weken voor het nemen van een beslissing.
11. Indien de vreemdeling nog niet is gehoord over zijn asielmotieven én de uiterste beslistermijn van 21 maanden8 is inmiddels verstreken én/of het betreft een opvolgend beroep tegen het niet tijdig beslissen, dan krijgt de minister een termijn van vier weken voor het afnemen van een gehoor en vervolgens een termijn van twee weken voor het nemen van een beslissing. In totaal dus een nadere beslistermijn van maximaal zes weken.
12. Indien de vreemdeling wel is gehoord over zijn asielmotieven én de uiterste beslistermijn van 21 maanden is inmiddels verstreken én/of het betreft een opvolgend beroep tegen het niet
4 Artikel 8:55d, eerste en derde lid, van de Awb.
5 ECLI:NL:RVS:2020:1560.
6 Stb. 2026, 127.
7 Kamerstukken II 2025/26, 36 871, nr. 3, p. 46 & 47.
8 Artikel 31, vijfde lid, van de Procedurerichtlijn.
tijdig beslissen, dan krijgt de minister een termijn van twee weken voor het nemen van een beslissing.
De rechtbank benadrukt dat de genoemde termijnen een uitgangspunt zijn. In individuele zaken kan de rechtbank hiervan afwijken.
9. In de onderhavige zaak is eiseres nog niet gehoord over haar asielmotieven. De rechtbank bepaalt dat de minister binnen acht weken na de dag van verzending van deze uitspraak een gehoor moet afnemen en binnen vier weken daarna het besluit op de aanvraag bekend moet maken.
De rechtbank verbindt een rechterlijke dwangsom aan de uitspraak
10. De rechtbank verlaat de lijn waarbij in de regel een dwangsom van € 100,- per dag werd verbonden voor elke dag waarmee de minister de nadere beslistermijn overschrijdt. De rechtbank verwijst in dit verband naar de nieuwe aanbeveling die in dit verband geldt. 9 De rechtbank verbindt aan haar uitspraak een dwangsom van € 50,- voor elke dag waarmee de minister de in de uitspraak bepaalde beslistermijn overschrijdt. Het maximum is € 15.000,-. De rechtbank ziet geen aanleiding om in deze zaak van de aanbeveling af te wijken.
Conclusie en gevolgen
11. Het beroep is gegrond. Dat betekent dat eiseres gelijk krijgt en dat de minister binnen twaalf weken alsnog een besluit op de aanvraag bekend moet maken. Als de minister dat niet doet, dan verbeurt hij een dwangsom.
12. Omdat het beroep gegrond is, krijgt eiseres ook een vergoeding voor de proceskosten die zij heeft gemaakt. De minister moet dit betalen. Volgens het Besluit proceskosten bestuursrecht is dit een vast bedrag, omdat eiseres een professionele (juridische) hulpverlener heeft ingeschakeld om voor haar een beroepschrift in te dienen. Omdat de zaak alleen gaat over de vraag of de beslistermijn is overschreden, wordt een lager bedrag toegekend. Verder zijn er geen kosten gemaakt die vergoed kunnen worden. Toegekend wordt € 467,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift, met een waarde per punt van € 934,- en een wegingsfactor 0,5).
9 Artikel 8:55d, tweede lid, van de Awb. Zie https://www.rechtspraak.nl/voor-advocaten-en-juristen/reglementen-procedures-en-formulieren/bestuursrecht/aanbeveling-rechterlijke-dwangsom-bij-beroep-niet-tijdig-beslissen-in-vreemdelingenzaken.
Beslissing
De rechtbank:
verklaart het beroep gegrond;
vernietigt het met een besluit gelijk te stellen niet tijdig nemen van een besluit;
draagt de minister op om binnen acht weken na de dag van verzending van de uitspraak een gehoor over de asielmotieven van eiseres af te nemen en binnen vier weken nadien een besluit op de aanvraag bekend te maken, in ieder geval binnen twaalf weken na de dag van verzending van deze uitspraak;
bepaalt dat de minister aan eiseres een dwangsom van € 50,- moet betalen voor elke dag waarmee hij de hiervoor genoemde termijn overschrijdt, met een maximum van € 15.000,-;
veroordeelt de minister in de proceskosten van eiseres tot een bedrag van € 467,-.
Deze uitspraak is gedaan door mr. R.J.A. Schaaf, rechter, in aanwezigheid van mr. A.W. van Eerden, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
20 juli 2026
Documentcode: [Documentcode]
Bent u het niet eens met deze uitspraak?
Als u het niet eens bent met deze uitspraak, kunt u een brief sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin u uitlegt waarom u het er niet mee eens bent. Dit heet een hogerberoepschrift. U moet dit hogerberoepschrift indienen binnen vier weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. U ziet deze datum hierboven.
RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Utrecht Bestuursrecht zaaknummer: NL26.30231
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[eiseres]
, eiseres, V-nummer: [V-nummer] (gemachtigde: mr. D.J. Keiman),
en
de minister van Asiel en Migratie, de minister, (gemachtigde: A. Salim).
Procesverloop
Deze uitspraak gaat over het beroep dat eiseres op 31 mei 2026 heeft ingediend, omdat de minister volgens haar niet op tijd heeft beslist op haar aanvraag van 7 oktober 2025 tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd (hierna: aanvraag).
De minister heeft op 25 juni 2026 met een verweerschrift op het beroep gereageerd.
Overwegingen
De rechtbank vindt een zitting niet nodig en heeft partijen gevraagd of zij het daarmee eens zijn. Omdat partijen daarna niet om een zitting hebben gevraagd, heeft de rechtbank het onderzoek gesloten en de zaak niet behandeld op een zitting.1
Als een bestuursorgaan niet op tijd op een aanvraag beslist, dan kan de betrokkene daartegen in beroep gaan. Voordat hij beroep kan instellen, moet de betrokkene schriftelijk aan het bestuursorgaan laten weten dat binnen twee weken alsnog moet worden beslist op zijn aanvraag (de zogenoemde ingebrekestelling). Als er na twee weken nog steeds geen besluit is genomen, dan kan de betrokkene beroep instellen.2
Is het beroep van eiseres ontvankelijk en gegrond?
3. De minister heeft de aanvraag op 7 oktober 2025 ontvangen. De beslistermijn is zes maanden en eindigde op 7 april 2026.3 Binnen die termijn heeft de minister niet beslist op de aanvraag. Eiseres heeft de minister op 13 mei 2026 en dus tijdig in gebreke gesteld. Voorts
1. Artikel 8:57, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).
2 Artikel 6:2, onder b, en 6:12, tweede lid, van de Awb.
3 Artikel 42, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (zoals dat gold vóór 12 juni 2026).
heeft eiseres meer dan twee weken na de ingebrekestelling beroep ingesteld tegen het uitblijven van een beslissing. Het beroep is daarom ontvankelijk en gegrond.
Welke nadere beslistermijn legt de rechtbank aan de minister op?
4. De rechtbank geeft de minister in beginsel een termijn van twee weken na de dag van verzending van de uitspraak om alsnog een besluit te nemen. Er kunnen omstandigheden zijn die ervoor zorgen dat de rechtbank een andere termijn geeft.4 In deze zaak is dit aan de orde.
5. Tot voor kort hanteerde de rechtbank bij het bepalen van een nadere beslistermijn het zogeheten 8+8-wekenmodel.5
6. Op 12 juni 2026 is het Asiel- en Migratiepact (AMP) in werking getreden. Met de inwerkingtreding van het AMP en de nieuwe Procedureverordening is de voornemenprocedure komen te vervallen.6 Het vervallen van de voornemenprocedure strekt ertoe de asielprocedure te vereenvoudigen en, mede gelet op de verkorte beslistermijnen uit de Procedureverordening, de besluitvorming te versnellen.7
7. De minister heeft in het verweerschrift toegelicht dat hij door het vervallen van de voornemenprocedure meer ruimte heeft gekregen om zelf te bepalen welke stappen nodig zijn om een zorgvuldig besluit te kunnen nemen. Desondanks kampt de minister nog altijd met een grote voorraad aan asielaanvragen waarop nog niet is beslist. Het is volgens de minister nu niet mogelijk om precies aan te geven wanneer wel op deze aanvragen, waaronder de asielaanvraag van eiseres, zal worden beslist. Omdat de rechtbank aan haar uitspraak een nadere beslistermijn zal moeten verbinden, vraagt de minister de rechtbank om een nadere beslistermijn van twaalf weken op te leggen. Deze termijn is volgens de minister niet onnodig lang, maar ook niet onrealistisch kort.
8. De rechtbank ziet in het voorgaande aanleiding om het 8+8-wekenmodel te verlaten. Als uitgangspunt zal de rechtbank voortaan de volgende nadere beslistermijnen hanteren:
9. Indien de vreemdeling nog niet is gehoord over zijn asielmotieven, dan krijgt de minister een termijn van acht weken voor het afnemen van een gehoor en vervolgens een termijn van vier weken voor het nemen van een beslissing. In totaal dus een nadere beslistermijn van maximaal twaalf weken.
10. Indien de vreemdeling wel is gehoord over zijn asielmotieven, dan krijgt de minister een termijn van vier weken voor het nemen van een beslissing.
11. Indien de vreemdeling nog niet is gehoord over zijn asielmotieven én de uiterste beslistermijn van 21 maanden8 is inmiddels verstreken én/of het betreft een opvolgend beroep tegen het niet tijdig beslissen, dan krijgt de minister een termijn van vier weken voor het afnemen van een gehoor en vervolgens een termijn van twee weken voor het nemen van een beslissing. In totaal dus een nadere beslistermijn van maximaal zes weken.
12. Indien de vreemdeling wel is gehoord over zijn asielmotieven én de uiterste beslistermijn van 21 maanden is inmiddels verstreken én/of het betreft een opvolgend beroep tegen het niet
4 Artikel 8:55d, eerste en derde lid, van de Awb.
5 ECLI:NL:RVS:2020:1560.
6 Stb. 2026, 127.
7 Kamerstukken II 2025/26, 36 871, nr. 3, p. 46 & 47.
8 Artikel 31, vijfde lid, van de Procedurerichtlijn.
tijdig beslissen, dan krijgt de minister een termijn van twee weken voor het nemen van een beslissing.
De rechtbank benadrukt dat de genoemde termijnen een uitgangspunt zijn. In individuele zaken kan de rechtbank hiervan afwijken.
9. In de onderhavige zaak is eiseres nog niet gehoord over haar asielmotieven. De rechtbank bepaalt dat de minister binnen acht weken na de dag van verzending van deze uitspraak een gehoor moet afnemen en binnen vier weken daarna het besluit op de aanvraag bekend moet maken.
De rechtbank verbindt een rechterlijke dwangsom aan de uitspraak
10. De rechtbank verlaat de lijn waarbij in de regel een dwangsom van € 100,- per dag werd verbonden voor elke dag waarmee de minister de nadere beslistermijn overschrijdt. De rechtbank verwijst in dit verband naar de nieuwe aanbeveling die in dit verband geldt. 9 De rechtbank verbindt aan haar uitspraak een dwangsom van € 50,- voor elke dag waarmee de minister de in de uitspraak bepaalde beslistermijn overschrijdt. Het maximum is € 15.000,-. De rechtbank ziet geen aanleiding om in deze zaak van de aanbeveling af te wijken.
Conclusie en gevolgen
11. Het beroep is gegrond. Dat betekent dat eiseres gelijk krijgt en dat de minister binnen twaalf weken alsnog een besluit op de aanvraag bekend moet maken. Als de minister dat niet doet, dan verbeurt hij een dwangsom.
12. Omdat het beroep gegrond is, krijgt eiseres ook een vergoeding voor de proceskosten die zij heeft gemaakt. De minister moet dit betalen. Volgens het Besluit proceskosten bestuursrecht is dit een vast bedrag, omdat eiseres een professionele (juridische) hulpverlener heeft ingeschakeld om voor haar een beroepschrift in te dienen. Omdat de zaak alleen gaat over de vraag of de beslistermijn is overschreden, wordt een lager bedrag toegekend. Verder zijn er geen kosten gemaakt die vergoed kunnen worden. Toegekend wordt € 467,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift, met een waarde per punt van € 934,- en een wegingsfactor 0,5).
9 Artikel 8:55d, tweede lid, van de Awb. Zie https://www.rechtspraak.nl/voor-advocaten-en-juristen/reglementen-procedures-en-formulieren/bestuursrecht/aanbeveling-rechterlijke-dwangsom-bij-beroep-niet-tijdig-beslissen-in-vreemdelingenzaken.
Beslissing
De rechtbank:
verklaart het beroep gegrond;
vernietigt het met een besluit gelijk te stellen niet tijdig nemen van een besluit;
draagt de minister op om binnen acht weken na de dag van verzending van de uitspraak een gehoor over de asielmotieven van eiseres af te nemen en binnen vier weken nadien een besluit op de aanvraag bekend te maken, in ieder geval binnen twaalf weken na de dag van verzending van deze uitspraak;
bepaalt dat de minister aan eiseres een dwangsom van € 50,- moet betalen voor elke dag waarmee hij de hiervoor genoemde termijn overschrijdt, met een maximum van € 15.000,-;
veroordeelt de minister in de proceskosten van eiseres tot een bedrag van € 467,-.
Deze uitspraak is gedaan door mr. R.J.A. Schaaf, rechter, in aanwezigheid van mr. A.W. van Eerden, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
20 juli 2026
Documentcode: [Documentcode]
Bent u het niet eens met deze uitspraak?
Als u het niet eens bent met deze uitspraak, kunt u een brief sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin u uitlegt waarom u het er niet mee eens bent. Dit heet een hogerberoepschrift. U moet dit hogerberoepschrift indienen binnen vier weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. U ziet deze datum hierboven.